CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3.12 Toelichting Bijlage 12 - Quick scan flora en faun + nader onderzoek vleermuizen en reptielen.pdf

beeldvormende raad 15 juni 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 3: Provinciaal inpassingsplan N3159.416 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan flora en fauna + nader onderzoek reptielen en vleermuizen

Quickscan flora en fauna + nader onderzoek reptielen en vleermuizen N315 Ruurlo - Doetinchem

Opdrachtgever: Provincie Gelderland T.a.v. de heer A. Joosse Postbus 9090 6800 GX Arnhem

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

202270 3-11-2022 M. Leenen M. Hoofd T. Asbreuk Definitief 2

© 2022 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding ...................................................................................................................................................... 5

2

Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 6

2.1

Huidige situatie ....................................................................................................................................... 6

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 6

3

Natuurwetgeving ...................................................................................................................................... 14

3.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 14

3.2

Bescherming van soorten ..................................................................................................................... 14

4

Methode ................................................................................................................................................... 15

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 15

4.2

Bureauonderzoek ................................................................................................................................. 15

4.3

Veldonderzoek ...................................................................................................................................... 15

4.3.1

Veldbezoeken .............................................................................................................................. 15

4.3.2

Quickscan ..................................................................................................................................... 17

4.3.3

Vleermuizen ................................................................................................................................. 17

4.3.4

Reptielen ...................................................................................................................................... 17

4.3.5

Overige beschermde soorten ...................................................................................................... 18

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................. 19

5.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 19

5.2

Vleermuizen .......................................................................................................................................... 19

5.2.1

Voorkomen en verblijfplaatsen ................................................................................................... 19

5.2.2

Vliegroutes ................................................................................................................................... 22

5.2.3

Foerageergebieden ...................................................................................................................... 22

5.2.4

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 22

5.3

Reptielen............................................................................................................................................... 23

5.3.1

Resultaten quickscan ................................................................................................................... 23

5.3.2

Resultaten nader onderzoek ........................................................................................................ 24

5.3.3

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 24

5.4

Overige beschermde soorten ............................................................................................................... 24

5.4.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 24

5.4.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 26

6

Conclusie ................................................................................................................................................... 28

6.1

Beschermde soorten ............................................................................................................................ 28

6.1.1

Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt .................................................................... 28

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 3

6.1.2

Geen ontheffing nodig voor vleermuizen en reptielen ............................................................... 28

6.1.3

Rekening houden met het broedseizoen van vogels ................................................................... 28

6.1.4

Algemene zorgplicht .................................................................................................................... 28

6.2

Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 28

Bijlage 1 Vleermuiswaarnemingen (m.u.v. gewone dwergvleermuis) ................................................................... 31 Bijlage 2 Locaties reptielenplaatjes in compartiment G ........................................................................................ 32 Bijlage 3 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 33

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 4

1 Inleiding De provincie Gelderland is voornemens om langs de N315 (tussen Ruurlo en Doetinchem) 40 à 45 bomen te kappen en te herplanten in verband met de verkeersveiligheid. Dit betreft bomen op locaties waar de verkeersveiligheid op geen andere manier structureel kan worden verbeterd dan door het verwijderen van bomen. In verband met deze plannen zijn door Eelerwoude reeds drie toetsingen uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid (Eelerwoude 2017, 2019a en 2019b). Het betreft een quickscan (2017), een oplegnotitie (2019a) en nader onderzoek naar vleermuizen en reptielen (2019b). Het nader onderzoek dat in 2019 is gepubliceerd is uitgevoerd in de periode van juni t/m september 2019. De provincies hanteren voor de actualiteit van flora en fauna gegevens van beschermde soorten doorgaans drie jaar. Het bestaande onderzoek verloopt dus in september 2022, terwijl de werkzaamheden pas later worden uitgevoerd. Daarnaast zijn in de provincie Gelderland de kleine marterachtigen inmiddels strenger beschermd dan voorheen. Om deze redenen heeft de provincie Gelderland gevraagd om de toetsingen op gebied van soortenbescherming te actualiseren. Het onderzoek is opgestart in het najaar van 2021. De plannen van destijds hadden de kap van circa 200 bomen op het oog. Het onderzoekstraject in het najaar van 2021 is weergegeven op Afbeelding 1.

