Bijlage 1.2a Bijlagen toelichting Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing.pdf
Tekst van het document
24
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VASRSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM 4.
Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit: voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst.
Onderzoek De locatie betreft een braakliggend terrein waar in het verleden een klompenfabriek gestaan heeft. Voor deze locatie is nu een plan ontwikkeld voor een appartementencomplex met ruimte voor 20 wooneenheden. Het realiseren van woningen kan behoren tot categorie D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. als zijnde een stedelijk ontwikkelingsproject. Conform jurisprudentie is de beantwoording van de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject afhankelijk van het concrete geval en de aard en omvang van de ontwikkeling. Gelet op de aard en geringe omvang van de ontwikkeling in verhouding tot de bestaande omgeving wordt geconcludeerd dat in onderhavig geval geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarnaast wordt het milieubelang in deze ruimtelijke onderbouwing in navolgende paragrafen in voldoende mate afgewogen en wordt geconcludeerd dat geen sprake is van wezenlijke effecten van het plan op het milieu. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
5.3
Bodem
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel). Onderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling is door Klinker Milieu een verkennend bodemonderzoek verricht (rapportnummer K203811, d.d. 2-6-2020, bijlage 2. Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat er in de bovengrond van het terrein geen verhoogde gehalten aan de onderzochte componenten zijn aangetroffen. De aangenomen hypothese ‘onverdacht’ wordt aangenomen, hierdoor is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.\ Conclusie Uit het bodemonderzoek komt naar voren dat de milieu hygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik (wonen).
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
25
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM Grondverzet Indien er grondverzetwerkzaamheden plaatsvinden, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd en/of elders worden toegepast. De regels van de Nota bodembeheer regio Achterhoek en het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop van toepassing.
5.4
Akoestiek
Geluid kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen en voorkeursgrenswaarden langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen opgenomen waarop bepaalde inrichtingen (grote lawaaimakers) zijn gevestigd of zich kunnen vestigen. Om die reden zijn er langs (spoor)wegen en deze industrieterreinen geluidszones opgenomen. Voor woonerven en 30 km gebieden zijn geen zones opgenomen. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Doetinchem op 15 meter van de Varsseveldseweg. De Varsseveldseweg kent een maximum snelheid van 50 km/uur. In de nabijheid van de locatie ligt verder een aantal 30km wegen zonder geluidzone waaronder de Mozartlaan, de Heemskerklaan en de Mackaylaan. De geluidbelasting door de Varsseveldseweg bedraagt ten hoogste 57 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron is niet mogelijk. Afscherming is door de ligging binnen een binnenstedelijke setting fysiek niet mogelijk. Voor de woningen grenzend aan de zuidgevel dient een hogere waarde voor wegverkeer te worden aangevraagd van 56 - 57 dB.
Conform het beleid hogere waarden van de gemeente dient voor elke woning dat: - deze ten minste één geluidluwe gevel heeft; - de verblijfsruimten zoveel mogelijk zijn gelegen aan de geluidluwe zijde; - tenminste één slaapkamer aan de geluidluwe zijde ligt; - indien de woning een buitenruimte heeft, die aan de geluidluwe zijde is gelegen. De geluidbelasting mag niet hoger zijn dan 5 dB hoger dan bij een geluidluwe gevel. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en van het beleid van de gemeente. Aan dit toetsingskader kan worden voldaan na het vaststellen van hogere waarden. Voor het aspect geluid zal sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen daarnaast wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Het akoestisch onderzoek is als bijlage 3 bijgevoegd). In aanvulling op het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is onderzocht welke geluidbelasting ontstaat op de omgeving van de nieuwe parkeerplaats. Doelstelling van het onderzoek is vast te stellen of bij de woningen een goed (aanvaardbaar) woon- en leefklimaat is gewaarborgd.
Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT ten gevolge van de parkeerplaats bedraagt in de immissiepunten bij de bestaande woningen hooguit 46 dB(A) overdag, 42 dB(A) in de avond en 36 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden niet overschreden. Op de nieuwbouw (gebruikers parkeerplaats) bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT hooguit 50 dB(A) overdag, 46 dB(A) in de avond en 38 dB(A) in de nacht. De maximale geluidniveaus LAmax t.g.v. alle personenauto’s bedragen in de immissiepunten bij de bestaande woningen hooguit 66 dB(A) overdag, 66 dB(A) in de avond en 66 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden in de avond en nacht met name in punt 5 (Varsseveldseweg 93 noordgevel) overschreden. De parkeerplaats is, ondanks deze overschrijdingen inpasbaar omdat er is uitgegaan van zes verkeersbewegingen in de avond en drie in de nacht waarbij de maximale geluidemissies van het optrekken en afremmen van voertuigen en van de autoportieren is. Dit zijn incidentele geluidbronnen. Geluidwerende maatregelen aan de bron of in de overdracht is niet mogelijk. Daarnaast worden de normen per 1 januari 2024, na invoering van de Omgevingswet voor het maximale geluidniveau afkomstig van transportmiddelen hoger, waardoor er geen sprake meer is van overschrijdingen.
26
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VASRSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
5.5
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld.
Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.
Uitkomstberekening met behulp van NIBM-tool
Conclusie Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
27
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
5.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied.
2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico.
28
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VASRSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
Onderzoek Om de haalbaarheid van het plan aan te kunnen tonen is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van stationaire en mobiele bronnen in de omgeving van het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een notitie (bijlage 4). Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een risicobron is gelegen. Na de inwerkintreding van de Omgevingswet bevindt het plangebied zich eveneens niet binnen een aandachtsgebied van een risicobron. Er wordt derhalve voldaan aan de grens- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. De voorgenomen ontwikkeling is niet van invloed op de hoogte van het groepsrisico van één van de nabijgelegen risicobronnen. Daarnaast bevindt het plangebied zich niet binnen het plasbrandaandachtsgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen. Het plan is in lijn met de uitgangspunten en ambities voor woongebieden uit de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid (het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicobron) en verantwoording van het groepsrisico is niet van toepassing in het kader van deze ruimtelijke procedure. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
5.7
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Onderzoek en conclusie In het voorliggende geval betekent dit enerzijds dat moet worden beoordeeld of de bestaande woningen om het plangebied hinder kunnen ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling, terwijl anderzijds moet worden beoordeeld of toekomstige woningen hinder kunnen ondervinden van bestaande bedrijvigheid. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlage 5 bijgevoegd. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van het plangebied zich geen milieubelastende activiteiten die een belemmering vormen voor de ontwikkeling van het bouwplan. Voorliggend plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bedrijvigheid, nader onderzoek op dat gebied is daarom ook niet nodig.
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
29
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
5.8
Flora en fauna
Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving.
Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project.
Om inzicht te krijgen in de invloeden van de (civiele) werkzaamheden op de nabij gelegen Walnoot (Juglans regia (gewone walnoot)) is een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. Deze is als bijlage 6 bijgevoegd. Uit de BEA is naar voren gekomen dat de boom in de huidige situatie een goede conditie en toekomstverwachting heeft. Doordat de voorgenomen ontwikkeling bovengronds van belemmerende invloed zijn op de boom zijn een aantal maatregelen beschreven. De ondergrondse werkzaamheden zijn van beperkt belemmerende invloed op het behoud van de boom.. Om schade aan de boom te voorkomen wordt de boom, conform de voorschriften in de BEA voor aanvang van de werkzaamheden in de daarvoor geschikte periode gesnoeid Hiermee wordt voldaan aan de randvoorwaarden uit de BEA. Onderzoek en conclusie Op de planlocatie (het perceel Varsseveldseweg tussen 93 en 99 is door Natuurbank Overijssel onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk.
Van dit onderzoek is een rapportage gemaakt (Quickscan natuurwaardeonderzoek herontwikkeling Varsseveldseweg 95-97 te Doetinchem, effectbeoordeling in het kader van Wet natuurbescherming, Natura 2000 en Omgevingsverordening Gelderland) (bijlage 7).In dit onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken.
