CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3 - Toelichting met bijlagen bestemmingsplan Vulcanus - 2023.pdf

gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Vulcanus - 202315.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

54

Voor de locatie van IJzergieterij Vulcanus in Langerak geldt op dit moment geen actuele planologische regeling. Doel draagt bij aan het inzichtelijk maken en houden van de toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het bedrijf en omwonenden. Vanaf 1 juli 2021 heeft het voorontwerpbestemmingsplan 'Vulcanus - 2021' 9 weken ter inzage gelegen (t/m 1 september 2021) met als doel de concrete beleidsvoornemens kenbaar te maken en voorzienbaarheid te de procedure vervolgd door het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. Iedereen kon een zienswijze op dat ontwerpbestemmingsplan indienen

In de navolgende afbeelding is de ligging het plangebied weergegeven.

Binnen het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan Langerak 2008, vastgesteld op 4 februari 2010. Een actuele planologsiche regeling geldt binnen het overige deel van het plangebied niet. Tevens zijn er nog een aantal parapluherzieningen die gelden voor het plangebied, namelijk: Parapluherziening Archeologie - 2020, vastgesteld op 27 mei 2021 Parapluherziening Externe veiligheid - 2020, vastgesteld op 25 februari 2021 Parapluherziening Parkeren - 2018, vastgesteld op 1 november 2018 Planologisch beleid 2011, vastgesteld op 30 juni 2011 Kantoren, uitsluiten woningbouw en supermarkten - 2019, vastgesteld op 5 maart 2020

55

56

In 1894 opende IJzergieterij Vulcanus zijn poorten op de huidige locatie aan de Keppelseweg. De kern van Langerak directe omgeving van de ijzergieterij was ruimte genoeg voor de bouw van de noodzakelijke woningen voor de werknemers. Het grootste deel van deze woningen is aan de weerzijden van de Keppelseweg gebouwd. Hierdoor heeft de kern het karakter van een straatdorp gekregen. De kern Langerak is ongeveer 17 hectare groot. Voor een uitgebreide beschrijving van Langerak zie Bijlage 1.

Binnen het plangebied van het Vulcanus terrein is een ijzergieterij gevestigd. Deze bevindt zich aan de Keppelseweg 347-353 in Doetinchem. Op het terrein is ook een nutsvoorziening aanwezig. Aan de Keppelseweg 337, 339 en 341 zijn de drie bijbehorende bedrijfswoningen gelegen.

De inhoud van voorliggend bestemmingsplan kan samenvattend als volgt worden beschreven: a. b. Het bestemmingsplan legt een bebouwingspercentage vast bij recht van 30%. Deze wijze van bestemmen is een reductie ten opzichte van de huidige mogelijkheden, sluit aan bij de huidige situatie (ca 25% bebouwd) en sluit aan bij de algemen wijze van bestemmen. Daarnaast is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om, als voldaan wordt aan bijbehorende voorwaarden, met een omgevingsvergunning medewerking te kunnen verlenen aan meer bebouwing tot maximaal een bebouwingspercentage van 60%. c. ijzergieterij' is opgenomen om duidelijk te maken dat alleen op deze locatie een ijzergieterij is toegestaan. Mocht

ijzergieterij (= categorie-4.2-bedrijf, zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten VNG 2019). d. Op 24 december 2021 is door de provincie Gelderland een omgevingsvergunning verleend voor verhoging van een schoorsteen om te voldoen aan maatwerkvoorschriften in het kader van milieu. Deze omgevingsvergunning is verwerkt in het bestemmingsplan. Op 5 november 2023 heeft Gedeputeerde Staten van Gelderland een maatwerkbesluit genomen. In samenhang daarmee is Vulcanus voornemens actieve koolfilters te plaatsen. Om de plaatsing van die actieve koolfilters ruimtelijk mogelijk maken, is voor een bepaald deel van het terrein een binnenplanse afwijking opgenomen om af te wijken van de maximale bouwhoogte tot maximaal 20 meter.

57

e. Een en ander in relatie tot verduurzaming van het bedrijf(sproces) en gefaseerde revitalisering van bebouwing. Concreet gaat het om energieopslag voor uitsluitend eigen gebruik en overkapping van bebouwing en terrein voor opwek van energie. f. Voor de bedrijfswoningen is in dit plan een uitsterfconstructie opgenomen. Op die manier is het toegestaan om

Daarmee voldoet het aan de standaard van de gemeente Doetinchem.

58

In dit hoofdstuk komt het overheidsbeleid aan de orde dat van invloed is op het voorliggende bestemmingsplan. Alleen het voor dit bestemmingsplan relevante beleid wordt toegelicht en afgewogen.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is en scherper keuzes worden gemaakt.

Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Met voorliggend bestemmingsplan wordt geen lokale ontwikkeling mogelijk gemaakt waarmee rijksbelangen zijn gemoeid.

De Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: 'de Ladder') is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De uitgangspunten hierbij zijn dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, en dat de ontwikkeling in eerste instantie in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Artikel 3.1.6 lid twee Bro omschrijft de ladder als volgt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving

59

van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig dat uit drie stappen bestaat: a. Is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'? b. Vindt de ontwikkeling plaats buiten bestaand stedelijk gebied? c. Als hier sprake van is, dan moet motivering plaats vinden volgens de Ladder: waarom kan niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte worden voorzien? De toepassing van de Ladder is mede bepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op 28 juni 2017 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden. Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk.

a. Is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In het voorliggende plan worden geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, aangezien het om een bestaand bedrijf gaat. Het plan maakt enkel een kleine uitbreiding van het bestaande bedrijf mogelijk, voornamelijk ten behoeve van een goede bedrijfsvoering. Hiermee is geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Stap 2 'Motivering volgens de Ladder' en stap 3 motivering locatie indien niet binnen bestaande stedelijk gebied' kunnen daarom overgeslagen worden.

