Bijlage 1.3.7 - Regels bijlage 7 inrichtingsplan.pdf
Tekst van het document
Bijlage 7 Erf- en landschappelijk inrichtingsplan
39
Erf- en landschappelijk inrichtingsplan Over de Beek Plan voor een aangepast erf in Gaanderen In opdracht van Johnny en Harold Kock
Colofon Erf- en landschappelijk inrichtingsplan Over de Beek Rapportnummer Projectnummer
2431 4424
Opdrachtgever Contactpersoon
Johnny en Harold Kock Roy Barthen
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel 0314 641910 info@staringadvies.nl www.staringadvies.nl IBAN NL87 RABO 03 88 40 73 44 Btwnr NL8076.79.616.B01 KvK 09100544
Auteur Controle Status Publicatiedatum Foto voorblad
D.J. Stronks definitief 23-02-2023 De planlocatie, gezien vanaf de Bielheimerbeek
Wijze van citeren
Stronks, D.J., 2022. Erf- en landschappelijk inrichtingsplan Over de Beek. Staring Advies, Hoog-Keppel.
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud 1 Inleiding ............................................................................................................................ 3
2 Het plangebied .................................................................................................................. 4 2.1 Ligging van het plangebied.......................................................................................... 4 2.2 Beschrijving van de planlocatie ................................................................................... 5 2.3 Landschap ................................................................................................................... 6 2.4 Bodem ......................................................................................................................... 9 2.5 Aanwezige landschappelijke kwaliteiten .................................................................... 11 2.6 Natuurwaarden .......................................................................................................... 11
3 Uitgangspunten ............................................................................................................... 12
4 Inrichtingsplan ................................................................................................................. 14
5 Beheer ............................................................................................................................ 19
Bijlagen ............................................................................................................................... 21 Bijlage 1. Fotografische impressie van het plangebied ................................................... 21
1 Inleiding Het agrarische bedrijf op het adres Over de Beek 12 te Gaanderen stopt haar agrarische activiteiten. Het plan is om de stallen op dit erf te slopen en op de vrijkomende ruimte 2 woningen te bouwen. Samen met de bestaande te handhaven woonboerderij komt het aantal woningen op dit erf in de toekomst op drie. In figuur 1 wordt de topografische ligging van het erf weergegeven. In dit plan wordt de toekomstige erfinrichting en de landschappelijke inpassing beschreven. In hoofdstuk 2 wordt de huidige en de historische situatie van het plangebied en de omgeving beschreven. In hoofdstuk 3 zijn een aantal uitgangspunten geformuleerd die als basis dienen voor de erfinrichting en de landschappelijke inpassing van het erf. In hoofdstuk 4 wordt eerst de beoogde erfinrichting en de landschappelijke inpassing gepresenteerd. Vervolgens komen in dit hoofdstuk de inrichtingsmaatregelen voor de afzonderlijke onderdelen aan de orde. In hoofdstuk 5 wordt het gewenste beheer van de groenelementen beschreven.
Figuur 1. Topografische ligging van de projectlocatie. Bron topografische ondergrond: www.geoportaal.gelderland.nl.
Pagina 3
2 Het plangebied
2.1 Ligging van het plangebied De topografische ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Een luchtfoto van het plangebied is weergegeven in figuur 2. De planlocatie is door de Bielheimerbeek gescheiden van de noordpunt van de bebouwde kom van Gaanderen.
Figuur 2. Luchtfoto van de planlocatie. De rode lijn vormt de begrenzing van de planlocatie. Bron luchtfoto: https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer.
Pagina 4
2.2 Beschrijving van de planlocatie De planlocatie bestaat uit cultuurgrond (circa 1,9 hectare) en het erf en de toegangsweg naar het erf (samen circa 0,6 hectare). De cultuurgrond bestond in 2020 en 2021 uit intensief gebruikt grasland (bron: www.boerenbunder.nl). Het grotendeels verharde erf bestaat naast de woonboerderij uit drie grotere stallen, een mestsilo en enkele kleinere schuren. Verspreid op het erf staan 3 kleine bomen. Rond de woonboerderij zijn enkele knipheggen aanwezig. De toegangsweg is geasfalteerd en de bermen erlangs hebben een breedte van minder dan een meter. De foto’s die in bijlage 1 zijn opgenomen geven een indruk van de planlocatie.
