Bijlage 10 Quickscan ecologie.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING BAHRSEWEG (ONG.) TE WEHL
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Bahrseweg (ong.) te Wehl Opdrachtgever
Kronos Solar Projects GmbH Petersplatz 10 80331 München
Rapportnummer Versienummer
11606.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
14 januari 2020
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
F.M. van der Heide, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
T.M. Boom, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
6
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Grondgebonden zoogdieren ........................................................................................... 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Overige soorten .............................................................................................................. 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9
Vogels ............................................................................................................................. 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 11606.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Kronos Solar Projects GmbH opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming aan de Bahrseweg (ong.) te Wehl. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van een zonnepark en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 1 van 24
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 12,8 ha) ligt aan de Bahrseweg (ong.), circa 1,8 km ten noorden van de kern van Wehl. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 212.440, Y = 443.140. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft meerdere agrarische percelen, die de laatste jaren in gebruik als grasland. De directe omgeving van de onderzoekslocatie bestaat eveneens uit agrarische percelen en boerderijen. Op circa 1,3 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie stroomt de Oude IJssel. Circa 4,4 km ten zuidoosten van de onderzoekslocatie ligt de kern van Doetinchem. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 14 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 19 december 2019).
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 2 van 24
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Westelijk deel onderzoekslocatie, gezien van het zuiden.
Figuur 4. Westelijk deel onderzoekslocatie, gezien vanuit het zuidwesten.
Figuur 5. Westelijk deel onderzoekslocatie, gezien vanuit het noorden.
Figuur 6. Westelijk deel onderzoekslocatie, gezien vanuit het noordoosten.
Figuur 7. Bomenrij langs oostzijde Bahrseweg, gezien vanuit het noordoosten.
Figuur 8. Oostelijk deel onderzoekslocatie, gezien vanuit het noorden.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 3 van 24
Figuur 9. Knotwilgen op het oostelijk deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 10. Oostelijk deel van de onderzoekslocatie, gezien vanuit oosten.
Figuur 11. Oostelijk deel van de onderzoekslocatie, gezien vanuit het zuiden.
Figuur 12. Rij knotwilgen langs zuidgrens van oostelijk deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 13. Geplukte vogel onder knotwilgen langs zuidgrens van oostelijk deel van de onderzoekslocatie.
Figuur 14. Bomenrij langs oostzijde van Bahrseweg.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 4 van 24
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren binnen de onderzoekslocatie. Het zonnepark wordt landschappelijk ingepast en de bomen en sloten blijven behouden. Voor het zonnepark is een voorlopig inpassingsplan opgesteld. Dit plan dient nog verder te worden afgestemd met de grondeigenaar. In dit voorlopige plan wordt aan de oostzijde van de Bahrseweg de beplanting aangesterkt en voortgezet. Rond het gehele zonnepark worden struweelhagen met een breedte van 1-2m aangebracht. Aan weerszijden van de Bahrseweg worden koeienpassages aangebracht met een breedte van circa 3m. In figuur 15 is het voorlopig inpassingsplan weergegeven.
Figuur 15. Voorlopig inpassingsplan.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 5 van 24
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 19 december 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Vanwege de aanwezigheid van boomholten is er met behulp van een zaklantaarn gezocht naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, overige zoogdieren en vogels. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.
Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 6 van 24
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 7 van 24
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 8 van 24
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van de desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 9 van 24
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ransuil, roek en steenuil. Van deze soorten kunnen de huismus en de kerkuil op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten zijn voor wat betreft hun nestplaats volledig aangewezen op menselijke bebouwing of speciale nestkasten. Boomvalk, buizerd, ransuil en roek De boomvalk, buizerd, ransuil en roek komen volgens verspreidingsgegevens van Sovon voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze soorten broeden in hoge bomen. Langs delen van de randen van de onderzoekslocatie staan bomen. Tijdens het veldbezoek is in geen van deze bomen een nest aangetroffen van één van de voornoemde soorten. Bovendien blijven alle bomen behouden bij de voorgenomen plannen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de boomvalk, buizerd, ransuil en roek is uitgesloten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart nestelt vrijwel uitsluitend in de directe omgeving van stromend water onder bijvoorbeeld bruggen, in nissen van muurtjes of onder boomwortels op oevers. Binnen de onderzoekslocatie zijn enkele sloten aanwezig (zie fig. 4 en 5). Deze zijn ongeschikt als broedlocatie voor de grote gele kwikstaart.
