CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Nota bodembeheer Regio Achterhoek 2020.pdf

gemeenteraad 24 juni 2021, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 4.2: Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart Regio Achterhoek 202037.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Ter plaatse van bedrijfswoningen in de aangegeven gebieden mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’.

19/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

2.5.4

Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse Wonen (gemeente Aalten; bodemlaag 0-2 m-mv)

Om de nu relatief beperkte hergebruiksmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente Aalten toe dat in aangewezen gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’, grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (zie de kaartbijlagen N5): Gemeente Aalten • Locatie Kraaienboom ten zuiden van de Ringweg in het noordoosten van Aalten. • Plan Bekendijk aan de Roelvinkstraat in Bredevoort. • Locatie voormalig Slachthuis Dinex / gemeentewerf aan de Beggelderdijk in Dinxperlo. De kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is gelijk aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Wonen of Industrie). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De Lokale Maximale Waarde kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld voor de volgende gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’: Gemeente Aalten • Locatie Kraaienboom ten zuiden van de Ringweg in het noordoosten van Aalten. • Plan Bekendijk aan de Roelvinkstraat in Bredevoort. • Locatie voormalig Slachthuis Dinex / gemeentewerf aan de Beggelderdijk in Dinxperlo.

2.5.5

Lokale Maximale Waarden hergebruik van nature arseenhoudende grond (bodemlaag 0-2 m-mv)

Achtergronden van nature arseenhoudende grond Kenmerkend voor de gemeenten in de regio Achterhoek is het plaatselijk voorkomen van (sterk) verhoogde gehalten in de grond. De (sterk) verhoogde gehalten hebben een natuurlijke oorzaak, maar zijn veelal boven de hergebruiksnormen voor grond uit de Regeling en/of de al vastgestelde toepassingsnormen door de gemeente (uit de eerder opgestelde nota bodembeheer) gelegen. Dit zorgt ervoor dat grond uit de gemeenten van de regio Achterhoek niet kan worden hergebruikt binnen de gemeenten. Verschillende normen voor arseen In tabel 2.2 is een overzicht opgenomen voor de vigerende normen voor arseen, uitgesplitst naar de verschillende functies en gebruikstypen. In bijlage 5 is een onderbouwing gegeven van de in de tabel benoemde normen.

20/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

Tabel 2.2 Diverse arseennormen (in mg/kg ds) bij verschillende bodemfuncties. Bodemfunctie

Ecologische

Humane

risicowaarde

risicowaarde

Landbouw

20

430

Natuur

27

2.600

27

2.600

Wonen met tuin

27

430

Plaatsen waar kinderen spelen

27

560

Moestuin/volkstuin

27

97

76

2.600

Groen met natuurwaarden (recreatie, sport, parken

Ander groen, bebouwing, infrastructuur, industrie

Toepassingswaarde generiek kader Besluit

Interventiewaarde

20

76 27

76

Beleid hergebruik van nature arseenhoudende grond De gemeenten, zijn van mening dat de generieke normen in de tabel te rigide zijn voor grond met van nature verhoogde arseenwaarden. Bovendien blijkt uit de tabel dat de normen op de ecologische risicowaarden zijn afgestemd, terwijl de humane risicowaarden vele malen hoger liggen. De gemeenten besluiten (onder de volgende voorwaarden) om het toepassen van grond met verhoogde arseengehalten toe te staan: • Bij het aantreffen van een ijzeroerlaag wordt de grond apart geplaatst en aanvullend onderzocht op het gehalte aan arseen. Het nemen van twee representatieve mengmonsters (elk 50 grepen) met een reguliere arseen-analyse is hiervoor voldoende. • Wanneer het gemiddelde arseengehalte gelijk is aan of lager is dan 430 mg/kg ds (standaardbodem; gehalte waarboven humane risico’s optreden bij het bodemgebruik ‘Wonen met tuin (en beperkte gewasconsumptie)’), dan mag de toepassing in de bodemlaag 0-2 m-mv plaatsvinden, mits voldaan wordt aan de (humane) risicowaarde. In de praktijk betekent dit dat de grond overal mag worden toegepast, behalve ter plaatse van moes-/volkstuinen.

• Wanneer het gemiddelde arseengehalte van de onderzochte partij hoger is dan 430 mg/kg ds (standaardbodem; gehalte waarboven humane risico’s optreden bij het bodemgebruik ‘Wonen met tuin (en beperkte gewasconsumptie)’), is toepassing van de partij niet toegestaan en zal deze naar een erkende verwerker moeten worden afgevoerd. Kleine partijen van nature arseenhoudende grond kunnen eventueel naar een erkende verwerker worden afgevoerd. Bovenstaande voorwaarden zijn niet van toepassing als een partij grond verdacht wordt voor arseen als gevolg van menselijk handelen. Een voorbeeld hiervan is opgebracht vormzand afkomstig van ijzergieterijen.