Pagina 5
2.3 Landschap In de figuren 3, 4, 5 en 6 zijn topografische kaarten uit 1850, 1900, 1950 en 2020 van de planlocatie en omgeving weergeven. Hieruit is de landschappelijk ontwikkeling op en rond de planlocatie in de afgelopen 170 jaar af te leiden. Op de topografische kaart uit 1850 is te zien dat de planlocatie al grotendeels uit landbouwgrond bestond, zowel grasland als akkerland. Op de plek van het huidige erf was toen al bebouwing aanwezig. De Bielheimerbeek stroomde toen nog ten westen van de projectlocatie. Langs deze beek stond ten noordwesten van de projectlocatie een ijzermolen, een watermolen voor het aandrijven van blaasbalgen. Deze waren nodig om de hoge temperaturen in de houtskoolovens te bereiken om ijzer te smelten. In 1809 draaide de molen voor het laatst (bron: www.molendatabase.org). Het huidige wegenpatroon van toen nog onverharde weggetjes was grotendeels al aanwezig. Het noordelijke deel van het aangrenzende Gaanderen bestond toen nog uit bos en landbouwgrond. De kaart van 1900 laat flinke veranderingen zien ten opzichte van die van 1850. Het areaal bos in de omgeving is fors kleiner geworden. Tussen 1900 en 1950 neemt het areaal bos en ook het aantal lijnvormige landschapselementen in de omgeving verder af. De inrichting van het cultuurlandschap wordt iets grootschaliger.
Op zowel de kaart van 1900 als die van 1950 is te zien dat de rivierduinen langs de Watertapweg ten zuiden van de projectlocatie grotendeels nog onbegroeid zijn. Tussen 1950 en 2020 neemt de kleinschaligheid van het agrarische landschap verder af en verschijnen landbouwbedrijven met grote veeschuren. De rivierduinen langs de Watertapweg raken geheel bebost. In deze periode wordt ook de Bielheimerbeek gedempt ter hoogte van de projectlocatie en wordt in plaats daarvan ten oosten van het plangebied een kanaal gegraven dat dezelfde naam krijgt: Bielheimerbeek. Ter hoogte van de boerderij De Rondenkamp, ten zuiden van de planlocatie, wordt een stuw in deze gekanaliseerde beek geplaatst. In deze periode verdwijnen alle lijnvormige landschapselementen (houtwallen, houtsingels) op de projectlocatie die op de kaarten van 1900 en 1950 nog volop aanwezig waren. Net als bij andere boerderijen in de omgeving verschijnt er op de projectlocatie een agrarisch bedrijf met grote veeschuren.
Pagina 6
Figuur 3. De topografische kaart van 1850. De planlocatie is begrensd door de rode lijn. Bron: Topotijdreis.nl.
Figuur 4. De topografische kaart van 1900. De planlocatie is begrensd door de rode lijn. Bron: Topotijdreis.nl.
Pagina 7
Figuur 5. De topografische kaart van 1950. De planlocatie is begrensd door de rode lijn. Bron: Topotijdreis.nl.
Figuur 6. De topografische kaart van 2020. De planlocatie is begrensd door de rode lijn. Bron: Topotijdreis.nl.
Pagina 8
2.4 Bodem Zie figuur 7 voor een weergave van de bodemkaart. Op de planlocatie wordt het bodemtype ZN23-V* aangetroffen. Dit is een vlakvaaggrond die bestaat uit lemig fijn zand. Vlakvaaggronden zijn zandgronden met een lichtgekleurde, meestal humusarme bovengrond. De gemiddeld hoogste grondwaterspiegel bevind zich tussen 40 en 25 cm beneden maaiveld. Het gemiddeld laagste grondwaterpeil is meer dan 120 cm beneden maaiveld.
Figuur 7. Bodemkaart van de planlocatie en omgeving. De planlocatie is rood omlijnd. Bron: geoportaal.gelderland.nl.