30
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VASRSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Natura 2000-gebied. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Omgevingsverordening Gelderland. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten tijdens de ontwikkelfase, toename verkeer in gebruiksfase en de afstand tussen Natura 2000-gebied en het plangebied, kan een negatief effect op Natura 2000gebied als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden, niet uitgesloten worden. Nader onderzoek, in de vorm van een stikstofberekening, kan antwoord geven op de vraag of er wel of geen sprake is van een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Om eventuele gevolgen uit te kunnen sluiten is er met behulp van het computerprogramma Aerius Calculator (release 2022) zowel voor de bouwfase als de gebruiksfase de depositie van stikstofdioxiden berekend op Natura 2000-gebieden. In zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn geen rekenresultaten berekend die hoger zijn dan 0,00 mol per hectare per jaar. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlage 8 bijgevoegd.
Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar tot een geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren. Mogelijk benutten sommige algemene en weinig kritische amfibieën-, vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een vaste (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats en er nestelen geen vogels in het plangebied. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het onderzoeksgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied voor sommige van de in het onderzoeksgebied foeragerende beschermde dieren af.
Deze aantasting leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
5.9
Waterhuishouding
5.10.1 Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit de primaire taakgebieden zijn dit in de planperiode 2016-2021: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water; Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water; Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater; Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Voor de projectlocatie staan in het beheerplan geen specifieke doelstellingen beschreven.
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
31
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
5.10.2 Watertoets Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen.
Thema
Toetsvraag
Relevant
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
1. Nee
Riolering en afvalwaterketen
1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap?
1. Ja 2. Nee 3. Nee
Wateroverlast (oppervlaktewater)
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 1. Ja 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard 2. Ja oppervlak? 3.Nee 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Hoofdthema's Veiligheid
2. Nee
Grondwater- overlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de 1. Nee ondergrond? 2. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 3. Nee IJssel? 4. Nee 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit
1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?
1. Nee 2. Nee 3. Nee
Grondwaterkwaliteit
Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?
Nee
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het 1. Nee gemengde of verbeterde stelsel? 2. Nee 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Verdroging
Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte natuur?
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?
1. Nee 2. Nee
Inrichting en beheer
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
1. Nee 2. Nee
32
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VASRSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
Aandachtsthema's Recreatie
Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Nee
Cultuurhistorie
Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
Klimaatadaptatie Extreme neerslag Aanvullend wordt er waterberging gerealiseerd door ter plaatse van de parkeerplaatsen waterdoorlatende verharding toe te passen. Droogte In de planopzet zijn de woningen geconcentreerd in één gebouw. Hierdoor wordt het parkeren op het achterste deel van het terrein gerealiseerd en is er ruimte voor een gezamenlijke binnentuin. Deze binnentuin fungeert als groene buffer tussen de nieuwe bebouwing en de achterliggende woningen. Dit groene gebied wordt daarnaast ook gebruikt voor waterberging door middel van een wadi, volkstuintjes voor de bewoners, een relax zone en een speeltuintje.
Hitte Hittestress is een opkomend (en vaak onderschat) probleem. Belangrijk in het beperken van hittestress is het gebruik van verkoelende materialen, en het creëren van zoveel mogelijk schaduw. Bij het ontwerp is rekening gehouden met de aanwezige notenboom (zie paragraaf 4.5.7). Daarnaast wordt er aan de achterzijde van het plan een gezamenlijke tuin gerealiseerd (zie paragraaf 2.2). Door de woningen geconcentreerd in één gebouw te realiseren is er meer ruimte voor een groene inrichting, dit is voordelig voor het beperken van hittestress. Deze binnentuin fungeert als groene buffer tussen de nieuwe bebouwing en de achterliggende woningen. Dit groene gebied wordt ingezet voor waterberging door middel van een wadi, volkstuintjes voor de bewoners, een relax zone en een speeltuintje. Beplanting verdampt (en is dus verkoelend), en neemt minder warmte op dan donkere materialen. Tevens is de straatoriëntatie in het plan ook voordelig om hittestress tegen te gaan op het publiek terrein; deze is van west naar oost. De bebouwing zal op het heetst van de dag voor schaduw zorgen op de weg. Dit vermindert in zekere mate de opwarming van het wegcunet. De buitenruimtes zijn in het plan vormgegeven met balkons. Deze geven naast een extra kwaliteit aan de appartementen tevens extra schaduw aan de appartementen als een natuurlijke zonwering.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. Het hemelwater zal op eigen terrein geïnfiltreerd worden. De hiervoor benodigde berging zal bepaald worden aan de hand van de k-waarde van de ondergrond.