Omdat er bij dit plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is een motivering van het plan volgens de Ladder niet aan de orde.

In 1992 ondertekenden de Europese cultuur ministers op het eiland Malta het Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologische Erfgoed. Dit Verdrag van Malta heeft tot doel om het Europees archeologische erfgoed te beschermen als bron van het Europees gemeenschappelijk geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Bescherming wordt nodig geacht omdat het archeologisch erfgoed ernstig met aantasting wordt bedreigd door het toenemend aantal grote ruimtelijke-ordeningsprojecten, risico's van natuurlijke aard, clandestiene of onwetenschappelijke opgravingen en onvoldoende besef onder het publiek. In het verdrag is vastgelegd dat bescherming van het archeologisch erfgoed tot uitdrukking moet komen in beleid inzake stedenbouw en landinrichting en culturele ontwikkeling. De verantwoordelijkheid hiervoor zou volgens de Raad van Europa bij alle Europese landen moeten liggen. Door het Verdrag van Malta te ondertekenen en niet in de laatste plaats te ratificeren heeft Nederland zich verplicht een aantal wettelijke en feitelijke voorzieningen te treffen om het archeologisch erfgoed te beschermen. Nederland heeft dit langs vier sporen gedaan: behoud en bescherming van het archeologisch erfgoed op de plek waar het in de bodem ligt (in situ).

Als behoud niet mogelijk is moet de mogelijkheid er zijn om de archeologische waarden op te graven; het tijdig betrekken van het archeologisch erfgoed in het ruimtelijke ontwikkelingsproces. Hiertoe behoren het tijdig uitvoeren van onderzoek, het ontzien van archeologische vindplaatsen en het ontwerpen van archeologie vriendelijke bouw- en funderingstechnieken; de verstoorder betaalt. De noodzakelijke archeologische (voor)onderzoeken worden betaald door de

60

initiatiefnemer van (bouw)werkzaamheden; gemeenten en provincies krijgen een belangrijke rol in het proces van en besluitvorming rond archeologisch erfgoed in hun ruimtelijke plannen en vergunningen.

Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet is de zogenaamde instandhoudingsplicht opgenomen. Het doel hiervan is te zorgen dat een eigenaar zijn of haar rijksmonument zodanig onderhoudt dat instandhouding en de monumentale waarde ervan gewaarborgd zijn. Daarnaast is er in de Erfgoedwet een bepaling opgenomen die stelt dat burgemeester en wethouders van gemeenten een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen erfgoed bij moeten houden.

Op basis van onderzoek zijn gebouwen van IJzergieterij Vulcanus gewaardeerd als cultuurhistorisch waardevol vanwege de cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarde. Deze waardering heeft betrekking op de onderdelen van het huidige complex die voor 1966 gebouwd werden. Het uitgevoerde onderzoek en een uitgebreide omschrijving van deze waarden is opgenomen in bijlage 4. Om de cultuurhistorische waarden te beschermen is in voorliggend bestemmingsplan geregeld (met een gebiedsaanduiding op de verbeelding en bijbehorende regels) dat cultuurhistorische waardevolle objecten niet meer bij recht gesloopt mogen worden; sloop mag uitsluitend als daar toestemming voor wordt gegeven met een omgevingsvergunning. Dit betekent dat er bij sloopaanvragen (voor zowel gehele als gedeeltelijke sloop) altijd een afweging plaatsvindt in het kader van cultuurhistorie. Zie ook 3.3.3 Cultuur en Erfgoed 2017-2020, Karakter, Cultuurhistorie Doetinchem en 4.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed.

De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. Samen met de Omgevingsverordening heeft de provincie al vooruit gelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in samenspraak met de omgeving.De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven:

Gelderland is in 2050 klimaatneutraal. Dit bereiken we door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. Innovatie en het uitrollen van bewezen technieken wordt gestimuleerd. Als tussendoel realiseert Gelderland in 2030 55% broeikasgasreductie.

Gelderland is in 2050 klimaatbestendig. We zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. In 2020 heeft de provincie, samen met partners, de handelen.

Gelderland wordt de eerste afvalloze provincie in Nederland. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden in de schone industrie.Om dit te bereiken is in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen in Gelderland met 50% teruggebracht.

61

In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. Er wordt natuur-inclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.

In 2050 is de groei van de mobiliteit op een slimme manier opgevangen en verplaatsen mensen in Gelderland zich veilig, snel, betaalbaar en klimaatneutraal. Snel en veilig internet fungeert daarbij als alternatief voor fysieke verplaatsingen. In 2050 is het netwerk voor goederenvervoer in Gelderland toegankelijk, duurzaam en klimaatneutraal.In 2030 is al ons busvervoer zonder uitstoot en is 35% van het totaal aantal verplaatsingen met de fiets.

De concurreerde positie van Gelderland binnen het internationale stedelijke netwerk van Amsterdam, Brussel en Keulen wordt verder versterkt. Om onderscheidend te blijven, halen we in 2050 maximaal profijt uit de unieke combinatie van stedelijke en groene kwaliteiten.In 2050 zijn alle werklocaties in Gelderland duurzaam ingericht qua energie, klimaatbestendigheid en logistieke en productiestromen. Gelderland is hierin koploper van Nederland.

Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. We benutten de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen.Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas af. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal. Met vier 'spelregels' of 'doe-principes' - doen, laten, zelf en samen - wordt er werking aan gegeven. Dit is het kader waarbinnen de provincie wil werken en afwegingen wil maken.

Daarnaast zijn een aantal themakaarten onderdeel van de omgevingsvisie waar specifiek beleid in is vastgelegd. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen: ruimtelijk beleid; waterbeleid; milieubeleid; natuur- en landschapsbeleid. Voor de uitvoering van de omgevingsvisie zijn tevens drie beleidsdocumenten vastgesteld: Regionaal waterprogramma; Handreiking plussenbeleid; Beleidslijn windenergie. Met vier 'spelregels' of 'doe-principes' - doen, laten, zelf en samen - wordt er werking aan gegeven. Dit is het kader waarbinnen de provincie wil werken en afwegingen wil maken.

passend bij de huidige situatie (en wijze van bestemmen van solitaire bedrijfslocaties). De omgevingsvisie is daarom ook niet direct van invloed op het bestemmingsplan. De ambities uit de omgevingsvisie raken het plan in algemene zin. Maar deze zijn, onder andere op basis van gemeentelijk beleid, ook al waar mogelijk vertaald naar (algemene) regels in het bestemmingsplan. Een voorbeeld daarvan is dat met algemene gebruiksregels de mogelijkheid om zonnepanelen of andere voorzieningen voor het opwekken van duurzame energie is toegestaan.

62

De Omgevingsverordening is op 21 december 2022 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden. Hierin zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Samen met de Omgevingsvisie heeft de provincie al vooruit gelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in samenspraak met de omgeving.

Voor het voorliggende bestemmingsplan is gekeken naar de volgende regels uit de Omgevingsverordening: a. Instructieregels bestemmingsplan bedrijventerreinen, solitaire bedrijvigheid (artikel 2.12) b. Instructieregel klimaatadaptatie (ariktel 2.65b)

De regels in de omgevingsverordening met betrekking tot nieuwvestiging of uitbreiding van solitaire bedrijvigheid zijn gericht op het buitengebied. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt binnen de bebouwde kom van Langerak. Daarmee is deze instructieregel niet van toepassing.

Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet de toelichting bij het van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Het voorliggene bestemmingsplan betreft echter het planologisch actualiseren van een al bestaande situatie, namelijk de ijzergieterij Vulcanus die al sinds 1884 op deze locatie gevestigd is. De instructieregel met betrekking tot klimaatadaptatie is in dit geval (er is geen sprake van een nieuwe activiteit of ontwikkeling) daarom niet relevant.

Er is geen sprake van een nieuwe ontwikkeling. Het voorliggende bestemmingsplan gaat over een al bestaande situatie. De omgevingsverordening is daarom dan ook niet direct van invloed op dit bestemmingsplan. Aangezien het bedrijf een provinciale inrichting betreft is er wel een provinciaal belang vanuit het milieuspoor. Dit staat echter buiten de instructieregels uit de Omgevingsverordening die betrekking hebben op het bestemmingsplan vanuit het ruimtelijk spoor. De door provincie Gelderland verleende omgevingsvergunning voor verhoging van een schoorsteen om te voldoen aan de voorschriften uit het maatwerkvoorschriften voor geur is verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 29 juni 2016 de nota 'Cultuur en Erfgoed 2017-2020 - Beleef het mee!' vastgesteld. Gelderland is rijk aan cultuur en erfgoed: onder andere musea, theater, dans, festivals, monumenten, archeologie en het historische landschap zijn onze parels. De provincie is trots op de cultuur en het erfgoed in Gelderland en wil een klimaat bieden waardoor de parels verder tot bloei komen. Cultuur en het erfgoed zijn van mensen, door mensen en voor mensen. De provincie vindt het belangrijk dat cultuur en erfgoed toegankelijk zijn voor de inwoners van Gelderland. Zodat iedereen ervan kan genieten. De uitvoering van het beleidsprogramma 2017 - 2020 'Cultuur en Erfgoed; Beleef het mee!' versterkt dit. De provincie wil met het Cultuur- en erfgoedprogramma onder meer het volgende bereiken: De balans zoeken tussen de economische, maatschappelijke en intrinsieke waarde van cultuur en erfgoed. Cultureel ondernemerschap is belangrijk en vinden we terug in de economische waarde. De provincie gaat uit van de maatschappelijke opgaven en legt bewust verbindingen met andere sectoren en provinciale kerntaken. nieuwe initiatieven binnen de flexibele programmeerruimte.

63

De provincie faciliteert een dynamisch netwerk van culturele instellingen binnen Oost-Nederland. Cultureel talent krijgt volop de gelegenheid om zich in Gelderland te ontplooien. Functioneel gebruik van het erfgoed krijgt aandacht: Erfgoed dat goed gebruikt wordt komt optimaal tot zijn recht. De provincie werkt aan nieuwe manieren van samenwerking waardoor de uitvoeringskwaliteit van restauraties en archeologie wordt vergroot. Museumbeleid krijgt aandacht en meer middelen. Musea zijn niet alleen belangrijk voor de identiteit en leefbaarheid van de Gelderse regio's maar ook als economische en toeristische factor. De provincie stimuleert cultuureducatie en participatie, waarbij bijzondere aandacht wordt gegeven aan educatie van basisschool leerlingen. In de Uitgangspuntennotitie voor een nieuwe aanpak voor cultuur en erfgoed vastgesteld op 27 januari 2021 wordt hierop voortgebouwd en zijn de volgende uitgangspunten voor benoemd: verbinden, verwonderen en bewaren; streven naar duurzame toegankelijkheid; ruimte voor de regio; aandacht voor de makers.