In de omgeving zijn geringe hoogteverschillen aanwezig. Het hoogteverschil tussen het laagste en hoogste punt in de ruime omgeving van de planlocatie is ongeveer 1,4 meter. De erven zijn gesitueerd op ophogingen in het landschap. Zie ook figuur 8. De projectlocatie ligt op de overgang van iets hogere gronden naar de wat lager gelegen gronden langs de oorspronkelijke loop van de Bielheimerbeek ten westen van de projectlocatie. Direct ten zuidwesten van de projectlocatie liggen twee wat hogere kopjes.
Pagina 9
Figuur 8. Hoogtekaart van de planlocatie en directe omgeving. De planlocatie is rood omlijnd. Oranje/rood is hooggelegen, blauw is laaggelegen. Bron: ahn.arcgisonline.nl.
Pagina 10
2.5 Aanwezige landschappelijke kwaliteiten De projectlocatie maakt deel uit van het kampenlandschap. Landschappelijk gezien is de locatie totaal uitgekleed. In de afgelopen 100 jaar zijn alle landschapselementen op de projectlocatie en in de directe omgeving verdwenen. Ook zijn karakteristieke groenelementen op het erf niet (meer) aanwezig. De twee hogere kopjes direct ten zuidwesten van de planlocatie zijn mogelijk oude esjes die in het verleden gedurende de potstalcultuur zijn opgehoogd. Op de bodemkaart zijn deze niet als zodanig begrensd. Deze kopjes kunnen nog enigszins als een vorm van landschappelijke kwaliteit aangemerkt worden.
2.6 Natuurwaarden De natuurwaarden op de planlocatie zijn zeer beperkt omdat op het erf nauwelijks beplanting aanwezig is. Beplanting ontbreekt ook op de omringende cultuurgrond. Door het intensieve agrarische gebruik van de deze grond is de natuurwaarde zeer beperkt. De “Quickscan natuurwaardenonderzoek Over de Beek 12 Gaanderen, Natuurbank Overijssel 2002” en “Nader onderzoek vleermuizen en huismussen Over de Beek 12 Gaanderen, Natuurbank Overijssel 2002” melden het volgende over de natuurwaarden: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor bijzondere wilde flora. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, huismus, huiszwaluw, witte kwikstaart, winterkoning, holenduif, houtduif en zwarte roodstaart. Verder zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat steen- of kerkuilen er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Aanwezigheid van deze soorten in gebouwen is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van braakballen, schijtsporen en ruiveren. Het plangebied behoort vermoedelijk tot leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, egel en steenmarter.
Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten bosmuizen en huisspitsmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Uit het aanvullende onderzoek blijkt dat er een zomer- en paarverblijfplaats aan de achterzijde van de oude boerderij van de gewone dwergvleermuis aanwezig was in 2022. In de oude boerderij zijn tijdens het aanvullende onderzoek in 2022 zes paar nestelende huismussen vastgesteld. Deze huismussen nestelden allemaal onder de onderste rij dakpannen van de woning. Er zijn nesten aan de voorzijde en beide zijgevels vastgesteld.
