CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3.05 Toelichting Bijlage 05 - Archeologisch bureauonderzoek Doetinchem.pdf

gemeenteraad 6 juli 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 10.2: Provinciaal inpassingsplan N3157.751 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Doetinchem Plangebied N315 tussen Doetinchem en Ruurlo km 6,1-6,3

Auteur: W.A. Bergman

Archeologisch bureauonderzoek Status: definitief BAAC Rapport V-18.0297.1

1

november 2018

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Archeologisch bureauonderzoek

Colofon ISSN: Auteur(s): Cartografie: Copyright:

1873-9350 W.A. Bergman J. van Gestel BAAC bv te ‘s-Hertogenbosch

Redactie senior archeoloog :

J.F. van der Weerden C.C. Kalisvaart

Accordering senior prospector:

10-10-2018 22-11-2018

© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2018) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl

1

Postbus 2015 7420 AA Deventer

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Archeologisch bureauonderzoek

2

Inhoud

Samenvatting

5

1

Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Administratieve gegevens

7 7 8 10

2

Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschappelijke ontwikkeling 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Historie 2.3.2 Archeologie

11 11 11 15 15 18

3

Archeologische verwachting 3.1 inleiding 3.2 Algemeen paleolithicum tot volle-middeleeuwen 3.3 Algemeen volle-middeleeuwen tot heden 3.4 Bodem 3.5 Specifieke verwachting

21 21 21 21 22 22

4

Conclusie en aanbevelingen

25

5

Geraadpleegde bronnen

29

Bijlage

Bijlage 1

3

31

Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Archeologisch bureauonderzoek

4

Samenvatting BAAC bv heeft voorafgaand aan onderhoudswerkzaamheden langs het tracé van de N315 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied N315 tussen Doetinchem en Ruurlo. Het tracé dat binnen de gemeente Doetinchem valt is 200 m lang en loopt vervolgens circa 1 km parallel aan de gemeentegrens, echter op het grondgebied van de gemeente Bronckhorst. De resultaten van het bureauonderzoek zijn in drie separate deelrapporten per gemeente weergegeven. Dit rapport heeft betrekking op gemeente Doetinchem. Het verlengde van de N315 in zuidelijke richting (Oostelijke Rondweg) is in een eerder stadium reeds onderzocht. Als bodemtype zijn een beekeerdgrond en een laarpodzolgrond gekarteerd. Binnen het bouwland waar de laarpodzolgrond is gesitueerd is op een kadastrale e kaart uit het begin van de 19 eeuw ter hoogte van de N315 bebouwing zichtbaar. Deze zone krijgt een middelhoge verwachting toegewezen op het aantreffen van archeologische resten. Indien in deze zone werkzaamheden langs de N315 worden uitgevoerd, adviseert BAAC voorafgaand aan deze werkzaamheden eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren indien de grond dieper geroerd wordt dan 30 cm –mv. Het gebied waar een beekeerdgrond voorkomt is te nat geweest voor bewoning. Hier is de kans op het aantreffen van archeologische resten niet groot.

5

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Archeologisch bureauonderzoek

6

1 1.1

Inleiding

Onderzoekskader

In opdracht van Provincie Gelderland heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied N315 tussen Doetinchem en Ruurlo te Doetinchem. Aan en langs de provinciale weg N315 staat voor 2020 groot onderhoud gepland tussen Doetinchem en Ruurlo (km 6,1 – 22,92), in de gemeenten Doetinchem (km 6,1-6,3), Bronckhorst (km 6,3-19,075) en Berkelland (km 19,075-22,92). Voor het deel van het tracé dat in de gemeente Doetinchem loopt is vooralsnog alleen onderhoud aan het bestaande asfalt gepland. De maatregelen zijn echter nog niet definitief vastgesteld en mogelijk vinden nog scopewijzingen plaats. Het doel van een bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied aan de hand van bestaande bronnen. Met behulp van de verworven informatie wordt een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opgesteld op grond waarvan een selectieadvies wordt gegeven en een selectiebesluit genomen kan worden. Voorliggend rapport betreft een deelrapport, waarin de resultaten voor de gemeente Doetinchem (km 6,1-6,3) beschreven worden. Tijdens het onderzoek zullen de volgende onderzoeksvragen worden beantwoord: 

7

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging en c) ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in het omringende gebied (binnen een afstand tot circa 200 m van het plangebied) en in de ondiepe ondergrond? D) Hoe dik is de holocene deklaag? Wat is a) de aard (ontstaanswijze en classificatie) b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten in het omringende gebied? Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d) in het omringende gebied? Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) dikte, en c) omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? Wat is het historisch landgebruik van de plangebied en het omringende gebied geweest, uitgaande van a) kaarten van de Man, b) de Hottingerkaart, c) het Kadastraal minuutplan, d) de Topografisch Militaire Kaart 1850 en e) het Bonneblad?

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

 

Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek uit de vorige vraag) zijn reeds binnen het plangebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom het plangebied bekend? Vermeld per vondst- en/of spoorcomplex minimaal: a) bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens), b) de materiaal categorieën, c) ouderdom, d) ruimtelijke (geografische) verspreiding, e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag), f ) fragmentatie, g) waarnemingsmethode, h) interpretatie. Gegeven eerste vier vragen; met welke (primaire) natuurlijke formatieprocessen (fasen van sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) heb je te maken in het plangebied? Gegeven vijfde en zesde vraag; met welke (primaire) culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-]constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) heb je te maken in het plangebied [inclusief (sub)recente bodemverstoring als gevolg van (sub)recent landgebruik/inrichting? Gegeven vorige twee vragen; welke kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming (geografisch en stratigrafisch) van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus (stratigrafisch), en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige

archeologische resten? Wat is de aard (mobilia materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek (prospectiekenmerken, geografisch en stratigrafisch)? Welke vondst- en/of spoorcomplexen (conform het principediagram) kunnen binnen het plangebied aangetoond worden? Licht beargumenteerd toe. Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategieën) kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen (indicatoren) systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNAleidraden.

Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse 1 2 Archeologie versie 4.0 en het regionaal archeologiebeleid.

