CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.3.03 Toelichting Bijlage 03 - Archeologisch bureauonderzoek Bronckhorst 2018.pdf

beeldvormende raad 15 juni 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 3: Provinciaal inpassingsplan N31512.113 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze dikke humushoudende bovengrond wordt ook wel een plaggen- of esdek genoemd. Dit plaggendek is ontstaan door het eeuwenlang opbrengen van gemengde plaggen en potstalmest op de akkers. Vorstvaaggronden zijn zandgronden zonder of soms met een zeer dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 10 cm). Onder deze beige tot bruingeel gekleurde A-horizont ligt een duidelijk verbruinde bodemlaag tot circa 60-80 cm. Dit is een Bw-horizont (soms Bws-horizont) met duidelijke ijzerhuidjes om de zandkorrels. Daaronder ligt de soms nog sterk gelaagde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De grondwaterstand is middelhoog, zodat vanaf circa 50 cm roest en grijze vlekken kunnen voorkomen. De vorstvaaggronden liggen ten opzichte van de omliggende landschapseenheden relatief middelhoog. Duinvaaggronden zijn zandgronden zonder of soms met een zeer dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 10 cm). Deze beige tot bruingeel gekleurde A-horizont ligt direct op de soms nog sterk gelaagde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). De bodem is plaatselijk ijzerrijk, ondieper dan 0,5 m –mv beginnend en ten minste 50 cm dik. Een B-horizont is door de korte tijd van bodemvorming echter nog afwezig. De duinvaaggronden liggen ten opzichte van de omliggende landschapseenheden meestal relatief hoog.

Ze komen vooral voor in jonge stuifzandgebieden en op onthoofde zandgronden in het dekzandgebied. Volgens de bodemkaart is de bodem ter plaatse van de duinvaaggrond in het onderzoeksgebied afgegraven.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.) in het omringende gebied? Zie antwoord vorige vraag bij laarpodzolgronden en enkeerdgronden.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) dikte, en c) omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)?

Archeologisch bureauonderzoek

40

Plaggenbemesting werd vanaf de late middeleeuwen toegepast. In deze periode ontstonden door het kappen van bos en later plaggen van heide in omringende gebied bodemdegradatie, waardoor de grond aan de oppervlakte vatbaar werd voor wind en zo stuifzand ontstond. In de stuifzandgebieden komen uitblazingsbekkens en duinen naast elkaar voor. Onder stuifduinen kunnen nog begraven pleistocene bodems voorkomen. De dikte van een laag stuifzand kan variëren van enkele centimeters tot meerdere meters.

Wat is het historisch landgebruik van de plangebied en het omringende gebied geweest, uitgaande van a) kaarten van de Man, b) de Hottingerkaart, c) het Kadastraal minuutplan, d) de Topografisch Militaire Kaart 1850 en e) het Bonneblad? Kaarten van de Man zijn niet achterhaald voor het onderzoeksgebied. Uit de Hottingeratlas blijkt dat het onderzoeksgebied nabij Zelhem over een es loopt en verder door een drassig gebied, woeste grond, een veengebied en enkele verspreide ontgonnen kavels. Op het kadastraal minuutplan en het bonneblad is een landschap met verspreide kleine boerderijen, infrastructuur, bos, heide , bouw- en weiland afgebeeld.

Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek uit 5) zijn reeds binnen het plangebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom het plangebied bekend? Vermeld per vondst- en/of spoorcomplex minimaal: a) bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens), b) de materiaalcategorieën, c) ouderdom, d) ruimtelijke (geografische) verspreiding, e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag), f ) fragmentatie, g) waarnemingsmethode, h) interpretatie. Ter hoogte van de N315 (rondweg) bij Zelhem zijn voorafgaand aan de weg in het begin van dit millennium successievelijk een booronderzoek, een proefsleuvenonderzoek en een opgraving uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het booronderzoek zijn vijf vindplaatsen aangewezen, waarvan er drie uiteindelijk opgegraven zijn. De vindplaatsen bestaan uit bewoningssporen uit het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Daarnaast zijn nog resten van ijzerproductie gevonden en zijn sporen van een aantal boerderijen uit de volle middeleeuwen opgetekend. Ook direct ten zuiden van Zelhem zijn vondsten van artefacten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd geregistreerd. Buiten Zelhem zijn enkele archeologische booronderzoeken uitgevoerd waarbij geen archeologische resten zijn gevonden.

