Bijlage 1 Wijzigingslijst (overzicht met alle wijzigingen).pdf
Tekst van het document
Op te nemen of te wijzigen in de zesde wijziging van de Apv gemeente Doetinchem 2016. Huidige artikel Artikel 1:9 Lex silencio positivo Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening:
Voorgestelde artikel Artikel 1:9 Lex silencio positivo Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening:
- Artikel 2:9 Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest; - Artikel 5:8 Parkeren grote voertuigen; - Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen; - Artikel 5:23 Vergunning organisatie snuffelmarkt; - Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water.
- Artikel 2:9 Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest; - Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen; - Artikel 5:23 Vergunning organisatie snuffelmarkt; - Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water.
Artikel 2.1a Vechten op een openbare plaats 1. Het is verboden op een openbare plaats te vechten. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor plaatsen of gebouwen waar vechtsporten worden beoefend.
Artikel 2.1a Vechten op een openbare plaats [vervallen]
Toelichting Verderop in dit document wordt voorgesteld om artikel 5:8 te laten vervallen. Daarom wordt in artikel 1:9 de tekst van artikel 5:8 weggehaald.
Uit een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-WestBrabant van 2022, blijkt het volgende: “Op grond van artikel 121 Gemeentewet is de gemeente bevoegd tot het maken van (aanvullende) verordeningen, voor zover deze niet in strijd zijn met hogere regelingen. Uit rechtspraak volgt ook dat gelijkluidende bepalingen en duplicatie van een hogere regeling niet is toegestaan. Gelet de uitleg van de Hoge Raad van het begrip mishandeling, namelijk het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, valt vechten daar per definitie bijna onder. Vechten zonder een dergelijke gewaarwording aan het 1
lichaam te veroorzaken is nauwelijks denkbaar. In zoverre stelt de APV dezelfde gedragingen strafbaar zoals onder meer zijn opgenomen in artikelen 141, 300 en 303 Sr. Voor zover de officier van justitie heeft betoogd dat de verbodsbepaling is ingegeven om strafrechtelijk optreden mogelijk te maken ondanks het feit dat geen aangifte is gedaan overweegt de kantonrechter als volgt. De genoemde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht zijn geen klachtdelicten. Bij het ontbreken van aangifte wordt strafrechtelijk optreden in zoverre bemoeilijkt dat er een meestal belangrijk bewijsmiddel ontbreekt. Als het zo is dat de APV die bewijsnood tracht te ondervangen, dan is dat een aanwijzing dat ook het motief van de APV in het verlengde ligt van de strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht, en is de kantonrechter van oordeel dat ook dat motief buiten de gemeentelijke verordenende bevoegdheid valt. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de [Naam] buiten zijn verordende bevoegdheid is getreden door het vechtverbod op te nemen in de APV. Dit houdt in dat artikel 2:1, eerste lid van de APV voor zover dit het vechtverbod betreft, in deze zaak verbindende kracht wordt ontzegd.
Verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.” Dit artikel stelt dezelfde gedragingen strafbaar stelt als artikelen 300 (mishandeling), 303 (verbod op deelnemen aan een vechtpartij of aanval) en 141
2
(openlijk geweld) Wetboek van Strafrecht. Strafbaar stellen wat al strafbaar is, valt buiten de bevoegdheid van de Apv. Bij strafrechtelijke optreden bij de genoemde artikelen, ontbreekt vaak een aangifte (= belangrijk bewijsmiddel). Als de Apv deze bewijsnood zou moeten opvangen, dan ligt in dat geval het motief van de Apv in het verlengde van de stafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht en dat is niet toegestaan. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp [gereserveerd]
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Dit artikel wordt in de praktijk gemist. In het specifiek bij situaties waarin beplanting het zicht beperkt en daardoor verkeersgevaarlijke situaties veroorzaakt.
Artikel 2:23A (Slaap)verblijf op een openbare plaats 1. Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen en niet voor vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten.
Artikel 2:23A (Slaap)verblijf op een openbare plaats 1. Het is verboden de weg, een gedeelte van de weg of een andere openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen en niet voor vrachtwagenchauffeurs die bij de uitoefening van hun beroep in de cabine van hun vrachtwagen overnachten.
Het artikel is nu meer in lijn met de toelichting erop. Daarnaast maakt het de juridische grondslag in het kader van de handhaving duidelijker.
