Bijlage 1_19 Toelichting bijlage 13 - Proefsleuvenonderzoek IVO-P Wehl Fokkenkamp.pdf
Tekst van het document
Evaluatierapport Wehl, Fokkenkamp
Versie 1.0
Projectnummer:
A-22.0293
Onderzoeksmeldingsnummer:
5270008100
Auteur (en actor):
dr. P.S. Kubistal met bijdrage van S.B.C. Bloo en D. Beckers
Datum:
11.08.2022
Controle senior KNA-archeoloog:
drs. C.M.W. den Hartog
Datum en paraaf: 11.8.2022
Inhoud 1
Inleiding ........................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding voor het onderzoek.......................................................................................................................................3
1.2
Administratieve gegevens ................................................................................................................................................3
1.3
Ligging onderzoeksgebied ...............................................................................................................................................4
1.4
Doel van het onderzoek en vraagstelling van het PvE .................................................................................................6
1.5
Geschiedenis van het onderzoek en werkwijze.............................................................................................................7
2
Voorlopige resultaten veldwerk .................................................................................................................8 2.1
Landschap ...........................................................................................................................................................................8
2.2
Sporen en structuren.........................................................................................................................................................8
2.3
Vondsten en monsters.....................................................................................................................................................14
2.3.1 Handgevormd aardewerk, een waardering ...................................................................................................................16 2.3.2 Natuursteen.........................................................................................................................................................................18 2.3.3 Metaal ..................................................................................................................................................................................18 2.3.4 Vuursteen ............................................................................................................................................................................19 2.5
Voorlopige conclusie resultaten ....................................................................................................................................19
3.
Uitwerking ..................................................................................................................................................20
4.
Waardering.................................................................................................................................................20
5. Advies ...................................................................................................................................................................23 6 Conservatie/restauratie ........................................................................................................................................24 7
Literatuur ....................................................................................................................................................25
Internet: ...................................................................................................................................................................26 Bijlagen ....................................................................................................................................................................26
2
1
Inleiding
1.1
Aanleiding voor het onderzoek
BAAC heeft tussen 5 en 11 juli 2022 in opdracht van de Gemeente Doetinchem een proefsleufonderzoek uitgevoerd in het plangebied Fokkenkamp in Wehl, gem. Doetinchem. Tijdens het onderzoek zijn in totaal 28 opgravingsputten met een totale oppervlakte van 2.772 m2 gegraven. Tijdens het onderzoek is één vlak aangelegd. Binnen het plangebied wordt nieuwbouw gerealiseerd met ten zuiden daarvan wegen, paden, riolering en kabels en leidingen. De verstoringsdiepte van de nieuwbouw is nog niet bekend, maar zal naar verwachting reiken tot in de C-horizont. Hierbij bestaat een gerede kans dat archeologische waarden vernietigd zullen worden. Het uitgevoerde onderzoek is het vervolg op een bureau- en verkennend booronderzoek dat in 2021 door Hamaland Advies is uitgevoerd. Het verkennend booronderzoek heeft laten zien dat binnen het plangebied de bodemopbouw vrijwel overal intact is. Verder zijn meerdere archeologische indicatoren aangetroffen. In elf van de achttien boringen zijn fragmenten handgevormd en gedraaid aardewerk uit de periode ijzertijd-late middeleeuwen, alsmede metaalslakken aangetroffen. De vondsten wijzen op de aanwezigheid van verscheidene vindplaatsen, waaronder vermoedelijk een nederzetting, binnen het plangebied. Geadviseerd is een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren.
1 Op basis van de verzamelde informatie, determinatie en ruimtelijke spreiding van het vondstmateriaal is geconcludeerd dat binnen het plangebied potentieel een archeologische vindplaats aanwezig is: een nederzetting die in de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen dateert. Op basis van de vooronderzoeken kon nog geen begrenzing van de vindplaats worden vastgesteld. 2 In dit evaluatierapport zullen de resultaten van het proefsleufonderzoek worden beschreven. De resultaten zullen in samenhang met elkaar worden besproken, waarna een voorstel volgt voor de uitwerking daarvan tot een eindrapportage
1.2
Administratieve gegevens
Locatiegegevens provincie
Gelderland
gemeente
Doetinchem
plaats
Wehl
toponiem
Fokkenkamp in Wehl
RD-coördinaten
NW 211.266, 442.187 NO 211.497, 442.213 ZO 211.467, 442.011 ZW 211.241, 442.123
kaartblad
40Fz1
oppervlakte plangebied
ca. 3,8 ha (ca. 37.352 m2)
oppervlakte onderzoeksgebied
ca. 2,65 ha (ca. 26.468 m2)
Projectgegevens
1
Van der Kuijl et al 2021.
