Bijlage 1.3.1 - Ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
53
Waterveiligheid/gevolgbeperking overstromingen De kaart maximale overstromingsdiepte geeft de kans op overstroming weer binnen een gebied. Deze kaart laat voor de huidige situatie in vier beelden zien welke overstromingsdieptes mogelijk zijn. Van boven naar beneden wordt de kans steeds kleiner, maar worden de ruimtelijke gevolgen juist groter: − grote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 10 jaar overstroomt; − middelgrote kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100 jaar overstroomt; − kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 1.000 jaar overstroomt; − bijzonder kleine kans: de kans dat een gebied ongeveer 1 keer in de 100.000 jaar overstroomt. De onderstaande afbeeldingen laten de maximale overstromingsdiepte zien die eens in de 1.000 of eens in de 100.000 jaar kan voorkomen bij bijvoorbeeld een dijkdoorbraak. Ter plaatse van het plangebied wordt, bij de scenario’s middelgrote en grote overstromingskans geen water op maaiveld verwacht. Uit de volgende afbeeldingen is af te lezen dat er een kleine kans (1 x per 1.000 jaar) bestaat dat het plangebied 0,5 tot 1,0 meter overstroomt en een bijzonder kleine kans (1 x per 100.000 jaar) dat het plangebied 1,0 tot 1,5 meter overstroomt. De kans op een overstroming is echter wel aanwezig.
Overstromingsdiepte die 1 keer in de 1.000 jaar voorkomt (klimaateffectatlas.nl)
54
Overstromingsdiepte die 1 keer in de 100.000 jaar voorkomt (klimaateffectatlas.nl)
Om de effecten van overstromingen te verminderen zijn maatregelen te nemen gericht op de ‘overstromingtrits’: schade voorkomen, schadebeperking, schuilen en evacueren. Raadpleging van de tabel voorkeursvolgorde gevolgenbeperking overstroming uit de klimaatmaatlat geeft aan dat schade voorkomen en schuilen en evacueren binnen het plangebied het meest kansrijk zijn. Maatregelen om de schade te beperken kunnen bijvoorbeeld een verhoogd vloerpeil zijn ten opzichte van de weg zodat het water niet naar binnen treedt en meterkasten, stroompunten of andere vitale installaties op de begane grond verhoogd aanleggen. Ten aanzien van schuilen en evacueren zijn maatregelen als het creëren van een duidelijk vluchtplan waarbij bewoners naar hogere verdiepingen kunnen komen en het voorzien in SOS pakketten op de hogere verdiepingen mogelijk. Hittestress Door klimaatverandering wordt het vaker heet in de zomer. In steden is het vaak al warmer dan de landelijke omgeving vanwege onder andere de aanwezige verhardingen, ook wel het stedelijk hitte eiland effect genoemd. Dit heeft invloed op de gezondheid, buitenruimte, leefbaarheid, water en netwerken. De onderstaande kaart presenteert de gemiddelde gevoelstemperatuur in ºC voor het tijdvak 12:00-18:00 lokale tijd op een hete zomerdag ter plaatse van het plangebied in het huidige klimaat. De kaart daar onder presenteert hetzelfde maar dan in 2050.
55
Gemiddelde gevoelstemperatuur in ºC, tijdvak 12:00-18:00 op 1 juli 2015, huidige situatie (klimaateffectatlas.nl)
Gemiddelde gevoelstemperatuur in ºC, tijdvak 12:00-18:00 op 1 juli 2050, sterke klimaatverandering (klimaateffectatlas.nl)
In de huidige situatie liggen de temperaturen in het plangebied tussen de 37⁰ C en 41⁰ C graden. In een toekomstige situatie liggen de temperaturen in het plangebied vrijwel overal boven de 40⁰ C. Bij deze temperaturen ervaar je grote tot extreem grote hittestress. Om de effecten van toegenomen hitte te verminderen, zijn maatregelen te nemen gericht op de ‘hittetrits’: blokkeren, ventileren en verkoelen. Het toepassen van natuurlijke materialen en groen hebben hierbij de voorkeur. De daktuinen en parkeerplaatsen op de binnenplaats worden voorzien van een pergolaconstructie, wat zorgt voor schaduwwerking binnen het plangebied. Ook de suggestie om bomen te planten in de openbare ruimte grenzend aan het plangebied heeft een positief effect heeft op de schaduwwerking van het plangebied, alsook het naastliggende voet- en fietspad. De maatlaat stelt de richtlijn om 40% schaduwbedekking te 56
creëren op belangrijke loop- en fietsroutes, drinkwaterstroken en verblijfsplekken en 30% schaduw op buurtniveau op het heetste moment van de dag (15:30 uur op 21 juni). Door de bovenstaande maatregelen te nemen wordt hieraan bijgedragen. Daarnaast wordt binnen het plangebied zo weinig mogelijk verharding en zoveel mogelijk groen toegepast, om te voldoen aan de richtlijn van 40% tot 50% warmte werende oppervlakten binnen het plangebied. Zo worden de buitengevels voorzien van klimplanten en worden de balkons van de woontoren voorzien van geïntegreerde plantenbakken met vaste planten. Ook op het maaiveld wordt veel groen (en water) toegepast, door de aanleg van regentuinen met vaste planten, groenhagen en bomen. Op de parkeerplaatsen onder de pergolaconstructie wordt gebruikt gemaakt van grastegels. Andere maatregelen die kunnen worden genomen zijn het gebruik van lichte materialen (beige of lichtgrijze tegels i.p.v. bijv. asfalt), natuurlijke ventilatie door gebouwen dusdanig te ontwerpen dat ramen aan twee zijde van het gebouw open kunnen en fatsoenlijke zonwering op de zuidelijk zijde van hete gebouw. Daarnaast wijst raadpleging van de kaart afstand tot koele plekken uit dat het plangebied binnen 200 m van een openbaar toegankelijke koele groene plek ligt (minimaal 200 m2 en schaduw). Hiermee wordt voldaan aan de richtlijnen van de klimaatmaatlat.