Het vleermuisonderzoek in de baltsperiode (najaar) was daarom gericht op die 200 bomen. Na afloop van het baltsonderzoek zijn de plannen gewijzigd en is het aantal te kappen bomen van 200 teruggebracht naar circa 40 tot 45. Vanaf begin januari 2022 heeft het onderzoek zich op de nieuwe plannen gefocust. De te kappen bomen in de nieuwe situatie zijn weergegeven op Afbeelding 2 en Afbeelding 3. De eerste stap was het uitvoeren van een quickscan. Daarmee is gewacht tot het blad van de bomen was, zodat eventuele nesten van eekhoorns en vogels goed zichtbaar waren. Vervolgens is in het voorjaar het onderzoek naar reptielen uitgevoerd en is in het voorjaar en de zomer het vleermuisonderzoek in de kraamperiode uitgevoerd. Kortom, het onderzoek bestaat uit: Vleermuisonderzoek in het najaar van 2021. Quickscan flora en fauna februari 2022. Reptielenonderzoek in het voorjaar 2022. Vleermuizenonderzoek in het voorjaar en de zomer van 2022.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 5

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in de provincie Gelderland en betreft 40 tot 45 bomen die verspreid langs de provinciale weg de N315 staan. De N315 op deze locatie verbindt de woonkernen Ruurlo in het noorden en Zelhem in het zuiden. Het betreft een tweebaansweg waar een fietspad langsheen loopt. Zowel aan de linkerkant als de rechterkant van de weg zijn bermen met laanbeplanting aanwezig. Bebouwing ontbreekt binnen het gebied, maar grenst wel direct aan de N315. Aan de noordkant van het plangebied doorkruist het wegtraject natuurgebied Boswachterij Ruurlo met gemengd bos en heideterreinen. Verder naar het zuiden toe, richting Zelhem, gaat het landschap aan beide zijden over in agrarische graslanden en akkerpercelen. Op enkele stukken zijn ook nog enkele boselementen aanwezig. De vegetatie in de wegbermen langs het wegtraject indiceren een vrij schrale groeiplaats. De bodem in het plangebied bestaat dan ook uit zandgrond. De 40 tot 45 te kappen bomen bestaan uit Amerikaanse eiken en enkele zomereiken. Het wegtraject tussen Ruurlo en Zelhem wordt in de huidige situatie niet verlicht. Aanwezige verlichting concentreert zich alleen rond de aangrenzende bebouwing (erven). Langs de te kappen bomen liggen enkele watergangen. Deze waren ten tijde van de veldbezoeken niet watervoerend.

Op Afbeelding 2 en Afbeelding 3 wordt aan de hand van twee achtergrondkaarten (topografisch en met luchtfoto) het plangebied getoond. Afbeelding 4 toont het hele traject van de N315, opgedeeld in compartimenten. De noordelijke onderzoekslocatie ligt in compartiment G, de middelste onderzoekslocatie (1 boom) ligt in compartiment F en de zuidelijke onderzoekslocatie ligt in compartiment B. In Afbeelding 5a tot en met Afbeelding 5c worden enkele foto’s van het plangebied getoond. Deze foto’s zijn gemaakt ten tijde van het veldbezoek op 1 februari 2022.

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De provincie Gelderland is voornemens om een aantal werkzaamheden te verrichten aan de N315. Hierbij wordt onder andere de rijbaan verbreed tussen ongeveer km 12,6 - 14, en een geleiderail aangelegd nabij km 21,8. Om dit te kunnen realiseren is de kap van 40 tot 45 bomen onvermijdelijk. Aanvankelijk zouden circa 200 bomen worden gekapt. Dit plan is eind 2021 gewijzigd naar de kap van 40-45 bomen. Naast het kappen van deze bomen wordt ook de stam (stobbe) verwijderd. Er wordt geen extra verlichting toegepast. De onderzoekslocaties bestaan uit de te kappen bomen en de directe omgeving.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 6

Afbeelding 1. Onderzoekstraject najaar 2021 (ESRI, 2021).

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 7

Afbeelding 2. Ligging plangebied met topografische kaart (ESRI, 2022) met de drie clusters van onderzochte bomen (Ruurlose Bos). De zuidelijke cluster ligt in compartiment B, de middelste in compartiment F en de noordelijke cluster ligt in compartiment G.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 8

Afbeelding 3. Ligging onderzoekslocaties bomen met luchtfoto uit 2021 (ESRI, 2022). De zuidelijke cluster ligt in compartiment B, de middelste in compartiment F en de noordelijke cluster ligt in compartiment G.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 9

Afbeelding 4. Opdeling traject N315 in compartiment A t/m G.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 10

Afbeelding 5a. Impressie plangebied bomen wegtraject tussen kruising Mollendiek en Rommelderdijk Ruurlo (ligging in compartiment G).

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 11

Afbeelding 5b. Impressie plangebied boom bushalte Veldhoek ’t Sikkeler (ligging in compartiment F).

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 12

Afbeelding 5c. Impressie plangebied bomenrij Zelhem noord (ligging in compartiment B).

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 13

3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 14

4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een quickscan (bestaande uit een veldbezoek en een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens) en gericht onderzoek naar vleermuizen en reptielen.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.