Pagina 11
3 Uitgangspunten Voor het ontwerp zijn de kenmerken van het kleinschalige kampenlandschap als uitgangspunt genomen. Voor dit plan relevante kenmerken van dit landschapstype zijn onder meer: • • • • • • • • • • •
Een grillig verkavelingspatroon Beplanting op de perceelsgrenzen Grasland in de lagere delen en akkers op de kampen (hoger gelegen bouwlanden) Verspreid liggende bosjes Drinkpoelen voor het vee in de weilanden Informele positionering in het landschap van de boerderijen en bijgebouwen Compacte erven Kleine hoogstamboomgaarden op de erven of grenzend aan de erven Een knipheg rond de sier- en/of moestuin Boomgroepen bij erven Laanbeplantingen langs toegangswegen
Het plangebied is gelegen in de “Groene Ontwikkelzone” (GO). Deze zone grenst aan het “Gelders Natuur Netwerk” (GNN). De GNN en de GO zijn gebieden die door de provincie Gelderland zijn begrensd. Samengevat is in de GO de wens het landschap te herstellen. Het GNN bestaat grotendeels uit natuur en bos. De wens in de GNN is dat natuur en bos zich optimaal kan ontwikkelen in een landelijk netwerk. De ontwikkelingsdoelen voor de GO zijn in dit gebied als volgt: • • • • • • •
Ontwikkeling ecologische verbinding Boven-Slinge met beken, beekoevers, poelen, natte graslanden en moerasjes, bosjes en singels Ontwikkeling ecologische verbinding Oude IJssel-oost met beken, beekoevers, poelen, natte graslanden en moerasjes, bosjes en singels Ontwikkeling uitwisseling met de omgeving en vermindering barrièrewerking A18N18, N318, N313 en N317 Ontwikkeling bosranden en overgangen naar cultuurgronden, heide en schrale graslanden Ontwikkeling biotopen voor vogels van bossen en cultuurgronden Ontwikkeling biotopen voor reptielen en amfibieën, poelen Ontwikkeling cultuurhistorische patronen (bijv. ontginningen, houtwallen, kavelpatronen, boerderijen) en beheersvormen
Pagina 12
Daarnaast heeft de provincie Gelderland voor een aantal ecologische verbindingszones doelen vastgesteld. De doelen voor de ecologische verbindingszone (EVZ) langs de Boven-Slinge/Bielheimerbeek zijn de volgende EVZ-modellen: das, kamsalamander, ijsvogelvlinder en winde. Door de ligging van het plangebied tegen de Bielheimerbeek aan is bij de planvorming zoveel mogelijk inhoud gegeven aan deze modellen.
Pagina 13
4 Inrichtingsplan De uitgangspunten ten aanzien van de inrichting zoals geformuleerd in het vorige hoofdstuk zijn zoveel mogelijk verwerkt in het plan. Zie figuur 9 voor de plankaart.
Figuur 9. De plankaart.
Voor het aanleggen van de verschillende groenelementen wordt zoveel mogelijk plantmateriaal van streekeigen, autochtone herkomst gebruikt. Dit draagt het meeste bij aan de biodiversiteit en het behoud van groen erfgoed. Hieronder worden de verschillende onderdelen van het inpassingsplan toegelicht.
Struweelrand. Een struweelrand is een strook begroeid met grassen, kruiden en verspreid staande struiken. Door toepassing van een struweelrand rond een groot deel van het plangebied ontstaat een natuurlijke, half open overgang naar het omliggende agrarische
Pagina 14
gebied. De struweelrand vormt een belangrijk leefgebied voor allerlei fauna die zwaar onder druk staan in het moderne agrarische landschap. Deze rand is 3 meter breed en heeft een lengte van circa 470 meter. Ongeveer 30% van deze rand wordt beplant met groepjes struikvormende soorten, verdeeld over 20 tot 25 groepjes die onregelmatig verspreid liggen. Deze plantvakken hebben een gezamenlijke oppervlakte van 450 m2. Per twee vierkante meter wordt in deze plantvakken 1 stuks tweejarig plantgoed (bosplantsoen) geplant. In de plantsoenlijst (zie tabel 1) is weergegeven welke soorten en aantallen aangeplant worden. Bij de aanplant vindt groepsgewijze menging plaats, waarbij circa 3 stuks van dezelfde soort bij elkaar geplant worden. Dit om te voorkomen dat één soort gaat overheersen. Langs de buitenzijde van de struweelrand wordt een afrastering geplaatst met afrasteringspalen die maximaal 8 meter uit elkaar staan en die voorzien zijn van één gladde draad. Door deze afrastering wordt de perceelsgrens voor de aangrenzende grondgebruiker duidelijk vastgelegd. Daarnaast heeft deze afrastering ook een ecologische functie als uitkijk- en zangpost voor vogels en als zon-plek voor insecten. Langs de binnenzijde wordt ook een afrastering geplaatst op plekken waar deze grenst aan kruidenrijk grasland indien daar beweiding plaatsvindt.
Het heeft een sterke voorkeur om onbehandelde gekloofde eiken palen als afrasteringspalen te gebruiken. Dit soort palen komt de landelijke uitstraling ten goede. Chemisch verduurzaamde palen komen de biodiversiteit niet ten goede en hebben een negatieve impact op de milieukwaliteit.