Wateroverlast Hevige neerslag over een korte periode kan lokaal zorgen voor wateroverlast. Dit type wateroverlast komt het meest voor bij wolkbreuken in de zomer. Een groot deel van de Nederlandse straten en pleinen kunnen bij hevige buien onder water komen te staan. De meeste schade treedt op wanneer het water (over de stoepen) gebouwen instroomt. De onderstaande kaart geeft de overstromingsdiepte bij een bui die 1 keer per 100 jaar voorkomt en 2 uur aanhoudt.
Overstromigsdiepte bui 70 mm per 2 uur (klimaateffectatlas.nl)
Uit de kaart blijkt dat het grootste deel van het plangebied niet overstroomt in deze situatie. De wegen rondom zijn wel gevoelig voor overstromingen.
57
Binnen het plangebied worden verschillende waterbergende voorzieningen gerealiseerd om deze piekbuien te kunnen opvangen, zoals regentuinen, landschappelijke verlagingen en infiltratiekratten ter plaatse van een deel van de parkeerplaatsen. In paragraaf 4.7 en de uitgevoerde watertoets is aangetoond dat een T=100+10% volledig vastgehouden kan worden binnen het plangebied en niet tot schade leidt. Ook wordt hier aangetoond dat de neerslag wordt verwerkt daar waar het valt, waardoor afwenteling wordt voorkomen. Daarnaast wordt voorkeur gegeven aan groene oplossingen door zo veel mogelijk water te bergen in de regentuinen en het minimaal toepassen van verharding. Droogte Vanwege de klimaatverandering neemt de kans op langere periodes van droogte toe, met name in de zomer. De gevolgen in een stedelijke omgeving zijn onder meer het uitdrogen van beplanting, zakken van de (grond)waterstanden en toename van de inklinking/bodemdaling in veen- en kleigebieden. De onderstaande kaart geeft de gemiddeld laagste grondwaterstand binnen het gebied weer in een gemiddeld jaar. In de toekomt zal de gemiddeld laagste grondwaterstand iets stijgen ten opzichte van de huidige situatie.
Uit de kaart blijkt dat het grondwater op de planlocatie dieper ligt dan 2 m onder het maaiveld. Dit betekent dat het gehele plangebied gevoelig is voor langdurige droogte, omdat naast neerslag geen sprake is van aanvulling van de bewatering via grondwater. Binnen het plangebied kan dit leiden tot schade aan infrastructuur (bijv. het rotten van houten funderingen) en de verdroging van openbaar groen. Om de gevolgen van droogte te beperken, zijn maatregelen gericht op het in het plangebied vasthouden en hergebruik van regenwater en beperken van vochtverlies noodzakelijk. Binnen het plangebied wordt het dakwater en regenwater van de verharding derhalve oppervlakkig afgevoerd naar regentuinen en wadi’s aan de buitenzijde van het blok, waardoor het hemelwater zoveel mogelijk lokaal wordt geïnfiltreerd en vertraagd wordt afgevoerd richting oppervlakte- en grondwater. Daarnaast wordt een deel van de par58
keerplaatsen voorzien van grastegels, waardoor het regenwater in de bodem kan wegzakken, het grondwater kan aanvullen en het riool kan ontlasten. Verder is het belangrijk om beplanting toe te passen die goed bestand is tegen droogte. Bodemdaling Op veel plekken in Nederland daalt de bodem. Dat kan verschillende gevolgen hebben, zoals een groter risico op overstromingen als er niet geïnvesteerd wordt in waterbeheer en schade aan funderingen. Raadpleging van de bodemdalingskaart wijst uit dat de locatie niet gevoelig is voor bodemdaling. Dit blijkt ook uit het bodemonderzoek, dat heeft uitgewezen dat de bodem bestaat uit zwak siltig, matig fijn zand welke niet gevoelig zijn voor bodemdaling en inklinking. Biodiversiteit Mensen wonen graag in een gezonde en groene omgeving en ook voor de natuur en biodiversiteit is een groene omgeving belangrijk. De klimaatverandering heeft ook als gevolg dat de biodiversiteit afneemt. Het stimuleren van biodiversiteit is niet alleen goed voor de natuur, het draagt ook bij aan de andere thema’s van klimaatadaptatie. Daarom is het belangrijk dat hier aandacht aan wordt besteed. Daarom wordt binnen het plangebied bloemrijke beplanting en bloeiende bomen in de openbare ruimte toegepast, welke bijen en insecten aantrekken. Ook wordt de gehele buitenzijde van het gebouw voorzien van gevelgroen.