Wel is ten noorden van Zelhem de vondst van een bijl uit het neolithicum in de archeologische database Archis geregistreerd.

Gegeven eerste vier vragen; met welke (primaire) natuurlijke formatieprocessen (fasen van sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) heb je te maken in het plangebied? Naast de eerder genoemde vorming van de bodem, veengroei en het stuifzand hebben voor zover bekend geen formatieprocessen plaatsgevonden.

Gegeven vijfde en zesde vraag; met welke (primaire) culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-]constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) heb je te maken in het plangebied [inclusief (sub)recente bodemverstoring als gevolg van (sub)recent landgebruik/inrichting? Naast de eerder genoemde vorming van het plaggendek zijn wegen en paden aangelegd. In de loop van de middeleeuwen en met name in de nieuwe tijd is de

41

V-18.0297.2 N315 km 6,3-19,075 Gemeente Bronckhorst

percelering langzaam maar zeker gevormd. De plaggen zullen vanuit de arme heide gronden met karren naar de potstal en akkers vervoerd zijn. Karresporen manifesteren zich doorgaans door meerdere sporen naast elkaar; indien een pad te drassig werd, ging men opzij om de vracht over een droog deel te vervoeren. In het uiterst noordelijke deel van het onderzoeksgebied loopt de Veengoot, een wetering die waarschijnlijk is aangelegd ten behoeve van de afwatering van het voormalige zuidoostelijk hiervan gelegen veengebied. De ligging van de N315 is te volgen aan de rechte lijn binnen het onderzoeksgebied. Dit betekent dat de weg op een verhoogd cunet ligt.

Gegeven vorige twee vragen; welke kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming (geografisch en stratigrafisch) van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus (stratigrafisch), en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? Over vondstspreidingen, vondstdichtheid, niveaus en fysieke kwaliteit kunnen geen uitspraken gedaan worden.

Wat is de aard (mobilia materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondsten/of spoorcomplexen? Over de aard (mobilia materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondsten/of spoorcomplexen kunnen geen sluitende uitspraken gedaan worden. Ter hoogte van de Veengoot kunnen palenrijen of beschoeiingen worden verwacht die vanaf de volle middeleeuwen geplaatst en bewaard gebleven kunnen zijn. Op de voormalige woeste gronden kunnen karresporen (latemiddeleeuwen – nieuwe tijd) verwacht worden en indien de bodem niet te diep vergraven is ook resten of sporen uit de volle middeleeuwen of eerder (ijzerproductie, nederzettingsresten, graven e.d.). De kans is groot dat resten van bewoning van het voormalig buurtschap direct ten zuiden van Zelhem worden aangetroffen. Indien de bodem niet diep verstoord is, zal een podzolbodem aangetroffen worden onder een eerdlaag of stuifzandlaag. In dat geval is de verwachting hoog op het voorkomen van resten uit de periode laat paleolithicum – vroeg neolithicum (vuursteenvindplaatsen). Enkele clusters ten zuiden van Zelhem en grote oppervlaktes ten noordoosten van Zelhem komen veldpodzolgronden voor.

Archeologische vondsten kunnen in een veldpodzolgrond bij een intact bodemprofiel worden verwacht op of binnen 50 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Ah/Ap-horizont. Omdat de laaggelegen veldpodzolgronden vaak in gebruik zijn als weiland of vochtig bos, zullen eventuele vindplaatsen in of onder de “bouwvoor” veelal nog gaaf aanwezig zijn. Vanwege de hoge grondwaterstand en de matige bodemvruchtbaarheid waren de dekzandlaagten met de veldpodzolen overigens niet de locaties waar mensen zich bij voorkeur of permanent vestigden. De kans op een goede conservering van organische resten is matig tot goed vanwege de hoge grondwaterstand, terwijl botmateriaal slecht geconserveerd zal zijn vanwege de zure bodem. Nabij de gemeentegrenzen met Doetinchem en Berkelland liggen vlakken met een laarpodzolgrond. Dit betreft e een oorspronkelijk veldpodzolgrond, waar vanaf ongeveer de 17 eeuw mest uit de potstal is opgebracht waarbij een dun plaggendek (<0,5 m) is gevormd. Door het dunne plaggendek zullen eventueel archeologische resten beter bewaard zijn gebleven dan bij een veldpodzol.

