Bijlage 1.2 Varsseveldseweg 261 - 2023_Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Dit bestemmingsplan sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
25
5.5.6
Groenstructuurplan Doetinchem 2017
Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren; verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud. cultuur
Figuur 3 groenstructuurkaart met ligging planlocatie bij zwarte pijl 5.5.7
Bomenbeleid en de Bomenverordening
De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeentelijke bomenverordening. De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid is in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boomstructuren.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
26
Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toeneemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Onderzoek en conclusie De aanwezige waardevolle bomen worden beschermd middels de kapverordening en de kapvergunning. In dit bestemmingsplan zijn derhalve geen maatregelen opgenomen. Het bestemmingsplan vormt geen belemmering voor het Bomenbeleid en de Bomenverordening.
5.5.8
Continuïteit in Karakter, Cultuurhistorie Doetinchem
Op 21 september 2017 heeft de gemeenteraad de nieuwe nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' vastgesteld. In de nota is aandacht voor het verhaal van Doetinchem en het zichtbaar maken van cultuurhistorie in de openbare ruimte. Mede hierdoor wordt de kennis over en waardering voor cultuurhistorie vergroot, en kan cultuurhistorie als inspiratiebron dienen bij ruimtelijke planvorming. De nota kent een brede insteek en beschrijft ambities op een aantal maatschappelijke thema's. Daarnaast beschrijft de nota ook de beleidskaders en de manier waarop cultuurhistorie in de ruimtelijke planvorming geborgd wordt. Hiervoor zijn vijf belangrijke thema's onderscheiden. Voor dit bestemmingsplan onderstaande thema’s van toepassing: 1. krimp, leegstand en herbestemmen; 2. duurzaamheid en innovatie; 3. instandhouding; 4. kennis vergroting en uitwisseling; 5. leefomgeving en participatie. 1. Krimp, leegstand en herbestemmen Bij leegstand van monumenten is herbestemming het uitgangspunt. Bij andere gebouwen met een cultuurhistorische waardeis de keuze of herbestemming of (gedeeltelijke) sloop. Naast cultuurhistorische waarde wordt het oordeel ook gebaseerd op de omgevingswaarde, de maatschappelijke waarde en de bouwtechnische waarde van het leegstaande gebouw. 2. Duurzaamheid en innovatie In 2030 wil Doetinchem energieneutraal zijn.
Bij erfgoed wordt energiebesparing en het gebruik van alternatieve energiebronnen met rekening houdend met de cultuurhistorische waarde van de gebouwen gestimuleerd. De gemeente Doetinchem werkt aan een actueel overzicht van mogelijkheden voor eigenaren van historische gebouwen. 3. Instandhouding Het is de ambitie waardevol cultuurhistorisch erfgoed blijvend te beschermen, in stand te houden en verval te voorkomen. De gemeente monitort actief de bouwkundige staat van monumenten en handhaaft de monumentensubsidieverordening. 4. Kennis vergroting en uitwisseling De gemeente streeft er naar de aanwezige kennis over de cultuurhistorie van Doetinchem te vergroten, te delen en inzichtelijk te maken voor een groot publiek. Hiervoor wordt onderzoek gedaan naar cultuurhistorische waarden, waarbij in het bijzonder ook het funerair erfgoed (begraafplaatsen en kerkhoven) wordt genoemd. Ook wordt nader onderzoek gedaan naar potentiële monumenten en wordt de monumentenlijst geactualiseerd. De gemeente blijft actief in gesprek met in- en externe deskundigen, en onderzoekt de wenselijkheid van een cultuurhistorische waardenkaart voor haar inwoners. 5. Leefomgeving en participatie De gemeente wil cultuurhistorie zo goed mogelijk zichtbaar en beleefbaar maken voor haar inwoners om op deze manier het besef en de waardering voor cultuurhistorie te vergroten.
