Bijlage 1.2.0 REGELS Inpassingsplan N315 23 maart 2023.pdf
Tekst van het document
Inpassingsplan | Regels
N315
Provincie Gelderland
Datum: 23 maart 2023 Projectnummer: 190279 ID: NL.IMRO.XXXX.XXXX
INHOUD REGELS
1
Inleidende regels
3
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
3 5
2
Bestemmingsregels
6
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Groen Verkeer Leiding - Riool Leiding - Water Waarde - Cultuurhistorie
6 8 9 10 11
3
Algemene regels
13
Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels
13 13 13 13 16 17 18
4
Overgangs- en slotregels
19
Artikel 15 Artikel 16
Overgangsrecht Slotregel
19 19
Bijlage 1 Integraal inrichtingsplan
20
Bijlage 2 Tracéontwerp
21
De verbeelding Verbeelding met legenda
1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
1.1
Plan Het inpassingsplan 'N315' met identificatienummer NL.IMRO.XXXX.XXXX van de provincie Gelderland.
1.2
Inpassingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
1.3
Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4
Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
1.5
Archeologisch deskundige De regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het bevoegde gezag aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.
1.6
Archeologische verwachting De aan een gebied toegekende hoge, middelmatige of lage verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.
1.7
Archeologische waarden Waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.
1.8
Archeologische verwachtingswaarden Verwachtingswaarden die kunnen bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang kunnen zijn en het cultuurhistorisch erfgoed kunnen vertegenwoordigen.
1.9
Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.10
Beperkt agrarisch gebruik Een agrarisch gebruik van gronden gericht op en passend binnen een duurzame ontwikkeling en instandhouding van landschap en natuur.
1.11
Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak.
3
1.12
Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.13
Bevoegd gezag Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning
1.14
Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
1.15
Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.16
Extensief recreatief medegebruik: Vormen van recreatief medegebruik van het groen door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden en picknickplaatsen.
1.17
Gebiedsontsluitingsweg Weg die een functie heeft voor afwikkelen en uitwisselen van verkeer en zorgt voor de ontsluiting tussen dorpen onderling en tussen dorp en snelweg.
1.18
Gebouw Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.19
Gelders natuurnetwerk (GNN) Samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang.
1.20
Groene ontwikkelingszone (GO) Gebied met een andere bestemming dan natuur dat ruimtelijk is vervlochten met het Gelders natuurnetwerk, waaronder weidevogelgebieden en rustgebieden voor winterganzen.
1.21
Kunstwerk Een civieltechnische werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen en/of leidingen, zoals onder andere aquaducten, bruggen, dijken, tunnels en viaducten, niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf.
1.22
Natuurwaarde De aan een gebied eigen zijnde ecologische waarde.
1.23
Nutsvoorziening(en) Voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatiehuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalverzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 4
1.24
Omgevingsvergunning Een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
1.25
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening.
1.26
Overig bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
1.27
Parallelweg Een weg, bestaande uit een rijstrook, die mede kan dienen ter ontsluiting van bouwpercelen.
1.28
Peil De gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld.
1.29
Rijstrook Een enkele strook van de weg, die voldoende plaats biedt aan een enkele rij rijdende motorvoertuigen op meer dan drie wielen, waaronder niet begrepen busstroken, toeen afritten, in- en uitvoegstroken, aansluitingen en opstelplaatsen.
1.30
Waterhuishoudkundige voorzieningen Werken en/of bouwwerken ten dienste van de waterhuishouding, zoals grondlichamen, beschoeiingen, drainage, duikers, stuwen.
1.31
Weg Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
1.32
Wijziging Een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 3.26, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 2
Wijze van meten
2.1
Bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.2
Inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
5
2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Groen Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a groen; b behoud, herstel en ontwikkeling van landschapselementen en bos; c beperkt agrarisch gebruik d (onverharde) paden en wegen; e water- en waterhuishoudkundige voorzieningen; f extensief recreatief medegebruik.
3.2 3.2.1
Bouwregels Algemeen Op of in de gronden met de bestemming 'Groen' zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.
3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het realiseren van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende voorwaarde: a de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
3.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Verboden werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,45 m onder maaiveld; b het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit van) oppervlaktewateren; c het verwijderen of rooien van bos-, natuur-, en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder productiefunctie; d het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
3.3.1
3.3.2
Uitzonderingen Het in 3.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a het normale onderhoud en/of gebruik betreffen; b reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het moment van inwerkingtreding van dit plan; c nodig zijn voor de aanleg van de landschapsmaatregelen overeenkomstig het als bijlage 1 van de regels opgenomen “Integraal inrichtingsplan”; d vallen onder de werking van de Boswet.