1.2

Ligging van het gebied

Het plangebied betreft de provinciale weg N315, incl. bermen etc. te Doetinchem. Het meest zuidelijke deel van het plangebied ligt te hoogte van de Bultensweg. De noordwestkant van de N315 ligt vanaf km 6,3 ter hoogte van de Broekstraat gelijk aan de gemeentegrens tussen Doetinchem en Bronckhorst en buigt vervolgens na ongeveer 1 km ter hoogte van de Terborgseweg (km 7.4) met een rechte hoek af in westelijke richting. De gemeentegrens is in figuur 1.1 met een onderbroken lijn weergegeven. Het plangebied betreft de N315 zelf. Aan weerszijden van de N315 is als onderzoeksgebied een zone van circa 250 m breed aangehouden.

1 2

CCvD 2016. Willemse & Kocken 2012.

Archeologisch bureauonderzoek

8

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied (N315) en onderzoeksgebied (rode contour).

9

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

1.3

Administratieve gegevens

Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Datum concept rapportage: Datum definitief rapport: BAAC-projectnummer: Coördinaten zuid: Coördinaten noord: Kaartblad: Lengte tracé plangebied: Datering: Onderzoeksmeldingsnummer: Type onderzoek: Opdrachtgever: Bevoegde overheid: Beheer documentatie: Uitvoerder:

Projectleider:

Gelderland Doetinchem Doetinchem N315 tussen Doetinchem en Ruurlo km 6,16,3 12 oktober 2018 22 november 2018 V-18.0297.1 219.167 / 442.977 219.628 / 443.617 40F 0,2 km Late middeleeuwen – nieuwe tijd 4637286100 Bureauonderzoek Provincie Gelderland A. Joosse Gemeente Doetinchem Bibliotheek Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en archief BAAC bv. BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219 W.A. Bergman w.bergman@baac.nl

Archeologisch bureauonderzoek

10

2 2.1

Bureauonderzoek

Werkwijze

Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van bestaande bronnen een archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld. Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens uit van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (via ARCHIS 3), onderzoeksrapporten van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek en de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland, oude kadastrale en topografische kaarten. Literatuur over de geologie, geomorfologie en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied is eveneens bestudeerd om op basis van locatiekeuzetheorieën een uitspraak te doen over de kans op aanwezigheid van archeologische resten. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 1.

2.2

Landschappelijke ontwikkeling

Inleiding Op het huidige landschap is met name het klimaat tijdens het Weichselien (118.000 tot 10.000 jaar geleden, bijlage 1) van invloed geweest. In deze periode was weinig vegetatie aanwezig, waardoor lokaal zand gemakkelijk door de wind 3 kon worden verplaatst. Dit zand werd als een afdekkend pakket afgezet en wordt dekzand genoemd. Dekzandafzettingen worden gerekend tot de Formatie 4 van Boxtel. Het dekzandreliëf bestaat voor het grootste gedeelte uit dekzandruggen en dekzandwelvingen. De ruggen zijn vaak duidelijk te zien en kunnen meer dan 1,5 m boven hun omgeving uitsteken. De dekzandwelvingen zijn minder geaccidenteerd en minder goed zichtbaar. Behalve deze reliëfrijke gebieden zijn er ook gebieden waar het dekzand lokaal tot vlakten is verspoeld door het water van de in het voorjaar smeltende sneeuw, waarbij in sommige terreindelen vrij veel dekzand werd opgenomen en in lage gebieden weer werd afgezet. Nadien heeft soms weer geringe verstuiving plaatsgevonden. Kenmerkend voor dekzand zijn de afgeronde korrels en het goed gesorteerde, fijne zand. Op grond van een eventueel aanwezige bodem binnen het dekzand kan dit dekzand in twee pakketten worden opgedeeld. Op de overgang tussen deze twee pakketten is op sommige plaatsen een dunne bodem gevormd. Deze bodem staat bekend als de Laag van Usselo en vertegenwoordigt een oude 3 4

Berendsen 2004. De Mulder et al. 2013.

11

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

begroeiinghorizont die zich ontwikkeld heeft op een voormalig landoppervlak of als een veenlaag. Deze laag dateert uit het Bølling- en/of Allerød-interstadiaal (circa 15.000 – 10.800 jaar geleden). In het Holoceen, dat circa 10.000 jaar geleden begon, werd gedurende een warmer en vochtiger wordend klimaat het dekzandreliëf door vegetatie vastgelegd. De vegetatie verhinderde ook verstuiving en erosie van de dekzanden, waardoor zich een bodem kon gaan vormen.

Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart van de gemeente Doetinchem en Atlas Gelderland komen in het plangebied dekzandruggen en –koppen met plaggendek, dekzandruggen en –koppen, dekzandwelvingen en dekzandvlakten en -laagten voor.5 Volgens de geomorfologische kaart van Nederland komt een terrasvlakte (2M42yd) en dekzandwelvingen en -ruggen voor (3L51yc en 3 B53yc, figuur 2.1).

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de geomorfologische kaart.

Met behulp van de boorgegevens uit het DINOLoket kan de geologische 6 bodemopbouw nader gespecificeerd worden. Uit een pulsboring uit 1973 die ongeveer ter hoogte van km 1,6 is gezet blijkt dat tot 0,7 m –mv dekzand 5 6

RAAP 2011, Archeologische waarden-en verwachtingskaart Provincie Gelderland 2018a. DINO loket 2018.

Archeologisch bureauonderzoek

12

voorkomt, wat vervolgens via een enkele decimeters dikke zandige kleilaag overgaat in matig tot zeer grof zand dat wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheye (pleistoceen rivierzand).7 Iets ten zuiden van de splitsing met de Broekstraat is in 1968 een boring gezet, waarbij tot 0,6 m –mv matig fijn zand is aangetroffen en vervolgens een 10 cm dikke zandige kleilaag. Hieronder komt matig grof zand voor met enkele lagen zeer grof zand en klei. Bij interpretatie van deze boorgegevens kan geconcludeerd worden dat waarschijnlijk een dekzandafzetting op een rivierterras voorkomt. Op circa 250 m ten zuiden van het onderzoeksgebied is in 2014 een 8 proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat de pleistocene bodem geen rug, maar een dekzandvlakte of –plateau betrof. Verondersteld wordt dat de bodemvorming in de top van het dekzand wijst op natte omstandigheden die in het verleden hebben geleid tot de vorming van zeer ijzerrijke tot sterk verkitte bodems, zogenaamde hydro-eerdgronden. In en boven deze bodems bevinden zich humeuze welplekken en uitgeloogde lagen. Dat het gebied op landschapskaarten is aangeduid als een dekzandrug heeft waarschijnlijk te maken met de aanwezigheid van het plaggendek dat zich als een rug in het landschap manifesteert.