Particulier initiatief wordt gestimuleerd en de gemeente levert jaarlijks een bijdrage aan de Open Monumentendag.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
27
Algemeen De gemeente Doetinchem kent verschillende historische identiteiten, zoals bijvoorbeeld landschap, wonen en werken, de middeleeuwse stad, de naoorlogse stad, de boerderijen in het buitengebied welke de komende jaren een leidraad moeten vormen voor het cultuurhistorisch beleid. Daarnaast moet het cultuurhistorisch beleid zoveel mogelijk aansluiten op bestaande wetgeving. De gemeente heeft inmiddels veel informatie beschikbaar over de archeologie, de naoorlogse wijken, het industrieel erfgoed, het centrum van Doetinchem, het landelijk gebied en enkele kleinere onderzoeksgebieden. Uit alle onderzoeken zijn aanbevelingen naar voren gekomen voor behoud en ontwikkeling van bepaalde panden of structuren, onder en boven de grond. Voor sommige panden heeft dat een bescherming opgeleverd als gemeentelijk monument. Voor andere loopt die procedure of volgt die nog. Daarnaast zijn er panden die net niet in aanmerking komen voor de monumentale status, maar wel bescherming verdienen tegen sloop. Door het toekennen van cultuurhistorische waarde van deze panden in het bestemmingsplan, worden deze cultuurhistorische waardevolle panden tegen sloop beschermd. Meer hierover in paragraaf Cultuurhistorisch erfgoed.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
28
Hoofdstuk 6 Haalbaarheid 6.1
Algemeen
Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.
6.2 Milieueffectrapportage - (vormvrije) m.e.r.(beoordelings)plicht Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. De activiteit(en) die het plan of besluit mogelijk maakt, komt niet voor in of kan niet worden beschouwd als een activiteit zoals opgenomen in kolom 1 van onderdeel C (C-lijst) of D (D-lijst) van de bijlage van het Besluit m.e.r. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. 2. Een m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; a. M.e.r.
is verplicht bij een plan als: het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is. of als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor een Passende beoordeling nodig is. b. M.e.r. is verplicht bij een project: als de activiteit die mogelijk wordt gemaakt is opgenomen in kolom 1 van de C-lijst. als de omvang van de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 van de C-lijst overschrijdt. en er een besluit als genoemd in kolom 4 van de C-lijst nodig is. 3. Een formele m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een formele beoordelingsplicht, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.
Er is sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht als de voorgenomen activiteit: voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en groter is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst (indien de activiteit mogelijk wordt gemaakt door een plan in kolom 3, dan geldt een plan-m.e.r.-plicht).
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
29
4.
Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit: voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst.
Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de nieuwbouw van 2 vrijstaande woningen. Een stedelijke ontwikkeling met een oppervlakte vanaf 100 hectare of vanaf 2000 woningen wordt genoemd in lijst D van de bijlage bij het besluit milieueffectrapportage. Deze drempels worden met dit initiatief uiteraard niet overschreden. Ondanks dat de drempels niet worden overschreden, geldt er wel een vormvrije m.e.r.beoordeling. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn alle relevante (milieu)aspecten beschreven. Geconcludeerd kan worden dat voldaan wordt aan geldende regels en beleid. Concluderend: De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een bijzondere omstandigheid die bepalend is voor het besluiten tot een MER-procedure.
6.3
Bodem
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel). Onderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling is door onderzoeksbureau Montferland Milieu een bodemonderzoek verricht welke als bijlage 1 is bijgevoegd (Verkennend bodem- en asbestonderzoek Varsseveldseweg 261 te Doetinchem, nummer MM21115, datum 10 augustus 2021) Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • In de boringen A09 en A12 is matig baksteenhoudend materiaal waargenomen. • De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn.