3
Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor eendaagse evenementen, indien; a. er minder dan 200 bezoekers dan wel deelnemers worden verwacht; b. er geen afzetting van de openbare weg nodig is en/of er geen omleiding moet worden geplaatst; c. er geen gebruik wordt gemaakt van een gebruiksvergunningsplichtig tijdelijk bouwwerk zoals een tent of overkapping; d. er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07:00 of na 23:00 uur. 3. De burgemeester stelt nadere algemene voorschriften ten behoeve van evenementen die overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid zijn vrijgesteld van een evenementenvergunning als bedoeld in het eerste lid. 4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van e Wegenverkeerswet 1994. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid kan de burgemeester besluiten een aanvraag voor een vergunning voor een groot of middelgroot evenement niet te behandelen, indien deze aanvraag wordt ingediend minder dan twaalf weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft. 6. De burgemeester kan voorts besluiten aanvragen niet te behandelen, indien grote en
Artikel 2:25 Evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor eendaagse evenementen, indien; a. er minder dan 200 bezoekers dan wel deelnemers worden verwacht; b. er geen afzetting van de openbare weg nodig is en/of er geen omleiding moet worden geplaatst; c. er geen gebruik wordt gemaakt van een gebruiksvergunningsplichtig tijdelijk bouwwerk zoals een tent of overkapping; d. er geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07:00 of na 23:00 uur. 3. De burgemeester stelt nadere algemene voorschriften ten behoeve van evenementen die overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid zijn vrijgesteld van een evenementenvergunning als bedoeld in het eerste lid. 4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van e Wegenverkeerswet 1994. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid kan de burgemeester besluiten een aanvraag voor een vergunning voor een groot of middelgroot evenement of een evenement zoals genoemd in de evenementenkalender niet te behandelen, indien deze aanvraag wordt ingediend minder dan twaalf weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft.
Niet alle evenementen zoals genoemd op de evenementenkalender zijn grote of middelgrote evenementen. Hierdoor kan de termijn van 12 weken in sommige gevallen niet gelden voor een kleiner evenement dat wel thuishoort op de evenementenkalender. Met deze toevoeging vallen alle evenementen waarvoor een termijn van 12 weken is gewenst, onder dit artikel.
4
middelgrote evenementen en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 niet tijdig zijn aangemeld ten behoeve van de evenementenkalender. Het college bepaalt in het jaar voorafgaand aan het nieuwe evenementenkalenderjaar voor welke datum de aanmeldingen dienen te zijn ingediend bij het college.
6. De burgemeester kan voorts besluiten aanvragen niet te behandelen, indien grote en middelgrote evenementen en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 niet tijdig zijn aangemeld ten behoeve van de evenementenkalender. Het college bepaalt in het jaar voorafgaand aan het nieuwe evenementenkalenderjaar voor welke datum de aanmeldingen dienen te zijn ingediend bij het college.
Artikel 2:47a Verbod gebruik lachgas [vervallen]
Artikel 2:47a Verbod gebruik lachgas 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Bij de vijfde wijziging van de Apv is dit artikel uit de Apv gehaald in verband met het landelijke lachgasverbod. Nu blijkt dat het Apv-artikel echter toch een aanvulling is op het verbod in de Opiumwet. De Opiumwet verbiedt het verhandelen van lachgas. De Apv verbiedt het gebruik ervan. De Opiumwet heeft als motief de volksgezondheid. De Apv heeft als motief de openbare orde. Daarnaast biedt dit Apv-artikel ook mogelijkheden voor bestuursrechtelijk, naast strafrechtelijk optreden. Daarom wordt voorgesteld het artikel weer op te nemen.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk acht of hinderlijk acht, kan hij
Artikel 2:59 Gevaarlijke en hinderlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk acht of hinderlijk acht, kan hij
Op dit moment heeft de politie niet voldoende grond om te kunnen verbaliseren bij overlastgevend geblaf en gejank door honden. Tot op heden heeft de politie
5
de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- of muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond te voorzien van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevig kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de wens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de kort een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- of muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond te voorzien van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevig kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de wens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de kort een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. 5.
De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.
enkel een bemiddelende en adviserende rol. Door lid 5 toe te voegen, kan de politie ook verbaliserend optreden indien nodig. Lid 6 is ook toegevoegd. Het betreft een extra verbodsbepaling, waardoor en extra juridische zekerheid wordt geboden bij het verbaliserend optreden.