4.3 Veldonderzoek 4.3.1 Veldbezoeken Op basis van 17 veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de te verwachte soorten (quickscan) en de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen en reptielen (nader onderzoek). De onderzoeken zijn uitgevoerd door R. Kroeskop, M. Hoofd, G. Lubbers en T. Asbreuk van Eelerwoude, J. Kemink van O’Hara Groen en Grondig en H. Verboom van TEIA. Betreffende personen zijn ecologische adviseur (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 15

Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.

Datum

Type onderzoek

Start –eindtijd

Onderzoeker

Weersomstandigheden

13.3015:00

R. Kroeskop

7 °C, droog, volledig bewolkt, windkracht 3 Bft

Baltsonderzoek vleermuizen

21:45 – 23:45 Zon onder: 20:21

T. Asbreuk J. Kemink G. Lubbers M. Hoofd

15 °C, droog, heldere hemel, windkracht 1 Bft

28-09-2021

Baltsonderzoek vleermuizen

20:15 – 22:05 Zon onder: 19:18

T. Asbreuk J. Kemink G. Lubbers M. Hoofd

14 → 10 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 1 Bft

04-10-2021

Baltsonderzoek vleermuizen (extra ronde*)

20:05 – 22:15 Zon onder: 19:04

M. Hoofd

13 → 11 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 1 Bft

24-05-2022

Kraamonderzoek vleermuizen (noord)

21:15 – 00:00 Zon onder: 21:35

H. Verboom

13 °C, droog, heldere hemel, windkracht 1 Bft

02-06-2022

Kraamonderzoek vleermuizen (midden)

21:45 – 00:15 Zon onder: 21:46

H. Verboom

15 → 12 °C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft

22-06-2022

Kraamonderzoek vleermuizen (zuid)

02:10 – 05:15 Zon op: 05:12

H. Verboom

15 → 12 °C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft

28-06-2022

Kraamonderzoek vleermuizen (noord)

02:15 – 05:25 Zon op: 05:15

H. Verboom

12 °C, droog, half bewolkt, windkracht 1 Bft

08-07-2022

Kraamonderzoek vleermuizen (midden)

02:15 – 05:25 Zon op: 05:22

H. Verboom

13 °C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft

12-07-2022

Kraamonderzoek vleermuizen (zuid)

02:25 – 05:30 Zon op: 05:27

H. Verboom

12 °C, droog, heldere hemel, windkracht 1 Bft

Quickscan 01-02-2022

Quickscan flora en fauna Vleermuizen

01-09-2021

Reptielen 31-03-2022

Plaatsen 20 reptielenplaatjes

10:00 – 10:30

M. Hoofd

2 °C, droog, dicht bewolkt, windkracht 3 Bft

20-05-2022

Controleren 11 Reptielenplaatjes

08:20 – 08:50

M. Hoofd

15 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 2 Bft

24-05-2022

Controleren 11 reptielenplaatjes

07:45 – 08:00

M. Hoofd

12 °C, droog, dicht bewolkt, windkracht 3 Bft

30-05-2022

Controleren 11 reptielenplaatjes en bijplaatsen 10 reptielenplaatjes

08:00 – 08:20

M. Hoofd

14 °C, droog, dicht bewolkt, windkracht 2 Bft

02-06-2022

Controleren 21 reptielenplaatjes

08:30 – 08:45

M. Hoofd

15 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 1 Bft

09-06-2022

Controleren 21 reptielenplaatjes

08:05 – 08:20

M. Hoofd

15 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 3 Bft

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 16

04-07-2022

Controleren 21 reptielenplaatjes

08:00 – 08:30

M. Hoofd

16 °C, droog, onbewolkt weer, windkracht 2 Bft

* Tijdens de extra baltsronde zijn locaties bezocht waar tijdens de 1e en 2de baltsronde opnames zijn gemaakt van baltsende gewone grootoorvleermuis en sociaal geluid van rosse vleermuis.

4.3.2 Quickscan Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd.

4.3.3 Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt in lijn met het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2021 is geactualiseerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven, etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende batdetectors (waaronder Petterson D240x, Batlogger M en Echometer Touch) en warmtebeeldcamera’s (o.a. Pulsar Helion XP38). In totaal zijn 9 veldbezoeken uitgevoerd. Twee in de baltsperiode, waarbij het hele traject (van Ruurlo tot Doetinchem) door vier veldmedewerkers tegelijk is onderzocht.