De gebouwen van IJzergieterij Vulcanus zijn gewaardeerd als cultuurhistorisch waardevol vanwege de cultuurhistorische, architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarde. Deze waardering heeft betrekking op de onderdelen van het huidige complex die voor 1966 gebouwd werden (zie bijlage 4). Om de cultuurhistorische waarden te beschermen is in voorliggend bestemmingsplan geregeld (met een gebiedsaanduiding op de verbeelding en bijbehorende regels) dat cultuurhistorische waardevolle objecten niet meer bij recht gesloopt mogen worden. Dit betekent dat er bij sloopaanvragen (voor zowel gehele als gedeeltelijke sloop) altijd een omgevingsvergunning nodig is en daarmee een afweging plaatsvindt in het kader van cultuurhistorie. Zie ook paragraaf 3.2.3 Erfgoedwet, en 4.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed.

De omgevingsvisie is op 30 november 2023 vastgesteld. Hierin worden de kwaliteiten van Doetinchem nu beschreven en van Doetinchem op weg naar 2036. Het is een beschrijving van waar Doetinchem de komende jaren naartoe wil. Bijvoorbeeld op het gebied van gebruik, beheer, bescherming en behoud van de leefomgeving. Hierbij wordt ingegaan

toekomstbestendige economie voor Doetinchem. Daarnaast is opgenomen dat gewerkt wordt aan een gemeente waarin bedrijven zich graag vestigen en er graag blijven. Dat is belangrijk voor de economie en de werkgelegenheid in de gemeente. Indirect is daarnaast het thema 'wonen' relavant. Op het bijbehorende kaartbeeld is het terrein van Vulcanus en omliggend terrein opgenomen als mogelijk gebied om bij te dragen aan de woonopgave. Met een actuele planologisch regelen voor het bedrijf Vulcanus en omliggend terrein wordt geborgd dat het bedrijf zijn activiteiten daar kan blijven uitvoeren. Met bijbehorend beboud van economie en werkgelegenheid in de gemeente. De mogelijkheden die de regels bieden voor verduurzaming sluit ook aan bij het te bereiken doel, namelijk een toekomstbestendige economie voor Doetinchem. Het kaartbeeld behorend bij de het thema werken/werkgemeenten bevat geen zaken die betrekking hebben op de locatie waar voorliggend bestemmingsplan voor is opgesteld. Het kaartbeeld behorend bij het thema wonen is in die zin niet van betekenis, omdat de daadwerkelijke invulling van die ambitie van meerdere factoren afhankelijk is. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het huidige gebruik voortgezet.

64

de nota is aandacht voor het verhaal van Doetinchem en het zichtbaar maken van cultuurhistorie in de openbare ruimte. Mede hierdoor wordt de kennis over en waardering voor cultuurhistorie vergroot, en kan cultuurhistorie als inspiratiebron dienen bij ruimtelijke planvorming. De nota kent een brede insteek en beschrijft ambities op een aantal maatschappelijke thema's. Daarnaast beschrijft de nota ook de beleidskaders en de manier waarop cultuurhistorie in de ruimtelijke planvorming geborgd wordt. Hiervoor zijn vijf belangrijke thema's onderscheiden, dit zijn: a. krimp, leegstand en herbestemmen; b. duurzaamheid en innovatie; c. instandhouding; d. kennis vergroting en uitwisseling; e. leefomgeving en participatie. Ad. a. Krimp, leegstand en herbestemmen Bij leegstand van monumenten is herbestemming het uitgangspunt. Bij andere gebouwen met een cultuurhistorische waarde is de keuze herbestemming of (gedeeltelijke) sloop. Naast cultuurhistorische waarde wordt het oordeel ook gebaseerd op de omgevingswaarde, de maatschappelijke waarde en de bouwtechnische waarde van het leegstaande gebouw. Ad. b. Duurzaamheid en innovatie In 2030 wil Doetinchem energieneutraal zijn. Bij erfgoed wordt energiebesparing en het gebruik van alternatieve energiebronnen, rekening houdend met de cultuurhistorische waarde van de gebouwen, gestimuleerd. Ad. c.

Instandhouding Het is de ambitie waardevol cultuurhistorisch erfgoed blijvend te beschermen, in stand te houden en verval te voorkomen. De gemeente monitort de bouwkundige staat van monumenten en heeft een monumentensubsidieverordening. Ad. d. Kennis vergroting en uitwisseling De gemeente streeft ernaar de aanwezige kennis over de cultuurhistorie van Doetinchem te vergroten, te delen en inzichtelijk te maken voor een groot publiek. Hiervoor wordt onderzoek gedaan naar cultuurhistorische waarden, waarbij in het bijzonder ook het funerair erfgoed (begraafplaatsen en kerkhoven) wordt genoemd. Ook wordt nader in gesprek met in- en externe deskundigen, en onderzoekt de wenselijkheid van een cultuurhistorische waardenkaart voor haar inwoners. Ad. e. Leefomgeving en participatie De gemeente wil cultuurhistorie zo goed mogelijk zichtbaar en beleefbaar maken voor haar inwoners om op deze manier het besef en de waardering voor cultuurhistorie te vergroten. Particulier initiatief wordt gestimuleerd en de gemeente levert jaarlijks een bijdrage aan de Open Monumentendag.