De vastgestelde waarden overschrijden na uitsplitsing enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. • De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. • Het verkennend asbestonderzoek (druppelzone) zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is geen asbest aangetroffen. In het mengmonster B-ASMM01 van de fijne fractie is een gehalte van 130 mg/kg d.s. aangetoond.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
30
• •
• •
Op basis van de waargenomen losse vezels <0,5 mm in alle ASMM mengmonsters wordt gesteld dat er aanleiding is tot het uitvoeren van een SEM-analyse. Op basis van een overschrijding van het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) wordt gesteld dat er formeel aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem ter plaatse van de aangetoonde asbestverontreinigingen. In het nader onderzoek dient bepaald te worden of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Aangezien de bron van de verontreiniging al is vastgesteld (de verontreiniging is te relateren aan de uitspoeling van asbestvezels vanaf de asbestgolfplaten) lijkt een nader asbestonderzoek ons niet zinvol. Het is aannemelijk dat de verontreiniging zich niet verder heeft verspreid dan de druppelzone. Normaliter is dit een strook van maximaal 1,0 m uit de bebouwing. Echter, aangezien het om een relatief nieuwe problematiek gaat bestaat er op bestuurlijk niveau nog geen eenduidig beleid over de te nemen vervolgstappen (bepaling spoedeisendheid sanering). Geadviseerd wordt derhalve om bovenstaande op te nemen met het bevoegd gezag. De tevoren gestelde hypothese “verdacht” op basis van het vooronderzoek voor de onverharde afwateringszones wordt aangenomen. De locatie wordt met uitzondering van de onverharde afwateringszone B-ASMM01, geschikt geacht voor de beoogde bestemming.
Voor aanvang van de herontwikkeling dient de bodem bij de onverharde afwateringszone B-ASMM01 te worden gesaneerd.
Concluderend Ten aanzien van het aspect bodem is er, met in achtneming van de inhoud van het onderzoeksrapport en het daarin opgenomen vervolgadvies, sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Wel dient voor aanvang van de herontwikkeling de bodem bij de onverharde afwateringszone B-ASMM01 te worden gesaneerd.
6.4
Akoestiek
6.4.1
Wegverkeerslawaai
Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. Onderzoek en conclusie In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Daar waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek ook afgewogen worden. Aangezien de voorliggende ontwikkeling een geluidsgevoelige functie mogelijk maakt in de vorm van twee nieuwe vrijstaande woningen binnen de geluidzone van de Varsseveldseweg en de Bartelstraat is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek komt naar voren dat de geluidsbelasting op woning 1 voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Deze voorkeursgrenswaarde wordt bij woning 2 overschreden waardoor een hogere grenswaarde nodig is.
Daarvoor zal gelijk met de ruimtelijke procedure een ontheffing hogere waarde geluid worden doorlopen. Er wordt voor woning 2 wel voldaan aan de maximale grenswaarde. Het volledige akoestisch onderzoek (SAIN, Akoestisch Onderzoek Varsseveldseweg 261 Doetinchem, nummer 2021-3066, datum 15 juli 2021) is als bijlage 4 bijgevoegd.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
31
6.5
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld.
Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Door de realisatie van een tweetal vrijstaande woningen nemen de verkeersbewegingen licht toe. Per woning wordt uitgegaan van 8 (auto)verkeersbewegingen per werkdagetmaal (norm crow.nl). Door middel van de NIBM-tool is berekend of het extra verkeer invloed heeft op de luchtkwaliteit. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet-in-betekende-mate bijdraagt (NIBM).
Figuur 4 berekening volgens NIBM tool (bron:infomil.nl) Conclusie Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Geconcludeerd is dat de toename van het verkeer niet-inbetekende-mate bijdraagt. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woonen leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
32
6.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied.
2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
33
Figuur 5 uitsnede risicokaart met planlocatie in de blauwe cirkel (bron:risicokaart.nl) Onderzoek In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen stationaire bronnen en/of mobiele bronnen aanwezig. Conclusie Voor het overige geldt dat er in of in de directe nabijheid van het plangebied geen stationaire bronnen of mobiele bronnen aanwezig zijn. Omdat het bestemmingsplan voorziet in het vastleggen van de huidige situatie en er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, is er geen sprake van belemmeringen voor het aspect externe veiligheid.