Eén extra baltsronde met één veldmedewerker waarbij drie locaties zijn bezocht waar tijdens de eerste twee baltsrondes balts van gewone grootoorvleermuis of sociaal geluid van rosse vleermuis is gehoord. Per cluster van bomen zijn in het voorjaar twee veldbezoeken uitgevoerd. Op de locaties in het noorden en het midden zijn één avond en één ochtendronde uitgevoerd. Bij de zuidelijke locatie staan de bomen wat verder uit elkaar, daarom is daar gekozen voor twee ochtendrondes, om voldoende overzicht te hebben. De onderzoeken in de kraamperiode hebben plaatsgevonden tijdens het uitvlieg- of invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang en zonsopkomst. Het baltsonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van balts-, paar-, en/of winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens de baltsactiviteit van vleermuizen, vanaf een uur na zonsondergang. De eerste baltsronde duurde tot middernacht om ook eventuele baltsverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuizen goed in beeld te krijgen. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden.

4.3.4 Reptielen Het onderzoek naar reptielen is uitgevoerd conform de soortinventarisatieprotocollen van het NGB voor hazelworm en levendbarende hagedis (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Afbeelding 6 is opgesteld aan de hand van deze protocollen, en geeft de suboptimale en optimale onderzoeksperiodes weer. De reptielenplaatjes zijn begin maart geplaatst (gewenningsperiode van één maand) en in de periode tussen begin april en begin juli zes keer gecontroleerd. Voor iedere soort zijn minimaal drie controlemomenten uitgevoerd in de optimale periode.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 17

De plaatjes zijn geplaatst bij de noordelijke cluster onderzochte bomen, omdat tijdens de quickscan was gebleken dat dit de enige locaties is waar reptielen dichtbij de onderzochte bomen kunnen voorkomen. Helaas bleek op 20 mei 2022 dat 9 reptielenplaatjes verdwenen waren. Daarom zijn er op 30 mei tien reptielenplaatjes bijgeplaatst.

Afbeelding 6. Weergave optimale en suboptimale onderzoeksperiodes voor onderzoek met behulp van reptielenplaatjes. Gebaseerd op de soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (versie juli 2017).

4.3.5 Overige beschermde soorten Tijdens het veldwerk is ook gelet op andere beschermde soorten. Waarnemingen die van belang zijn voor de geplande ontwikkeling zijn in deze rapportage verwerkt.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 18

5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Het nader onderzoek was gericht op vleermuizen en reptielen. Deze soortgroepen zijn daarom uitgebreider uitgewerkt. De overige soortgroepen zijn op basis van een quickscan onderzocht, aangevuld met toevallige waarnemingen tijdens de onderzoeken naar vleermuizen en reptielen.

5.2 Vleermuizen 5.2.1 Voorkomen en verblijfplaatsen Aangetroffen soorten Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied zes soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Het betreft waarnemingen van overvliegende, baltsende en foeragerende dieren. Er zijn geen verblijfplaatsen gevonden in of nabij de onderzochte bomen. Hieronder wordt per soort ingegaan op welke functies het plangebied heeft voor deze soorten. Kader -Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst.

Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Gewone dwergvleermuis Soortbeschrijving De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot halfopen landschap. Verblijfplaatsen

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 19

Tijdens alle veldbezoeken voor vleermuizen zijn gewone dwergvleermuizen waargenomen. Vooral foeragerend en langsvliegend, maar ook baltsende. Bij vrijwel ieder erf wordt gebaltst. Omdat deze soort zo algemeen voorkomt langs het gehele traject zijn de waarnemingen niet opgenomen in Bijlage 1. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen in de onderzochte bomen of de directe omgeving. Laatvlieger Soortbeschrijving De laatvlieger komt in Nederland vrij algemeen voor maar staat wel op de rode lijst als kwetsbaar (Min. LNV, 2020). De soort lijkt een matige afname te laten zien (Norren et al., 2020). Laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Kraamkolonies komen in Nederland voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Deze bevinden zich in de spouwmuur, achter en onder de (dak)betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied. Verblijfplaatsen Laatvliegers zijn overvliegend en foeragerend waargenomen.

De laatvlieger is een uitgesproken gebouwbewonende soort. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van verblijfplaatsen in de onderzochte bomen of directe omgeving. De waargenomen laatvliegers hebben hun verblijfplaatsen waarschijnlijk in gebouwen in de omgeving van het plangebied. Rosse vleermuis Soortbeschrijving De rosse vleermuis is in West-Europa een overwegend boombewonende soort. Onder andere solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen en dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en ook wel rondom straatverlichting. Verblijfplaatsen Rosse vleermuis is vooral foeragerend en overvliegend waargenomen. In het najaar is op één locatie een dier waargenomen dat langs een bosrand heen en weer vloog en eenmaal baltsgeluid/sociaal geluid liet horen. Een lange serie geluiden van 3,5 seconde lang. Dit was ten zuidwesten van de kruising met de Sikkelerweg, op circa 250 meter van de onderzoekslocatie in compartiment F.