Archeologisch bureauonderzoek

42

Ten zuiden van Zelhem en in een strook ten noordoosten van Zelhem komen beekeerdgronden voor. Archeologische vondsten en bewoningssporen kunnen bij een intact bodemprofiel worden verwacht op of binnen 50 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Ah/Aphorizont. Omdat de laaggelegen beekeerdgronden vaak in gebruik zijn als weiland, zullen eventuele vindplaatsen in of onder de bouwvoor veelal nog gaaf zijn. Vanwege de periodiek hoge grondwaterstand is de kans op een goede conservering organische resten en botmateriaal groter dan bij de hoger gelegen en drogere podzolbodems. Op de oude akkergronden bij Zelhem komt een hoge enkeerdgrond voor. Veelal zijn hier plaggen op van nature betere en hoger gelegen gronden (dekzandplateau en hoge dekzandrug) opgebracht. Archeologische vondsten en bewoningssporen kunnen bij een enkeerdgrond op dekzand worden verwacht aan de basis van het plaggendek en in de top (Ah-, E-, Bh- en Bs-horizonten) van een eventueel daar onder begraven bodemprofiel (meestal een humuspodzol). De plaggenbemesting kwam vanaf de late middeleeuwen in zwang, zodat vooral vindplaatsen uit de vroege- en volle middeleeuwen en voorafgaande periodes bewaard zijn gebleven.

Hoewel plaggendekken een goede conserverende eigenschap vormen voor de archeologische waarden in de ondergrond is de conserveringsgraad ervan in het plangebied afhankelijk van de dikte van het dek en de invloed van grondbewerking. De kans op het aantreffen van archeologische resten in deze zone binnen het plangebied is (zeer) groot. De N315 zelf en de bebouwde kom van Zelhem zijn reeds onderzocht dan wel verstoord door bebouwing. Hier is de kans laag op het aantreffen van in-situ resten. Ook nabij Zelhem en ten noordoosten hiervan liggen enkele clusters met vorst- en duinvaaggronden. Archeologische vondsten kunnen in vorst- en duinvaaggrond bij een intact bodemprofiel worden verwacht op of binnen respectievelijk 30 cm en 10 cm beneden maaiveld. Bewoningssporen kunnen worden verwacht vanaf de onderzijde van de Ah/Ap-horizont. In voormalige stuifzandgebieden dient tevens rekening te worden gehouden met verschillende sedimentatiefasen, waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) kunnen zijn afgedekt met jongere duin- of stuifzanden. Vooral na de middeleeuwen zijn grote verstuivingen opgetreden door ontbossing, afplaggen en uitputting van de bodem. In die situatie kunnen onder een vondstloze C-horizont van een stuifduin dus nog begraven bodems (humeuze A-horizont) met bewoningssporen en/of vondstniveaus voorkomen.

De intactheid van de bovengrond zal afhankelijk zijn van het op dit bodemtype variërende bodemgebruik. Diepere bodemniveaus en eventuele archeologische vindplaatsen uit bijvoorbeeld de middeleeuwen zullen onder oudere duinen meestal nog intact kunnen worden aangetroffen. Vanwege de lage grondwaterstand en drogere omstandigheden is de kans op een goede conservering van organische resten en botmateriaal lager vergeleken met de lager gelegen en nattere bodems.

Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek (prospectiekenmerken, geografisch en stratigrafisch)? Met uitzondering van oude woongronden zijn vondst- en/of spoorcomplexen niet of moeilijk aan te tonen met een prospectief booronderzoek. De aan- of afwezigheid van een plaggendek, stuifzand, podzolprofiel en de dikte van verstoringen dan wel ophooglagen kan wel door middel van een booronderzoek bepaald worden.

Welke vondst- en/of spoorcomplexen (conform het principediagram) kunnen binnen het plangebied aangetoond worden? Licht beargumenteerd toe.

43

V-18.0297.2 N315 km 6,3-19,075 Gemeente Bronckhorst

Zonder eerst een verkennend booronderzoek uit te voeren kan niet gezegd worden of al dan geen spoorcomplexen (en met welke vondstdichtheid) aanwezig kunnen zijn. Wel kunnen op basis van het bureauonderzoek bepaalde archeologische verwachtingen toegekend worden aan bepaalde zones binnen het onderzoeksgebied (figuur 3.1).

Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategieën) kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen (indicatoren) systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden. Met andere woorden: Is vervolgonderzoek noodzakelijk en zo ja in welke vorm? In de zones met een lage archeologische verwachting hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden. In de zones met middelhoge en hoge archeologische verwachting dient een verkennend booronderzoek (IVO-O) uitgevoerd te worden indien bodemingrepen buiten het huidige wegdek dieper dan 30 cm –mv worden uitgevoerd met als doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap en de intactheid van het bodemprofiel te bepalen. In bijlage 2 zijn de voor 2020 geplande ingrepen aangegeven op de verwachtingskaart. Bovenstaand advies is beoordeeld door de adviseur van de bevoegde overheid (Omgevingsdienst Achterhoek namens gemeente Berkelland).17 De gebiedskeuze voor wat betreft de delen waar eventueel vervolgonderzoek aan de orde is, wordt onderschreven. Gesteld wordt dat de uiteindelijk te nemen archeologische maatregelen mede afhankelijk zijn van de uiteindelijke werkzaamheden.

Zoals vermeld in de rapportage is de totale aard en omvang van de werkzaamheden nog niet helemaal duidelijk. Geadviseerd wordt derhalve zodra duidelijker is wat precies gaat gebeuren, met de uitvoerende partij maatwerkgerichte oplossing te zoeken. Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC bv wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.

17

Beoordeling archeologisch bureaustudie zaaknummer 2018EA1097. Opgesteld door D. Kastelein (regionaal archeoloog) d.d. 14 november 2018.

Archeologisch bureauonderzoek

44

5

Geraadpleegde bronnen

Barends et al., 2010. Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. CCvD, 2016. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0 Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof & T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Groningen. Straten, K.C.J. van & F. de Roode, 2008. Gemeente Bronckhorst. Archeologische

waarden en verwachtingen in de gemeente Bronckhorst. RAAP rapport 1748. Weesp. Velde, H. van de & M.C. Kenemans, 2002. Archeologisch onderzoek op de

Zelhemse Enk. De aanleg van de provinciale weg N315. ADC rapport 120. Bunschoten. Willemse, N.W. & M.H.J.M. Kocken, 2012. Archeologie met beleid.

Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP rapport 2501. N.N. Geraadpleegde kaarten ANWB, 2004. Topografische atlas Gelderland 1:25.000. Den Haag. Stiboka, 1979. Bodemkaart van Nederland. Blad 34 West Enschede. Wageningen. Stiboka, 1981. Bodemkaart van Nederland. Blad 40 Oost Arnhem. Wageningen. Stiboka, 1982. Bodemkaart van Nederland. Blad 41 West Aalten. Wageningen. Uitgeverij Robas Producties, 1990. Historische Atlas Gelderland, Chromotopografische Kaart des Rijks 1:25.000. Den Ilp. Versfelt, H.J., 2003. De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Groningen. Geraadpleegde websites (september2018) AHN 3. Actueel Hoogtebestand Nederland 3. Verkregen via www.ahn.nl Bing Maps Nederland, http://www.bing.com/maps/ HISGIS, 2018. Kaartviewer. https://hisgis.nl/kaartviewer/gelderland/ Provincie Geldeland a, Atlas Gelderland http://kaarten.gelderland.nl/viewer/app/AtlasGelderland Provincie Gelderland b, Ontgrondingenkaart. https://opendata.gelderland.nl/toepassing/ontgrondingen

45

V-18.0297.2 N315 km 6,3-19,075 Gemeente Bronckhorst

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Centraal Archeologisch Archief (CAA) en het Centraal Monumenten Archief (CMA), afkomstig van ARCHIS-III. Amersfoort. Online geraadpleegd. e

Topotijdreis, Site met topografische kaarten vanaf de 18 eeuw tot heden. www.topotijdreis.nl Wageningen University and Research, Geomorfologische kaart van Nederland. Afkomstig van https://www.wur.nl

Archeologisch bureauonderzoek

46

Bijlagen

1 2

47

Overzicht archeologische en geologische tijdvakken. Advieskaart maatregelen 2020

V-18.0297.2 N315 km 6,3-19,075 Gemeente Bronckhorst

Archeologisch bureauonderzoek

48

Bijlage 1: Geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie

MIS

Holoceen (warme periode)

1

11.650

14.030

Laat

Laat

30.000

60.000

Weichselien (ijstijd)

14.640

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

75.000

Formatie van Kreftenheye (Rijn) 2

MiddenPleniglaciaal (koud)