De gemeente Doetinchem kent verschillende historische identiteiten, zoals bijvoorbeeld landschap, wonen en werken, de middeleeuwse stad, de naoorlogse stad, de boerderijen in het buitengebied welke de komende jaren een leidraad moeten vormen voor het cultuurhistorisch beleid. Daarnaast moet het cultuurhistorisch beleid zoveel mogelijk aansluiten op bestaande wetgeving.

65

De gemeente heeft inmiddels veel informatie beschikbaar over de archeologie, de naoorlogse wijken, het industrieel erfgoed, het centrum van Doetinchem, het landelijk gebied en enkele kleinere onderzoeksgebieden. Uit alle onderzoeken zijn aanbevelingen naar voren gekomen voor behoud en ontwikkeling van bepaalde objecten of structuren, onder en boven de grond. Voor sommige objecten heeft dat een bescherming opgeleverd als gemeentelijk monument. Voor andere loopt die procedure of volgt die nog. Daarnaast zijn er objecten die net niet in aanmerking komen voor de monumentale status, maar wel planologische bescherming verdienen.

blijvend te beschermen, in stand te houden en verval te voorkomen. In voorliggend bestemmingsplan zijn binnen het plangebied cultuurhistorische waardevolle bebouwing aangeduid en daarmee juridisch-planologisch beschermd tegen sloop zonder toestemming (omgevingsvergunning). Dit betekent dat er bij sloopaanvragen (voor zowel gehele als gedeeltelijke sloop) altijd een afweging plaatsvindt in het kader van cultuurhistorie. Daarmee wordt voor het plangebied ook invulling gegeven aan de nota cultuurhistorie. Zie ook paragraaf 3.2.3 Erfgoedwet, 3.3.3 Cultuur en Erfgoed 20172020 en 4.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed.

Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen.

In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief.

Op 25 april 2019 heeft de gemeenteraad het beleidskader Duurzame energieopwekking in Doetinchem vastgesteld. Met dit beleidskader is helder hoe de gemeente initiatieven voor duurzame energieopwekking in behandeling wil nemen. Dit beleidskader is een nadere uitwerking van het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam. Het biedt inwoners de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in Doetinchem. De doelstelling van het beleidskader is drieledig: a. Het beleidskader heeft als doel ruimte te bieden voor duurzame energieopwekkingsinitiatieven. Door het beleidskader is de gemeente in staat om initiatieven te 'toetsen' op hun inpasbaarheid. b. De ruimtelijke kwaliteit van het grondgebied waarborgen en waar mogelijk versterken. Het beleidskader geeft richtlijnen voor 'inpassing' van initiatieven met een grote ruimtelijke impact zoals zonneparken en windparken. c. Ten derde is het doel dat grootschalige initiatieven met een zo groot mogelijke maatschappelijke betrokkenheid

66

tot stand komen. Dit alles om de betrokkenheid te vergroten en de omgeving mee te laten profiteren van de voordelen die ook ontstaan.

In het voorliggende bestemmingsplan heeft de gemeente waar mogelijk al rekening gehouden met de energieneutraliteitsambitie. Zo is het in bijvoorbeeld de bestemming 'Bedrijf' toegestaan om op daken van gebouwen zonnepanelen en -collectoren te plaatsen. Dit kan vergunningsvrij als rekening wordt gehouden met de bijbehorende randvoorwaarden. Het plaatsen van zonnepanelen en -collectoren op monumenten is niet vergunningsvrij. Het realiseren van zonnepanelen op de grond is alleen toegestaan als er een omgevingsvergunning is aangevraagd. De gedachtegang is dat eerst het dak wordt gebruikt om zonnepanelen te realiseren en dat daarna eventueel nog zonnepanelen op de grond. In het bestemmingsplan is geregeld dat de opgewekte duurzame energie zowel voor eigen gebruik als voor derden opgewekt mag worden.

Het geldende planologisch beleid vormt het ruimtelijk beleidskader voor woningen en bijbehorende bouwwerken. In de nota wordt beleid geformuleerd voor kleine bouwplannen met betrekking tot woningen. Ook voorziet de nota in een belangrijke verruiming en versoepeling van de tot nu toe gehanteerde bouwvoorschriften. In de voorgestelde regeling is een onderscheid gemaakt tussen: a. ruimtelijke aspecten die betrekking hebben op het woonhuis en bijbehorende bouwwerken alleen; b. de ruimtelijke aspecten van de woning die alleen geregeld kunnen worden als de kenmerken van de omgeving daarbij betrokken worden. Daarnaast zijn een aantal relatief ondergeschikte bouwactiviteiten die voorheen als afwijking verleend konden worden, nu als 'bij recht' toegestane bouwactiviteiten opgenomen. Dit zijn bijvoorbeeld erkers, toegangspartijen en overkappingen in de voortuin van een woning. Verder zijn versoepelingen doorgevoerd voor: woonruimte in bijbehorende bouwwerken; overkappingen; erfafscheidingen; beroepen en bedrijven aan huis;. Met het Planologisch beleid ligt er een vernieuwde basis voor omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen. Daarnaast is het beleid de basis voor nieuwe planontwikkelingen. De regels uit het planologische beleid komen, zover ze niet zijn vertaald op de plankaart, terug in de regels van dit bestemmingsplan.