De activiteit wees niet op de aanwezigheid van een verblijfplaats in deze boom, maar eerder richting een verblijfplaats in het bos ten zuidwesten van de boom. Tijdens de extra ronde op 4 oktober 2021 is hier geen opvallende activiteit van rosse vleermuis meer waargenomen. Verder zijn ook geen waarnemingen gedaan die wijzen op verblijfplaatsen van rosse vleermuizen in de onderzochte bomen of de directe omgeving. Ruige dwergvleermuis Soortbeschrijving De ruige dwergvleermuis kent een sterke seizoenstrek en legt daarbij grote afstanden af. Vanaf augustus/september trekken vooral de dieren uit Midden- en Oost-Europa in Zuidwestelijke richting om onder andere in Nederland te overwinteren. De soort wordt dan ook vaak in Nederland in het najaar gezien, in Nederland zijn slechts enkele kraamverblijfplaatsen vastgesteld. Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 20

achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Ze gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend. Ze jagen tot op 5 á 10 km afstand van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral halfopen bosrijk landschap. Verblijfplaatsen Ruige dwergvleermuizen zijn zowel gebouw- als boombewonend. Ruige dwergvleermuis is langs het onderzoekstraject alleen foeragerend waargenomen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat verblijfplaatsen aanwezig zijn in de onderzochte bomen of de directe omgeving. Gewone grootoorvleermuis Soortbeschrijving De gewone grootoorvleermuis jaagt in een besloten, bosrijke omgeving en komt met uitzondering van de open landschappen in vrijwel heel Nederland voor, met name op de zandgronden in het midden en oosten van het land. De soort is vrij algemeen en leeft in kleine kolonies. De omvang van de jachtgebieden is klein; in hoofdzaak tot vier hectare. De afstand tussen jachtgebieden en verblijfplaatsen bedraagt doorgaans niet meer dan 500 meter tot maximaal 3 kilometer. In het zomer- en winterhalfjaar bewoont hij zowel gebouwen als bomen. De soort vliegt pas uit als het volledig donker is en staat bekend als verlichting mijdend.

Verblijfplaatsen De gewone grootoorvleermuis is foeragerend en overvliegend waargenomen. In het najaar is op diverse locaties ook baltsroep waargenomen. Dit bleek uit de analyse van de opname apparatuur. Het was in alle gevallen kortdurend. Maximaal één opname met één of enkele baltsroepjes. Tijdens de extra ronde op 4 oktober 2021 is een aantal van deze locaties opnieuw bezocht. Toen zijn geen waarnemingen meer gedaan van gewone grootoorvleermuizen. De waarneming wijzen er op dat in de omgeving van het onderzoekstraject verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuis aanwezig zijn. Het zijn zowel boombewonende als gebouwbewonende (vooral zolders) vleermuizen, dus in de omgeving die bestaat uit kleinschalig landschap zijn dit waarnemingen die niet verbazen. Waar de exacte verblijfplaatsen zich bevinden is uit het onderzoek niet duidelijk geworden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op verblijfplaatsen in de onderzochte bomen of de directe omgeving. Alle waarnemingen van baltsroep waren erg kort en er zijn geen in- of uitvliegende dieren waargenomen. Watervleermuis Soortbeschrijving De watervleermuis komt in nagenoeg heel Nederland vrij algemeen voor. In het zomerhalfjaar gebruikt de soort bomen (holten/spleten) en soms vleermuiskasten als verblijfplaats, soms bruggen en meer zelden ook gebouwen (Dietz et al., 2011).

De vrouwtjes jagen in gebieden in een straal van 6-10 kilometer rond het verblijf, met een gemiddelde van 2,3 kilometer (Dietz et al., 2011). Bij hun vliegroutes maken ze veel gebruik van lijnvormige waterelementen. De watervleermuis overwintert in vochtige, ondergrondse ruimtes zoals bunkers en ijskelders. Verblijfplaatsen Watervleermuis is foeragerend waargenomen boven de Van Heeckerenbeek. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van verblijfplaatsen in de onderzochte bomen om de directe omgeving daarvan.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 21

5.2.2 Vliegroutes Vliegroutes zijn alleen beschermd als zij essentieel zijn voor het functioneren van een verblijfplaats. Als bijvoorbeeld de beplanting wordt gekapt waardoor een kraamkolonie niet meer naar belangrijk foerageergebied kan vliegen wordt de verblijfplaats daardoor ongeschikt. Langs de onderzochte bomen in alle drie de compartimenten (B, F en G) zijn langs vliegende vleermuizen waargenomen. Er zijn geen vaste vliegroutes langs vastgesteld. Dus een ontheffing voor vliegroutes is niet noodzakelijk. Omdat de onderzochte bomen staan in bosrijke omgeving en in kleinschalig landschap zijn er sowieso voldoende alternatieve vliegroutes aanwezig.