Aangezien er geen geschikt oppervlaktewater op of in de omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig is, kan een broedgeval van een grote gele kwikstaart redelijkerwijs worden uitgesloten. Derhalve is een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de grote gele kwikstaart als gevolg van de voorgenomen ingreep redelijkerwijs uitgesloten. Steenuil Het leefgebied van de steenuil bestaat uit kleinschalig cultuurlandschap en heeft veel variatie met een afwisseling van heggen, oude bomen en weides met lage vegetatie. De steenuil jaagt vanaf zitplaatsen als lage bomen of paaltjes. De soort broedt met name in holtes van lage bomen, in het bijzonder knotwilgen en oude fruitbomen, alsmede in speciale nestkasten. Volgens verspreidingsgegevens van Sovon komt de soort in de omgeving voor. In het NDFF Uitvoerportaal staan 164 waarnemingen van de steenuil in de omgeving van de onderzoekslocatie gedurende de afgelopen vijf jaar. De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan op circa 150 m ten noorden van de onderzoekslocatie. Binnen het oostelijk deel van de onderzoekslocatie zijn geschikte nestbomen aanwezig voor de steenuil. Het betreft de vele oude knotwilgen. Binnen de onderzoekslocatie is daarnaast geschikt foerageerhabitat aanwezig.
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen en foerageerhabitat van de steenuil zijn niet op voorhand uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 10 van 24
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.2
Algemene broedvogels
De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals merel, roodborst en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. In het NDFF Uitvoerportaal staan waarnemingen van de volgende soorten in de omgeving van de onderzoekslocatie gedurende de afgelopen 10 jaar: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is niet aan de orde. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Dit is aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat Het mogelijke verlies van foerageerhabitat door de voorgenomen ingrepen in de onderzoekslocatie is relatief groot. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat de impact van de ingreep op de lokale populatie kan zijn (zie hoofdstuk 6).
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 11 van 24
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen zijn aanwezig binnen de onderzoekslocatie in de vorm van bomenrijen, met name langs de Bahrseweg, de knotwilgen en de sloten binnen de onderzoekslocatie. Echter, doordat deze lijnvormige elementen behouden blijven worden geen potentiële vliegroutes verstoord. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vliegroutes is niet aan de orde. 5.3
Grondgebonden zoogdieren
Vrijwel alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1 Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF Verspreidingsatlas ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, boommarter, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, otter, steenmarter en wezel. Bever De bever is gebonden aan water. De aanwezigheid van bomen als wilg en populier langs de oever is daarbij een vereiste. Dergelijk habitat is binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie niet aanwezig. Ten noorden van de onderzoekslocatie stroomt de Oude IJssel. Binnen de onderzoekslocatie zelf is, afgezien van enkele (smalle) sloten, geen water aanwezig. Tevens is er geen bos aanwezig. Volgens het NDFF Uitvoerportaal is de bever de afgelopen 10 jaar 49 keer waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Alle waarnemingen zijn gedaan rond de Oude IJssel. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van de bever aangetroffen.
Wegens het ontbreken van geschikt habitat binnen en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, meldingen in het NDFF van waarnemingen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie en gebruikssporen tijdens het veldbezoek zijn overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de bever uitgesloten. Boommarter De boommarter prefereert bosgebied als habitat en komt vrijwel niet buiten het bos voor. Binnen de onderzoekslocatie staan enkele knotwilgen en een rij elzen langs de oostzijde van de Bahrseweg. Deze blijven behouden. De onderzoekslocatie bestaat verder uit open grasland. Daardoor is er geen geschikt habitat voor de boommarter aanwezig. In het NDFF Uitvoerportaal staan 103 waarnemingen van een boommarter gedurende de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze waarnemingen zijn gedaan nagenoeg allemaal afkomstig van een bosperceel ten noorden van de kern van Doetinchem, circa 3,5 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen boommarters, sporen daarvan of geschikte nestbomen aangetroffen. Vanwege het open karakter van de onderzoekslocatie zal de boommarter de onderzoekslocatie niet gebruiken om te foerageren. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de boommarter is uitgesloten.