Op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN-3, figuur 2.2) is te zien dat het plangebied op de overgang ligt tussen hogere gronden in het oosten (geel en bruin gekleurd, 15 tot 19 m +NAP) en lagere gronden in het westen (groen en blauw, 11 tot 15 m +NAP).9 De ligging van de N315 is te volgen aan de scherp begrensde groene lijn. Dit betekent dat de weg op een verhoogd cunet ligt. In en in de omgeving van het plangebied zijn geen 10 ontgrondingsvergunningen afgegeven.

Figuur 2.2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van het AHN. De zwarte lijn is de gemeentegrens. 7

DINO loket 2018, boring B40F0230. Pronk 2015. 9 AHN 2018. 10 Provincie Gelderland 2018b. 8

13

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Bodem

11

Volgens de bodemkaart komen in het onderzoeksgebied veldpodzolgronden, laarpodzolgronden en beekeerdgronden voor met respectievelijk grondwatertrap V, VI en III (figuur 2.3). De grondwaterstand en fluctuaties daarvan (tabel 2.1) zijn van grote betekenis voor de conserveringstoestand van archeologische resten. Tabel 2.1: Grondwatertrappenindeling met de gemiddeld hoogste grondwaterstand in cm

beneden maaiveld (GHG in cm -mv) en de gemiddeld laagste grondwaterstand in cm beneden maaiveld (GLG in cm -mv).

Grondwatertrap GHG in cm -mv GLG in cm -mv

III <40 80-120

V <40 >120

VI 40-80 >120

Veldpodzolgronden (Hn21) zijn kalkloze zandgronden die onder natuurlijke omstandigheden een dunne humushoudende bovengrond (A-horizont van 15-30 cm) al dan niet in combinatie met een dunne uitspoelingslaag (E-horizont) hebben ontwikkeld. Deze grijszwart gekleurde E-horizont is gelegen op een dunne oranjebeige tot oranjegeel gekleurde laag (Bs-horizont), waarin humuszuren en vaak al enige ijzerverbindingen zijn ingespoeld tot het niveau waarop het grondwater wordt aangetroffen. Veldpodzolen liggen doorgaans in de lagere delen van het dekzandlandschap, waar het grondwater hoog staat en de uitgespoelde deeltjes met het grondwater worden afgevoerd. De ondergrond is daardoor meestal gereduceerd en grijswit tot geelwit van kleur (C-horizont).

Figuur 2.3 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de bodemkaart van Nederland.

Laarpodzolgronden (cHn21) zijn kalkloze zandgronden die een gedeeltelijk door de mens opgebrachte donkere humushoudende bovengrond (A-horizont van 30 50 cm) al dan niet in combinatie met een dunne uitspoelingslaag (E-horizont) hebben ontwikkeld. Deze grijs gekleurde E-horizont is gelegen op een dunne donkerroodbruin gekleurde laag (Bhs-horizont), waarin humuszuren en vaak al 11

Stiboka 1981; Stiboka 1982.

Archeologisch bureauonderzoek

14

enige ijzerverbindingen zijn ingespoeld tot het niveau waarop het grondwater wordt aangetroffen. De laarpodzolen worden meestal gevonden ter plaatse van de oudere ontginningen op de lager gelegen zandgronden, die door plaggenbemesting een matig dikke A-horizont hebben gekregen. Het oorspronkelijke profiel was vaak een veldpodzolgrond. Laarpodzolen zijn evenals veldpodzolen dus meestal gelegen in de lagere delen van het dekzandlandschap, waardoor het grondwater hoog staat en de uitgespoelde deeltjes met het grondwater worden afgevoerd. De ondergrond is daardoor meestal gereduceerd en grijswit tot geelwit van kleur (C-horizont). Beekeerdgronden (pZg23) zijn kalkloze zandgronden met een dunne tot matig dikke humushoudende bovengrond (A-horizont van 15-50 cm). Deze donker gekleurde A-horizont ligt direct op een licht gekleurde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De beekeerdgronden liggen relatief laag en worden veel gevonden langs de bovenlopen van beekdalen in de dekzandgebieden. Roest- en reductievlekken komen voor in de A-horizont, beginnen ondieper dan 35 cm onder maaiveld en lopen door tot 120 cm of tot in de permanent gereduceerde ondergrond. De grondwaterstand is meestal hoog, zodat onder de A-horizont de ijzerhuidjes rondom de zandkorrels ontbreken.

2.3

Bewoningsgeschiedenis

2.3.1 Historie Jager-verzamelaars Het landschap bestond in het onderzoeksgebied van nature uit een afwisseling van dekzandruggen, dekzandvlaktes, beekdalen en mogelijk vennetjes. Het dekzandgebied kent een lange bewoningsgeschiedenis, waarvan de eerste sporen teruggaan tot de laatste ijstijd (laat-paleolithicum B). Het laat-paleolithicum werd evenals het daaropvolgende mesolithicum gekenmerkt door rondtrekkende jagers-verzamelaars, die gebruik maakten van stenen en benen werktuigen. De mensen woonden in tijdelijke kampen, die zich over het algemeen op landschappelijke gradiënten bevonden. Door de bestaansbasis (jagen en verzamelen) en de grote mobiliteit was de invloed van deze mensen op het landschap gering.

Landbouwers Dit veranderde toen men vanaf 4900 v.C. (neolithicum) geleidelijk het jagen en verzamelen verruilde voor een voedselvoorziening gebaseerd op akkerbouw en veeteelt. Door het verbouwen van voedsel werd men gebonden aan een bepaalde plek, werden stevigere onderkomens gebouwd en ging men aardewerk produceren en gebruiken. Zodra de bodem op een bepaalde plek uitgeput was, kapte men een nieuw stukje bos en verplaatste men de akkers en eventueel de boerderij. Als gevolg van de ontbossing ging de natuurlijke vruchtbaarheid van de armere bodems snel achteruit. Het bos regenereerde daardoor vanaf het laatneolithicum plaatselijk na verlating van de akkers niet meer, waardoor er heidevelden ontstonden. Plaatselijk konden als gevolg van het kappen en afbranden van het bos zandverstuivingen ontstaan. Als gevolg van de ontbossing en akkerbouw was vanaf de late ijzertijd de bodemvruchtbaarheid in grote gebieden dermate afgenomen dat deze niet meer als woon- en landbouwgebied werden gebruikt en men zich terugtrok in de gebieden met een van nature hoge bodemvruchtbaarheid. Op de uitgeputte akkers zal na verloop van tijd secundair bos zijn gaan groeien, waarna deze gebieden werden gebruikt voor het verkrijgen van brandhout en dergelijke. De