21/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

2.5.6

Lokale Maximale Waarden Noorderhaven-Spoorzone (bodemlaag 0-2 m-mv; gemeente Zutphen)

Op het zuidelijk deel van het bedrijventerrein De Mars in Zutphen, gelegen ten noorden van de spoorlijn Deventer-Arnhem, heeft een grootschalige herstructurering plaatsgevonden. Het is geschikt gemaakt voor woningbouw, centrumfunctie en kantoren. Deze wijziging is vastgelegd in het bestemmingsplan Noorderhaven. Bij deze herontwikkeling zijn de verschillende historische bodemverontreinigingen gesaneerd en is de bovengrond en ondergrond integraal geschikt gemaakt voor de toekomstige functies. Als gevolg van deze grootschalige herontwikkeling met de bijbehorende ingrepen in de bodem is de bodemkwaliteitskaart aangepast aan de nieuwe situatie. In de nieuwe situatie is de bodemkwaliteit sterk verbeterd, van niet toepasbaar naar overwegend kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Plaatselijk kan nog grond met de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ aanwezig zijn. De gemeente Zutphen wil deze gerealiseerde goede bodemkwaliteit, ook naar de toekomst toe, blijven borgen voor dit gebied en op termijn verbeteren. Dit betekent het volgende voor het gebied Noorderhaven-Spoorzone: • Vrijkomende grond uit dit gebied die in de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ of ‘Wonen’ valt, mag vrij worden hergebruikt binnen het eigen plangebied. De toepassingseis is daardoor gelijk aan het huidige gebruik (‘Wonen’). • Voor grond van buiten het plangebied geldt dat gestreefd wordt naar een kwaliteitsverbetering.

De toepassingseis voor de grond is aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. De Lokale Maximale Waarden voor het gebied NoorderhavenSpoorzone is voor de bodemlaag 0-2 m-mv als volgt vastgesteld: • Vrijkomende grond van dit gebied die in de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’ of ‘Wonen’ valt, mag vrij worden hergebruikt binnen het eigen plangebied. De toepassingseis is daardoor gelijk aan het huidige gebruik (‘Wonen’). • Voor grond van buiten het plangebied geldt dat gestreefd wordt naar een kwaliteitsverbetering. De toepassingseis voor de grond is aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’.

2.5.7

Lokale Maximale Waarden noordelijk industrieterrein De Mars (bodemlaag 0-2 mmv; gemeente Zutphen)

Op het noordelijke deel van Industrieterrein De Mars zijn bedrijven en industrieën gevestigd. Als gevolg hiervan is de bodem belast meet meerdere stoffen die (in het verleden) zijn gebruikt bij de bedrijfsactiviteiten. Als gevolg van deze bodemverontreiniging moeten historische verontreiniging (bij herontwikkeling) worden gesaneerd. De uit te voeren bodemsanering moet kosten effectief en functiegericht worden uitgevoerd. Bij de functiegerichte sanering wordt aangesloten bij de toekomstige functie van locatie waar de herontwikkeling plaatsvindt. Dit geldt ook voor het toepassen van grond op de locatie die worden herontwikkeld.

22/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

De Lokale Maximale Waarden voor locaties die worden herontwikkeld op het noordelijk industrieterrein De Mars sluiten voor de bodemlaag 0-2 m-mv aan op de toekomstige functie van de locatie: Industrie, Wonen of Overig.

2.5.8

Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse Industrie (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen) in én toepassen grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ in hetzelfde gebied (bodemlaag 0-2 m-mv)

In de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ (bijvoorbeeld boomgaard- en fruitteeltpercelen of sportvelden in de periode 1945-2000[13], zie de website www.topotijdreis.nl) is vastgesteld dat in de bovengrond licht verhoogde gehalten van bestrijdingsmiddelen voor komen. Deze verhoogde gehalten zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. Dit heeft te maken dat bij een aantal individuele bestrijdingsmiddelen de maximale waarde voor de functie Wonen gelijk is gesteld aan de Achtergrondwaarde (AW2000, Landbouw/natuur). Voor het duurzame bodemgebruik in deze bodemkwaliteitszone zijn de risico's van mens en milieu van belang. Uit een risicobeoordeling van een vergelijkbare situatie in de regio ZuidoostUtrecht8 is gebleken dat de toetsingsnorm voor eventuele risico's voor mens en milieu bij bestrijdingsmiddelen de interventiewaarden zijn. Zo lang in de grond de gehalten van bestrijdingsmiddelen de interventiewaarden niet overschrijden, en de eventuele voedselprodukten voldoen aan de Warenwet, zijn er geen risico's. Op de ‘gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ zijn de maximaal gemeten waarden van bestrijdingsmiddelen ruim onder de interventiewaarden vastgesteld (factor 2 tot 2.297).

De maximale waarden voor Industrie van bestrijdingsmiddelen liggen een factor 1 tot 40 lager dan de interventiewaarden. De gemeenten willen de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen) uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens en milieu staan de gemeenten toe dat in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen) mag worden toegepast. Uitwerking gebiedsspecifiek beleid: toepassen grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ De uitwerking van het gebiedsspecifiek beleid in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ is als volgt: Als het voornemen bestaat om vrijkomende grond uit de bovengrond van de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus 8

Nota bodembeheer, grondstromenbeleid regio Zuidoost-Utrecht, Milieudienst Zuidoost-Utrecht, oktober 2011.