Das De das heeft een rust- of verblijfplaats doorgaans in een beschutte omgeving met veel schuilmogelijkheden als het bos. Hun burcht ligt doorgaans in een reliëfrijk gebied. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. In het NDFF staan 16 meldingen van waarnemingen van de das in
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 12 van 24
de omgeving van de onderzoekslocatie. Het merendeel van de waarnemingen is gedaan in bosgebieden in de omgeving. De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan in 2019, circa 700 m ten noordoosten van de onderzoekslocatie. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen bosgebieden en de aansluitende weilanden. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Eekhoorn De eekhoorn komt voornamelijk voor in bosrijke omgeving. De eekhoorn maakt daar een bolvormig nest op minstens 5 m van de grond in een boom. Binnen de onderzoekslocatie zijn enkel knotwilgen en een bomenrij aanwezig, het overige deel bestaat uit open grasland. Ook de omgeving van de onderzoekslocatie is weinig bebost. De bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen. Tevens blijven de bomen behouden. In het NDFF staan 39 meldingen van waarnemingen van de eekhoorn in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze waarnemingen zijn afkomstig van een bosperceel ten noorden van de kern van Doetinchem, circa 3,5 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie.
Wegens het ontbreken van geschikt habitat, nesten binnen de onderzoekslocatie en waarnemingen binnen de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan de aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats van de eekhoorn binnen de onderzoekslocatie worden uitgesloten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de eekhoorn is uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen als bunzing, hermelijn en wezel bevinden zich doorgaans in konijnenholen, muizenholen, of geschikte boomholtes. Daarnaast gebruiken zij lijnvormige landschapselementen als houtwallen en hagen om zich tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden te verplaatsen. Binnen de onderzoekslocatie zijn meerdere groene lijnvormige landschapselementen aanwezig, zoals de rijen knotwilgen, sloten en bomenrij langs de Bahrseweg, welke potentieel habitat vormen voor de bunzing, hermelijn en wezel. Deze lijnvormige elementen blijven bij het huidig inrichtingsplan behouden. In het NDFF Uitvoerportaal staan van de hermelijn geen meldingen van waarnemingen in de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. In het NDFF Uitvoerportaal staan 17 meldingen van waarnemingen van de bunzing en wezel in de afgelopen 10 jaar. Deze waarnemingen zijn gedaan in de wijdere omgeving.
De dichtstbijzijnde waarneming betreft een waarneming van een bunzing gedaan in 2016, circa 900 m ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen als uitwerpselen of prooiresten aangetroffen. Aangezien het bestaande habitat behouden blijft en de lijnvormige structuren binnen onderzoekslocatie worden versterkt, door het aanbrengen van struweelhagen en doorzetten van de bomenrij, neemt het beschikbaar habitat voor kleine marterachtigen toe en zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van kleine marterachtigen uitgesloten. Otter De otter leeft langs de oevers van stromend, schoon, en zoet water van bijvoorbeeld kanalen, meren en rivieren. Voldoende dekking, rust en voedsel is hierbij van belang. Aangezien dergelijk leefgebied ontbreekt binnen de onderzoekslocatie zijn vaste rust- of verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen otters of ottersporen waargenomen. Volgens het NDFF Uitvoerportaal is de otter de afgelopen 10 jaar 96 keer waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Alle waarnemingen zijn gedaan langs de noordelijker gelegen Oude IJssel. De dichtstbijzijnde waarneming betreft een waarneming gedaan in 2011, circa 1,0 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie.
Op basis van het ontbreken van geschikt habitat, sporen en waarnemingen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan met voldoende zekerheid gesteld worden dat overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de otter uit te sluiten zijn.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 13 van 24
Steenmarter Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De onderzoekslocatie vormt wegens het ontbreken van bebouwing geen geschikt habitat voor de steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn tevens geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. In het NDFF uitvoerportaal staan 110 meldingen van waarnemingen van een steenmarter in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Het merendeel van de waarnemingen is gedaan in stedelijk gebied in de omgeving. De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan bij een boerderij nabij de kern van Wehl, circa 1 km ten zuiden van de onderzoekslocatie. Gelet op het ontbreken van geschikt habitat, sporen en waarnemingen in de directe omgeving kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de steenmarter is uitgesloten. Overige streng beschermde soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld.
Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2 Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als haas, konijn en diverse algemene muis- en spitsmuissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
5.4.1 Reptielen Volgens de Verspreidingsatlas Reptielen van de NDFF en RAVON komen de volgende beschermde reptielensoort voor binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie: hazelworm en levendbarende hagedis. In het NDFF Uitvoerportaal staan 28 meldingen van waarnemingen van beschermde reptielen gedurende de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze waarnemingen zijn voornamelijk afkomstig van een bosperceel ten noorden van de kern van Doetinchem, circa 3,5 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie. De dichtstbijzijnde waarneming betreft een waarneming gedaan in 2019, circa 300 m ten noorden van de onderzoekslocatie. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde reptielensoorten is uitgesloten. 5.4.2 Amfibieën Volgens de Verspreidingsatlas Amfibieën van de NDFF en RAVON komen de volgende amfibieënsoorten binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie voor: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad.
In het NDFF Uitvoerportaal staan waarnemingen van de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad in de omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar. De beschermde heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad, soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn waargenomen in een bosperceel ten noorden van de kern van Doetinchem, circa 3,5 km ten noordoosten van de onderzoekslocatie. Voor de overige waargenomen soorten geldt een provinciale vrijstelling.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 14 van 24
De sloten binnen de onderzoekslocatie kunnen incidenteel gebruikt worden als voortplantingshabitat door algemene soorten. De sloten blijven echter behouden. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten incidenteel beschutting vinden tussen ruigte en onder de takkenhopen rond de bomen. De voorgenomen werkzaamheden leiden mogelijk tot negatieve gevolgen voor algemene soorten. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is (zie hoofdstuk 6). 5.4.3 Vissen Het aanwezige oppervlaktewater blijft behouden binnen het inrichtingsplan, waardoor er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten zijn met betrekking tot beschermde vissoorten, zoals de grote modderkruiper. 5.5
Ongewervelden
5.5.1 Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Aangezien dergelijke specifieke habitatkenmerken ontbreken zijn beschermde soorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. 5.5.2 Vlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. 5.6
Overige soorten
Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.7
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit begraasd en bemest weiland, met daarnaast een pioniervegetatie met verschillende ruigtesoorten, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 15 van 24
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Vogels
6.1.1
Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Steenuil De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-Vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen. Dit zijn:
de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats; de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is.
De knotwilgen op de onderzoekslocatie vormen potentiële nestplaatsen. De voorgenomen ingreep leidt mogelijk tot verstoring, waardoor de nestplaatsen verloren kunnen gaan. Daarnaast gaat er door de plaatsing van zonnepanelen mogelijk foerageergebied verloren en is er mogelijk sprake van een negatieve invloed op het functioneel leefgebied. Door de voorgenomen ingreep wordt de Wet natuurbescherming mogelijk overtreden. Aanvullend onderzoek moet aantonen of de onderzoekslocatie door de steenuil gebruikt wordt en of er sprake is van negatieve effecten op het functioneel leefgebied van de soort. Indien er sprake is van verstoring of verlies van leefgebied dient er voor dit verlies gecompenseerd te worden binnen het territorium van de steenuil die op de onderzoekslocatie verblijft. 6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 16 van 24
Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
De knotwilgen op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De voorgenomen ingreep zou in geval van aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen kunnen leiden tot verstoring van de verblijfplaats en daardoor tot overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming . Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden.
Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Gelderland, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 17 van 24
6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 18 van 24
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Rijntakken, bevindt zich op circa 7,5 km afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 16).
Figuur 16. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura-2000 gebied Rijntakken. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect als stikstofdepositie zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. In dat kader dient er een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 19 van 24
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 600 m ten noorden van de onderzoekslocatie. In figuur 17 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone weergegeven.
Figuur 17. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De onderzoekslocatie is op circa 600 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 20 van 24
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie zijn gelegen buiten de vastgestelde grenzen van de bebouwde kom en vallen daardoor onder de Wet natuurbescherming. Aangezien de bomen geen onderdeel uitmaken van een aaneengesloten areaal bos van minimaal 10 are of een bomenrij van minimaal 21 bomen vallen de bomen op de onderzoekslocatie niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Bij het huidig planvoornemen worden geen bomen gekapt. Indien de plannen wijzigen en er bomen geveld worden geldt voor de kap van deze bomen geen meldingsplicht en herplantplicht onder de Wet natuurbescherming.
