CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.4 - Toelichting bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing Acacialaan Doetinchem.pdf

gemeenteraad 24 november 2022, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.6: Bestemmingsplan Acacialaan achter nrs 73 en 99 - 202213.122 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Binnen het geprojecteerde bouwvlak voor de woning kan deze woning zonder akoestische belemmering worden gerealiseerd. Met het akoestisch onderzoek is aangetoond dat het geluidsaspect vanuit het wegverkeer geen probleem oplevert voor de voorliggende ontwikkeling. 6.4.2

Railverkeerslawaai

Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Onderzoek en conclusie De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk is een hoofdspoorweg. Het projectgebied is gelegen binnen de zonebreedte van 100 m. De geluidsbelasting op de nieuwe woning ten gevolge van de spoorlijn zal aan de voorkeurswaarde van 55 dB voldoen (zie bijlage 2). De woning kan ook wat betreft de geluidsbelasting door spoorwegverkeer gerealiseerd worden zonder belemmering.

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

29

6.5

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld.

Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is met betrekking tot de realisatie van deze vrijstaande woning uitgegaan van een ‘worstcase”-situatie waarbij er per dag gemiddeld 8 voertuigen komen en gaan.

Uitkomstberekening met behulp van NIBM-tool

Conclusie Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.

30

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

6.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.

Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid De gemeenteraad van Doetinchem heeft op 19 december 2013 de beleidsnota ‘Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld. Bij vaststelling van deze beleidsnota is onder andere besloten om het externe veiligheidsbeleid door te vertalen naar de bestemmingsplannen en beheers verordeningen van de gemeente Doetinchem. Met vaststelling van de ‘Parapluherziening externe veiligheid – 2020’ is dit geregeld. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken.

Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde.

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

31

7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Onderzoek In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen stationaire bronnen en/of mobiele bronnen aanwezig. Zie onderstaande figuur (project met blauwe pijl).

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt, gezien de ligging van het project, geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

6.7

Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.

32

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

Onderzoek en conclusie De beoogde woning wordt gerealiseerd op circa 40 meter gemeten vanaf de bestemmingsgrens “sport”. Mede gezien de aard en omvang van de activiteiten op deze tennisbaan, kan ter hoogte van de beoogde woning worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. De nieuwe woning vormt, mede gezien de ligging van andere woningen in de nabijheid van de tennisbaan, geen belemmering voor de activiteiten ter plaatse van de tennisbaan. Het stadion, de Vijverberg, is gelegen op circa 110 meter afstand van de beoogde woning. Gezien de aard en omvang van de activiteiten, kan ter hoogte van de beoogde woning mede gezien de ligging worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Ook kan worden geconcludeerd dat de nieuwe woning, mede gezien de ligging van andere woningen in de omgeving, geen belemmering vormt voor de activiteiten. Het perceel met de gewenste woning grenst aan de zuidkant aan de maatschappelijke woonzorgvoorziening. Het betreft hier een woonzorgvoorziening voor dementerende ouderen. Gezien de aard en omvang van de activiteiten op deze locatie, kan ter hoogte van de beoogde woning worden uitgegaan van een blijvend goed woon- en leefklimaat. De nieuwe woning vormt, mede gezien de ligging van andere woningen in de directe nabijheid van deze woon-zorgvoorziening, geen belemmering voor de activiteiten.

Door de voorgenomen ontwikkeling van deze grondgebonden woning worden de (bedrijfsmatige) activiteiten in de omgeving niet (extra) in hun bedrijfsvoering belemmerd. Bovendien kan er gezien de omgeving worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van de beoogde woning. Het aspect bedrijven en milieuzonering vorm geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

6.8

Flora en fauna

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving.

Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd.

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

33

Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project. Onderzoek en conclusie Door onderzoeksbureau Natuurbank Overijssel is een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Deze effectenbeoordeling is als rapportage opgenomen in de bijlagen (bijlage 3 Quickscan natuurwaarden). De bevindingen uit het onderzoek luiden kort samengevat: Het plangebied is op 2 juli 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone en Natura 2000. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. In deze wet is geregeld dat kortdurende, tijdelijke activiteiten zoals hier de sloop-, aanleg en bouwwerkzaamheden zijn vrijgesteld van de gevolgen van de eventuele stikstofdepositie als gevolg van de uitvoer van het plan. Op basis hiervan en mede gezien de ligging van het voorgenomen project ten opzichte van Natura-2000 gebieden (bv Rijntakken op circa 13 kilometer) kan worden geconcludeerd dat dit geen invloed heeft op de uitvoer van de plannen. Ongeacht, of er sprake is van toename van stikstofdepositie, geldt er per 1 juli 2021 derhalve een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor de bouwsector. Deze vrijstelling geldt voor effecten die ontstaan gedurende de ontwikkelfase.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting van het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. De plek waar activiteiten plaats vinden, wordt alleen door beschermde dieren benut als foerageergebied. In de strook direct naast het plangebied nestelen vermoedelijk jaarlijks vogels en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren mogelijk een vaste rust-of voortplantingsplaats. Als gevolg van het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels en grondgebonden zoogdieren af. De functie als foerageergebied voor amfibieën wordt niet aangetast. De functie van de bomen rondom het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen, wordt mogelijke lichtelijk aangetast, maar dat leidt niet tot wettelijke consequenties. Daarvoor is de oppervlakte fourageergebied dat negatief beïnvloed wordt, te gering en blijft voldoende fourageergebied beschikbaar. Ook met de bepaling dat er geen kunstlicht op de bosrand mag schijnen, blijft het fourageergebied behouden.