23/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ weer in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ te hergebruiken, moet voorafgaand aan het ontgraven altijd een indicatief onderzoek worden uitgevoerd volgens een passende strategie uit de NEN 5740[17]. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: • Kwaliteitsklasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000): de grond mag overal worden toegepast. • Kwaliteitsklasse Wonen: de grond mag worden toegepast in gebieden waar de toepassingseis de kwaliteitsklasse Wonen is (zie de kaartbijlagen N5). • Kwaliteitsklasse Industrie: de grond mag worden toegepast in gebieden waar de toepassingseis de kwaliteitsklasse Industrie is (zie de kaartbijlagen N5). de grond mag worden toegepast in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ met de bodemfunctie ‘Landbouw/natuur’ of ‘Industrie’ als alle stoffen voldoen aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur met uitzondering van organochloorbestrijdingsmiddelen, die mogen voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. • Kwaliteitsklasse Niet toepasbaar: de grond moet worden afgevoerd naar een erkende verwerker.

De initiatiefnemer van het grondverzet moet met een historisch onderzoek aantonen dat de ontgravings- én toepassingslocatie onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’. De Lokale Maximale Waarde in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen). Vrijkomende grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ moet altijd indicatief worden onderzocht volgens een passende strategie uit de NEN 5740. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ worden toegepast. De initiatiefnemer van het grondverzet moet met een historisch onderzoek aantonen dat de ontgravings- én toepassingslocatie onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’.

24/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

2.5.9

Lokale Maximale Waarden toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (bodemlaag 0-2 m-mv) In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeenten stellen daarentegen bij onverharde kinderspeelplaatsen 9, en moes/volkstuin(complex)en strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeenten moet de grond die wordt toegepast op bestaande onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De nieuw aan te leggen onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en moeten worden voorzien van een minimaal 1,0 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ moet worden aangetoond met een partijkeuring. Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 2.6 en § 2.7).

De Lokale Maximale Waarde voor kinderspeelplaatsen en moes/volkstuin(complex)en, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’. De nieuw aan te leggen kinderspeelplaatsen en moes/volkstuin(complex)en moeten zijn voorzien van een minimaal 1,0 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’’. Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 2.6 en § 2.7).

2.5.10 Lokale Maximale Waarden betere bovenafdichting oude stortplaatsen (uitgezonderd stortplaatsen met gevoelig bodemgebruik) Op de grondgebieden van de gemeenten bevinden zich een aantal voormalige stortplaatsen. De bovenafdichting van een deel van deze stortplaatsen is of wordt in de toekomst mogelijk onvoldoende. Het toepassen van grond “als bovenafdichting voor een stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier als gevolg van contact met het onderliggende materiaal” wordt binnen het Besluit als een nuttige toepassing gezien (artikel 35 onderdeel d). De toe te passen grond moet voldoen aan het (toekomstige) bodemgebruik. 9

Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.

25/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van vrijgekomen grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ vergroten door deze toe te passen op stortplaatsen waar de bovenafdichting onvoldoende is. Omdat de stortplaatsen in het buitengebied en in woongebieden zijn gelegen, voldoet de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ niet altijd aan de toepassingseis ter plaatse (in de regel ‘Wonen’ of ‘Achtergrondwaarden - AW2000’). Daarom stellen de gemeenten voor het toepassen van grond voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen (uitgezonderd stortplaatsen waarop gevoelig bodemgebruik10 plaatsvindt) onder de volgende voorwaarden Lokale Maximale Waarden vast: Alleen voor oude stortplaatsen waarvan de bovenafdichting onvoldoende is, mag grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ worden gebruikt ter verbetering (het voldoende op dikte brengen) van de bovenafdichting. Grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ mag worden gebruikt alleen in combinatie met het aanbrengen van een minimaal 0,5 meter dikke afdeklaag. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis voor hergebruik van grond van het gebied waarin de stortplaats ligt. De Lokale Maximale Waarde voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’.

Onder voorwaarde dat daarboven een minimaal 0,5 meter dikke afdeklaag wordt aangebracht. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis van het gebied waarin de stortplaats ligt.

2.5.11 Toepassen van PFAS-houdende grond bij de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ Definiëren toepassingswaarden PFAS-verbindingen in de grond Uit onderzoeken is gebleken dat in de bodem van de gemeenten over het algemeen zeer licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen voorkomen. Om deze reden stellen de gemeenten de regel dat in de toe te passen grond geen gehalten aan PFAS-verbindingen hoger dan de landelijke achtergrondwaarden mag bevatten is, voor gebieden met de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ op basis van andere stoffen. Voor de gebieden waar de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Industrie’ geldt, op basis van de andere stoffen, zijn de PFAStoepassingsnormen van toepassing uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie[18]. In het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie zijn ook de landelijke achtergrondwaarden zijn momenteel opgenomen. De landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen worden naar verwachting in 2021 in de Regeling bodemkwaliteit opgenomen. De Regeling bodemkwaliteit blijft na inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht. Voor het toepassen van PFAS-houdende grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden volgen de gemeenten de eisen die volgen uit de provinciale milieuverordening [19]. 10

Hieronder wordt verstaan: wonen met tuin, onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen (zoals bijvoorbeeld openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij -particulierekinderopvanginstellingen), intensief gebruikt openbaar groen (zoals bijvoorbeeld parken en plantsoenen, moes- en volkstuincomplexen.