6
6. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden een hond in strijd met een door de burgemeester opgelegd aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod op een openbare plaats of op het terrein van een ander te laten verblijven of lopen. Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing mits de houder van de inrichting ten minste twaalf weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, lid 1 van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de
Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing mits de houder van de inrichting ten minste twaalf weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113, lid 1 van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de
Intern was er onduidelijkheid over dit artikel. De ODA heeft toen een uitgebreide presentatie gegeven voor de gemeente over dit onderwerp. Daaruit kwam naar voren dat de uitzondering zoals wij die in lid 9 hadden staan, de rest van het lid tegenspreekt en het daardoor onnodig ingewikkeld maakt. Daarom wordt voorgesteld om de uitzondering weg te halen. De geluidsnormen voor evenementen blijven uiteraard gelden, en staan opgenomen in het Evenementenbeleid.
7
houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening, uiterlijk beëindigd op de hierna genoemde tijdstippen: a. zondag tot en met donderdag tot uiterlijk 23.00 uur; b. vrijdag en zaterdag tot uiterlijk 24:00 uur; c. feestdagen waarbij de volgende dag een gewone werkdag is tot uiterlijk 23:00 uur; d. zon- en/of feestdagen waarbij de volgende dag geen werkdag is tot uiterlijk 24:00 uur. 9. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte, tenzij er een evenement plaatsvindt als bedoeld in artikel 2:24. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening, uiterlijk beëindigd op de hierna genoemde tijdstippen: a. zondag tot en met donderdag tot uiterlijk 23.00 uur; b. vrijdag en zaterdag tot uiterlijk 24:00 uur; c. feestdagen waarbij de volgende dag een gewone werkdag is tot uiterlijk 23:00 uur; d. zon- en/of feestdagen waarbij de volgende dag geen werkdag is tot uiterlijk 24:00 uur. 9. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 11.
De exploitant van een inrichting laat vanaf een half uur voor sluiting het geluidsniveau van de ten
8
11. De exploitant van een inrichting laat vanaf een half uur voor sluiting het geluidsniveau van de ten gehore gebrachte muziek geleidelijk verminderen en de verlichting in inrichting toenemen. 12. De inrichting moet een voorportaal hebben die tijdens het muziekevenement ok als enige entree moet worden gebruikt. 13. Daarnaast moet bij deze entree één of meer portiers/toezichthouders toezicht houden op de binnenkomende bezoekers en ervoor zorg dragen dat wordt voldaan aan lid 10.
gehore gebrachte muziek geleidelijk verminderen en de verlichting in inrichting toenemen. 12. De inrichting moet een voorportaal hebben die tijdens het muziekevenement ok als enige entree moet worden gebruikt. 13. Daarnaast moet bij deze entree één of meer portiers/toezichthouders toezicht houden op de binnenkomende bezoekers en ervoor zorg dragen dat wordt voldaan aan lid 10.
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak, de weg of een weggedeelte of een andere openbare plaats handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
De toelichting geeft als volgt aan: De Apv kan op dit soort objecten van toepassing zijn, namelijk als de grond langs de snelweg valt binnen het begrip ‘weg’ of binnen de definitie van ‘openbare plaats’ als genoemd in artikel 1:1 van deze verordening. Met de aanpassing in het artikel, sluiten artikel en toelichting weer goed op elkaar aan. In het kader van handhaving kan dan geen discussie ontstaan over de ‘locatie’ waar de reclame-uiting geplaatst is.
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een openbare plaats binnen de bebouwde kom, met uitzondering van bedrijvenparken en industrieterreinen. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen [vervallen]
Hieronder worden de argumenten opgesomd. - Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer de hele bebouwde kom is aangewezen als gebied, het college zich ervan dient te vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de geparkeerde vrachtwagens. Alternatieve parkeerlocaties zijn niet aangewezen en ook niet beschikbaar. Indien over wordt gegaan tot
9
aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing van maandag tot en met vrijdag van 08:00 tot 18:00 uur. 4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
handhaving van de verbodsbepaling, kan de overtreder niet geadviseerd worden om gebruik te maken van een aangewezen vrachtwagenparkeerstrook. - Al eerder genomen uitvoeringsbesluiten zijn en blijven van kracht. Het betreft verkeersbesluiten, waarbij handhaving onder toepassing van de WAHV (Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) geschiedt. - Artikel 5:9 van de Apv biedt een alternatieve handhavingsmogelijkheid op het moment dat het parkeren van het grote voertuig bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw leidt tot uitzichtbelemmering of anderszins hinder of overlast. - Samenvatting: Handhaving van dit artikel is niet mogelijk. Daarnaast hebben we artikel 5:9 Apv welke een alternatieve handhavingsmogelijkheid biedt.
10