Vaste rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren en nesten van vogels buiten het plangebied, worden niet aangetast als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren, overeenkomstig wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Ook hoeft niet gewerkt te worden volgens een Gedragscode.

34

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

6.9

Water

6.9.1

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het waterschap Rijn en IJssel brengt in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (d.d. 13 januari 2022) tot uitdrukking hoe zijn haar rol in de omgeving ziet als doorvertaling van de Watervisie 2030. in het waterbeheerprogramma 2022-2027 zijn de contouren van de ambities van het Waterschap Rijn en IJssel opgenomen om daar samen met partners invulling aan te gaan geven. Daarmee wordt duidelijk welke richting en positie het waterschap inneemt om beleidsdoelen na te streven en op welke manier de daadwerkelijke uitvoering plaatsvindt. De werkzaamheden, bovenop de wettelijke taken van het waterschap, zijn gevat in 4 thema's: • Klimaatrobuust gebied: gericht op het jaarrond bereiken van een optimale balans tussen te nat en te droog en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. • Veilig gebied: gericht op de bescherming tegen hoog water als randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken. • Circulaire economie en energietransitie: gericht op het zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering door grondstofbehoefte te beperken en emissie van broeikasgassen te verminderen.

• Gezonde leefomgeving: gericht op het zorgen voor een schoon en gezond watersysteem voor mens en natuur, waarbij het water geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en geen risico's op levert voor de volksgezondheid. Onderzoek en conclusie Het plangebied bevindt zich niet in een gebied waarvoor het Waterschap Rijn en IJssel opgeven heeft geformuleerd ter uitvoering in de periode 2022-2027. Daarnaast staan voor het plangebied van voorliggend bestemmingsplan geen specifieke doelstelling beschreven.6.9.2 Watersysteem Het project heeft geen raakvlakken met een specifiek watersysteem, anders dan het grondwater. Het hemelwater afkomstig van het project wordt binnen het eigen gebied geïnfiltreerd. 6.9.3

Gemeentelijk Rioleringsplan

In paragraaf 5.5.6 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf. 6.9.4

Watertoets

Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen.

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

35

Thema

Toetsvraag

Relevant

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

1. Nee

Riolering en afvalwaterketen

1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap?

1. Nee 2. Nee 3. Nee

Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 1. Ja 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard 2. Nee oppervlak? 3. Nee 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Hoofdthema's Veiligheid

2. Nee

Grondwater- overlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de 1. Nee ondergrond? 2. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 3. Nee IJssel? 4. Nee 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?

1. Nee 2. Nee 3. Nee

Grondwaterkwaliteit

Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Nee

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het 1. Nee gemengde of verbeterde stelsel? 2. Nee 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Verdroging

Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte natuur?

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?

1. Nee 2. Ja

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

1. Nee 2. Nee

Recreatie

Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Nee

Cultuurhistorie

Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee

Aandachtsthema's

36

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

Bebouwd oppervlakte Het bouwvlak, binnen de maatschappelijke bestemming, meet in de huidige situatie 3.400 m2. Daarvan mag in de huidige situatie 35 % van het oppervlakte worden bebouwd. De bebouwingsmogelijkheid neemt in de gewenste situatie aanmerkelijk af. Strikt genomen neemt zodoende het bebouwd oppervlakte in de beoogde situatie af ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Echter kijken we naar de feitelijke situatie, dan neemt de bebouwde oppervlakte toe. Omdat het hemelwater ter plekke zal infiltreren in de bodem, is dit geen probleem. Milieuzone-natte landnatuur Het projectgebied heeft in het bestemmingsplan “Stedelijk gebied – 2021” een gebiedsaanduiding ‘milieuzone – natte landnatuur’. De gronden ter plaatse van deze aanduiding 'milieuzone - natte landnatuur' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en ontwikkeling van de hydrologische beschermingszone natte landnatuur. Van belang is dat er geen ingrepen in de grond worden gedaan waardoor verstoring van grondwaterstromen zal plaats vinden. Met deze ontwikkeling is daar geen sprake van. Het bouwplan voorziet in het afkoppelen van het van verharding en daken afkomstige niet verontreinigde hemelwater. Daarmee wordt dit hemelwater in het plangebied geïnfiltreerd. Tevens kan genoemd worden dat er geen bodem verontreinigende activiteiten plaats vinden.