26/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

De toepassingswaarden voor het toepassen van PFAS-houdende grond is, voor gebieden met de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ op basis van andere stoffen, vastgesteld op de landelijke achtergrondwaarden. Voor de gebieden waar de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Industrie’ geldt, op basis van de andere stoffen, zijn de PFAS-toepassingsnormen van toepassing uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings)waarden voor PFAS-houdende grond Tot en met 2020 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgen de gemeenten de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAShoudende grond worden gewijzigd, evalueren de gemeenten deze met de in deze nota bodembeheer gedefinieerde Lokale Maximale Waarden en regionale toepassingswaarden voor hergebruik van PFAS-houdende grond.

Indien van toepassing worden de regionale toepassingswaarden gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld. 2.6

Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen, onbewerkt hout, plastic, piepschuim etc.)

Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. In de bodem van de gemeenten wordt lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemde materiaal aangetroffen. Ook gaat de omschrijving ‘gewichtspercentage’ niet op voor lichte bodemvreemde materialen zoals plastic of piepschuim. Daarom hanteren de gemeenten het volgende beleid voor bijmenging van bodemvreemd materiaal: • Bij het aanleveren van historische gegevens voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voor komen van bodemvreemd materiaal (onbewerkt hout en steenachtige materialen zoals puin, bakstenen, cement, beton) in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. De gemeenten stellen een maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast van maximaal 10 gewichtsprocent voor onbewerkt hout en steenachtige materialen bijvoorbeeld puin, bakstenen, cement, beton. Om het milieu minder met andere bodemvreemde materialen zoals plastics en piepschuim te belasten mag de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ (maximaal

27/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

•

0,1 volumeprocent) bijmenging aan andere bodemvreemde materialen bevatten. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. Bij twijfel of grenssituaties beslist de betreffende gemeente of de Omgevingsdienst Achterhoek (Toezicht en handhaving voor de gemeenten). Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civieltechnisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar de toegestane percentages. Het civiel-technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkende verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, bouwen sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit)[20], moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd en een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd. Ook moet contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Achterhoek.

Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen.

Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst Achterhoek en moet het werk (tijdelijk) worden gestaakt. In de toe te passen grond mag maximaal 10 gewichtsprocent met onbewerkt hout en steenachtige materialen bevatten én een ‘sporadische’ bijmenging (maximaal 0,1 volumeprocent) aan lichte materialen zoals plastics en piepschuim.

2.7

Toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal

Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeenten in de regio Achterhoek stellen hieraan strengere eisen om te voorkomen dat de toegepaste grond in het kader van de Wet bodembescherming in een later stadium alsnog nader onderzocht moet worden. In de gemeente mag grond met asbestverdachte materialen maximaal 50 mg/kg ds (gewogen) asbest bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Uitzondering op deze regel is dat in de toe te passen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en zintuiglijk en analytisch geen asbest mag bevatten.

28/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

Burgers of bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het volgende: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[21] of NEN 5897[22] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek. Voor grondverzet in gebieden waar gebouwen met asbestdaken aanwezig zijn wordt voor de wijze van het uit te voeren bodemonderzoek verwezen naar de handreiking asbest en bodem [23] die is opgesteld in opdracht van het Gelders Ondergrond Overleg. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Dit geldt óók als de maximale waarde voor asbest niet wordt overschreden, maar meer dan 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels wordt gemeten. Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden.

Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[24]). Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds gewogen- aan respirabele vezels) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (zie § 2.6), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel-technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Toe te passen grond mag maximaal 50 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels bevatten.

Uitzondering op deze regel is dat in de toe te passen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en zintuiglijk en analytisch geen asbest mag bevatten.

29/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

2.8

Toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld

Zoals in de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond uit deze bodemlaag (bijvoorbeeld bij ondertunneling, diepe riolering, parkeergarages en kelders) die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd. Omdat het de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 1,0 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeenten verruimen de regels voor het toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat grond vrijkomend uit deze bodemlaag op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag (1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte) (zie kaartbijlage N3C). Voorwaarden hierbij zijn: • De locatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging. • De grond is afkomstig van een ongeroerde bodemlaag. • De grond is zintuiglijk niet verontreinigd. De grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen.

De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond nietverdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte. Voorwaarden hierbij zijn: • De locatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging. • De grond is afkomstig van een ongeroerde bodemlaag. • De grond is zintuiglijk niet verontreinigd. De grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFASverbindingen.

2.9

Toepassen van grond afkomstig van gebieden van buiten de gemeenten in de regio Achterhoek

Voor het toepassen van grond van buiten de gemeenten in de regio Achterhoek gelden de volgende toepassingseisen en -voorwaarden • Grond met een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel, in combinatie met een uitgevoerd historisch onderzoek, moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’.

30/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

• •

•

Grond met een partijkeuring als erkend bewijsmiddel moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen N4). Grond uit Duitsland moet ook voorzien zijn van een partijkeuring. Voor deze grond geldt bovendien de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen[25] (EVOA). Op de website van de Inspectie Leefomgeving en transport (https://www.ilent.nl/onderwerpen/afvaltransport-evoa) wordt ingegaan of een kennisgeving (vergunningsaanvraag) gedaan moet worden. Als een vergunning aangevraagd moet worden, blijkt uit de EVOA-beschikking op de aanvraag of de grond mag worden toegepast. Pas dan mag de grond naar Nederland worden getransporteerd en toegepast. Te allen tijde geldt dat de gehalten aan PFAS-verbindingen moet zijn aangetoond en dat deze de landelijke achtergrondwaarden niet overschrijden.