6.7
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
34
Figuur 6 planlocatie (bij pijl) en omliggende functies (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 7 planlocatie (bij pijl) en omliggende functies (bron:ruimtelijkeplannen.nl) In de directe nabijheid van de planlocatie liggen enkel locaties met de enkelbestemming ‘wonen’. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft een agrarisch mechanisatiebedrijf. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. De feitelijke afstand tot aan de planlocatie bedraagt 400 meter.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
35
Figuur 8 lijst met richtafstanden (bron:infomil)
Omgekeerde werking In de directe nabijheid van de planlocatie zijn een tweetal agrarische bedrijven gelegen. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is geregeld dat woningen die gesitueerd worden op het (voormalige) agrarische perceel voor wat betreft de bescherming tegen geurhinder gelijk gesteld worden met agrarische bedrijfswoningen. Hierdoor gelden vaste afstanden van 50 meter tussen de nieuwe woningen en bestaande veehouderijen. Deze zijn allen op een dermate grote afstand gelegen (200 meter en 300 meter) dat ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijk aan te houden afstand van 50 meter tot aan een geurgevoelig object in het buitengebied.
Figuur 9 afstand tot omliggende agrarische bedrijven (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6.8
Flora en fauna
Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
36
De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen.
Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project.
Onderzoek en conclusie Het plangebied is op 7 juni 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone en Natura 2000. Hieronder een samenvatting. Het volledige rapport (Quickscan natuurwaardenonderzoek Rood-voor-rood project Varsseveldseweg 261 Doetinchem, nummer 3487 versie1.o met datum 14-07-2021) is als bijlage 3 bijgevoegd. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000- gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en het plangebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht.
Ongeacht, of er sprake is van toename van stikstofdepositie, geldt per 1 juli 2021 een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor de bouwsector. Deze vrijstelling geldt voor effecten die ontstaan gedurende de ontwikkelfase. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting van het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels in het plangebied. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust-of voortplantingsplaats.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
37
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor beschermde diersoorten niet af. Stikstofparagraaf Uit de berekeningen met Aerius-calculator blijkt dat er ter hoogte van kwetsbare habitattypen in de Natura-2000, ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn.
Aangezien dat het voornamelijk om vervoersbewegingen gaat en de Natura-2000 gebieden op een afstand liggen verder van 5 km zijn er rekenpunten toegevoegd aan de berekening. De rekenpunten die zijn ingevoerd liggen op een afstand van ongeveer 1,5 km tot 4,0 km van het projectgebied. Deze ingevoerde rekenpunten geven geen negatief effect dus er kan geconcludeerd worden dat er geen nadelige effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermde Natura-2000 gebieden. Daarmee staat op voorhand vast dat de activiteiten, nodig voor de aanlegfase en gebruiksfase van het gewenste plan, geen nadelig effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermde Natura-2000 gebieden. De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten ter realisatie en gebruik van het plan vormt daarmee geen belemmering. Het volledige stikstofonderzoek (Stikstofparagraaf project Varsseveldseweg 261 te Doetinchem, Locis Adviseurs, 12 juli 2021) is als bijlage 5 bijgevoegd.
6.9
Water
6.9.1
Waterbeheerplan 2016-2021
Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit de primaire taakgebieden zijn dit in de planperiode 2016-2021: Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water; Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water; Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater; Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
38
6.9.2
Watersysteem
De bouwmogelijkheden en het verharde oppervlakte nemen af. Hemelwater zal ter plaatse in de bodem worden geïnfiltreerd en vastgehouden. 6.9.3
Gemeentelijk Rioleringsplan
In paragraaf 5.5.9 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf. 6.9.4
Watertoets
Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen.
Thema
Toetsvraag
Relevant
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
1. Nee
Riolering en afvalwaterketen
1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap?