Voor de

bouw vindt daarnaast geen bemaling of drainage plaats waardoor een (tijdelijke) verandering in de waterhuishouding plaatsvindt. Concluderend: De ontwikkeling geeft geen significant nadelige effecten op de instandhouding van de natte natuur.

6.10

Archeologie en cultuurhistorie

Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. 6.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen.

Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen.

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

37

Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek. De meest recente archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het terrein in een zone AWV1 categorie 5 (hoog+afgedekt). Daarnaast ligt het binnen de attentiezone van een archeologische vindplaats (AWG2 categorie 3). Het gemeentelijk beleid schrijft in dit geval voor dat vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen dieper dan 30 cm beneden maaiveld of dieper dan de bekende bodemverstoring en bij plangebieden groter dan 100 m2. De omvang van de geplande ingreep overschrijdt deze grenzen.

Onderzoek en conclusie In 2017 is, i.v.m. de bovenbeschreven archeologische verwachtingswaarden (3 en 5) een Bureauonderzoek en een Inventariserend veldonderzoek (karterende fase) uitgevoerd door bureau Laagland Archeologie (zie bijlage 4). Het onderzoeksgebied betrof het terrein van de voormalige basisschool en de onderzoeksaanleiding was de voorgenomen ontwikkeling van een woonzorgcomplex aan de Acacialaan 73. Het huidige projectgebied (kadastraal nummer 5153) maakte toen onderdeel uit van de onderzoekslocatie. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek wordt geconcludeerd dat de kans klein is dat het plangebied (waarvan het huidige onderdeel uitmaakt) archeologische sporen bevat, aangezien het onderzoeksterrein in alle geplaatste boringen tot in de C-horizont is verstoord. Om deze reden wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. De resultaten van het onderzoek zijn beoordeeld door de regio archeoloog. Het onderzoeksgebied is vrijgegeven vanwege de diepe bodemverstoring op het terrein. Zorgplicht Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art.

5.10): Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

6.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). Onderzoek en conclusie In het plangebied is braakliggend en er zijn derhalve geen gebouwen aanwezig die cultuurhistorisch waardvol zijn. Cultuurhistorisch erfgoed vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

38

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

6.11

Verkeer en parkeren

Parkeren De normering uit de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem, zal aangehouden worden. Hierbij is gekozen voor een dynamische verwijzing naar dit beleidsdocument (in lijn met jurisprudentie van de ABRS, ECLI:NL:RVS:2015:2837). Het moet met een voorwaardelijke verplichting in de regels vastgelegd worden. Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen meer worden gezocht op eigen terrein of in clusters. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de openbare ruimte gewaarborgd blijft. Onderzoek en conclusie Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Dat betekent dat er minimaal twee parkeerplaatsen op eigen terrein komen. De ontsluiting van de woning vindt plaats vanaf de Acacialaan. Deze loopt daar voor gemotoriseerd verkeer dood. Fietsers en voetgangers kunnen wel door richting de Lijsterbeslaan. Om de woning te bereiken wordt gebruik gemaakt van een bestaande mogelijkheid via eigendom van het naastgelegen woon-zorgcomplex. Dit is als zodanig middels erfdienstbaarheid vastgelegd. Daardoor gaan wel twee parkeerplaatsen voor dat zorgcomplex verloren, echter omdat er voldoende parkeercapaciteit resteert, is dat geen probleem.

6.12

Economische uitvoerbaarheid

Het plan zoals beschreven in voorliggende ruimtelijke onderbouwing, voorziet concreet in de bouw van één nieuwe woning. Alle kosten welke hierbij zijn betrokken, van grondexploitatie tot eventuele planschade zijn op voorhand zeker gesteld. Het voorliggende plan heeft voor de gemeente Doetinchem zodoende geen financiële consequenties omdat deze anderszins zijn verzekerd. De plannen komen voor rekening en risico van initiatiefnemer.

6.13

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Daarom zijn onderhavige plannen besproken met de directe omwonenden. Daarbij zijn geen bezwaren geuit. Het bestemmingsplan zal als ontwerp gedurende zes weken ter visie worden gelegd. Gedurende deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend. Na afloop van de termijn zullen eventuele zienswijzen inhoudelijk worden beoordeeld, waarna het plan aan de raad wordt voorgelegd ter vaststelling. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het wederom ter visie gelegd en kunnen belanghebbenden eventueel in beroep bij de Raad van State.

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

39

Bijlagen 1. Verkennend bodemonderzoek 2. Akoestisch onderzoek weg- en spoorverkeer 3. Quickscan natuurwaarden 4. Archeologisch onderzoek 5. Boom Effect Analyse 6. Vragenlijst woningbouwstrategie 2019 7. Verbeelding

40

woning achter Acacialaan 73 en 99 Doetinchem

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7746/documents/41555