2.10

Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden

Bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden tijdelijke uitname van grond op een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: 1. er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; 2. er geen tussentijdse bewerking11 plaatsvindt; 3. de grond onder dezelfde condities 12 op of nabij de herkomstlocatie13 weer wordt toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond, de tussenlaag en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de bovengrond, de tussenlaag en de ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan.

11

Het tussentijds civiel-technisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). 12 Ontgraven bovengrond, tussenlaag en ondergrond worden weer teruggeplaatst in dezelfde bodemlaag (rekening houdend met de grondwaterspiegel). Hierdoor verandert de bodem qua samenstelling en emissie niet. 13 Op en nabij geeft enige speelruimte. Met het oog op de controleerbaarheid moet de grond of baggerspecie wel in hetzelfde werk worden teruggebracht, maar hoeft niet precies op dezelfde plaats te worden teruggebracht. Enkel voorbeelden: – het in het kader van de (spoor)wegenbouw of -reconstructie wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact zelfde plaats); – bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem). 31/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

De gemeenten verruimen daarom de regels voor tijdelijke uitname van grond bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen én bij graafwerkzaamheden voor groenvoorzieningen als volgt: Bij tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden hoeft de grond niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en op of nabij dezelfde herkomstlocatie worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. In 2020 is een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem[26]. De gemeenten adviseren deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. NB

Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW 400[27] de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Bij tijdelijke uitname bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen én bij graafwerkzaamheden voor graafwerkzaamheden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties, hoeft de grond niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en op of nabij dezelfde herkomstlocatie worden teruggeplaatst.

2.11

Gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij bodemverontreinigende activiteiten

Onder het Activiteitenbesluit Volgens het Activiteitenbesluit moet een bedrijf met bodemverontreinigende activiteiten een nulsituatie-onderzoek uitvoeren. Als het betreffende bedrijf haar activiteiten staakt, moet een eindsituatie-onderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van het eindsituatie-onderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatie-onderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de plaatsgevonden bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid. Het komt wel eens voor dat de nulsituatie in het verleden niet is vastgelegd. Volgens het Activiteitenbesluit moeten in die situatie de resultaten van het eindsituatie-onderzoek voldoen aan de maximale waarden van de klasse Achtergrondwaarde (AW2000). De gemeenten staan het echter toe dat bij het niet aanwezig zijn van een nulsituatie-onderzoek voor een activiteit dat in het verleden is gestart, de bodemkwaliteitskaarten mogen worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het eindsituatie-onderzoek. In sommige gebieden kan met de

32/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

bodemkwaliteitskaart worden aangetoond dat het verwijderen van een verontreiniging tot aan de Achtergrondwaarde (AW2000) niet realistisch is. Een bepaalde stof kan namelijk diffuus verhoogd voorkomen in een gebied. Het eindsituatieonderzoek kan dan worden getoetst aan de gemiddelden van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen, of aan de Achtergrondwaarde (AW2000) als het gemiddelde van een stof lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt. Onder de Omgevingswet Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is voor bodembedreigende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving, in tegenstelling tot het Activiteitenbesluit, geen nulsituatieonderzoek meer verplicht. Dit nulsituatie-onderzoek bij de start van een activiteit is geen milieubeschermende maatregel, maar een grondslag voor een eindsituatie-onderzoek. Hiermee kan het bevoegd gezag toetsen of door de bodembedreigende activiteit verontreiniging heeft plaatsgevonden. Als de gemeente heeft voorgeschreven dat een nulsituatie-onderzoek verplicht is, dan moet dit worden uitgevoerd. Ook kan op vrijwillige basis een nulsituatie-onderzoek worden uitgevoerd, ter ondersteuning van het (later uit te voeren) eindsituatie-onderzoek. Het eindsituatie-onderzoek is verplicht.

Dit eindsituatie-onderzoek hangt samen met de beëindiging van de activiteit. Per activiteit wordt aangegeven of bij beëindiging een eindsituatieonderzoek nodig is. Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan de bodemkwaliteitskaart. Voor activiteiten waarop de Europese Richtlijn industriële emissies het milieubeschermingsbeginsel van "Integrated Pollution Prevention and Control" (IPPC) toepast, blijft volgens de Europese Richtlijn industriële emissies (art. 22) het nulsituatie-onderzoek wel verplicht. Het bevoegd gezag moet deze opnemen in de omgevingsvergunning. De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt. 2.12

Toepassen grond uit een oude categorie-1 werk

Grond uit een oude categorie-1 werk (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd. Op basis van de keuringsresultaten worden de hergebruiksmogelijkheden van de grond bepaald.

33/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

2.13

Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet

Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen willen de gemeenten de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeenten stellen dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[28] opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties.

Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieveexoten/. 2.14

De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek en gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie

De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. De NEN 5740 of en het BRL 1000 – protocol 1001[29] stellen geen voorwaarden aan de actualiteit van onderzoeksgegevens. De gemeenten beschouwen de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’. Bij een al uitgevoerd onderzoek moet de initiatiefnemer aan de Omgevingsdienst Achterhoek (namens de gemeenten) aannemelijk maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: • of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; • of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; • qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is;

34/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

• •

in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden; dat de relatie tussen de partijkeuring en de tijdelijk opgeslagen grond kan worden aangetoond als deze tussentijds is verplaatst..