Dit biedt dekking, voedsel en nestgelegenheid voor vogels en insecten. Groene gevels zijn daarnaast ook goed voor vlinders, wilde bijen en vleermuizen en kunnen goed gecombineerd worden met nestkasten voor mezen of huismussen. De bomenrij die wordt gesuggereerd in de openbare ruimte kan functioneren als vliegroute voor vleermuizen. Daarnaast worden binnen het plangebied ingezet op inheemse soorten die bijdragen aan de biodiversiteit. De verscheidene soorten die zullen worden toegepast te vinden in het ‘Voorstel groene inrichting buitenruimte’. Conclusie De kans op grote overstromingen in het plangebied is beperkt. De locatie is niet gevoelig voor bodemdaling. In het plan worden uiteenlopende maatregelen genomen die bijdragen aan het beperken van wateroverlast, hitte, droogte en biodiversiteit. Het aspect klimaat vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan.
4.13
Windhinder Algemeen Er is geen formele, landelijke vastgestelde eis voor windhinder en windgevaar. Wel wordt voor de beoordeling veelal gebruik gemaakt van de NEN 8100. De NEN 8100 (norm voor windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving) geeft aan wanneer er aanleiding is om onderzoek te doen naar windhinder. Onderzoek naar windhinder is noodzakelijk bij een bouwhoogte van meer dan 30 meter.
59
Toetsing Aangezien de nieuwbouw circa 35 m hoog wordt, is in het kader van het voorliggende plan een windhinderonderzoek26 uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is om het windklimaat in kaart te brengen rond de nieuwbouw op maaiveld en op de eerste verdieping. In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. Bestaande situatie In de bestaande situatie is er geen windgevaar en is er sprake van een goed windklimaat. Alleen in een lokaal gebied ten noordoosten van het plangebied is er sprake van windklasse D (matig windklimaat). Nieuwbouw situatie In de nieuwbouw situatie is geen sprake van windgevaar. Voor het windklimaat geldt: − de meeste entrees hebben een goed windklimaat en liggen in windklasse A of B. Alleen de ingang aan de zuidkant naast de toren ligt in windklasse C (matig windklimaat). − het windklimaat in het binnengebied is goed. − er ontstaat aan de zuidoostkant een groot deel met windklasse D, voor doorlopen een matig windklimaat. Ook aan de noordkant ontstaat een klein gebied met windklasse D (matig windklimaat). Het gebied ten noordoosten van het plangebied heeft nu een beter windklimaat dan in de huidige situatie. Er is lokaal geen sprake meer van windklasse D. − het fietspad ten zuiden en oosten van de nieuwbouw ligt gedeeltelijk in het gebied met windklasse D (matig windklimaat). − de toegangen op de eerste verdieping hebben allemaal een goed windklimaat.
De tuinen hebben over het algemeen een goed windklimaat. Er is één gebied met windklasse C. Deze ligt gedeeltelijk in een tuin (slecht windklimaat). Buiten de tuin, voor de activiteit ‘slenteren’ geeft dit een matig windklimaat. De overige ruimten op de eerste verdieping hebben een goed windklimaat voor de activiteit ‘slenteren’. Maatregelen Het windklimaat in de daktuin op de eerste verdieping kan verbeterd worden door de bestaande opbergruimte door te trekken met een scherm tot aan de achterkant van deze tuin. Conclusie Het windklimaat in de daktuin zal worden verbeterd door het plaatsen van een scherm. Het aspect windhinder vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan.
26
DGMR (2023). Stationslocatie Doetinchem windhinderonderzoek. Kenmerk: B.2023.0375.00.R003. 17 augustus 2023. 60
5 5.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende project wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het project verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Overleg en inspraak Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijke procedure, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bouwplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. In deze paragraaf of in een bijlage bij deze toelichting zullen de resultaten van het overleg worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
5.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbesluit zal voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen.
61