2
Van der Kuijl et al 2021.
3
projectnummer
A-22.0293
projectnaam/projectcode
n.v.t.
type onderzoek
proefsleuvenonderzoek (IVO-P)
Archis-zaakidentificatienr.
5270008100
opdrachtgever
Gemeente Doetinchem Afdeling Ontwikkelen en Ondernemen Contactpersoon: dhr. A. Gerritsen
projectleider BAAC
dr. P.S. Kubistal
bevoegde overheid
Gemeente Doetinchem Contactpersoon: mw. G. Dutman namens deze Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) mw. drs. A. Nieuwenhuis
datum opdracht
13 mei 2022
datum veldwerk
5 t/m11 juli 2021
datum rapport versie 1.0
11.8.2022
datum goedkeuring rapport
Nog nader te bepalen
datum rapport versie 2
Nog nader te bepalen
beheer en plaats van vondsten en
Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van Gelderland Contactpersoon:
documentatie
Dr. Stephan Weiß-König en mw. S. van Roode
Vindplaatsgegevens complextype
Vindplaats 1: nederzetting; Vindplaats 2: WOII linie
datering
Vindplaats 1: ijzertijd tot met Romeinse tijd Vindplaats 2: nieuwe tijd
1.3
Ligging onderzoeksgebied
Het gebied ligt direct ten noordwesten van de dorpskern van Wehl. Het onderzoeksterrein wordt begrensd door de Doesburgseweg in het zuiden en zuidoosten, de Fokkenkampseweg in het oosten, en de Broekhuizerstraat in het noorden (zie afb. 1.1). In het plangebied zijn 28 werkputten aangelegd met een totale oppervlakte van 2772 m2. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa ca. 3,8 ha ofwel 37.352 m2. De oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt circa ca. 2,65 ha ofwel ca. 26.468 m2.
4
Afb. 1.1 De ligging van het plangebied op de topografische kaart van Nederland.
5
1.4
Doel van het onderzoek en vraagstelling van het PvE
Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO-P) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureau- en/of booronderzoek. Het gaat om gebiedsof vindplaatsgericht onderzoek. IVO-P gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeol ogische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Voor het uitgevoerde onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld waarin de volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd: 3
1) Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit? 2) Is in (alle delen van) het gebied sprake van een intact bodemprofiel? In welke delen van het plangebied is sprake van een (recentelijk) verstoord bodemprofiel? 3) Is de bodemkundige situatie overeenkomstig de verwachting op basis van het vooronderzoek? Waarom wel/niet? 4) Wat was (waarschijnlijk) het niveau van het maaiveld in de onderscheiden archeologische perioden? 5) Welke post-depositionele processen hebben plaatsgevonden? In hoeverre is sprake van erosie en aantasting of verstoring van archeologische resten door dit soort processen? 6) Zijn in het onderzoeksgebied archeologische vondsten, lagen, sporen en/of structuren aanwezig? Zo ja: 6a. Wat is de exacte aard, omvang en begrenzing, datering, gaafheid, conservering, het karakter en de inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten binnen het plangebied? 6b. Wat is de functionele interpretatie van de aangetroffen vondsten, lagen, sporen en structuren? 6c. Zijn er vondsten, lagen, sporen of structuren aanwezig uit verschillende perioden? Zo ja, is een relatie te leggen tussen deze verschillende fasen (continuïteit)? 6d.
Is er sprake van (een) behoudenswaardige vindpla(a)ts(en)? 7) Is er sprake van concentraties aardewerk uit de periode Neolithicum-Romeinse Tijd en/of (vuur)stenen artefacten uit de prehistorie? Zo ja, beschrijf de horizontale en verticale spreiding van de vondsten en de mogelijke relatie met grondsporen. 8) Kunnen (clusters van) sporen worden toegewezen aan één of meerdere struct(u)ur(en)? Zo ja, om wat voor type struct(u)ur(en) gaat het en wat is de oriëntatie, (max.) afmeting, constructie (dak, wanden, vloer), datering, conservering en (functionele) indeling van deze struct(u)ur(en)? 9) Indien er geen sprake is van archeologische vondsten, lagen, sporen en/of structuren, welke verklaring is hiervoor dan te geven? 10) Hoe verhouden de resultaten van het IVO-P zich tot de resultaten van het eerdere onderzoek of andere bekende gegevens (o.a.
onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied)? In welke mate wijkt de geconstateerde waarde af van de eerder toegekende waarde of van de gespecificeerde verwachting? 11) In welke mate zijn de gehanteerde strategieën en methoden effectief geweest? Indien het onderzoek niet volgens plan kon worden uitgevoerd, om welke reden en op welke wijze is van het PvE afgeweken? 12) Indien sprake is van (een) behoudenswaardige vindpla(a)ts(en): kan deze in situ behouden blijven door middel van planaanpassing? Zo ja, waar en hoe dienen de plannen hiervoor worden aangepast? 13) Indien behoud in situ niet tot de mogelijkheden behoort en/of onvoldoende bescherming biedt voor de aangetroffen behoudenswaardige vindpla(a)ts(en): in welk deel/welke delen van het plangebied is vervolgonderzoek door middel van een vlakdekkende opgraving noodzakelijk? 14) Formuleer aanbevelingen voor toekomstig archeologisch onderzoek in de directe omgeving van het plangebied in relatie tot de tijdens dit IVO-P aangetroffen archeologische resten.
3
6
Van der Kuijl 2022.
1.5
Geschiedenis van het onderzoek en werkwijze
Het proefsleufonderzoek is in één fase uitgevoerd en stond onder leiding van P.S. Kubistal. Het veldteam bestond verder uit L. den Boef en O. van Remoorter. Tijdens het veldwerk zijn ook vrijwilligers A. Koster en O. Rongen ingezet. De graafmachine werd geleverd door Unicom Oost bv. Het veldwerk is uitgevoerd conform het PvE4. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn verspreid over het plangebied 28 proefsleuven aangelegd, werkputten 1 tot en met 28 (bijlage 1). De lengte van de sleuven varieert van 27 tot 24 m, de breedte varieert van 4 tot 4,5 m. Vanwege de aanwezigheid van verstoringen in het westelijk deel van het onderzoeksgebied is de locatie van een aantal sleuven aangepast. Het nieuwe puttenplan is door opdrachtgever en bevoegde overheid goedgekeurd. Met een machine met gladde bak is laagsgewijs verdiept tot op het niveau waar de sporen zichtbaar werden of de natuurlijke ondergrond. Alle vlakken zijn gefotografeerd en digitaal ingemeten met een GPS. De NAP -hoogtes van het vlak en het maaiveld zijn eveneens digitaal ingemeten. De afstand tussen de hoogtemetingen bedraagt circa 5 m. In elke werkput is minimaal één profiel gedocumenteerd, in totaal veertien. De profielen zijn door middel van fotografie en een digitale tekening vastgelegd. De ligging van de profielen is met behulp van een GPS ingemeten. De locatie van de profielen is in bijlage 1 weergegeven.
Een deel van de sporen is gecoupeerd ten behoeve van de beantwoording van de vraagstelling en de waardering van het onderzoeksterrein. De coupes van deze sporen zijn gefotografeerd en digitaal getekend. De diepte van enkele sporen, zoals bijvoorbeeld de waterkuilen zijn door middel van boringen vastgesteld. Het vlak en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht op de aanwezigheid van metaal. Vondsten zijn bij de aanleg van het vlak in vakken van circa 4 x 4 m verzameld en indien mogelijk aan sporen en/of stratigrafische lagen toegewezen. Tijdens het veldwerk zijn geen specialisten ingezet. Voorafgaand en tijdens de uitvoering is op gezette tijden overleg geweest met de opdrachtgever en de vertegenwoordiger van het bevoegd gezag over de uitvoering en voortgang van de werkzaamheden. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)5, het PvE en het PvA. 6 De opgravingsdocumentatie bevindt zich momenteel bij de BAAC-vestiging te ’s-Hertogenbosch. Te zijner tijd zal deze worden overgedragen aan het Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord Brabant.
4
Van der Kuijl 2022.
5
CCvD 2018.
6
Emaus 2022.