Bij twijfel kan de Omgevingsdienst Achterhoek (Toezicht en Handhaving van de gemeenten) ter verificatie om een terreininspectie vragen en beslist of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. 2.15

Gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een onderzoek is uitgevoerd

2.15.1 Uitgevoerde partijkeuring en gebruik ontgravingskaart De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving al een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) of een gelijkwaardig onderzoek van de NEN 574014 is uitgevoerd. Als het onderzoek voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de ontgravingskwaliteit van de grond dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. 2.15.2 Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart Uit een al uitgevoerd onderzoek kan blijken dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter of juist beter is dan de toepassingseis van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis. 2.15.3 Uitgevoerd verkennend onderzoek en gebruik ontgravingskaart Op de ontgravingslocatie kan al een verkennend bodemonderzoek zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld ter plaatse van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie. Een verkennend bodemonderzoek is volgens het Besluit bodemkwaliteit geen erkend bewijsmiddel.

De gemeenten vinden het niet redelijk dat, na het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. Als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én het maximaal vastgestelde (gestandaardiseerde) gehalten van de stoffen voldoen aan kwaliteitsklasse van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie de kaartbijlagen N3), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als niet wordt voldaan aan de kwaliteitsklasse van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie de kaartbijlagen N3), dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. 14

Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.

35/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Achterhoek. 2.16 Totaaloverzicht gemeentelijk beleid In tabel 2.5 is een totaaloverzicht gegeven van de bodemkwaliteitszones, bodemfunctieklassen, verwachte ontgravingsklassen, toepassingsklassen conform het gemeentelijke en gebiedsspecifieke beleid van de gemeenten in de regio Achterhoek. Op basis van het Besluit en de Regeling en de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (§ 2.5) is bepaald tussen welke zones voorafgaand aan de grondstroom al dan niet de chemische kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Bijlage 4 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. De mogelijkheden voor vrij grondverzet is weergegeven in een grondstromenmatrix (zie bijlage 4).

Tabel 2.5 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij voorkomende functies conform het in deze nota bodembeheer geformuleerde beleid Bodemkwaliteitszone

Voor komende bodemfunctie(s)

Verwachte ontgravingsklasse (op basis van 80-percentielwaarde)

Toepassingseis (gebeiedsspeciek en gemeentelijk beleid) A

Bovengrond (dieptetraject 0-0,5 m-mv) # Wonen voor 1970 (8 gemeenten*)

Overig (8 gemeenten*)

Industrie Wonen

Industrie B @@ Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Industrie B @@

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur Lochem: Wonen 1900-1945 Lochem: Overig wonen

Wonen Industrie Wonen

Wonen

Industrie Wonen

Landbouw/natuur

Industrie Wonen Landbouw/natuur

36/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

Wonen @ Industrie B @@ Wonen @ Industrie B @@

Landbouw/natuur

Lochem: Buitengebied

Wonen C @ Landbouw/natuur

Industrie Lochem: Industrie

Wonen @

Landbouw/natuur Industrie B @@

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Bodemkwaliteitszone

Voor komende bodemfunctie(s)

Verwachte ontgravingsklasse (op basis van 80-percentielwaarde)

Toepassingseis (gebeiedsspeciek en gemeentelijk beleid) A

Bovengrond (dieptetraject 0-0,5 m-mv) # Zutphen: Wonen voor 1945

Wonen Landbouw/natuur

Industrie

Industrie Zutphen: Wonen vanaf 1945

Wonen

Wonen

Landbouw/natuur $

Spoorzone) Zutphen: Industrie voor 1945 (overig gebied) Zutphen: Industrie vanaf 1945 (stortplaats Fort de Pol)

Industrie Wonen

Wonen

Landbouw/natuur Industrie

Wonen @ Landbouw/natuur

Zutphen: Industrie voor 1945 Wonen

Landbouw/natuur Industrie B @@

Landbouw/natuur (plangebied Noorderhaven-

Wonen @

Lokale Maximale Waarden D

Wonen @ Landbouw/natuur

Industrie $$

Industrie @@

Zutphen: Industrie vanaf 1945

Industrie

(overig gebied/noordelijk

Wonen

industrieterrein De Mars)

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur E

Industrie

Industrie B @@

Zutphen: Buitengebied

Wonen

Industrie E @@ Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur Gebieden met diffuus verhoogde

Industrie

gehalten aan bestrijdingsmiddelen

Wonen

(bodemlaag 0-0,5 m-mv)**

Landbouw/natuur

Geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) Onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en Oude stortplaatsen (afdeklaag)

Wonen E @

Landbouw/natuur Industrie F @@

Industrie

Wonen F @ Landbouw/natuur F

Industrie

Onbekend

Industrie G @@

Varieert

Varieert

Landbouw/natuur H

Varieert

Onbekend

Lokale Maximale Waarden I

Tussenlaag (dieptetraject 0,5-1,0 m-mv) # Wonen voor 1970 (8 gemeenten*)

Industrie Wonen Landbouw/natuur

37/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

Industrie B @@ Wonen

Wonen C @ Landbouw/natuur

Bodemkwaliteitszone

Voor komende bodemfunctie(s)

Verwachte ontgravingsklasse (op basis van 80-percentielwaarde)