15

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

beekdalen waren lange tijd nog dichtbegroeide moerasbossen en speelden geen rol in het landbouwsysteem. Beekdalen en andere moerassige delen van het landschap werden wel gebruikt voor de winning van grondstoffen (zoals hout, leem, veen, e.d.), als dump voor afval, voor rituele deposities, e.d. In de loop van de middeleeuwen nam de bevolking sterk toe, waardoor ook de behoefte aan landbouwgrond sterk toe nam en grote aaneengesloten bouwlandcomplexen ontstonden. Om de beschikbare mest efficiënter te kunnen gebruiken, werd de mest vanaf de e 15 eeuw vermengd met bosstrooisel en plaggen. Bij uitputting van de bodem werd plaggenmest opgebracht en ontstonden essen met enkeerdgronden en bij latere ontginningen laarpodzolgronden. De winning van het bosstrooisel en de plaggen leidde tot een vergaande aftakeling van de bossen, zodat uitgestrekte heidevelden ontstonden. Dit landschap, met een afwisseling van aaneengesloten bouwlandcomplexen, wei- en e hooilanden in de beekdalen en grote heidegebieden bleef tot in de 19 eeuw e bestaan. Pas met de uitvinding van de kunstmest in de 19 eeuw waren de heidevelden niet meer nodig voor de bemesting van de akkers en konden ze worden ontgonnen voor de landbouw.12

Plangebied

e

Op een topografische kaart uit de tweede helft van de 18 eeuw is zichtbaar dat het onderzoeksgebied destijds op de overgang lag tussen enkele akkers en een moerassig gebied genaamd “Ter Broek”.13 Op de eerste kadastrale kaart uit circa 1832 is te zien dat het onderzoeksgebied uit zowel bos, heide, weiland en bouwland bestaat. Ook zijn enkele hoeves zichtbaar (figuur 2.5). Op een topografische kaart uit circa 1900 is te zien dat het grondgebruik niet ingrijpend is gewijzigd (figuur 2.6). Ten westen van het plangebied is een gebied met het toponiem “Het Broek” zichtbaar. Dergelijke gebieden betreffen laagtes in het landschap.

12 13

Barends et al. 2010. Versfeld 2003.

Archeologisch bureauonderzoek

16

Figuur 2.5 Ligging van het onderzoeksgebied op een uitsnede van de kadastrale kaart uit het begin van de 19e eeuw. De bruine vlakken zijn bouwland, de lichtgroene vlakken grasland, de donkergroene bos, de witte vlakken heide en de rode vlakken zijn bebouwing.

17

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Figuur 2.6 Ligging van het onderzoeksgebied op een uitsnede van een topografische kaart uit circa 1900 (Uitgeverij Robas producties 1989). De witte vlakken zijn bouwland, de lichtgroene vlakken grasland, de groene loofbos, de donkergroene naaldbos, de roze vlakken heide en de rode vlakken zijn bebouwing. De zwarte stipjes zijn bomen langs wegen en sloten. De ligging van het onderzoeksgebied is met de rode contour aangegeven.

2.3.2 Archeologie Over het algemeen zijn in Nederland op verschillende niveaus (landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk) archeologische (verwachtings-)kaarten opgesteld. Het huidige beleid, dat van toepassing is op het plangebied, is gebaseerd op de gemeentelijke beleidsadvieskaart. De kans op het aantreffen van archeologische resten is volgens deze kaart overwegend laag (Archeologisch Waardevol Verwachtingsgebied (lichtgroen, AWV) 8). Bij het ‘oversteken’ van de gemeentegrens over N315 geldt een hoge verwachting (donkerrood, AWV 5) en nabij de gemeentegrens een hoge (oranje, AWV 6) en middelhoge verwachting 14 (geel, AWV7). In onderstaande tabel 2.2 zijn de dieptes en oppervlakte weergegeven, waarbij archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.

14

RAAP 2011, archeologische beleidskaart.

Archeologisch bureauonderzoek

18

Tabel 2.2 Uitgangspunten archeologiebeleid gemeente Doetinchem (incl. onderzoeksverplichting.

Verwachting AWV 5 (hoog) AWV 6 (hoog) AWV 7 (middelhoog) AWV 8 (laag)

Diepte bodemingrepen >0,4 m -mv >0,3 m -mv >0,3 m -mv >0,3 m -mv

oppervlakte >100m² >100m² >100m² >2500m²

Figuur 2.5 Ligging van het plangebied op de gemeentelijke verwachtingskaart met onderzoeksmeldingen en ARCHIS-waarnemingen.

19

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Naast deze verwachte archeologische waarden zijn binnen het onderzoeksgebied in verleden geen archeologische waarden aangetroffen. In de database van de RCE, ARCHIS III zijn geen archeologische vondsten geregistreerd. Wel is in de zone met een lage archeologische verwachting op circa 500 m ten westen van de N315 de vondst van een fibula uit de vroege middeleeuwen geregistreerd.15 Bepaalde gebieden zijn vanwege hun archeologische waarde vermeld op de Archeologische Monumentenkaart. In het onderzoeksgebied zijn echter geen archeologische monumenten aangewezen. In het onderzoeksgebied zijn eerder wel enkele archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel 2.3. Tabel 2.3 Archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied. Onderzoeksnummer 2093367100

Soort onderzoek

4588776100

Bureauonderzoek

2218252100

Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

Bureauonderzoek

Uitvoerder, jaar Synthegra, 2004 Econsultancy, 2018 RAAP, 2008

resultaat

Opmerkingen Verwachtingskaart voormalige gemeente Zelhem Onderzoek loopt nog Onderzoek is uitgevoerd voorafgaand aan de aanleg van de Oostelijke rondweg.

Aansluitend op het verkennend booronderzoek ter plaatse van de Oostelijke Rondweg (onderzoeksmelding 2218252100) zijn een karterend booronderzoek en een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Op circa 250 m ten zuiden van het onderzoeksgebied is een proefsleuf getrokken (Pronk 2015). Enkele sporen die zijn aangetroffen, zijn mogelijk uit de late middeleeuwen of de nieuwe tijd dateren en kunnen gerelateerd worden aan erf in de directe nabijheid. Er zijn, op een laat-middeleeuwse scherf uit een fossiele akkerlaag ter hoogte van de sporen na, geen vondsten gedaan waaruit een exacte datering afgeleid kan worden. De sporen bestaan uit drie greppels, drie paalsporen en een kuil. De greppels betreffen mogelijk verkavelingsgreppels. De breedste greppel werd geflankeerd door paalsporen, die mogelijk deel uitmaakten van een afrastering. Een pollenanalyse wijst op een gebied met een vrij open vegetatie op de hogere droge gronden met bosschages, heide- en graslandvegetaties en akkers met lokale cultivatie van walnoot. In de lagere, nattere, delen van het landschap kwamen dichtere broekbossen voor.