Struweelhaag. Aansluitend op de laanbeplanting langs Over de Beek wordt langs de zuidwestgrens van de locatie een struweelhaag aangelegd met een lengte van circa 52 meter. Een struweelhaag is een aaneengesloten begroeiing van opgaande inheemse struiken. Hierdoor ontstaat een geleidelijke overgang van de opgaande beplanting langs Over de Beek en de struweelrand die in het verlengde van de struweelhaag ligt. De aan te leggen boomgaard voor de oude boerderij komt door de struweelhaag wat meer in de luwte te liggen. De struweelhaag vormt een belangrijk leefgebied voor vooral broedvogels en insecten die zwaar onder druk staan in het moderne agrarische landschap. Bij de aanleg van de struweelhaag worden in zigzag-verband twee rijen beplanting geplant. De afstand tussen deze twee rijen is ongeveer 75 cm. Per strekkende meter worden 4 stuks tweejarig plantgoed (bosplantsoen) geplant een lengte van 60 tot 100 cm. Daarbij wordt groepsgewijze menging toegepast. Dat wil zeggen dat circa 5 stuks plantgoed van dezelfde soort bij elkaar worden gezet om te voorkomen dat één soort gaat overheersen. In de plantsoenlijst (zie tabel 1) is weergegeven welke soorten en aantallen aangeplant worden.
Houtsingels. Een houtsingel is een opgaande lijnvormige beplanting met een dichte struiklaag. In het plan is de aanleg van twee kleine houtsingels opgenomen langs de twee nieuwe woningen. Door aanleg van deze houtsingels krijgen deze woningen een groene achtergrond, geven ze beschutting aan de toekomstige bewoners en zijn deze woningen
Pagina 15
minder prominent aanwezig in het landschap. Ook voor diverse soorten fauna van het kleinschalige cultuurlandschap vormen beide houtsingels een belangrijke toevoeging. De houtsingels hebben een breedte van 5 meter en een totale lengte van 40 meter. Het planten van het tweejarig bosplantsoen gebeurt in wildverband waarbij een gemiddelde plantafstand van 1,5 x 1,5 meter aangehouden wordt. Bij het aanplanten wordt groepsgewijze menging van soorten toegepast. Dat wil zeggen dat circa 5 stuks van dezelfde soort bij elkaar worden geplant om te voorkomen dat één soort in de beplanting gaat overheersen. Boomvormende soorten worden meer in het midden van de plantvakken geplant, terwijl de struikvormende soorten vooral in de randen worden geplant. Zie voor het aan te planten sortiment de plantsoenlijst (tabel 1).
Kruidenrijk grasland. De grond wordt eerst bewerkt zodat een zaaibed ontstaat (grond zwart maken door te frezen of ondiep te ploegen). Vervolgens worden de percelen ingezaaid met een zadenmengsel van inheemse soorten en van inheemse afkomst, passend bij de grondsoort, bijvoorbeeld het B102 Margrietmengsel van de firma Biodivers.
Poel. Met een graafmachine wordt de poel uitgegraven en de vrijkomende grond wordt afgevoerd. De poel krijgt een diepte van ongeveer 160 centimeter ten opzichte van het maaiveld ter plekke. De verwachting is dat bij deze diepte de poel bij hoge uitzondering in zeer doge zomers droog valt. Voor amfibieën, met name de kritische soorten als kamsalamander en boomkikker is dit belangrijk omdat door periodieke droogval vissen hier niet of nauwelijks kans krijgen. Vissen en deze kritische amfibiesoorten gaan niet samen. De oppervlakte van de poel is ongeveer 300 m2. Het is een optie om in een zone rond de poel de teelaarde in het kruidenrijke grasland af te graven. Hierdoor ontstaat de optimale uitgangssituatie om een schrale kruidenrijke vegetatie te ontwikkelen.