6
3.3.3
Toelaatbaarheid De in 3.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend met inachtneming van de volgende voorwaarde: a er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden.
7
Artikel 4 4.1
Verkeer Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a gebiedsontsluitingswegen, met dien verstande dat: 1 opstel- en voorsorteerstroken, rotondes, pechhavens, parallelwegen, fiets- en wandelpaden, zijn toegestaan; 2 het aantal rijstroken, met uitzondering van opstel- en voorsorteerstroken, rotondes, pechhavens, parallelwegen, fiets- en wandelpaden, maximaal 2 bedraagt; b langzaam verkeer; c wegen, paden en/of rijwielstallingen; d hellingbanen en keerwanden; e ecologische voorzieningen; f kunstwerken; g groenvoorzieningen, zoals wegbeplanting; h nutsvoorzieningen; i water en waterhuishoudkundige voorzieningen; met de daarbij behorende voorzieningen zoals landschappelijke en lichtafschermende voorzieningen, verhardingen en verkeersvoorzieningen.
4.2 4.2.1
Bouwregels Algemeen Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd:
4.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het realiseren van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende voorwaarden: a de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 12 m; b de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
8
Artikel 5
Leiding - Riool
5.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een drukrioolleiding.
5.2
Bouwregels Op de in 5.1 bedoelde gronden zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken van geringe omvang ten dienste van de betreffende leiding, met een maximale bouwhoogte van 4 m.
5.3
Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat. Voordat het bevoegd gezag beslist over de vergunning, wint het advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
5.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b het uitvoeren van graafwerkzaamheden; c het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen; d het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; e het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; f het vellen of rooien van houtgewas.
5.4.1
5.4.2
Uitzonderingen vergunningplicht Het in 5.4.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het plan aanlegvergunning of omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden is verleend; b welke ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren; c welke het normale onderhoud van leidingen betreffen; d welke vallen onder de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten; e werken en werkzaamheden die nodig zijn voor de aanpassing van de N315 en landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het tracéontwerp zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels.
5.4.3
Beoordelingscriteria De in 5.4.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast. Voordat het bevoegd gezag beslist over de vergunning, wint het advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
9
Artikel 6
Leiding - Water
6.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een waterleiding.
6.2
Bouwregels Op de in 6.1 bedoelde gronden zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken van geringe omvang ten dienste van de betreffende leiding, met een maximale bouwhoogte van 4 m.
6.3
Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2 teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende hoofdbestemming toe te staan, mits hierbij uit hoofde van de bescherming van de leidingen geen bezwaar bestaat. Voordat het bevoegd gezag beslist over de vergunning, wint het advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
6.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b het uitvoeren van graafwerkzaamheden; c het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indringen van voorwerpen; d het aanbrengen van diepwortelende beplanting en/of bomen; e het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; f het vellen of rooien van houtgewas.
6.4.1
6.4.2
Uitzonderingen vergunningplicht Het in 6.4.1 opgenomen verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden: a waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het plan aanlegvergunning of omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden is verleend; b welke ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren; c welke het normale onderhoud van leidingen betreffen; d welke vallen onder de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten; e werken en werkzaamheden die nodig zijn voor de aanpassing van de N315 en landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het tracéontwerp zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels.
6.4.3
Beoordelingscriteria De in 6.4.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voor zover door de werken en werkzaamheden geen veiligheidsrisico's ontstaan en de betreffende leiding niet wordt aangetast. Voordat het bevoegd gezag beslist over de vergunning, wint het advies in bij de betrokken leidingbeheerder.
10
Artikel 7
Waarde - Cultuurhistorie
7.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de historische buitenplaats Ruurlo, wat tot uitdrukking komt in de structuur en de ruimtelijke kwaliteit van de beschermde dorpsgezichten en de historische buitenplaats.
7.2
Bouwregels Op de voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoofdvorm van de gebouwen, bepaald door de oppervlakte van het grondvlak, de gevelbreedte, de goot- en bouwhoogte, de dakhelling en de nokrichting, zoals die bestond op het tijdstip van de vaststelling van het plan gehandhaafd moet worden, met dien verstande dat een afwijking van de goothoogte en/of de bouwhoogte van ten hoogste 5% is toegestaan, waarbij de dakhelling dienovereenkomstig mag worden aangepast.
7.3
Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, de nokrichting van de kappen van gebouwen, de gevelindeling en het materiaal- en kleurgebruik ten behoeve van het behoud, de versterking en/of het herstel van het beschermde dorpsgezicht, dan wel historische buitenplaatsen.