Toepassingseis (gebeiedsspeciek en gemeentelijk beleid) A

Tussenlaag (dieptetraject 0,5-1,0 m-mv) # Industrie Overig (8 gemeenten*)

Wonen

Industrie B @@ Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen C @ Landbouw/natuur

Industrie Lochem: Ondergrond

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Wonen @

Landbouw/natuur Zutphen: Wonen voor 1900 Zutphen: Wonen 1900-1945

Wonen Wonen Landbouw/natuur

Wonen

Zutphen: Industrie voor 1945 (plangebied Noorderhaven-

Wonen

Landbouw/natuur $

Spoorzone) Zutphen: Industrie voor 1945 (overig gebied) Zutphen: Industrie 1945-1970 (stortplaats Fort de Pol)

Industrie Wonen

Industrie

Landbouw/natuur Industrie

Zutphen: Industrie 1945-1970

Industrie

(overig gebied/noordelijk

Wonen

industrieterrein De Mars)

Landbouw/natuur

Wonen @ Landbouw/natuur Lokale Maximale Waarden D

Wonen @ Landbouw/natuur

Industrie $$

Industrie @@ Industrie E @@

Wonen

Wonen E @ Landbouw/natuur E

Industrie Zutphen: Industrie na 1970

Wonen

Landbouw/natuur $$$

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Onbekend

Industrie G @@

Varieert

Varieert

Landbouw/natuur H

Landbouw/natuur Industrie Zutphen: Overig ondergrond

Wonen Wonen

Geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) Onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en

Ondergrond (dieptetraject 1,0-2,0 m-mv) ## Wonen voor 1970 (8 gemeenten*)

Industrie Wonen Landbouw/natuur

38/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

Industrie B @@ Wonen

Wonen C @ Landbouw/natuur

Bodemkwaliteitszone

Voor komende bodemfunctie(s)

Verwachte ontgravingsklasse (op basis van 80-percentielwaarde)

Toepassingseis (gebeiedsspeciek en gemeentelijk beleid) A

Ondergrond (dieptetraject 1,0-2,0 m-mv) ## Industrie Overig (8 gemeenten*)

Wonen

Industrie B @@ Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen C @ Landbouw/natuur

Industrie Lochem: Ondergrond

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Wonen @

Landbouw/natuur Zutphen: Wonen voor 1900 Zutphen: Wonen 1900-1945

Wonen Wonen Landbouw/natuur

Wonen

Zutphen: Industrie voor 1945 (plangebied Noorderhaven-

Wonen

Landbouw/natuur $

Spoorzone) Zutphen: Industrie voor 1945 (overig gebied) Zutphen: Industrie 1945-1970 (stortplaats Fort de Pol)

Industrie Wonen

Wonen

Landbouw/natuur Industrie

Zutphen: Industrie 1945-1970

Industrie

(overig gebied/noordelijk

Wonen

industrieterrein De Mars)

Landbouw/natuur

Wonen @ Landbouw/natuur Lokale Maximale Waarden D

Wonen @ Landbouw/natuur

Industrie $$

Industrie @@ Industrie E @@

Wonen

Wonen E Landbouw/natuur E

Industrie Zutphen: Industrie na 1970

Wonen

Landbouw/natuur $$$

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Onbekend

Industrie G @@

Varieert

Varieert

Landbouw/natuur H

Varieert

Landbouw/natuur @@@

Landbouw/natuur Industrie Zutphen: Overig ondergrond

Wonen Wonen

Geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) Onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en Bijzondere omstandigheden Waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden

Industrie Wonen Landbouw/natuur

39/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

*

De gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. ** Voor de ligging van de percelen met diffuus verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (bijvoorbeeld boomgaard- en fruitteeltpercelen in de periode 1945-2000[13]) wordt verwezen naar de website www.topotijdreis.nl. # De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen liggen deze boven de bepalingsgrens. ## De niet geroerde ondergrond (traject 1,0-2,0 m-mv) is niet verdacht voor PFAS-verbindingen en daarom niet onderzocht op deze stofgroep. @ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan landelijke achtergrondwaarden. @@ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de toepassingswaarden voor de bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’. @@@ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de in de meest recente versie van de provinciale omgevingsverordening benoemde toepassingswaarden. $ Kwaliteitsklasse is gebaseerd op het in 2017 vastgestelde gebiedsspecifieke beleid [2] en de grootschalige herontwikkelingen met de bijbehorende ingrepen in dit gebied de afgelopen jaren. $$ Kwaliteitsklasse is gebaseerd op de aangebrachte leeflaag om de saneringsdoelstelling voor stortplaats De Pol te behalen[2].

$$$ De 95-percentielwaarde voor arseen overschrijdt de interventiewaarde. De sterk verhoogde arseengehalten hebben een natuurlijke oorzaak.Bij het aantreffend van een ijzeroerlaag moet de grond worden onderzocht (zie § 2.5.5). A Toe te passen van nature arseenhoudende grond moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden (zie tabel 2.2 in § 2.5.5). B Ter plaatse aangewezen gebieden mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ worden toegepast (zie § 2.5.3). In sommige situaties is eerst een formeel besluit van het college van burgemeester en wethouders nodig. C Ter plaatse van aangewezen gebieden in de gemeente Aalten mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast (zie § 2.5.4). D Vrijkomende grond uit deze bodemkwaliteitszone mag voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of beter. Toe te passen grond van buiten deze bodemkwaliteitszone moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. E De toepassingseis sluit geldt voor locaties die worden herontwikkeld op het noordelijk industrieterrein De Mars en sluiten aan op de toekomstige functie van de locatie: Industrie, Wonen of Overig (zie § 2.5.7).