1. Nee 2. Nee 3. Nee
Wateroverlast (oppervlaktewater)
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 1. Nee 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard 2. Nee oppervlak? 3. Nee 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Hoofdthema's Veiligheid
2. Nee
Grondwater- overlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de 1. Nee ondergrond? 2. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 3. Nee IJssel? 4. Nee 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewaterkwaliteit
1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied?
1. Nee 2. Nee 3. Nee
Grondwaterkwaliteit
Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?
Nee
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het 1. Nee gemengde of verbeterde stelsel? 2. Nee 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
39
Verdroging
Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte natuur?
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor natte natuur?
1. Nee 2. Nee
Inrichting en beheer
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
1. Nee 2. Nee
Recreatie
Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Nee
Cultuurhistorie
Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
Aandachtsthema's
In onderhavige situatie neemt het bebouwde oppervlak niet toe. Hemelwater zal ter plekke infiltreren in de bodem. Het huishoudelijk afvalwater wordt uiteraard wel geloosd op het gemeentelijk riool. Concluderend: Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
6.10 Archeologie en cultuurhistorie Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. 6.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen.
Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
40
Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek.
Figuur 10 uitsnede archeologische beleidskaart De uitgangspunten voor het archeologiebeleid sluiten al aan op het nieuwe beleid, die regionaal is opgesteld. Dit beleid staat in de nota 'Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek' (vastgesteld in 2013). Dit beleid geeft een verlichting van de grenzen voor archeologisch onderzoek. De gebieden zoals deze in de archeologische beleidskaarten onderscheiden zijn, veranderen hier niet door. Wel zijn er nu in de basis 5 verschillende niveaus van bescherming. De volgende archeologische gebieden komen in het plangebied voor: uitgangspunten archeologiebeleid AWV categorie 5 (hoog + afgedekt)
dubbelbestemming
bij bodemingrepen dieper dan 40 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 3 plangebieden groter dan 250 m2 vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek
Verkennend booronderzoek Op 24 juni 2021 heeft Synthegra een verkennend bodemonderzoek (Synthegra Rapport S210039 met datum 24-06-2021) op de planlocatie uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage 7 bijgevoegd. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Voor het plangebied gold op basis van het bureauonderzoek een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van deze verwachting. Bij de voorgenomen nieuwbouw binnen het plangebied, reiken de bodemingrepen een verstoringsdiepte van circa 1 meter beneden maaiveld. De geplande nieuwbouw wordt gerealiseerd waar de bestaande schuren worden gesloopt. Op basis van de boringen wordt bevestigd dat deze
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
41
schuren verdiept zijn aangelegd of ten dele zijn onderkelderd. Hierdoor is de bodemopbouw op de locatie van de schuren tot circa 1,90 m verstoord en worden op deze locatie geen archeologische resten bedreigd. Hoewel er binnen de rest van het plangebied een deels intacte bodemopbouw is waargenomen, geldt er voor dit gebied een lage archeologische verwachting. Verder zijn er in deze boringen ook geen archeologische indicatoren waargenomen. Er worden hier geen archeologische resten verwacht, waardoor deze ook niet bedreigd worden. De lage archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum en Mesolithicum kan gehanteerd worden. De hoge archeologische verwachting voor nederzettingssporen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd kan op grond van de resultaten van het veldonderzoek naar laag wordt bijgesteld. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toeval vondsten (Erfgoedwet, art.
5.10): Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 6.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). In het plangebied zijn diverse panden aanwezig die geïnventariseerd zijn als cultuurhistorisch waardevol. Op 14 oktober 2020 heeft het Gelders Genootschap een bezoek gebracht aan de locatie om te beoordelen of de naast de boerderij aan de Varsseveldseweg 261 te Doetinchem staande varkensschuur van cultuurhistorische waarde is. Het volledige rapport is te vinden in bijlage 2 (Cultuurhistorische waardestelling door Gelders Genootschap, project 4014 met datum 2 november 2020). De conclusie luidt dat de varkensschuur van cultuurhistorische waarde is, op zichzelf beschouwd èn als onderdeel van het gehele ensemble, in het bijzonder in samenhang met de naastgelegen boerderij. Daarbij spelen de gaafheid van het exterieur van de schuur en ook de prominente ligging van het karakteristieke ensemble in een bocht van de Varsseveldseweg een belangrijke rol.