3

VroegPleniglaciaal (zeer koud)

4

VroegWeichselien (gematigd koud)

Pleistoceen

117.000

Kwartair

5a 5b 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6-10

Holsteinien (warme periode)

11

Elsterien (ijstijd)

12

Cromerien (warme periode)

1322

Pre-Cromerien

23104

Eem Formatie (marien, lagunair en lacustrien) Formatie van Drente (Glaciaal)

130.000

Midden

410.000

Midden

370.000

475.000

2.600.000

Vroeg

Vroeg

850.000

Formatie van Urk (Rijn) Formatie van Peelo (Glaciaal) Formatie van Sterksel (Rijn)

Chrono-, zuurstofisotopen- en lithostratigrafie voor Noordwest-Europa naar De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Berendsen (2008) en Cohen et al. (2009). Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed (RCE). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2008). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Formatie van Beegden (Maas)

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

13.900

Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm) LaatPleniglaciaal (zeer koud)

Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

Formatie van Boxtel (eolisch en lokaal terrestrisch)

12.850

Lithostratigrafie

Formatie van Stamproy (eolisch en lokaal terrestrisch)

Ouderdom (jr) 0 = 1950 n. Chr.

Ouderdom (kal. jaren BP1)

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

Vegetatie

Archeologische perioden (kal. jaren v/n. Chr.) nieuwe tijd (1500-heden)

450 Vb2 1150

1250

1962

Laat

1500

Subatlanticum (koeler Vochtiger)

1950

Holoceen

2900

5700

Subboreaal (koeler Droger)

5000

7250

10.250

9000

10.750 10.150

13.900

11.900

14.030

12.100

14.640

12.450

130.000

300.000 (v. Chr.)

1

14

117.000

C-methode loopt tot 43.000 jaar BP

35.000 (v. Chr.)

75.000

III

Loofbos eik en els overheersen, relatief veel iep en linde. Het percentage den neemt af

Boreaal (warmer)

II

Den overheerst, daarnaast hazelaar, eik, iep, linde, es

Preboreaal (warmer)

I

Eerst berk en later overheerst de den

Late Dryas

LW III

Parklandschap (subarctisch)

Allerød

LW II

LaatWeichselien (Laat-Glaciaal) Weichselien (ijstijd)

10.950

Laat-Pleistoceen

12.850

MiddenPleistoceen

11.650

Loofbos. Eik, els en hazelaar overheersen; beuk vanaf IVb >1% en grotere invloed landbouw (granen)

Atlanticum (warm Vochtig) 8000

Vroeg

8700

IVa

Midden

3950

IVb

Vroege Dryas Bølling

Dennen- en berkenbossen Open parklandschap

LW I

Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 n. Chr.)

bronstijd (2000 – 800 v. Chr.)

neolithicum (5300 – 2000 v. Chr.)

mesolithicum (8800 – 5300 v. Chr.)

laat-paleolithicum (35.000 – 8800 v. Chr.)

Open vegetatie met kruiden (bijvoet) en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

Perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (Vroeg-Glaciaal)

Perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Eemien (warme periode)

Loofbos

Saalien (ijstijd)

Maximale ijsuitbreiding Scandinavische ijskap tussen 200.000 en 130.000 jaar BP

BP = aantal werkelijke jaren voor 1950 AD.

middeleeuwen (450-1500 n. Chr.)

ijzertijd (800 – 12 v. Chr.)

Va

2750 3050

Vb1

Loofbos, waarbij eik en els overheersen; haagbeuk vanaf Vb1 (>1%); vanaf Vb2 veel cultuurplanten (rogge, boekweit, korenbloem)

midden-paleolithicum (300.000 – 35.000 v. Chr.)

vroeg-paleolithicum (tot 300.000 v. Chr.)

222000

224000

NOORD

ZUID 2

452000

452000

220000

450000

450000

NOORD

MIDDEN

M2

M1

448000

448000

MIDDEN-M2

MIDDEN-M1

446000

446000

ZUID 1

ZUID 2

444000

444000

ZUID 1

220000

gemeentegrens onderzoeksgebied

222000

archeologische verwachting

224000

advies vervolgonderzoek

hoog

geen vervolgonderzoek aanbevolen

middelhoog

verkennend booronderzoek

laag

0

2 km V-18.0297© BAAC bv

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7859/documents/43123