7
2
Voorlopige resultaten veldwerk
2.1
Landschap7
Het plangebied is gelegen op de hogere zandgronden in de IJsselvallei. Op de geologische kaart ligt het grootste deel van het plangebied binnen een zone met dekzand van de Formatie van Boxtel, namelijk het Laagpakket van Wierden (Bx5). 8 Het meest oostelijke deel ligt in een zone met rivierafzettingen van de Formatie van Echteld op afzettingen van de Formatie van Kreftenheye, bestaande uit rivierklei op pleistoceen rivierzand en -grind (Ec6). Volgens de Geologische kaart 2021 valt het gehele plangebied in een zone met dekzand en overige periglaciale afzettingen uit het Weichselien (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden en Formatie van Boxtel ongediff., BX4). Op de stroomgordelkaart van Cohen ligt het plangebied buiten de bekende stroomruggen. Volgens de weergave op de zanddieptekaart begint het pleistocene dekzand op maaiveldniveau (code 0, geen deklaag en geen zanddiepte aangegeven). Geomorfologisch is sprake van een al dan niet met een oud-bouwlanddek bedekte dekzandrug met een vrij vlak, laaggelegen reliëf (steilste hellingen ¼° - 1° [2°]) en een lokaal maximaal hoogteverschil van 0,5-1,5 m (3B53yc), bodemkundig van een hoge bruine enkeerdgrond van lemig fijn zand (bEZ23). 9 Deze gronden hebben doorgaans een eerdlaag van meer dan 1,00 meter dikte.
De grondwatertrap (Gt) van het plangebied is VII, met een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG, winter) lager dan 40 cm-mv en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG, zomer) dieper dan 160 cm-mv. 10 Tijdens het verkennende booronderzoek is vastgesteld dat de bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een subrecente bouwvoor op een tweefasige bruine enkeerdgrond op dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN3 DSM) laat zien dat het plangebied zich op de noordelijke flank van een hoger gelegen rug bevindt. De maaiveldhoogte loopt af van meer dan 13 m NAP (ZW: 13,07 13,23 m NAP; Z middendeel: 13,73-13,94 m NAP, ZW: 13,30-13,53 m NAP) in het zuiden van het plangebied naar 12,53 m NAP in het noordoosten. 11
2.2
Sporen en structuren
Tijdens de opgraving zijn in totaal 161 unieke spoornummers uitgedeeld. Een overzicht van deze sporen is in de bijlagen 2 (allesporenkaart) en 3 (sporenlijst) weergegeven. Tijdens de opgraving zijn sporen uit de ijzertijd t/m recente tijd gevonden. Onderstaande tabel 2.1 geeft een voorlopig overzicht. Het aantal spoornummers is niet gelijk aan het werkelijke aantal sporen. Dit komt omdat een spoor meerdere spoornummers kan hebben indien het spoor zich uitstrekt over meerdere werkputten. Iedere werkput heeft namelijk zijn eigen reeks spoornummers. Na definitieve analyse kan in een aantal gevallen de spooraard en/of datering nog wijzigen. Meerdere sporen vormen samen structuren. Deze structuren hebben een structuurnummer gekregen. Tabel 2.2 geeft een voorlopig overzicht van de aangetroffen soorten structuren en hun datering.
7
De tekst is overgenomen uit het PvE (Van der Kuijl 2022).
8
www.grondwatertools.nl.
9
BRO Geomorfologie 2019 en BRO Bodemkaart 2021, via DINOloket/ondergrondmodellen, geraadpleegd 08-02-2022.
10
www.maps.bodemdata.nl.
11
AHN3 DSM, via ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer, geraadpleegd 08-02-2022.
8
Tabel 2.1: aantal sporen per spooraard. Toelichting: PK= paalkuil; GR=greppel; HTK=hutkom; KL=kuil; SK=staak; KLW=waterkuil; MOES= moesbedden; PLS=ploegspoor; LPG=loopgraaf; LG=laag; LGN=laag natuurlijk; REC=recente verstoring; VSN=natuurlijke verstoring. type spoor
aantal
GR
8
HTK
3
KL
17
KLW
1
LG
25
LGN
28
LPG
2
PK
65
REC
1
SK
1
VSN
10
Eindtotaal
161
Tabel 2.2: structuren met aard, datering en aantal/aard van bijhorende sporen.