5.2.3 Foerageergebieden Foerageergebieden zijn alleen beschermd als zij essentieel zijn voor het functioneren van een verblijfplaats. Als bijvoorbeeld de beplanting wordt gekapt waardoor een kraamkolonie niet meer naar belangrijk foerageergebied kan vliegen wordt de verblijfplaats daardoor ongeschikt. Bij de onderzochte bomen zijn wel foeragerende vleermuizen waargenomen, maar zij zijn niet essentieel voor het functioneren van verblijfplaatsen, omdat er in de bosrijke omgeving en het kleinschalige landschap waar ze staan voldoende bereikbare alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn.

5.2.4 Effecten en ontheffing Bescherming Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Tijdens het onderzoek zijn in de onderzochte bomen en de directe omgeving geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Een ontheffing voor het verstoren van dieren of het vernielen van verblijfplaatsen is daarom niet nodig. Foerageergebieden en vliegroutes Door de voorgenomen werkzaamheden treedt er geen verstoring op van foerageergebieden en vliegroutes die onderdeel uitmaken van het essentiële leefgebied van vleermuizen. In alle gevallen blijven ook voldoende alternatieve foerageergebieden en vliegroutes beschikbaar. Een ontheffing voor het vernielen van verblijfplaatsen (omdat essentiële vliegroutes en/of foerageergebieden worden aangetast) is daarom niet nodig.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 22

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

5.3 Reptielen 5.3.1 Resultaten quickscan Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat het plangebied een functie kan hebben voor levendbarende hagedis, hazelworm en ringslang. Tijdens de quickscan is opnieuw gekeken of leefgebied van reptielen ter plaatse van de toekomstige werkzaamheden aanwezig is. Ter hoogte van de onderzoekslocatie in compartiment G (kruising Mollendiek en Rommelderdijk) is in de wegberm potentieel leefgebied voor levendbarende hagedis, hazelworm en ringslang aanwezig. Volgens de data afkomstig uit de NDFF zijn verspreid in het omringende natuurgebied Boswachterij Ruurlo diverse waarnemingen van levendbarende hagedis en hazelworm bekend (NDFF, 2022). Data van ringslang is gedateerd, mogelijk is (nog) een kleine populatie aanwezig. Het centrale deel (boom ter hoogte van de bushalte) en het zuidelijke deel (noorden van Zelhem) is ongeschikt als leefgebied voor alle drie de genoemde reptielsoorten. Deze gebieden grenzen voornamelijk aan intensieve landbouw zonder geschikt leefgebied dat vooral bestaat uit een goed ontwikkelde strooisellaag, moslaag en open plekken. Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis heeft de voorkeur voor heidelandschappen en hoogvenen. De soort wordt ook regelmatig aangetroffen in open bossen, ruige graslanden en soms ook in wegbermen.

De levendbarende hagedis is een vochtminnende soort die in de genoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen (RAVON, 2022). De berm bij de noordelijke cluster onderzochte bomen is geschikt voor de levendbarende hagedis als leefgebied en voortplantingsbiotoop. Vooral de open stukken met afwisseling met open plekken en strooisel maakt het voor de levendbarende hagedis geschikt. De wegberm van het plangebied kan gebruikt worden als voortplantingsbiotoop. De voorgenomen werkzaamheden hebben mogelijk negatieve effecten op de levendbarende hagedis. Het gaat om de werkzaamheden die betrekking hebben op de wegberm op deze locatie. Nader onderzoek naar de levendbarende hagedis bij de noordelijke cluster onderzochte bomen wordt om die reden noodzakelijk geacht. Hazelworm Onderdelen van het leefgebied van de hazelworm bestaan vooral uit bossen in combinatie met open plekken en bosranden. De bossen en bosranden moeten een goed ontwikkelde strooisellaag hebben, het liefst met liggend dood hout en een moslaag. Open plekken moeten zijn voorzien van een goed ontwikkelde kruidlaag (kruidenrijk en hoog gras). De wegberm bij de noordelijke cluster onderzochte bomen heeft relatief kort gras met aangrenzend aan het bos een strooisellaag van bladeren en takken. De moslaag ontbreekt. De wegberm is daarom niet optimaal geschikt voor de hazelworm.

Op ongeveer 100 meter afstand (ter hoogte van een klein heideterrein en de overgang naar bos) is een recente waarneming gedaan van de hazelworm (NDFF, 2022).