5.10
Archeologie en cultuurhistorie
Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie.
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
33
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
5.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep.
De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek. Op de figuur hieronder is de ligging van het plangebied aangegeven op de meest recente archeologische beleidskaart. De locatie ligt in AWG categorie 5. Dit betreft een hoge verwachting waarbij de archeologische resten waarschijnlijk zijn afgedekt door een beschermende laag. Bij deze categorie hoort een onderzoeksverplichting bij plangebieden vanaf 250 m2 en een bodemverstoring dieper dan 0,4 m -mv.
Het huidige plangebied valt in een zone die eerder archeologisch onderzocht is.
34
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VASRSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
De uitgangspunten voor het archeologiebeleid sluiten al aan op het nieuwe beleid, die regionaal is opgesteld. Dit beleid staat in de nota 'Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek' (vastgesteld in 2013). Dit beleid geeft een verlichting van de grenzen voor archeologisch onderzoek. De gebieden zoals deze in de archeologische beleidskaarten onderscheiden zijn, veranderen hier niet door. Wel zijn er nu in de basis 5 verschillende niveaus van bescherming. Deze komen terug in de navolgende tabel. De volgende archeologische gebieden komen in het plangebied voor: uitgangspunten archeologiebeleid
dubbelbestemming
Archeologische waardevol verwachtingsgebieden (AWV) AWV categorie 5 (hoog + afgedekt)
bij bodemingrepen dieper dan 40 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 1 plangebieden groter dan 250 m2 vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek
Onderzoek Hamaland heeft in maart 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Varsseveldseweg tussen 93 en 99 te Doetinchem in de gemeente Doetinchem. Het onderzoek vond plaats in het kader van een afwijkingsprocedure op het bestemmingsplan en is als bijlage 9 bijgevoegd. Het plangebied ligt (na extrapolatie) waarschijnlijk op een dekzandrug met op de hogere delen soms een oud-bouwlanddek (10B53yc) en/of een al dan niet met dekzand bedekte terrasvlakte (1M42yd). Bodemkundig gezien is naar verwachting sprake van een hoge zwarte enkeerdgrond (zEZ21) en/of een beekeerdgrond, beide van leemarm en zwak lemig fijn zand (pZg21).
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
35
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
Het plangebied is in 2004 archeologisch onderzocht. (Archis3 zaaknr. 2058959100). Op grond van de ligging op een dekzandrug met esdek gold voor het toenmalige plangebied een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode laat-Paleolithicum tot en met de late middeleeuwen. Tijdens het veldonderzoek zijn zes boringen gezet met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm tot een maximale diepte van 1,9 m -mv3. Uit het booronderzoek is gebleken dat de bodem in het toenmalige plangebied tot een diepte van 0,4 m-mv verstoord is. Onder de verstoring volgt direct de C-horizont bestaande uit (licht)bruingeel matig fijn dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Alleen in B001 (ongeveer ter plaatse van de geplande berging) bestond de C-horizont uit grindrijk bruingeel matig grof rivierzand behorende tot de Formatie van Kreftenheye. Een es- of plaggendek is in de boringen niet waargenomen, archeologische indicatoren zijn in de boringen evenmin aangetroffen. Geadviseerd is het gebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling4. Op grond van de resultaten van het bureauonderzoek geldt voor de perioden laat-Paleolithicum tot en met de late middeleeuwen een lage tot middelhoge archeologische verwachting op sporen en resten van bewoning en/of landgebruik.