Figuur 11 foto van het waardevolle ensemble (woning en varkensschuur) Voor deze locatie is de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' opgenomen. Voor de locaties waar alleen het gebouw cultuurhistorisch waardevol is, daar ligt de aanduiding alleen op het gebouw. Daar
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
42
waar de gehele ensemble beschermd moet worden, ligt de aanduiding over het gehele perceel. Aan deze aanduiding wordt een sloopvergunningstelsel gekoppeld. Dit houdt in dat zonder vergunning van de gemeente geen sloopwerkzaamheden mogen plaatsvinden. De voornaamste doelen van de sloopvergunning zijn bescherming tegen ernstige aantasting en voorkomen van sloop van de cultuurhistorisch waardevolle panden. Een sloopvergunning is geen sloopverbod. Er kunnen redenen zijn dat er toch tot geheel of gedeeltelijk sloop moet worden overgegaan. In dat geval moet die eventuele sloop in goede orde gebeuren met behoud van de cultuurhistorische waarden. De commissie Welstand en Monumenten of vergelijkbaar orgaan zal bij een aanvraag om een sloopvergunning eerst nagaan of de gewenste aanpassing aan het pand geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde. Als de aanduiding geldt voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken, dan is ruimer gebruik mogelijk. De regeling voor ander gebruik (onder andere beroep en/of bedrijf aan huis) die normaal alleen voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij woningen geldt, is hier ook toegestaan in vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Voor de woning zelf die de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' heeft, is het mogelijk een andere bouwaanduiding te krijgen.
Dit wil zeggen dat een woning bijvoorbeeld van vrijstaand mogelijk een twee-aaneen (twee-onder-een-kap) woning wordt. De genoemde ruimere mogelijkheden zijn alleen mogelijk als duidelijk vaststaat dat dit bijdraagt aan het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle pand. Voor de adressen waar de waarde ook in het ensemble zit, geldt de regeling voor gebouwen ook. Maar voor deze gevallen wordt een specifieke regeling getroffen voor behoud van het ensemble. Deze regeling houdt in dat voor elk ensemble maatwerk wordt geleverd voor situeringsmogelijkheden van bijgebouwen. Deze situeringsmogelijkheden bij de ensembles kunnen afwijken van de situeringsmogelijkheden voor bijgebouwen bij andere gebouwen/erven. Deze afweging is gebaseerd op het zicht/de beleving vanuit de openbare ruimte. De gemeente wil voorkomen dat een te ruim aanwijzings- en beschermingsregime het enthousiasme bij eigenaren om de cultuurhistorische waarden van hun pand te koesteren zal doen afnemen. Met bovengenoemde beschermingsregime en regeling is de gemeente van mening dat de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan voldoende worden beschermd. Conclusie: Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering aangezien het waardevolle ensemble (woning en bijbehorende schuur) blijft bestaan.