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 21 van 24
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Kronos Solar Projects GmbH een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Bahrseweg (ong.) te Wehl. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van een zonnepark en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren binnen de onderzoekslocatie. Het zonnepark wordt landschappelijk ingepast en de bomen en sloten blijven behouden. Voor het zonnepark is een voorlopig inpassingsplan opgesteld. Dit plan dient nog verder te worden afgestemd met de grondeigenaar. In dit voorlopige plan wordt aan de oostzijde van de Bahrseweg de beplanting aangesterkt en voortgezet. Rond het gehele zonnepark worden struweelhagen met een breedte van 1-2m aangebracht. Aan weerszijden van de Bahrseweg worden koeienpassages aangebracht met een breedte van circa 3m. In figuur 15 is het voorlopig inpassingsplan weergegeven. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I.
In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
Het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden.
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
mogelijk
Nader onderzoek naar aanwezigheid steenuil.
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
mogelijk
Nader onderzoek naar aanwezigheid boombewonende vleermuizen.
foerageergebied
ja
mogelijk
ja
mogelijk
Nader onderzoek naar aanwezigheid vleermuizen.
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als konijnen en diverse muis- en spitsmuissoorten.
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als bruine kikker en gewone pad.
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 22 van 24
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
7,5 km
mogelijk
ja
mogelijk
Natuurnetwerk Nederland
600 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
nee
nee
nee
nee
-
Econsultancy adviseert, gezien de huidige situatie rond wetgeving beschermde natuurgebieden en in het bijzonder stikstof, om een stikstofdepositieonderzoek uit te laten voeren.
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Ten aanzien van steenuilen dient voor aanvang van de voorgenomen ingreep duidelijk te zijn of de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de steenuil. Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van de steenuil aan de orde is. Het mogelijk aanwezige functioneel leefgebied vormt geen belemmering voor de voorgenomen plannen. Middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing kunnen de voorgenomen plannen alsnog worden uitgevoerd. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door bij het verwijderen van nestgelegenheden en vegetatie buiten het broedseizoen te werken. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd. Ten aanzien van vleermuizen is overtreding niet op voorhand uit te sluiten. Op basis van een aanvullend vleermuisonderzoek kan worden bepaald of overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de ingrepen aan de orde is. De mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuissoorten vormen echter geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging.
Middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing kunnen de voorgenomen plannen alsnog worden uitgevoerd. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt dat het verwijderen van materialen als bladeren, ruigte, takken en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden zorgvuldig dient te gebeuren. Voorkomen moet worden dat individuen gedood of verwond worden, bijvoorbeeld als gevolg van het beschadigen of vernielen van schuil- of voortplantingslocaties. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot bescherming van Natura 2000-gebieden geldt dat er gezien de afstand (± 7,5 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen externe effecten als gevolg van toename van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten zijn.
Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewe-
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 23 van 24
zen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. In dat kader dient er een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden. Aangezien de onderzoekslocatie is gelegen op circa 600 mm afstand van een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone, in combinatie met de aard en omvang van de voorgenomen plannen, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De bomen op de onderzoekslocatie zijn gelegen buiten de vastgestelde grenzen van de bebouwde kom en vallen daardoor onder de Wet natuurbescherming. Aangezien de bomen geen onderdeel uitmaken van een aaneengesloten areaal bos van minimaal 10 are of een bomenrij van minimaal 21 bomen vallen de bomen op de onderzoekslocatie niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Bij het huidig planvoornemen worden geen bomen gekapt. Indien de plannen wijzigen en er bomen geveld worden, geldt voor de kap van deze bomen geen meldingsplicht en herplantplicht onder de Wet natuurbescherming.
Econsultancy Zwolle, 14 januari 2020
Rapport 11606.001 versie D1
Pagina 24 van 24
GERAADPLEEGDE BRONNEN Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Wehl, periode 2010-2020 Algemene websites www.bij12.nl www.kadastralekaart.com www.nationaalgeoregister.nl www.overheid.nl www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën en reptielen) www.Sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vogelbescherming.nl (soortgegevens vogels) www.wetten.overheid.nl (Wet natuurbescherming) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.gelderland.nl (GNN en beschermde gebieden in Gelderland) www.gelderland.nl/Kaartenencijfers