Voor de late Nieuwe tijd geldt op grond van de cartografische analyse een lage tot zeer lage archeologische verwachting op sporen van bewoning, maar een hoge verwachting op sporen en resten van bouwland en evt. infrastructuur. De lage verwachting is met name gebaseerd op de tijdens het booronderzoek in 2004 geconstateerde bodemopbouw welke duidt op een afgetopte C-horizont, alsmede het volgens de gegeven beschrijvingen ontbreken van archeologisch kansrijke lagen. Omdat onder de verstoring in beginsel nog restanten van diep ingegraven sporen aanwezig kunnen zijn, is de verwachting bijgesteld naar laag tot middelhoog. Advies bureauonderzoek Conform de geactualiseerde archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem (2019) dient in eerste instantie te worden nagegaan of het onderzoek uit 2004 heeft geresulteerd in een selectiebesluit5. Indien dit niet het geval is, verdient het aanbeveling om de boorstaten van het recente milieukundige bodemonderzoek door een archeoloog te laten beoordelen op mogelijke aanwijzingen voor archeologisch kansrijke lagen (bijv. begraven humushoudende lagen dieper dan 0,4 m -mv).
Indien de boorstaten mogelijke aanwijzingen voor kansrijke lagen laten zien (de kans hierop lijkt echter gering) verdient het aanbeveling een (aanvullend) verkennend booronderzoek te laten uitvoeren naar de omvang (horizontaal en verticaal) van deze kagen en de intactheid van het bodemprofiel ter plaatse van de geplande bodemingrepen. Archeologisch kansrijke lagen en archeologische indicatoren kunnen in het boorprofiel worden herkend. Het door Hamaland Advies voorgestelde (aanvullende) verkennende booronderzoek naar de bodemopbouw en intactheid van het bodemprofiel dient voldoende informatie te genereren om de toekomstige bouwplannen indien nodig archeologievriendelijk vorm te geven en/of de noodzaak van planaanpassing en/of nader (karterend/waarderend) archeologisch onderzoek te kunnen bepalen. Voor het uitvoeren van een booronderzoek moet conform de BRL 4003 eerst een PvA opgesteld worden. Indien uit de boorstaten van het milieukundig bodemonderzoek evenmin aanwijzingen voor archeologisch kansrijke lagen naar voren komen wordt aanbevolen het gebied vrij te geven voor de geplande ontwikkeling. Voorbehoud Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden.
Het archeologisch onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen.
3 De richtlijnen voor een karterend booronderzoek wijken anno 2021 af van die in 2004. 4 Meij 2004, 7-8. Het rapport bevat geen boorstaten. 5 Willemse et al. 2019, zie hier afb. 2; onderzoek 2004: Meij 2004, zie par. 2.4.
36
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VASRSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
Verder dient te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (Erfgoedwet 1-7-2016, art. 5.10 en 5.11) kenbaar te worden gemaakt, om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: ‘Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister’. Deze aangifte dient te gebeuren bij de RCE te Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Doetinchem (mw. G. Dutman) hiervan per direct in kennis te stellen. Het archeologisch vooronderzoek is beoordeeld door de Omgevingsdienst regio Achterhoek. Op grond hiervan is geconcludeerd dat archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk is, wanneer niet dieper dan 140 cm -mv gegraven gaat worden.
5.11
Verkeer en parkeren
Verkeer De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een gebouw van twintig appartementen. Het verkeer kan vanaf de Varsseveldseweg gebouw bereiken. Om een inschatting te maken van de verkeerstoename zijn de cijfers aangehouden voor sociale huurappartementen (schil centrum, matig stedelijk, uit: Toekomstbestendig parkeren, CROW). Voor deze categorie geldt een maximale verkeersgeneratie van 3,8 per woning. Worst-case zou de verkeerstoename voor de voorgenomen ontwikkeling 76 bedragen. De voorgenomen ontwikkeling zorgt hiervoor niet voor een onevenredige toename ten opzichte van de huidige verkeerssituatie op de Varsseveldseweg. Het verkeer gaat op in het verkeersbeeld van de Varsseveldseweg en de omliggende wegen. De capaciteit van deze wegen is voldoende om het verkeer van de woningen te verwerken. Parkeren De normering uit de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets is aangehouden. Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen meer worden gezocht op eigen terrein of in clusters. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de openbare ruimte gewaarborgd blijft. Het gebouw bestaat uit twintig wooneenheden (type woning appartement, huur, midden/goedkoop). Hierbij wordt voor de te realiseren wooneenheden een parkeernorm van 1,2 parkeerplaats per woning gehanteerd. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 24 parkeerplaatsen.