6.11 Verkeer en parkeren Wegcategoriseringplan In het wegcategoriseringsprogramma zijn de verschillende wegen (binnen en buiten de bebouwde kom) in Doetinchem ingedeeld in een drietal categorieën. Stroomwegen (autosnelweg A18) Gebied ontsluitingswegen (50 km wegen) Erftoegangswegen 30 km wegen) Uitgangspunten bij de inrichting van de wegen binnen de gemeente Doetinchem zijn bepaald in het Wegcategoriseringsplan: de inrichting van de weg (het wegbeeld) moet het gewenste rijgedrag en de rijsnelheid 'afdwingen'; herkenbare inrichting van de verschillende verkeersruimtes door materiaal/kleur; de (kwaliteit van de) leefomgeving staat centraal; de weg moet na realisatie goed te beheren zijn (beheerbewust ontwerpen); snelheidsremmende maatregelen worden getroffen in erftoegangsstraten en op gebiedsontsluitingswegen waar kwetsbare verkeersdeelnemers de weg moeten kruisen. De meeste woonstraten in de gemeente Doetinchem zijn inmiddels aangewezen tot 30 km/uur gebied. Niet alle straten voldoen al helemaal aan de bijbehorende inrichtingseisen. De komende jaren zullen bij groot onderhoud steeds meer woonstraten worden ingericht tot 30 km/uur straat. De gebiedsontsluitingswegen zijn bedoeld om het verkeer uit de woongebieden verwerken richting
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
43
bijvoorbeeld de snelweg A18. Het is duidelijk welke wegen dit zijn maar ook deze voldoen nog niet allemaal aan de gestelde eisen. Niet alle gebiedsontsluitingswegen hebben bijvoorbeeld aparte fietspaden.
Figuur 12 gebiedsontsluitingswegen in Doetinchem Voor beide categorieën geldt dat de kwaliteit van de leefomgeving moet centraal staan. Een duidelijk onderscheid aanbrengen tussen de verschillende verkeersruimtes zorgt er voor dat de verkeersdeelnemer duidelijk zijn plek en die van anderen op de weg weet en zo de verkeersruimte op de juiste wijze gebruikt. Op drukke erftoegangsstraten is het belangrijk dat voetgangers veilig kunnen lopen op een trottoir. Voor rustige erftoegangsstraten kan worden overwogen alle verkeersdeelnemers gebruik te laten maken van dezelfde ruimte. Een smalle weg die gebruikt wordt door iedereen leidt tot een lagere rijsnelheid. Fysieke maatregelen als drempels ondervinden een steeds grotere weerstand bij de gebruikers en omwonenden en hulpdiensten. Ze leiden tot trillinghinder en toename van de geluidsoverlast. Bij voorkeur wordt gezocht naar maatregelen die een lagere snelheid afdwingen, maar die geen of beperkte bijeffecten hebben voor de leefomgeving en hulpdiensten. Parkeren De normering uit de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem, zal aangehouden worden. Hierbij is gekozen voor een dynamische verwijzing naar dit beleidsdocument (in lijn met jurisprudentie van de ABRS, ECLI:NL:RVS:2015:2837). Het moet met een voorwaardelijke verplichting in de regels vastgelegd worden.
Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen meer worden gezocht op eigen terrein of in clusters. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de openbare ruimte gewaarborgd blijft. Onderzoek en conclusie Het parkeren kan op eigen terrein opgelost worden en de verkeer aantrekkende werking is nihil. Hiermee vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering.
6.12 Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Voor de gemeente zijn er geen andere kosten verbonden aan dit project waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. Met de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst afgesloten.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
44
Het voorliggende bestemmingsplan legt primair de bestaande ruimtelijke situatie in het plangebied vast en is daarnaast vooral bedoeld om de burger voldoende rechtszekerheid te bieden. Door middel van afwijkingsregels en wijzigingsbevoegdheden kunnen een aantal ruimtelijke ontwikkelingen toegelaten worden. Het plan voorziet echter niet in concrete nieuwe ontwikkelingen die op dit moment al financieel onderbouwd kunnen en moeten worden. Daar waar in de toekomst bouwplannen zullen worden gerealiseerd waarvoor een afwijking of wijziging van het bestemmingsplan nodig is, zal middels een aanvullende economische paragraaf moeten worden onderbouwd of het plan uitvoerbaar is en hoe dit wordt gewaarborgd. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is rekening gehouden met het risico van planschade. In een aantal gevallen heeft dat ertoe geleid dat in het bestemmingsplan is aangesloten bij regelingen uit de geldende plannen, waarbij uiteraard de ruimtelijke aanvaardbaarheid voorop heeft gestaan. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er is contact geweest met de omliggende buren. Daar zijn geen bezwaren geuit. Reacties waren juist positief. Wel is door de nabijgelegen agrariër gevraagd of deze ontwikkeling belemmeringen geeft voor de agrarische bedrijfsvoering.