F De gemeenten staan toe dat grond uit de zone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (bodemlaag 0-0,5 m-mv)’ alleen na uitvoeren van een indicatief bodemonderzoek en afhankelijk van de onderzoeksresultaten en toetsing aan de Lokale Maximale Waarden weer in deze zone mag worden hergebruikt (zie § 2.5.8). G Ter plaatse van de geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter worden toegepast (zie § 2.5.2). H De kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (zie § 2.5.9). Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbestverdachte materialen (zie § 2.6 en § 2.7). I Op oudere stortplaatsen mag voor een betere bovenafdichting grond worden gebruikt met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Voorwaarden bij deze Lokale Maximale Waarden zijn dat deze alleen mogen worden gebruikt in combinatie met een 0,5 meter dikke afdeklaag. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis voor hergebruik van grond van het gebied waarin de stortplaats ligt. (zie § 2.5.10).

2.17 Opstellen grondstromenplan bij projecten 2.17.1 Grootschalige bodemtoepassing Bij grootschalige bodemtoepassingen moet, conform artikel 64 van het Besluit, een (grondstromen) beheerplan worden ingediend. In het beheerplan wordt minimaal opgenomen: • Aan- en/of inleiding. • Wettelijk kader en onderbouwing dat aan artikelen 5/35 van het Besluit (nuttige/functionele en ruimtelijk gewenste toepassing) wordt voldaan. • Een technische onderbouwing waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 63 van het Besluit; de “technische” aspecten van de grootschalige bodemtoepassing (opbouw van de toepassing / deklaag / herkenbaarheid / kwaliteit grond / etc.). • Uitvoeringsaspecten (betrokkenen / periode / meldingsregime / kwaliteitsverklaringen / registratie / oplevering / beheerder). 40/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

•

•

Beheer / nazorg (in stand houden van toepassing én leeflaag / eventueel risico dat de grootschalige bodemtoepassing niet wordt afgerond en wie dan verantwoordelijk is / eventueel een monitoringsporgramma). Het plan kan voorzien worden met enkele bijlagen (bijvoorbeeld de ligging / opbouw van de grootschalige bodemtoepassing / verwachte ontgravingskwaliteit -boven- en ondergrond- in het ontgravingsgebied).

Door het tijdig in beeld brengen van de grondstromen en de afstemming met het bevoegde gezag kunnen knelpunten vooraf worden gesignaleerd en kan stagnatie tijdens de uitvoering worden voorkomen. Het grondstromenplan met de melding van het toepassen van grond worden ingediend bij het centrale meldpunt van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hierdoor wordt de administratieve last verminderd. 2.17.2 Andere projecten met grootschalig grondverzet Bij de uitvoering van projecten met grootschalig grondverzet, bijvoorbeeld infrastructurele werken, bouw- en woonrijp maken en natuurontwikkeling, wordt geadviseerd om een grondstromenplan op te stellen. Dit plan moet dan worden ingediend bij de gemeente (als deze initiatiefnemer is van het project) of de Omgevingsdienst Achterhoek. In een grondstomenplan voor grootschalig grondverzet wordt minimaal opgenomen: • Aan- en/of inleiding. • Wettelijk kader en onderbouwing dat aan artikelen 5/35 van het Besluit (nuttige/functionele en ruimtelijk gewenste toepassing) wordt voldaan. • Een technische onderbouwing waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 63 van het Besluit; de “technische” aspecten van het grootschalige grondverzet (opbouw van de toepassing / eventuele deklaag / herkenbaarheid / kwaliteit grond / etc.).

• Uitvoeringsaspecten (betrokkenen / periode / meldingsregime / kwaliteitsverklaringen / registratie / oplevering / beheerder). • Beheer / nazorg (in stand houden van toepassing en eventuele leeflaag / eventueel risico dat het grootschalig grondverzet niet wordt afgerond en wie dan verantwoordelijk is / eventueel een monitoringsporgramma). • Het plan kan voorzien worden met enkele bijlagen (bijvoorbeeld de ligging / opbouw van de toepassing / verwachte ontgravingskwaliteit -boven- en ondergrond- in het ontgravingsgebied). Door het tijdig in beeld brengen van de grondstromen en de afstemming met het bevoegde gezag kunnen knelpunten vooraf worden gesignaleerd en kan stagnatie tijdens de uitvoering worden voorkomen. Ook kunnen op basis van het grondstromenplan afspraken worden gemaakt over het indienen van meldingen Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor kan de administratieve last worden verminderd.

41/45 — Nota bodembeheer — SOB011396.RAP002 — 15 december 2020

2.18

Melden tijdelijke opslag voorafgaand een de definitieve toepassing

Als grond voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen dan zijn in principe 2 meldingen bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat noodzakelijk. Om deze administratie lasten te verminderen, verruimen de gemeenten de eisen voor het melden van tijdelijke opslag van grond waarvan de toepassingslocatie bekend is als volgt: Als bekend is waar de grond, die tijdelijk wordt opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen, moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse. Als bekend is waar de grond, die tijdelijk is opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7470/documents/37191