Op het terrein worden 24 parkeerplaatsen gerealiseerd. Voor wat betreft parkeren voldoet het plan hiermee aan de parkeernormen. Door de aanleg van de inrit komen maximaal twee parkeerplaatsen langs de Varsseveldseweg te vervallen. Langs de Varsseveldseweg is voldoende ruimte om dit te compenseren. Op onderstaande figuur is de inrichting van het achter terrein van het perceel, inclusief de parkeerplaatsen opgenomen (zie hiervoor ook bijlage 12 – terreintekening).
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
37
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM Conclusie Het voorgaande toont aan dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormen.
5.12
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. De vergoeding van tegemoetkoming in planschade door de initiatiefnemer wordt vastgelegd in een planschadeverhaalsovereenkomst. Deze overeenkomst maakt onderdeel uit van de anterieure overeenkomst die gesloten wordt met de gemeente. De vergoeding van tegemoetkoming in planschade is daarmee anderszins verzekerd. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht voldoende te zijn aangetoond.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vanwege Corona is het niet mogelijk geweest om een inloopbijeenkomst te organiseren. Om wel invulling te geven aan het participatiebeleid van de gemeente zijn alle omwonenden in april 2021 middels een informatiebrief geïnformeerd over de plannen. Hierbij is aangeboden om individueel in gesprek te gaan om de plannen nader toe te lichten en vragen te beantwoorden. Hiervan is door 8 omwonenden gebruik gemaakt. In algemene zin kan geconcludeerd worden dat de omwonenden blij zijn dat het perceel weer een functie krijgt. Op dit moment is het een verlaten terrein en de herontwikkeling biedt veel kansen om er een aantrekkelijk woonfunctie te realiseren. Door de omwonenden zijn verschillende vragen gesteld over het vervolgproces, welk soort woningen er worden gerealiseerd (koop of huur), de hoogte van de bebouwing over de instandhouding van de notenboom en hoe de aansluiting op het achter gelegen pad gerealiseerd wordt, deze vragen zijn beantwoord. Daarnaast geeft een deel van de omwonenden aan blij te zijn dat het gebouw aan de Varsseveldseweg is gesitueerd en dat het achter terrein vrij wordt gehouden van bebouwing. Andere omwonenden geven aan dat door de concentratie van de bebouwing het gebouw te hoog wordt in relatie tot de naastgelegen bebouwing.
Hierbij zijn ook zorgen geuit met betrekking tot inkijk en eventuele overlast door de parkeerplaatsen op het achter terrein. Door in het inrichtingsplan op enkele plekken meer groen te plaatsen is geprobeerd hieraan tegemoet te komen. Van het participatieproces is een verslag opgesteld dat als bijlage 10 is bijgevoegd.
38
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING VASRSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
Bijlagen Bijlage 1
Toetsing Woningbouwstrategie
Bijlage 2
Bodemonderzoek
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeer
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek parkeerplaats
Bijlage 5
Notitie Externe veiligheid
Bijlage 6
Notitie Bedrijven en milieuzonering
Bijlage 7
Boom Effect Analyse Walnoot
Bijlage 8
Vervangingskosten plataan Varsseveldseweg
Bijlage 9
Quick scan flora en fauna
Bijlage 10 AERIUS-berekening Bijlage 11 Verkennend archeologisch onderzoek en beoordeling Bijlage 12 Verslag participatie Bijlage 13 Impressies Bijlage 14 Terreintekening Bijlage 15 Ontwerp Bijlage 16 Bezonningsstudie
VARSSEVELDSEWEG TUSSEN 93 EN 99 TE DOETINCHEM
39