Toegelicht is dat dit niet het geval is, aangezien de nieuwe woningen in het kader van de geurwetgeving worden gezien als bedrijfswoningen en dat daarom een vaste afstand van 50 meter geldt. De feitelijke afstand is beduidend groter. Verkaveling en verkoop De uitvoering van het plan in de praktijk betekent in eerste instantie dat kopers moeten worden geworven die het een mooi plan vinden en dit plan ook vorm en inhoud willen geven. De daadwerkelijke verkaveling moet de uitvoering van de ontworpen inrichting en de verkoop van de kavels vervolgens ook mogelijk maken. Kopers dienen zich op voorhand bewust te zijn van de mogelijkheden, onmogelijkheden en voorwaarden die verbonden zijn aan de kavels binnen het plangebied. Zij zijn ermee bekend dat zij vorm en inhoud moeten geven aan de aan te leggen landschapselementen zoals deze in het inrichtingsplan zijn opgenomen en zoals deze in het beplantingsplan nader zijn uitgewerkt.
Eigenaar van de planlocatie en betrokken adviseurs hebben vooraf nagedacht over de verdeling van het plangebied en zijn met het oog op de realisatie van het plan overeenkomstig het inrichtingsplan, tot een verkaveling gekomen zoals deze op bovenstaande afbeelding is weergegeven. Het verkavelingsplan is opgenomen als Bijlage 9.
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
45
Bijlage 1
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Bijlage 2:
Cultuurhistorische waardestelling
Bijlage 3
Quickscan Flora en Fauna
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek
Bijlage 5
Stikstofonderzoek
Bijlage 6
Landschappelijke inpassing
Bijlage 7
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 8 `
Natuur inclusief bouwen en ontwerpen
Bijlage 9
Verkavelingsplan
Ruimtelijke onderbouwing versie 5 datum 4 januari 2022
46
2021 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Varsseveldseweg 261 te Doetinchem
MM21115 Montferland Milieu B.V. 10-8-2021
Montferland Milieu B.V. Zeddamseweg 77 7041 CN ‘s-Heerenberg Tel: 0314-640414 info@montferlandmilieu.nl www.montferlandmilieu.nl
TITELBLAD
Projectnaam Projectnummer
Varsseveldseweg 261 te Doetinchem MM21115
Adres
Varsseveldseweg 261
Postcode en plaats
7004 HJ Doetinchem
Aanleiding
Versienummer
Bestemmingsplanwijziging
1
Status
Definitief
Datum
10 augustus 2021
Plaats
Stokkum
Opsteller
Montferland Milieu B.V.
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
4.
5.
INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1
Achtergrond ............................................................................................................................ 3
1.2
Kwaliteit .................................................................................................................................. 3
1.3
Betrouwbaarheid .................................................................................................................... 3
1.4
Onafhankelijkheid................................................................................................................... 3
1.5
Leeswijzer ............................................................................................................................... 3
VOORONDERZOEK .......................................................................................................................... 4 2.1
Geraadpleegde bronnen......................................................................................................... 4
2.2
Huidige situatie ....................................................................................................................... 4
2.3
Historie ................................................................................................................................... 5
2.4
Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ............................................................. 6
2.5
Asbest ..................................................................................................................................... 6
2.6
PFAS ........................................................................................................................................ 6
2.7
Voorgaande onderzoeken ...................................................................................................... 6
2.8
Geohydrologie ........................................................................................................................ 7
2.9
Locatie inspectie ..................................................................................................................... 7
2.10
Conclusie vooronderzoek ....................................................................................................... 7
HYPOTHESE EN ONDERZOEKSOPZET .............................................................................................. 8 3.1