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 23

Omdat de hazelwormen ook zwerven op zoek naar leefgebied kunnen hazelwormen ter hoogte van de wegberm niet geheel uitgesloten worden. Geschikt voortplantingsbiotoop voor hazelworm is niet aanwezig, omdat deze op de locatie niet optimaal is. Zo ontbreekt een dikke moslaag en is de vegetatie van de wegberm vrij kort. Door een aantal maatregelen te nemen kunnen met de werkzaamheden negatieve effecten op hazelworm (en dus overtreding Wnb) voorkomen worden. Dit gebeurt aan de hand van enkele maatregelen die terug moeten komen in het ecologisch werkprotocol. Alternatief is om nader onderzoek te doen naar hazelworm. Als de soort niet wordt aangetroffen is voor deze soort dan ook geen ecologisch werkprotocol nodig.

5.3.2 Resultaten nader onderzoek Het nader onderzoek reptielen is gericht op noordelijke cluster bomen. Tijdens het onderzoek zijn geen reptielen aangetroffen. Vlak bij de onderzoekslocatie liggen sporenbedden. Uit navraag bij de heer Van der Grift van de WUR is gebleken dat het onderzoek met de sporenbedden zich alleen richt op ree. Dit leverde dus ook geen aanwijzingen op over de eventuele aanwezigheid van reptielen nabij de noordelijke cluster bomen.

5.3.3 Effecten en ontheffing Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat reptielen gebruik maken van de wegbermen nabij de bomen op de onderzoekslocatie in compartiment G. In de andere onderzoekslocaties in compartiment B en F worden ook geen reptielen verwacht omdat het biotoop daarvoor ongeschikt is. Een ontheffing of werken volgens een ecologisch werkprotocol is voor reptielen daarom niet nodig.

5.4 Overige beschermde soorten 5.4.1 Voorkomen en functie Vaatplanten Beschermde plantensoorten, zoals glad biggenkruid, worden niet in de wegberm onder de bomen verwacht. Verspreidingsgegevens van beschermde plantensoorten in en rondom het plangebied ontbreken (NDFF, 2022). Gezien het intensieve beheer en structuur van de wegberm worden beschermde plantensoorten hier niet verwacht. Veel van de beschermde plantensoorten komen voor in specifieke milieus, zoals oude grachtmuren in steden, kalkrijke akkers in het agrarisch buitengebied of natte en droge graslanden in natuurgebieden. Grondgebonden zoogdieren Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van de aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: egel en diverse algemene (spits)muissoorten. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast kunnen een aantal van het plangebied gebruik maken als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Verblijfplaatsen van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals boommarter, steenmarter, wezel, bunzing, hermelijn en das, worden niet in het plangebied verwacht. Daarnaast ontbreekt voor veel soorten voldoende dekking.

De onderzochte bomen staan vlak naast de provinciale weg waar 80km/h is toegestaan. Grondgebonden zoogdieren zullen daarom eerder kiezen voor een rustiger gelegen gebied met verblijfplaats in de omringende landschapselementen, zoals enkele boselementen of het natuurgebied Boswachterij Ruurlo. Zo ontbreekt in het plangebied ondergroei en zijn er geen geschikte voortplantingsplaatsen zoals takkenhopen.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 24

Tijdens het veldonderzoek van de quickscan is gelet op de aanwezigheid van eventuele bladnesten van de eekhoorn. In winterse omstandigheden zijn de boomkronen vanaf de grond goed te inspecteren. In de ongeveer 40-45 onderzochte bomen zijn geen aanwijzingen (zoals bladnesten of sporen) aangetroffen die wijzen op een verblijfplaats van de eekhoorn. Gezien de drukke weg, waar naast 80km/h is toegestaan ook vrachtauto’s voorbij rijden wordt verwacht dat een soort als eekhoorn eerder een verblijfplaats kiest in de groene en rustige geschikte omgeving buiten het plangebied, en niet direct boven een provinciale weg (verstoring en aanrijdingen). Boswachterij Ruurlo, met een gemengde bos, is voor de eekhoorn bijvoorbeeld geschikt als verblijfplaats en foerageergebied. Algemene vogels In en rondom het plangebied kunnen verschillende algemene vogelsoorten voorkomen. Het gaat hierbij onder andere om de soorten merel, winterkoning, houtduif, ekster en zwarte kraai. Deze soorten kunnen in en rond de onderzochte bomen tot broeden komen. Tijdens het veldbezoek zijn ten noorden van Zelhem enkele recente nesten van de houtduif aangetroffen.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 25

Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaatsen en jaarrond beschermd leefgebied Vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zoals roek, buizerd, sperwer of boomvalk zijn in de onderzochte bomen niet aangetroffen. Door winterse omstandigheden tijdens de quickscan waren deze bomen net als voor eekhoorn goed te inspecteren. Tijdens de veldbezoeken zijn een aantal zogeheten categorie 5 soorten aangetroffen (dit zijn soorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied). Het gaat om de holenbroeders koolmees, pimpelmees, boomklever en boomkruiper. Deze soorten kunnen in de betreffende bomen tot broeden komen. Amfibieën Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied in beperkte mate gebruiken als landbiotoop. Wegens het ontbreken van watervoerende elementen binnen het plangebied is voortplantingsbiotoop uit te sluiten. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of poelkikker, worden niet verwacht in het plangebied vanwege het ontbreken van geschikt voortplantingsbiotoop en landbiotoop. Vissen Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Naast de onderzochte bomen liggen wel watergangen.