7.4 7.4.1
Afwijken van de bouwregels Vergunningsplicht Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2 en toestaan dat de hoofdvorm van de gebouwen, zoals die bestond op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan niet wordt gehandhaafd.
7.4.2
Afwegingskader De in 7.4.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend: a voor zover de gebouwen voldoen aan de regels van de hoofdbestemming; b het beschermde dorpsgezicht, dan wel de historische buitenplaatsen niet onevenredig worden aangetast; c nadat een onafhankelijke, deskundige instantie daar omtrent is gehoord.
7.5
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren voor: a het vellen, rooien, zaaien of aanplanten van bomen en andere houtopstanden, voor zover het beplanting betreft die niet in de gemeentelijke bomenverordening of de Boswet is geregeld, zoals deze regelingen luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het plan;. b het planten van bomen;. c het ontgronden, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden;.
7.5.1
11
d het verharden van de openbare ruimte, alsmede de onbebouwde ruimte vóór de voorgevelrooilijnen;. e het wijzigen van de aard van de oppervlakteverhardingen.; 7.5.2
Uitzonderingen op verbod Het in 7.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;. b reeds in uitvoering zijn op het moment van inwerkingtreding van dit plan;. c nodig zijn voor de aanleg van de landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage 1 van de regels opgenomen “Integraal inrichtingsplan”; d nodig zijn voor de aanpassing van de N315 en landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het tracéontwerp zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels;. e waarin de Erfgoedwet zijn voorziet.
7.5.3
Afwegingskader De in 7.5.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend: a indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen gevaar of onevenredig nadeel ontstaat voor het beschermde dorpsgezicht of de historische buitenplaats;. nadat een onafhankelijke, deskundige instantie daaromtrent is gehoord.
12
3
Algemene regels
Artikel 8
Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 9.1
Artikel 10
Algemene bouwregels Bestaande en afwijkende maatvoering a Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van de maatvoering en situering van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de bouwregels, zoals die onder de bestemmingen en algemene bouwregels zijn voorgeschreven, dan wel de bestaande overschrijding daarvan, zoals deze op het tijdstip van inwerkingtreding van dit inpassingsplan aanwezig of in uitvoering is, of kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. b Het bepaalde onder a geldt niet voor bouwwerken geen gebouwen zijnde die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit inpassingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. c In geval van herbouw is het bepaalde onder a uitsluitend van toepassing indien herbouw op dezelfde plaats geschiedt.
Algemene gebruiksregels Onder gebruik in strijd met dit inpassingsplan wordt in ieder geval gerekend: a het plaatsen en/of geplaatst houden van onderkomens; b het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en wateren als staan- of ligplaats voor (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken vaar- of voertuigen, arken of andere objecten; c het storten en/of lozen van puin, vuil of andere vaste of vloeibare afvalstoffen.
Artikel 11
Algemene aanduidingsregels
11.1
luchtvaartverkeerzone - laagvlieggebied Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - laagvlieggebied' geldt een laagvliegroute voor straaljagers en is geen bebouwing hoger dan 40 m boven maaiveld toegestaan.
11.2 11.2.1
overige zone - gelders natuurnetwerk Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk' zijn de gronden tevens bestemd voor bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Hiertoe worden niet gerekend de gronden die vallen binnen de bestemming ‘Verkeer’.
13
11.2.2
Voorwaarden omgevingsvergunning a Er wordt geen omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van de bouw- of gebruiksregels of voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde ter plaatse van de gronden als bedoeld in 11.2.1, tenzij: 1 die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang als bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingsverordening Gelderland, of; 2 wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden: − er zijn geen reële alternatieven aanwezig; − er is sprake van redenen van groot openbaar belang; − de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang worden zoveel mogelijk beperkt; en − de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang worden gelijkwaardig gecompenseerd overeenkomstig artikel 2.40 van de Omgevingsverordening Gelderland. b Bij de toepassing van het bepaalde in lid a wordt een onderzoek naar de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk ingericht overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 2.45 van de Omgevingsverordening Gelderland.
c Indien compensatie plaatsvindt, dan gelden voor compensatie de regels als bedoeld in Artikel 13; d Bij het mogelijk maken van een ontwikkeling als bedoeld onder a wordt voorzien in: 1 een compensatieplan overeenkomstig artikel 2.48 van de Omgevingsverordening Gelderland; 2 een voorwaarde verbonden aan een omgevingsvergunning dan wel voorwaardelijke verplichting waarin wordt bepaald dat: − Alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- en gebuiksmogelijkheden van de omgevingsvergunning indien de maatregelen overeenkomstig het compensatieplan worden uitgevoerd binnen een termijn van uiterlijk vijf jaar na verlening van de omgevingsvergunning waar in de activiteit is toegelaten, en − De maatregelen overeenkomstig het compensatieplan in stand worden gehouden.