Hoogstamboomgaarden. In het plan is de aanleg van twee hoogstam boomgaarden opgenomen. In totaal worden 20 hoogstamfruitbomen geplant, bij voorkeur oude rassen. Oude rassen zijn over het algemeen minder gevoelig voor ziektes. Bovendien draagt het toepassen van oude rassen bij aan het behoud daarvan. De bomen hebben bij aanplant een minimale stamomtrek op borsthoogte van 8 tot 10 centimeter. De bomen worden voorzien van boompalen. De afstand tussen de te planten bomen is minimaal 8 meter. Het heeft de voorkeur om voordat de bomen geplant worden de boomgaarden in te richten als kruidenrijk grasland (zie inrichting kruidenrijk grasland). De grootste boomgaard is midden in het kruidenrijke grasland gelegen. Indien dit kruidenrijke grasland door vee wordt begraasd, moet deze boomgaard rondom worden voorzien van een afrastering of moet elke individuele boom tegen het grazende vee worden beschermd door een afrastering of boomkorf.
Pagina 16
Laan. Langs beide zijden van de oprit naar het vernieuwde erf wordt een berm aangelegd van minimaal 3 meter breed. Deze berm wordt aangelegd als kruidenrijk grasland (zie inrichting kruidenrijk grasland). In de bermen worden vervolgens 13 laanbomen geplant. Deze bomen zijn alle van dezelfde soort. Deze bomen worden elk voorzien van een boompaal. De bomen hebben als minimummaat 16/18 (stamomtrek in cm op 130 cm hoogte). De volgende boomsoorten komen voor aanleg van de laan in aanmerking: zomereik, beuk, haagbeuk, fladderiep, winterlinde en zomerlinde. Bij zomereik kan overlast door de eikenprocessierups ontstaan. Bij beuk is een risico aanwezig dat klimaatverandering de groei en uiteindelijk levensverwachting negatief beïnvloedt. Fladderiep is een makkelijke en relatief snelle groeier en bovendien goed bestand tegen de iepziekte.
Solitaire bomen. In het plan is de aanplant van 14 solitaire bomen opgenomen. De bomen hebben als minimummaat 10/12 (stamomtrek in cm op 130 cm hoogte). De volgende boomsoorten komen vooral in aanmerking: zomereik, beuk, rode beuk, haagbeuk, fladderiep, taxus, winterlinde, zomerlinde en walnoot.
Hagen. Op de locaties zoals op de plantekening is weergegeven worden hagen geplant door per strekkende meter 4 stuks plantgoed, bosplantsoen met een lengte van 60 tot 100 cm, te planten. In totaal wordt 310 meter haag aangeplant. De volgende soorten komen in aanmerking als plantgoed: beuk, haagbeuk en eenstijlige meidoorn.
Tuinen. De inrichting van de tuinen is aan de toekomstige bewoners. Enige restrictie is hier echter geboden. Het aanplanten van bomen en struiken die op termijn beeldbepalend zijn én niet passen in de gewenste beeldkwaliteit is niet gewenst. Hoog opgaande coniferen en/of naaldbomen en hagen van laurierkers passen bijvoorbeeld niet in het gewenste landschapsbeeld.
Pagina 17
struweelrand oppervlakte(m2) 1410 lengte (m1) 470
aan te planten stuks per type groenelement struweelhouthagen hoogstam laan haag singels boomgaard 156 200 52 40 310
solitaire bomen
soort bosplantsoen beuk boswilg braam eenstijlige meidoorn egelantier fladderiep gelderse roos gewone lijsterbes gewone vogelkers haagbeuk hazelaar hondsroos sleedoorn Spaanse aak vuilboom zoete kers zwarte els nog te bepalen totaal bosplantsoen
225
208
100
1240 1240
0
0
0
bomen 8/10 hoofstamfruit diverse oude rassen totaal hoogstamfruit
0
0
0
0
20 20
0
0
13
14
13
14
10 75 75 25
25 25
33
15
25
10 15 10
25 25 25 25
15
25 25 10 15
bomen 10/12, 16/18 beuk haagbeuk fladderiep rode beuk taxus walnoot winterlinde zomereik zomerlinde nog te bepalen totaal bomen 10/12, 16/18 0 mogelijk toe te passen soorten
0
0
0
0
Tabel 1. Plantsoenlijst. Voorstel voor aan te planten plantmateriaal.