15

ARCHIS waarneming 282969100.

Archeologisch bureauonderzoek

20

3 3.1

Archeologische verwachting

Inleiding

Concluderend heeft het bureauonderzoek inzicht gegeven in de geomorfologie van het landschap en de bodem van het perceel waarin het plangebied is gesitueerd. Ook heeft raadpleging van historisch kaartmateriaal informatie verschaft over de inrichting en het gebruik van het perceel gedurende de laatste twee eeuwen. Tevens is gekeken naar recentelijk uitgevoerd archeologisch onderzoek in de directe omgeving van het plangebied (=onderzoeksgebied, 250 m aan weerszijden van de N315). De resultaten van deze bronnen leiden naar een gespecificeerde verwachting. De verwachting is onderverdeeld in drie categorieën laag, middelhoog en hoog.

3.2

Algemeen paleolithicum tot volle-middeleeuwen

Vuurstenen artefacten zijn in de directe omgeving van het plangebied niet gevonden, maar kunnen voorkomen als vondststrooïngen van artefacten, houtskoolpartikels of vondstconcentraties behorende tot tijdelijke kampementen van jager-verzamelaars. In de loop van het neolithicum en in de daarop volgende periodes gingen de mensen sedentair leven en kunnen sporen van nederzettingsterreinen bestaande uit individuele huis- of boerderijplaatsen met erven, afvalkuilen, waterputten en aardewerkstrooiing worden verwacht. Bij nederzettingsterreinen kunnen ook grafvelden voorkomen. Vanaf de late bronstijd worden doden hoofdzakelijk gecremeerd en de as in urnen begraven, al dan niet voorzien van een grafmonument (grafheuvel). Uit deze periode kunnen grafvelden naast de nederzettingsterreinen voorkomen. Aanvankelijk heeft het nederzettingspatroon bestaan uit verspreide groepjes boerderijen met een kleine oppervlakte bouwland. Het bouwlandareaal was zeer beperkt: één tot enkele hectaren. Tot in de ijzertijd kunnen zogenaamde zwervende erven voorkomen. Dit betekent dat de boerderij en bijbehorende akker vaak verplaatst werden en verspreid over een hoger gelegen gebied relatief veel archeologisch resten kunnen worden aangetroffen. In het algemeen geldt dat hoger gelegen gebieden een toenemende bevolkingsdichtheid kenden en vaak voortdurend bewoond zijn geweest tot in de Romeinse tijd.

Aan het einde van de Romeinse tijd gingen handelscontacten verloren en nam de bevolkingsdichtheid sterk af.

3.3

Algemeen volle-middeleeuwen tot heden

Iets ten zuiden van het onderzoeksgebied zijn paalsporen en sporen van greppels en aardewerk uit de late middeleeuwen of nieuwe tijd gevonden. Waarschijnlijk kunnen deze vondsten worden gerelateerd aan een erf in de directe nabijheid. Nabij de gemeentegrens met Bronckhorst lag een historisch erf met bouwland. Akkerland vormde het hart van een areaal intensief gebruikt cultuurland en is tevens het hart van de lokale agrarische samenleving. Aanvankelijk zullen boerderijen en nederzettingen midden in een bouwlandcomplex gestaan hebben, maar om het akkercomplex beter te kunnen bewerken werd vooral in de middeleeuwen de bebouwing verplaatst naar de randen van de bouwlandcomplexen.

21

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

e

Op een kaart uit de tweede helft van de 18 eeuw is te zien dat het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied verkaveld is. Het noordelijk deel bestaat uit een e moerassig gebied dat in de loop van de 19 eeuw in grotendeels in cultuur is e genomen. Op de kadastrale kaart uit de eerste helft van de 19 eeuw en een topografische kaart uit circa 1900 is een landschap met verspreide kleine boerderijen, infrastructuur, bos, bouw- en weiland afgebeeld.

3.4

Bodem

In de laagst gelegen gebieden in het dekzandgebied komen beekeerdgronden voor. Langs de flanken van de beekeerdgronden worden vaak gooreerdgronden aangetroffen die dan vaak weer begrenst worden door veldpodzolgronden die opgehoogd kunnen zijn met een dun plaggendek. Dit worden laarpodzolgronden genoemd. In het onderzoeksgebied komen beekeerdgronden, veldpodzolgronden en laarpodzolgronden voor. Het meest voorkomend zijn de beekeerd- en veldpodzolgronden. Archeologische vondsten en bewoningssporen kunnen bij een intact bodemprofiel in een beekeerdgrond worden verwacht op of binnen 50 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Ah/Ap-horizont. Omdat de laaggelegen beekeerdgronden vaak in gebruik zijn als weiland, zullen eventuele vindplaatsen in of onder de bouwvoor veelal nog gaaf zijn. Vanwege de periodiek hoge grondwaterstand is de kans op een goede conservering organische resten en botmateriaal groter dan bij de hoger gelegen en drogere podzolbodems. Archeologische vondsten kunnen in een veldpodzolgrond bij een intact bodemprofiel worden verwacht op of binnen 50 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Ah/Aphorizont. Omdat de laaggelegen veldpodzolgronden vaak in gebruik zijn als weiland of vochtig bos, zullen eventuele vindplaatsen in of onder de “bouwvoor” veelal nog gaaf aanwezig zijn.

Vanwege de hoge grondwaterstand en de matige bodemvruchtbaarheid waren de dekzandlaagten met de veldpodzolen overigens niet de locaties waar mensen zich bij voorkeur of permanent vestigden. De kans op een goede conservering van organische resten is matig tot goed vanwege de hoge grondwaterstand, terwijl botmateriaal slecht geconserveerd zal zijn vanwege de zure bodem. Centraal in het onderzoeksgebied ligt een laarpodzolgrond. Dit betreft een oorspronkelijk veldpodzolgrond, waar vanaf e ongeveer de 17 eeuw mest uit de potstal is opgebracht waarbij een dun plaggendek (<0,5 m) is gevormd. Door het dunne plaggendek zullen eventueel archeologische resten beter bewaard zijn gebleven dan bij een veldpodzol.