11.2.3
Uitbreiding bestaande functies Uitbreiding van bestaande functies ter plaatse van de gronden als bedoeld in 11.2.1 is mogelijk, indien: a er voor die uitbreiding geen alternatieve locatie buiten de aanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk' beschikbaar is; b in de toelichting van de omgevingsvergunning, aan de hand van onderzoek als bedoeld in artikel 2.45 van de Omgevingsverordening Gelderland, wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt, en; c deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen juridisch ruimtelijk plan. .
14
11.3 11.3.1
overige zone - groene ontwikkelingszone Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' zijn de gronden tevens bestemd voor bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Hiertoe worden niet gerekend de gronden die vallen binnen de bestemming ‘Verkeer’.
11.3.2
Voorwaarden omgevingsvergunning a Ter plaatse van de gronden als bedoeld in 11.3.1 wordt een nieuwe ontwikkeling uitsluitend mogelijk gemaakt met een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouw- of gebruiksregels of voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, als uit onderzoek (overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.53a van de Omgevingsverordening Gelderland) blijkt dat: 1 de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in de bijlage 'Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone' bij de regels van de Omgevingsverordening Gelderland, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt; en; 2 de samenhang niet verloren gaat.
b Bij het mogelijk maken van een ontwikkeling als bedoeld onder a wordt voorzien in: 1 een versterkingsplan overeenkomstig artikel 2.53b van de Omgevingsverordening Gelderland; 2 een voorwaarde verbonden aan een omgevingsvergunning dan wel een voorwaardelijke verplichting, waarin wordt bepaald dat: − alleen gebruik kan worden gemaakt van de bouw- of gebruiksmogelijkheden van de omgevingsvergunning dan wel het wijzigingsplan als de maatregelen overeenkomstig het versterkingsplan worden uitgevoerd binnen een termijn van uiterlijk vijf jaar na verlening van de omgevingsvergunning dan wel vaststelling stellen juridisch ruimtelijk plan waarin de activiteit is toegelaten; en; − de maatregelen overeenkomstig het versterkingsplan in stand worden gehouden. c Indien compensatie plaatsvindt, dan gelden voor compensatie de regels als bedoeld in Artikel 13.
11.3.3
Uitbreiding grondgebonden landbouwbedrijf en/of extensieve recreatie Ter plaatse van de gronden als bedoeld in 11.3.1 kunnen een grondgebonden landbouwbedrijf en/of extensieve openluchtrecreatie, uitbreiden, indien: a uit de onderbouwing van het ruimtelijke besluit blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en b deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel in een ander, gelijktijdig vast te stellen juridisch ruimtelijk plan.
11.3.4
Uitbreiding bestaande functies Ter plaatse van de gronden als bedoeld in 11.3.1 kunnen bestaande functies uitbreiden indien: a uit de onderbouwing van het ruimtelijke besluit blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en
15
b deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen juridisch ruimtelijk plan. 11.3.5
Het vellen van een houtopstand a Ter plaatse van de gronden als bedoeld in 11.3.1 wordt een functie ten behoeve waarvan een houtopstand als bedoeld in de Boswet dient te worden verwijderd, anders dan in het kader van de normale bosexploitatie, slechts mogelijk gemaakt indien wordt voorzien in een extra compensatie voor het areaal bos dat verloren gaat. b Indien fysieke compensatie plaatsvindt, dan is het bepaalde in Artikel 13 van toepassing. c Indien fysieke compensatie aantoonbaar niet, of niet volledig mogelijk is, wordt een financiële compensatie bepaald aan de hand van: 1 de kosten van de aanschaf en de verwerving van vervangende grond op dezelfde plaats; 2 de kosten van de basisinrichting; en 3 de kosten van het ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd. d De kosten van de compensatie als bedoeld onder b en c worden gelabeld aan de betreffende ingreep in het provinciaal compensatiefonds gestort.
11.4
Nationaal landschap Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - nationaal landschap', voorzover dit valt buiten de aanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk' en/of buiten de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone', laat het bestemmingsplan ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen uitbreidingen en functieveranderingen toe, die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten ten opzichte van de met dit bestemmingsplan toegestane bestemming. Deze kernkwaliteiten zijn vastgelegd in de Bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen van de Omgevingsverordening Gelderland. In afwijking hiervan zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk indien: a er geen reëele alternatieven zijn; b er sprake is van redenen van groot openbaar belang; c compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten zoals deze zijn vastgelegd in de Bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen van de Omgevingsverordening Gelderland.