Pagina 18
5 Beheer Per onderdeel wordt hieronder het gewenste beheer weergegeven.
Struweelrand. Periodiek te hoog opschietende delen van de struikbegroeiing (hoger dan ca. 3 meter) terugsnoeien. Ieder jaar éénvijfde deel van de kruidenvegetatie maaien.
Struweelhaag. De aanplant de eerste jaren in droge perioden water geven. Afgestorven plantmateriaal vervangen. Eens per 5 tot 10 jaar de beplanting afzetten (afzagen op een hoogte van circa 30 centimeter), bij voorkeur gefaseerd.
Houtsingels. De aanplant de eerste jaren in droge perioden water geven. Afgestorven aanplant wordt vervangen door nieuwe aanplant. Op termijn eens per 10 tot 15 jaar de beplanting gefaseerd afzetten (afzagen op circa 30 centimeter hoogte), waarbij een aantal bomen als overstaander gespaard blijven.
Kruidenrijk grasland. Twee keer per jaar maaien, bij voorkeur gefaseerd, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Bijvoorbeeld per perceel de helft (het minst bloemrijke stuk) maaien begin juni en de andere helft eind juli. Vervolgens in september de ene helft en in oktober de andere helft maaien. Nadat het kruidenrijk grasland voldoende is verschraald kan eventueel overgegaan worden op een eenmalige maaibeurt in de nazomer of kan extensieve beweiding worden toegepast. Om verzuring tegen te gaan is het raadzaam om eens per drie jaar een licht bekalking toe te passen met een langzaam werkende kalkstof.
Poel. De eerste jaren eventuele opslag van bomen op de oever uittrekken. Periodiek gefaseerd de oevers maaien indien de vegetatie te weelderig wordt. De poel periodiek opschonen indien deze te ver (>50%) dichtgroeit.
Hoogstamboomgaard. De bomen de eerste jaren in droge perioden water geven. Afgestorven bomen worden vervangen door nieuwe aanplant. Na enkele jaren vormsnoei toepassen. Op termijn de appel- en perenbomen eens per twee jaar snoeien. Het gras onder de bomen beheren als kruidenrijk grasland. Rond de bomen jaarlijks compost opbrengen, waarbij enige ruimte (circa 15 cm) rond de stam wordt vrijgelaten, waardoor
Pagina 19
schade aan de stam door knaagdieren en schimmels wordt voorkomen. Enkele jaren na aanplant de boompalen en het boombindband verwijderen.
Laan. Het beheer kan hier beperkt blijven tot het water geven van de bomen in de eerste jaren in droge perioden. Afgestorven bomen worden vervangen door nieuwe aanplant. Op termijn kan het wenselijk zijn om laaghangende takken te snoeien. Enkele jaren na aanplant de boompalen en het boombindband verwijderen. De bermen beheren als kruidenrijk grasland.
Solitaire bomen. Het beheer kan hier de eerste jaren beperkt blijven tot het water geven van de bomen in droge perioden. Afgestorven bomen worden vervangen door nieuwe aanplant. Op termijn kan het wenselijk zijn om laaghangende takken te snoeien. Enkele jaren na aanplant de boompalen en het boombindband verwijderen.
Hagen. De eerste jaren in droge perioden water geven. Afgestorven plantmateriaal vervangen. Jaarlijks de haag één of twee keer knippen of scheren. Delen van de hagen die verder van de woningen af liggen kunnen eventueel eens per twee jaar geknipt of geschoren worden.
Pagina 20
Bijlagen Bijlage 1. Fotografische impressie van het plangebied
De ingang van het weitje bij de buren aan de noordoostkant. Op de achtergrond het erf in het plangebied.
Zicht op het huidige erf vanuit oostelijke richting.
Pagina 21
De Bielheimerbeek en Over de Beek langs de zuidoostzijde van het plangebied.
De Bielheimerbeek en Over de Beek langs de zuidoostzijde van het plangebied, met direct langs de weg een wat hoger gelegen kopje in het graslandperceel.
Pagina 22
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl
Pagina 23