3.5

Specifieke verwachting

Voorafgaand aan de aanleg van de Rondweg Oost is het tracé van de N315 door middel van een booronderzoek onderzocht, waardoor het tracé zelf nu een lage archeologische verwachting toegewezen krijgt. In het gebied met een laarpodzolgrond kunnen resten bewaard zijn gebleven, de conserveringscondities zijn echter niet optimaal als bij gronden met een dik plaggendek. Op historisch kaartmateriaal is dit gebied als akker met hoeve gekarteerd. De kans op het aantreffen van resten is middelhoog (figuur 3.1). In het noordelijke deel van het plangebied ligt een veldpodzolgrond met een kleine akker in een heideveld. Aan de rand van deze akker aan de huidige N315 waren drie woningen met erf gesitueerd. Deze kavels zijn nu echter deels bebouwd met moderne gebouwen. De kans op het aantreffen van resten is middelhoog. De zones met

Archeologisch bureauonderzoek

22

beekeerdgronden zullen te nat zijn geweest voor bewoning. Hiervoor geldt een lage archeologische verwachting.

Figuur 3.1 Archeologische verwachting onderzoeksgebied.

Op basis van bovenstaande gegevens kunnen in de zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting resten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd (hoeves, putten, nederzettingsresten, graven e.d.) verwacht worden. Gezien de historische bebouwing is er met name een kans op het aantreffen van resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Indien de bodem niet diep verstoord is, zal een podzolbodem aangetroffen worden onder een eerdlaag. In dat geval is de verwachting hoog op het voorkomen van resten uit de periode laat paleolithicum – vroeg neolithicum (vuursteenvindplaatsen).

23

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Archeologisch bureauonderzoek

24

4

Conclusie en aanbevelingen

Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen die in hoofdstuk 1 zijn gesteld:

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging en c) ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in het omringende gebied (binnen een afstand tot circa 200 m van het plangebied) en in de ondiepe ondergrond? d) Hoe dik is de holocene deklaag? Het plangebied betreft de N315 zelf. Aan weerszijden van de N315 is een onderzoeksgebied van circa 250 m aangehouden. Op het huidige landschap is met name het klimaat tijdens het Weichselien (118.000 tot 10.000 jaar geleden) van invloed geweest. In deze periode was weinig vegetatie aanwezig, waardoor lokaal zand gemakkelijk door de wind kon worden verplaatst. Dit zand werd als een afdekkend pakket afgezet en wordt dekzand genoemd. Het dekzandreliëf bestaat uit dekzandruggen en dekzandwelvingen en -vlaktes. Nadien heeft soms weer geringe verstuiving plaatsgevonden. In het Holoceen, dat circa 10.000 jaar geleden begon, werd gedurende een warmer en vochtiger wordend klimaat het dekzandreliëf door vegetatie vastgelegd. De vegetatie verhinderde ook verstuiving en erosie van de dekzanden, waardoor zich een bodem kon gaan vormen.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze en classificatie) b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten in het omringende gebied? Volgens de bodemkaart komen in het onderzoeksgebied veldpodzolgronden, laarpodzolgronden en beekeerdgronden voor. Veldpodzolgronden zijn kalkloze zandgronden die onder natuurlijke omstandigheden een dunne humushoudende bovengrond (A-horizont van 15-30 cm) al dan niet in combinatie met een dunne uitspoelingslaag (E-horizont) hebben ontwikkeld. Deze grijszwart gekleurde E-horizont is gelegen op een dunne oranjebeige tot oranjegeel gekleurde laag (Bs-horizont), waarin humuszuren en vaak al enige ijzerverbindingen zijn ingespoeld tot het niveau waarop het grondwater wordt aangetroffen. Veldpodzolen liggen doorgaans in de lagere delen van het dekzandlandschap, waar het grondwater hoog staat en de uitgespoelde deeltjes met het grondwater worden afgevoerd. De ondergrond is daardoor meestal gereduceerd en grijswit tot geelwit van kleur (C-horizont). Laarpodzolgronden zijn kalkloze zandgronden die een gedeeltelijk door de mens opgebrachte donkere humushoudende bovengrond (A-horizont van 30 - 50 cm) al dan niet in combinatie met een dunne uitspoelingslaag (E-horizont) hebben ontwikkeld.

Deze grijs gekleurde E-horizont is gelegen op een dunne donkerroodbruin gekleurde laag (Bhs-horizont), waarin humuszuren en vaak al enige ijzerverbindingen zijn ingespoeld tot het niveau waarop het grondwater wordt aangetroffen. De laarpodzolen worden meestal gevonden ter plaatse van de oudere ontginningen op de lager gelegen zandgronden, die door plaggenbemesting een matig dikke A-horizont hebben gekregen. Het oorspronkelijke profiel was vaak een veldpodzolgrond. Laarpodzolen zijn evenals veldpodzolen dus meestal gelegen in de lagere delen van het dekzandlandschap,

25

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

waardoor het grondwater hoog staat en de uitgespoelde deeltjes met het grondwater worden afgevoerd. De ondergrond is daardoor meestal gereduceerd en grijswit tot geelwit van kleur (C-horizont). Beekeerdgronden zijn kalkloze zandgronden met een dunne tot matig dikke humushoudende bovengrond (A-horizont van 15-50 cm). Deze donker gekleurde A-horizont ligt direct op een licht gekleurde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De beekeerdgronden liggen relatief laag en worden veel gevonden langs de bovenlopen van beekdalen in de dekzandgebieden.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.) in het omringende gebied? Zie antwoord vorige vraag bij laarpodzolgronden.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) dikte, en c) omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? Plaggenbemesting werd vanaf de late middeleeuwen toegepast en ging door tot e aan de uitvinding van kunstmest in de 19 eeuw. In het onderzoeksgebied komen geen plaggendekken dikker dan 50 cm voor. Andere afdekkende lagen dan een eerdlaag worden niet verwacht.

Wat is het historisch landgebruik van de plangebied en het omringende gebied geweest, uitgaande van a) kaarten van de Man, b) de Hottingerkaart, c) het Kadastraal minuutplan, d) de Topografisch Militaire Kaart 1850 en e) het Bonneblad? Kaarten van de Man zijn niet achterhaald voor het onderzoeksgebied. Op een e kaart uit de tweede helft van de 18 eeuw is te zien dat het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied verkaveld is . Het noordelijk deel bestaat uit een moerassig e gebied dat in de loop van de 19 eeuw in grotendeels in cultuur is genomen. Op e de kadastrale kaart uit de eerste helft van de 19 eeuw en een topografische kaart uit circa 1900 is een landschap met verspreide kleine boerderijen, infrastructuur, bos, bouw- en weiland afgebeeld.

Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek uit 5) zijn reeds binnen het plangebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom het plangebied bekend? Vermeld per vondst- en/of spoorcomplex minimaal: a) bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens), b) de materiaalcategorieën, c) ouderdom, d) ruimtelijke (geografische) verspreiding, e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag), f ) fragmentatie, g) waarnemingsmethode, h) interpretatie. In het onderzoeksgebied in het verleden geen archeologische waarden aangetroffen. Ook zijn in het onderzoeksgebied zijn geen archeologische monumenten aangewezen. Op historisch kaartmateriaal zijn wel enkele hoeves afgebeeld.

Gegeven eerste vier vragen; met welke (primaire) natuurlijke formatieprocessen (fasen van sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) heb je te maken in het plangebied? Naast de eerder genoemde vorming van de bodem hebben voor zover bekend geen formatieprocessen plaatsgevonden.

Archeologisch bureauonderzoek

26

Gegeven vijfde en zesde vraag; met welke (primaire) culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-]constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) heb je te maken in het plangebied [inclusief (sub)recente bodemverstoring als gevolg van (sub)recent landgebruik/inrichting? In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied en buiten de gemeentegrens liggen percelen met heide. Vermoedelijk is hier in het verleden de bovengrond afgeplagd ten behoeve van plaggenbemesting. De ligging van de N315 is op het AHN te volgen aan de rechte lijn binnen het onderzoeksgebied. Dit betekent dat de weg op een verhoogd cunet ligt.

Gegeven vorige twee vragen; welke kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming (geografisch en stratigrafisch) van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus (stratigrafisch), en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? Over vondstspreidingen, vondstdichtheid, niveaus en fysieke kwaliteit kunnen geen uitspraken gedaan worden.

Wat is de aard (mobilia materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondsten/of spoorcomplexen? Over de aard (mobilia materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondsten/of spoorcomplexen kunnen geen sluitende uitspraken gedaan worden. Indien vondst en/of spoorcomplexen aanwezig zijn, kunnen deze al uit het laatpaleolithicum dateren. In een veldpodzolgrond kunnen archeologisch vondsten bij een intact bodemprofiel worden verwacht op of binnen 50 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Ah/Ap-horizont. Mogelijk dat de veldpodzolen deels overdekt zijn door een (dunne) laag stuifzand. Vanwege de hoge grondwaterstand en de matige bodemvruchtbaarheid waren de dekzandlaagten met de veldpodzolen overigens niet de locaties waar mensen zich bij voorkeur of permanent vestigden. De kans op een goede conservering van organische resten is matig tot goed vanwege de hoge grondwaterstand, terwijl botmateriaal slecht geconserveerd zal zijn vanwege de zure bodem. Centraal in het onderzoeksgebied ligt een vlak met een laarpodzolgrond.

Dit betreft een oorspronkelijk veldpodzolgrond, waar vanaf e ongeveer de 17 eeuw mest uit de potstal is opgebracht waarbij een dun plaggendek (<0,5 m) is gevormd. Door het dunne plaggendek zullen eventueel archeologische resten beter bewaard zijn gebleven dan bij een veldpodzol. Tussen de gebieden met veld- en laarpodzolgrongen liggen beekeerdgronden. Archeologische vondsten en bewoningssporen kunnen hier bij een intact bodemprofiel worden verwacht op of binnen 50 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Ah/Aphorizont. Omdat de laaggelegen beekeerdgronden vaak in gebruik zijn als weiland, zullen eventuele vindplaatsen in of onder de bouwvoor veelal nog gaaf zijn. Vanwege de periodiek hoge grondwaterstand is de kans op een goede conservering organische resten en botmateriaal groter dan bij de hoger gelegen en drogere podzolbodems.

Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek (prospectiekenmerken, geografisch en stratigrafisch)? Met uitzondering van oude woongronden zijn vondst en/of spoorcomplexen niet of moeilijk aan te tonen met een prospectief booronderzoek. De aan- of afwezigheid van een plaggendek, stuifzand, podzolprofiel en de dikte van

27

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

verstoorde dan wel ophooglagen kan wel door middel van een booronderzoek bepaald worden.

Welke vondst- en/of spoorcomplexen (conform het principediagram) kunnen binnen het plangebied aangetoond worden? Licht beargumenteerd toe. Zonder eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren kan niet gezegd worden of al dan geen spoorcomplexen en met welke vondstdichtheid aanwezig kunnen zijn. Wel kunnen op basis van het bureauonderzoek bepaalde archeologische verwachtingen toegekend worden aan bepaalde zones binnen het onderzoeksgebied (hoofdstuk 3, figuur 3.1).

Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategieën) kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen (indicatoren) systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden. Met andere woorden: Is vervolgonderzoek noodzakelijk en zo ja in welke vorm? In de zones met een lage archeologische verwachting hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden. In de zones met middelhoge archeologische verwachting dient een verkennend booronderzoek (IVO-O) uitgevoerd te worden indien bodemingrepen buiten het huidige wegdek dieper dan 30 cm –mv worden uitgevoerd met als doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap en de intactheid van het bodemprofiel te bepalen. Aan en langs de provinciale weg N315 is echter voor 2020 geen groot onderhoud gepland in de gemeente Doetinchem, maar mogelijk in een later stadium wel. Bovenstaand advies is beoordeeld en wordt onderschreven door de adviseur van de bevoegde overheid (Omgevingsdienst Achterhoek namens gemeente Doetinchem).16 Gesteld wordt dat de uiteindelijk te nemen archeologische maatregelen mede afhankelijk zijn van de uiteindelijke werkzaamheden. Zoals vermeld in de rapportage is de totale aard en omvang van de werkzaamheden nog niet helemaal duidelijk.

Geadviseerd wordt derhalve zodra duidelijker is wat precies gaat gebeuren, met de uitvoerende partij maatwerkgerichte oplossing te zoeken. Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC bv wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.

16

Beoordeling archeologisch bureaustudie zaaknummer 2018EA1110. Opgesteld door D. Kastelein (regionaal archeoloog) d.d. 16 november 2018.