Deze lagen tijdens de veldbezoeken droog. Deze omstandigheden zijn niet geschikt voor beschermde vissoorten. Beschermde vissoorten worden dan ook niet in die watergangen verwacht. Er is daarom ook geen sprake van negatieve effecten op beschermde vissoorten. Ongewervelden Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten niet verwacht in het plangebied. Dit door het ontbreken van geschikt habitat en geschikte waardplanten. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied (NDFF, 2022).

5.4.2 Effecten en ontheffing Grondgebonden zoogdieren Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor de soorten met een bescherming als boommarter, steenmarter, wezel, bunzing, hermelijn, das en eekhoorn geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse van de onderzochte bomen niet aangetroffen en worden ook vanwege het huidige gebruik (berm en provinciale weg) niet verwacht. Het plangebied maakt tevens geen essentieel onderdeel uit van het leefgebied van deze soorten, in de omringende groene gebieden is voldoende geschikt leefgebied aanwezig. Algemene vogels Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk in gebruik zijnde nesten,

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 26

rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of in gebruik zijnde nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaatsen en jaarrond beschermd leefgebied Genoemde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten kunnen de bomen (plangebied) wel gebruiken als rustplaats, maar ook hier geldt dat de N315 een verstorend effect heeft door voorbijkomend verkeer. Nestplaatsen zijn niet aangetroffen, een negatief effect op vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd wordt hiermee uitgesloten.

Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor soorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Amfibieën Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop en de afwezigheid van waarnemingen worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Van een negatief effect op niet vrijgestelde amfibiesoorten is geen sprake. Vissen Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig, omdat geschikte waterelementen ontbreken.

Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Ongewervelden In het plangebied en de directe omgeving worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: Negatieve effecten op overige beschermde soorten worden niet verwacht. Het aanvragen van een ontheffing is voor overige beschermde soorten niet noodzakelijk. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. Daarnaast is te allen tijde de zorgplicht van toepassing.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 27

6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als egel en diverse muis- en spitsmuissoorten. De ingreep heeft geen invloed op de staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

6.1.2 Geen ontheffing nodig voor vleermuizen en reptielen Tijdens het onderzoek naar vleermuizen zijn in de bomen en directe omgeving geen verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden of essentiële vliegroutes aangetroffen. Een ontheffing voor vleermuizen is daarom niet nodig. Alleen in compartiment G zijn de bermen nabij de onderzochte bomen beoordeeld als geschikt leefgebied voor levendbarende hagedis en hazelworm. Deze berm is onderzocht met behulp van reptielenplaatjes. Reptielen zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen. Een ontheffing voor reptielen is daarom niet nodig.

6.1.3 Rekening houden met het broedseizoen van vogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen1 uit te voeren.

6.1.4 Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

6.2 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde overheden hanteren doorgaans de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten:

1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 28

Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 29

Literatuurlijst • • • • • • • • • •

Eelerwoude (2017). Toetsing Wet natuurbescherming – Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem – Ruurlo. Definitieve versie 19 oktober 2017. Projectnummer 6284.145. Eelerwoude (2019a). Oplegnotitie N315 Doetinchem - Ruurlo – Integrale trajectverkenning, N315 Doetinchem – Ruurlo. Definitieve versie 25 september2019. Projectnummer 6284.293. Eelerwoude (2019b). Nader onderzoek vleermuizen en reptielen. N315, traject Ruurlo – Doetinchem. Definitieve versie 2. Datum: 13-12-2019. ESRI Nederland (2021). https://www.esri.nl/nl-nl/home ESRI Nederland (2022). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF (2022). Nationale databank flora en fauna. https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/login.zul Netwerk Groene Bureaus (2017). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). RAVON (2022). Soortinformatie Levendbarende hagedis en hazelworm. https://www.ravon.nl/ Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021) Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 30

Bijlage 1 Vleermuiswaarnemingen (m.u.v. gewone dwergvleermuis)

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 31

Bijlage 2 Locaties reptielenplaatjes in compartiment G

N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 32

Bijlage 3 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

2 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern 2 N315 Ruurlo - Doetinchem | Eelerwoude | 33

Figuur 1: Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7859/documents/43132