Artikel 12
Algemene afwijkingsregels Gedeputeerde Staten gezag kan, overeenkomstig artikel 3.6 en artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening, afwijken van het bepaalde in deze regels voor: a afwijkingen ten aanzien van de voorgeschreven maatvoering en afmetingen en percentages, met dien verstande dat de afwijkingen niet meer dan 10% bedragen van de in deze regels genoemde, dan wel op de verbeelding aangegeven afmetingen; b overschrijding van de bestemmingsgrenzen indien dat voor een beter beloop van de wegen noodzakelijk is, met dien verstande dat de afwijking niet meer dan 0,5 m bedraagt; 16
c afwijkingen van de bouwregels en toestaan dat de bouwgrenzen worden overschreden met ten hoogste 2 m, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; d het bouwen van werken van beeldende kunst tot een bouwhoogte van 15 m; e faunavoorzieningen.
Artikel 13
Algemene wijzigingsregels Gedeputeerde Staten is bevoegd de bestemming ‘Verkeer’ te wijzigen in de bestemming ‘Groen’ ten behoeve van behoud en/of ontwikkeling van bos, landschapselementen en/of de natuur. Indien de wijziging plaatsvindt in het kader van een vereiste compensatie in het kader van de Omgevingsverordening Gelderland, dan dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a De wijziging kan uitsluitend plaatsvinden ten behoeve van de realisatie van vastgesteld natuur- en landschapsbeleid, zoals het beleid voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de groene ontwikkelingszone (GO), het landschappelijk raamwerk en bos-, natuur-, en/of landschapscompensatie. b De wijziging vindt pas plaats nadat de aankoop/overdracht van de gronden in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden.
c Indien: 1 fysieke compensatie plaatsvindt van het Gelders Natuurnetwerk als bedoeld in artikel 11.2, dan wordt gewijzigd in de bestemming ‘Groen’ en gelden de hierna genoemde voorwaarden: 2 fysieke compensatie plaatsvindt van de groene ontwikkelingszone als bedoeld in 11.3, dan wordt gewijzigd in de bestemming ‘Groen’ en gelden de hierna genoemde voorwaarden: 3 een houtopstand wordt geveld als bedoeld in 11.3.5, dan gelden de hierna genoemde voorwaarden: − de compensatie wordt gerealiseerd op gronden die nog geen natuurbestemming hebben in of grenzend aan de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' of grenzend aan de aanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk' of in het zoekgebied van 7.300 ha nieuwe natuur in het GNN. − de compensatie wordt, voor zover mogelijk, gerealiseerd aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; − de compensatie wordt planologisch verankerd in gelijktijdig vast te stellen ruimtelijk plan. d Indien fysieke compensatie niet mogelijk is, kan gebruik worden gemaakt van een compensatiepoule als bedoeld in artikel 2.51 van de Omgevingsverordening Gelderland mits wordt voldaan aan de hierin gestelde voorwaarden.
e De omvang van de compensatie als bedoeld onder c wordt overeenkomstig artikel 2.54 van de Omgevingsverordening Gelderland bepaald door de omvang van het aangetaste areaal waarbij een toeslag op de omvang van het aangetaste areaal wordt berekend, zowel in oppervlak, als in budget, te onderscheiden in de categorieën: 1 natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag; 2 tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer;
17
3 tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer; 4 bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag van tenminste 2/3 in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer zijn maatwerk.
Artikel 14 14.1
Algemene procedureregels Nadere eisen Voor een besluit tot het stellen van een nadere eis geldt de volgende voorbereidingsprocedure: a het voornemen ligt met bijbehorende stukken gedurende twee weken ter inzage; b de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt en één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze; c de bekendmaking vermeldt de mogelijkheid voor belanghebbenden om schriftelijk en/of mondeling hun zienswijze over het voornemen bij het bevoegd gezag kenbaar te maken gedurende de onder a genoemde termijn; d het bevoegd gezag deelt aan hen die zienswijzen naar voren hebben gebracht de beslissing daaromtrent mede.
18
4 Artikel 15
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
15.1
Overgangsrecht bouwwerken a Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1 gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2 na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid a met maximaal 10%. c Lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2
Overgangsrecht gebruik a Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b Het is verboden het met het inpassingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in lid a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d Lid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 16
Slotregel De regels worden aangehaald als: Regels van het ‘Inpassingsplan N315’.
19
Bijlage 1 Integraal inrichtingsplan
20
Bijlage 2 Tracéontwerp
21