Archeologisch bureauonderzoek

28

5

Geraadpleegde bronnen

Barends et al., 2010. Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. CCvD, 2016. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0 Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof & T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Groningen. Pronk, E.C., 2015. Plangebied Oostelijke Randweg te Doetinchem, vindplaatsen 2

en 3, gemeente Doetinchem; archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek (proefsleuven) RAAP rapport DORW8. Weesp. Willemse, N.W. & M.H.J.M. Kocken, 2012. Archeologie met beleid.

Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP rapport 2501. N.N. Geraadpleegde kaarten ANWB, 2004. Topografische atlas Gelderland 1:25.000. Den Haag. RAAP ,2011. Archeologische Monumentenzorg in de gemeente Doetinchem.

Archeologische waarden- en verwachtingskaart. Kaartbijlage 1 bij RAAP rapport 1835, 1943 en 2057. NN. RAAP ,2011. Archeologische Monumentenzorg in de gemeente Doetinchem.

Archeologische beleidskaart. Kaartbijlage 2 bij RAAP rapport 1835, 1943 en 2057. NN. Stiboka, 1981. Bodemkaart van Nederland. Blad 40 Oost Arnhem. Wageningen. Stiboka, 1982. Bodemkaart van Nederland. Blad 41 West Aalten. Wageningen. Uitgeverij Robas Producties, 1990. Historische Atlas Gelderland, Chromotopografische Kaart des Rijks 1:25.000. Den Ilp. Versfelt, H.J., 2003. De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Groningen. Geraadpleegde websites (september2018) AHN 3. Actueel Hoogtebestand Nederland 3. Verkregen via www.ahn.nl Bing Maps Nederland, http://www.bing.com/maps/ HISGIS, 2018. Kaartviewer. https://hisgis.nl/kaartviewer/gelderland/ Provincie Geldeland a, Atlas Gelderland http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/AtlasGelderland

29

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Provincie Gelderland b, Ontgrondingenkaart. https://opendata.gelderland.nl/toepassing/ontgrondingen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Centraal Archeologisch Archief (CAA) en het Centraal Monumenten Archief (CMA), afkomstig van ARCHIS-III. Amersfoort. Online geraadpleegd. e

Topotijdreis, Site met topografische kaarten vanaf de 18 eeuw tot heden. www.topotijdreis.nl Wageningen University and Research, Geomorfologische kaart van Nederland. Afkomstig van https://www.wur.nl

Archeologisch bureauonderzoek

30

Bijlage

1

31

Overzicht archeologische en geologische tijdvakken.

V-18.0297.1 N315 km 6,1-6,3 gemeente Doetinchem

Archeologisch bureauonderzoek

32

Bijlage 1: Geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie

MIS

Holoceen (warme periode)

1

11.650

14.030

Laat

Laat

30.000

60.000

Weichselien (ijstijd)

14.640

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

75.000

Formatie van Kreftenheye (Rijn) 2

MiddenPleniglaciaal (koud)

3

VroegPleniglaciaal (zeer koud)

4

VroegWeichselien (gematigd koud)

Pleistoceen

117.000

Kwartair

5a 5b 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6-10

Holsteinien (warme periode)

11

Elsterien (ijstijd)

12

Cromerien (warme periode)

1322

Pre-Cromerien

23104

Eem Formatie (marien, lagunair en lacustrien) Formatie van Drente (Glaciaal)

130.000

Midden

410.000

Midden

370.000

475.000

2.600.000

Vroeg

Vroeg

850.000

Formatie van Urk (Rijn) Formatie van Peelo (Glaciaal) Formatie van Sterksel (Rijn)

Chrono-, zuurstofisotopen- en lithostratigrafie voor Noordwest-Europa naar De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Berendsen (2008) en Cohen et al. (2009). Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed (RCE). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2008). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Formatie van Beegden (Maas)

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

13.900

Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm) LaatPleniglaciaal (zeer koud)

Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

Formatie van Boxtel (eolisch en lokaal terrestrisch)

12.850

Lithostratigrafie

Formatie van Stamproy (eolisch en lokaal terrestrisch)

Ouderdom (jr) 0 = 1950 n. Chr.

Ouderdom (kal. jaren BP1)

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

Vegetatie

Archeologische perioden (kal. jaren v/n. Chr.) nieuwe tijd (1500-heden)

450 Vb2 1150

1250

1962

Laat

1500

Subatlanticum (koeler Vochtiger)

1950

Holoceen

2900

5700

Subboreaal (koeler Droger)

5000

7250

10.250

9000

10.750 10.150

13.900

11.900

14.030

12.100

14.640

12.450

130.000

300.000 (v. Chr.)

1

14

117.000

C-methode loopt tot 43.000 jaar BP

35.000 (v. Chr.)

75.000

III

Loofbos eik en els overheersen, relatief veel iep en linde. Het percentage den neemt af

Boreaal (warmer)

II

Den overheerst, daarnaast hazelaar, eik, iep, linde, es

Preboreaal (warmer)

I

Eerst berk en later overheerst de den

Late Dryas

LW III

Parklandschap (subarctisch)

Allerød

LW II

LaatWeichselien (Laat-Glaciaal) Weichselien (ijstijd)

10.950

Laat-Pleistoceen

12.850

MiddenPleistoceen

11.650

Loofbos. Eik, els en hazelaar overheersen; beuk vanaf IVb >1% en grotere invloed landbouw (granen)

Atlanticum (warm Vochtig) 8000

Vroeg

8700

IVa

Midden

3950

IVb

Vroege Dryas Bølling

Dennen- en berkenbossen Open parklandschap

LW I

Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 n. Chr.)

bronstijd (2000 – 800 v. Chr.)

neolithicum (5300 – 2000 v. Chr.)

mesolithicum (8800 – 5300 v. Chr.)

laat-paleolithicum (35.000 – 8800 v. Chr.)

Open vegetatie met kruiden (bijvoet) en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

Perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (Vroeg-Glaciaal)

Perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Eemien (warme periode)

Loofbos

Saalien (ijstijd)

Maximale ijsuitbreiding Scandinavische ijskap tussen 200.000 en 130.000 jaar BP

BP = aantal werkelijke jaren voor 1950 AD.

middeleeuwen (450-1500 n. Chr.)

ijzertijd (800 – 12 v. Chr.)

Va

2750 3050

Vb1

Loofbos, waarbij eik en els overheersen; haagbeuk vanaf Vb1 (>1%); vanaf Vb2 veel cultuurplanten (rogge, boekweit, korenbloem)

midden-paleolithicum (300.000 – 35.000 v. Chr.)

vroeg-paleolithicum (tot 300.000 v. Chr.)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7865/documents/43462