Voor het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan is het planologisch beleid als uitgangspunt gehanteerd. De onderstaande uitgangspunten van het Planologisch beleid zijn relevant voor het bestemmingsplan 'Vulcanus - 2023'. Voor de onderstaande beschrijving van de bijbehorende bouwwerken, erkers, toegangspartijen en overkappingen geldt dat de beschrijving geschreven is voor een standaard woning. In het voorliggende bestemmingsplan gelden deze regels voor de bestaande bedrijfswoningen en daarom moet de onderstaande beschrijving ook als zodanig gelezen worden.

Bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen en overkappingen) kunnen in de regel slechts op grond met de bestemming 'Wonen' worden gerealiseerd, zowel binnen als buiten het bouwvlak. Bijbehorende bouwwerken moeten op minimaal 1 hoofdgebouw bedoeld en niet de voorzijde van bijvoorbeeld een erker of een toegangspartij.

67

De voortuin moet in principe gevrijwaard blijven van bijbehorende bouwwerken. Er geldt een uitzondering voor erkers, toegangspartijen en overkappingen (zie paragraaf 3.4.4.2). Voor het overige kunnen slechts zogenaamde andere bouwwerken geen gebouwen zijnde in de voortuin worden gerealiseerd. Bijbehorende bouwwerken mogen tot op de perceelsgrens worden gebouwd. Bij hoekwoningen moet meestal maatwerk worden geleverd.

Naast de genoemde oppervlaktenorm, mag de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 50% van de totale oppervlakte van het totale bouwperceel buiten het bouwvlak. Voor bijbehorende bouwwerken geldt een goothoogte van maximaal 3 meter. Als een bijbehorend bouwwerk wordt aangebouwd aan een hoofdgebouw, geldt als goothoogte maximaal de hoogte van de vloer van de eerste verdieping van dat gebouw, verhoogd met 30 centimeter (voor de dakconstructie). De bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 6 meter zijn.

Aangebouwde bijbehorende bouwwerken mogen worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding van de woonruimte. Daarbij mag (het verlengde van) de van de weg afgekeerde bouwgrens worden overschreden. Uit oogpunt van privacy moet bij bouwwerken buiten het bouwvlak wel een afstand van minimaal 8 meter in acht genomen worden tussen woonruimte en de achterste perceelsgrens. Van deze bepaling kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken voor het gebruik tot een afstand van minimaal 3 meter uit de achterste perceelsgrens. Een afwijking kan uitsluitend worden verleend als op de aangrenzende grond(en), ter hoogte van het geplande bijbehorend bouwwerk, geen woningbouw mogelijk is doordat daarop een groen-, natuur-, water, verkeer- of daarmee vergelijkbare bestemming rust. Bij een schuin lopende perceelsgrens geldt maatwerk. De bouwvoorschriften voor bijbehorende bouwwerken zijn in die gevallen onverminderd van toepassing. Wonen in vrijstaande bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan.

De erker/toegangspartij moet qua omvang en vormgeving duidelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Het bouwwerk moet daarom aan de volgende eisen voldoen. Een erker of toegangspartij mag maximaal 1,50 meter diep zijn. Voorts mag de bouwhoogte maximaal 3 meter zijn, vermeerderd met 30 centimeter (voor de dakconstructie). Om esthetische redenen mag de erker/toegangspartij nooit hoger zijn dan de bovenkant van eerste verdiepingsvloer van het hoofdgebouw. Tot slot mag het bouwwerk maximaal 50% van de breedte van de bestaande voorgevel van het hoofdgebouw bedragen. In hoeksituaties, waar op grond van het bestemmingsplan sprake is van twee voorgevels kunnen desgewenst twee erkers worden geplaatst.

Voor een overkapping (veelal gebruikt als carport) geldt dat deze onder bepaalde voorwaarden ook mag worden Een overkapping is er toelaatbaar vanwege het open karakter. Een overkapping mag dan ook maximaal drie wanden hebben. En die wanden mogen uitsluitend worden gevormd door bestaande constructies. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een zijgevel van een woning, een voorgevel van een garage/berging en/of een erfscheiding. Een overkapping kan

68

bebouwingspercentage geldt van 50%. De oppervlakte van een overkapping telt gewoon mee met de per woning

Voor een overkapping geldt een goothoogte van maximaal 3 meter en een bouwhoogte van maximaal 3,50 meter. Deze hoogte is veelal voldoende om een camper onder de overkapping te kunnen stallen. Als de overkapping wordt aangebouwd aan een bestaand gebouw, dan gelden afwijkende hoogtenormen. Wordt een overkapping aangebouwd aan een hoofdgebouw (woning), dan geldt als maximale goothoogte de hoogte van de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer van dat gebouw, vermeerderd met 30 centimeter. Als wordt aangebouwd aan een bijbehorend bouwwerk, dan geldt de goothoogte van dat bouwwerk als maximum goothoogte. Als in de bovengeschetste gevallen de goothoogte hoger wordt dan 3 meter, dan geldt een bouwhoogte die 50

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken tot een bouwhoogte van 3,5 meter. Afwijken kan alleen in uitzonderlijke gevallen en uitsluitend als de situatie ter plaatse (grootte en situering van het bouwperceel, omvang van de woning en afstand tot de openbare ruimte) er zich voor leent.

De uitgangspunten van het Planologisch beleid zijn verwerkt in bestemmingsplan 'Vulcanus - 2023'. Verder komen de regels uit het planologische beleid terug in de regels van dit bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan is hiermee in overeenstemming met het vastgestelde Planologische Beleid.

Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groenen bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren; verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

69

De rivierduinen zijn gevormd door verstuiving van zand uit de rivierbedding van de toenmalige Oer-Rijn. Deze duinen strekken zich uit van Doesburg tot in Duitsland en zijn nog goed zichtbaar in verschillende delen van de gemeente. In het verleden was het een logische plek voor mensen om te gaan wonen aan de rivier, maar wel met droge voeten. Zo liggen binnen de gemeente, Langerak, Wijnbergen, Doetinchem en Gaanderen in een lijn op de rivierduinen langs de Oude IJssel. Bebouwingen en afgravingen hebben de gaafheid van de duinenreeks aangetast. De laatste jaren is er echter meer waardering gekomen voor de rivierduinen en wordt ingestoken op bescherming en herstel. Het gaat daarbij om twee verschillende aspecten. Allereerst de landschappelijke beleving van de rivierduinen als totaal. De hoger gelegen duinenreeks heeft een duidelijke richting en herkenbare verschijningsvorm van verstoven zandruggen, grotendeels nu herkenbaarheid vergroten. Daarnaast zijn de duinen een waardevolle ecologische overgang naar de naastgelegen natte riviergronden. De zandige duingronden zijn van oorsprong arm en kennen een rijke scharkering aan vegetatievormen in de overgang naar de voedselrijkere natte riviergronden. De verschillen hiertussen vergroten de biodiversiteit. Op de navolgende afbeelding zijn de aardkundige waarden (rivierduinen) uit het groenstructuurplan weergegeven.

70

In het Groenstructuurplan 2017 zijn geen specifieke zaken benoemd die betrekking hebben op het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Wel is ter versterking en uitbreiding van de groenstructuur de mogelijkheid van een ommetje door het bosperceel binnen het plangebied opgenomen. De aardkundig waardevolle gebieden zijn vastgelegd op de plankaart. In de regels van dit bestemmingsplan is in samenhang daarmee een specifieke beschermingsregeling opgenomen voor de aardkundige waarden.

Op 7 juli 2022 heeft de gemeenteraad de klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. De Klimaatadaptatiestrategie beschrijft hoe de Gemeente Doetinchem in 2050 klimaatbestendig wil zijn.

voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. Het klimaatadaptatiebeleid beschrijft twee stappen: 1) De verwachte klimaateffecten in onze gemeente. 2) De visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting (de klimaatadaptatiestrategie) De klimaatadaptatiestrategie beschrijft de ambities voor 2050 aan de hand van vijf pijlers: Stad en dorp gezond en groen; Adaptief landelijk beleid; Robuuste vitale infrastructuur; Ontwikkelingen klimaatbestendig; Betrokken en actieve mensen. Het klimaat verandert en we moeten ons voorbereiden op extremer weer in 2050. Zo willen we bij de Gemeente

71

Doetinchem buiten aan de slag: Neerslag vasthouden daar waar het valt; De bodem inzetten als spons; Meer schaduw door meer groen; Minder verharding door meer groen; Bebouwing en vitale infra en objecten hoog en droog. De onderstaande opgaven hebben de hoogste prioriteit gekregen.

Met het bestemmen van het huidige groen/bos binnen het plangebied als 'Groen' blijft het huidige aanwezige groen behouden wat in die zin aansluit bij de bedoeling van klimaatadaptatie.

72

Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.

Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Er zijn minder activiteiten direct m.e.r.-plichtig, maar er is wel vaker m.e.r.-beoordeling nodig. De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats indeze integrale afweging te geven. Op basis van de volgende grondslagen kan een milieueffectrapportage dan wel m.e.r. (beoordelings)plicht van toepassing zijn: op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm: er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen)op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. zijn aan de activiteiten drempelwaarden (de gevallen) verbonden. Deze drempelwaarden zijn echter indicatief.

Dit betekent dat als een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, er sprake is een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.).

De activiteiten die in voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, zijn opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor verwerking van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers, of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 15.000 ton per jaar of meer. Het reguleren van de productiecapaciteit vindt primair plaats via de milieuvergunning (bevoegd gezag provincie Gelderland). Bij de aanvraag van een dergelijke vergunning zal ook worden getoetst aan de de hiervoor genoemde drempelwaarden. In het voorliggende bestemmingsplan worden de planologische gebruiks- en bouwmogelijkheden bij recht vastgelegd conform het huidige gebruik/de huidige situatie met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Bij recht worden dus geen nieuwe (grootschalige) ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Uit de onderbouwing van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan kan geconcludeerd worden dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In dit verband wordt ook verwezen naar de verleende vergunning Wet natuurbescherming (bijlage 5).

Bij een bestemmingsplan moet worden bepaald dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming.

73

Het voorliggende bestemmingsplan is een actualisatie van de geldende bestemmingsplannen in het plangebied. Dit bestemmingsplan bevat geen nieuwe ontwikkelingen die niet al via een eerdere procedure zijn toegelaten. Er kunnen (lokaal) verontreinigingen aanwezig zijn. Er geen aanwijzingen dat de bodemkwaliteit in tussentijd is verslechterd. Om deze reden kan ervan worden uitgegaan dat de bodem in het plangebied geschikt is voor het beoogde gebruik. Dit wordt bevestigd door een schrijven van de provincie Gelderland (als gevoegd gezag voor de locatie Vulcanus) worden verwacht. Doordat daarnaast geen nieuwe gevoelige functies worden toegestaan is het uitvoeren van een bodemonderzoek ten behoeve van dit plan niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen.

Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functies. Een akoestisch onderzoek is dus niet aan de orde. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens Het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeursgrenswaarde industrielawaai). In de Wet geluidhinder is vastgelegd dat het vastleggen, opheffen of wijzigen van een geluidzone moet plaatsvinden via het vaststellen van een bestemmingsplan. Niet is vastgelegd dat bestaande geluidzones opnieuw overgenomen moeten worden. Het opnemen van de geluidzone heeft dan ook vooral een signaleringsfunctie en is niet nodig vanuit het oogpunt van rechtszekerheid.

De geluidzones van Langerak (Vulcanus) en Motorcrossterrein De Heksenplas Bronckhorst zijn vastgelegd in verschillende bestemmingsplannen. Aangezien de geluidzones alleen in deze bestemmingsplannen vastgelegd zijn, moet bij een actualisatie van deze geldende plannen, ook de geluidzone weer opgenomen worden. Anders is immers de geluidzone nergens anders meer vastgelegd. De geluidzone Vulcanus (op de afbeelding hieronder aangeduid met geluidzone Langerak) is opgenomen in Bestemmingsplan Stedeijk gebied - 2021 en in de beheersverordening Landelijk gebied - 2020.

74

De geluidzone Vulcanus is verbonden aan de aanduiding grote lawaaimaker, welke is opgenomen voor het hele plangebied. De ijzergieterij is in zijn soort relatief klein van schaal. Het bedrijf kan echter worden aangemerkt als een bedrijf bij Kroonbesluit van 15 januari 1992 een geluidszone (ex art. 53 Wgh) vastgesteld. De geluidzone is opgenomen in de omliggende bestemmingsplannen. De drie bedrijfswoningen bevinden zich het gezoneerde industrieterrein. Daarmee worden deze woningen niet beschermd tegen geluid afkomstig van bedrijfsactiviteiten op het gezoneerde industrieterrein.

In voorliggend bestemmingsplan is de geluidzone Motorcrossterrein De Heksenplas opgenomen. Binnen een geluidzone mogen geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegestaan worden tenzij hogere waarden is verleend. Doordat het bestemmingsplan geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk maakt, vormt het aspect industrielawaai/bedrijfszonering geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen om onder andere de (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als de luchtkwaliteit als gevolg van het project met ten hoogste 3% verslechtert.

het voorliggende bestemmingsplan worden de planologische gebruiks- en bouwmogelijkheden vastgelegd conform het

75

huidige gebruik/de huidige situatie met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. De uitbreidingsmogelijkheden bij recht zijn dermate kleinschalig dat een verslechtering van de luchtkwaliteit met meer dan 3% niet aan de orde zal zijn. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 deze kans 10-6 (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden.

Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de

Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: a. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. b. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. c. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. d. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. e. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. f. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen.

Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. g. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt

76

zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Voor punten a t/m e heeft de gemeente een apart bestemmingsplan 'Parapluherziening Externe veiligheid - 2020' opgesteld. De parapluherziening is integraal verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan.

milieubeheer en Activiteitenbesluit van toepassing. Het gasdrukmeet- en regelstation is in het bestemmingsplan opgenomen met een specifieke bestemming. Er moeten veiligheidsafstanden in acht genomen worden, voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Daarom is rondom het station een veiligheidszone opgenomen voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, kantoren met een bvo van meer dan 1.500 m2 en kinderdagverblijven. Beperkt kwetsbare objecten zijn woningen, als het gaat om verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare, kantoren met een bvo tot 1.500 m2, sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen.

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een actuele planologische regeling op basis van de huidige feitelijke situatie met beperkte ruimte tot uitbreiding. Vanwege het gasdrukmeet- en regelstation is in de verbeelding een gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bevi 1' opgenomen met bijbehorende regeling in de regels. Daarmee wordt geborgd dat kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten niet te dicht op het gasdrukmeet- en regelstation gebouwd kunnen worden. In of nabij het plangebied zijn geen andere risicobronnen aanwezig die van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Met de gebiedsaanduiding risicobronnen is de vestiging van nieuwe risicobronnen in of nabij het plangebied bij recht uitgesloten.

77

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.

Vulcanus is als bestaand bedrijf (al langdurig) gevestigd binnen het plangebied. Met voorliggend bestemmingsplan worden de bij recht toegestande planologische bouw- en gebruiksmogelijkheden gereduceerd ten opzichte van de mogelijkheden die er op dit moment zijn. Door middel van het opnemen van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ijzergieterij' binnen de bestemming 'Bedrijf' is alleen de bestaande ijzergieterij toegestaan (categorie 4.2) of bedrijven met een milieucategorie 1 of 2 (als de ijzergieterij niet meer actief zou zijn). Mocht de ijzergieterij verdwijnen dan is alleen bedrijvigheid met milieucategorie 1 of 2 mogelijk is. Deze bedrijven in milieucategorie 1 of 2 hebben in een gebied dat getypeerd kan worden als 'gemengd gebied' een richtafstand van maximaal 10 meter. Aan deze afstand kan als die situatie zich voordoet worden voldaan, aangezien de afstand tot de nabijgelegen woningen ruim 10 meter is. Voor het voorliggende bestemmingsplan vormt het aspect bedrijven en milieuzonering dan ook geen belemmering.

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving.

Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7971/documents/46171