structuur
structuurtype
datering
totaal aantal sporen
Paalkuil
Kuil
1
hoofdgebouw
ROM
12
11
2
gebouw
IJZ- ROM
4
4
3
waterkuil
ROM
4
hutkom
ROM
1
1
5
hutkom
ROM
1
1
6
hutkom
ROM
1
1
7
palencluster
IJZ-ROM
4
8
loopgraaf
WOII
2
Staak
Waterkuil
Greppel
1 1
2
Tijdens de opgraving zijn meerdere sporen aangetroffen die op basis van het in de sporen aanwezige vondstmateriaal vermoedelijk dateren in de Romeinse tijd (zie paragraaf 2.2). Deze sporen bevinden zich verspreid over alle delen van de onderzochte areaal (werkputten 1-28). Sommige paalsporen liggen in een concentratie en vormen structuren (zie bijlage 2). Deze voorlopige structuren worden hieronder individueel kort besproken (zie bijlage 4 voor een overzicht van de structuren). Naast structuren uit de ijzertijd, Romeinse tijd, en WOII zijn nog diverse andere sporen aanwezig op de vindplaats, die op dit moment nog niet aan een structuur kunnen worden toegeschreven of niet tot een structuur behoren. Een deel van deze sporen was zeer ondiep, waardoor hun datering niet duidelijk is. Verder zijn in deze groep ook sporen aanwezig uit de nieuwe tijd of jonger. De kleur van die sporen lijkt identiek aan de recente bouwvoor. Bovendien worden deze sporen gekenmerkt door een zeer scherpe aftekening. Bij toekomstig onderzoek zal worden getracht deze sporen nader te dateren.
Structuur 1: Hoofdgebouw Binnen één concentratie paalsporen, in werkput 4, is de plattegrond van een groot gebouw herkend (structuur 1). Op basis van het huidige beeld is de plattegrond van het gebouw rechthoekig van vorm en min of meer noordwest-zuidoost georiënteerd. De sporen hebben een diepte tussen 8 en 18 cm vanaf vlak 1. Aangezien een groot aantal sporen van de wandpalen van alle vier de zijden van de plattegrond nog ontbreekt, zijn de afmetingen van het huis nog niet bekend. Er zijn geen aanwijzingen voor meerdere gebruiksfasen van deze plattegrond.
9
Structuur 2: spieker De plattegrond van structuur 2 is tijdens het veldwerk herkend en bevindt zich in noordelijke deel van werkput 14 (zie afb. 2.1 & bijlage 4). Het betreft een plattegrond van een vierkante spieker. Deze is noordwest-zuidoost georiënteerd. Het dak moet zijn gedragen door minimaal vier staanders. De sporen hadden een diepte van ca 15 cm vanaf vlak 1. De plattegrond is 1,4 m bij 1 m, gemeten vanuit het hart van de sporen.
Afb. 2.1. Overzichtsfoto structuur 2 (fotorichting: west).
Structuur 3: waterkuil Structuur 3, een waterkuil (S1005) is aangetroffen in de zuidelijke hoek van werkput 1 op vlak 1. Het spoor is niet volledig op vlak 1 gezien. Ter plaatse is de werkput uitgebreid richting het westen om een indruk van de vorm van dit spoor te krijgen. Het spoor oversnijdt greppel 1004. Bij het laagsgewijs verdiepen en afwerken van de waterkuil is geen kern of constructie vastgesteld. Het spoor bestaat uit drie vullingen, waarvan twee vullingen (vulling 1 en 2) vrij homogeen zijn. De onderste (grijze) vulling was gevlekt en lijkt op een natuurlijke manier langzaam te zijn opgevuld (zie afb. 2.2). Er zijn geen aanwijzingen voor meerdere gebruiksfasen vastgesteld. Gezien de diepte (ca. 180 cm), de afwezigheid van een duidelijke kern en de vulling is spoor 1005 als een waterkuil geïnterpreteerd.
10
Afb. 2.2: Profielfoto van spoor 1005 (waterkuil; STR 3).
Structuur 4 t/m 6: hutkommen In het centrale en zuidelijke deel van het onderzoeksterrein zijn in proefsleuf 5, 6 en 19 drie hutkomstructuren (S5002, S6006 en S19002) aangetroffen. Hutkommen, ook wel kuilhutten genoemd, worden beschouwd als bijgebouwen. Het zijn rechthoekige of afgerond rechthoekige gebouwtjes waarvan het centrale deel in de grond is ingegraven. De kuilen zijn veelal niet dieper dan 1,5 meter (bewaard gebleven). Over de verticale opbouw van deze sporen is nog weinig bekend, omdat deze alleen uitgeboord zijn en niet gecoupeerd. Op vlak 1 manifesteren ze zich als ovale sporen met één (S19002) of meerdere vullingen (S5002 en 6006). Ze zijn 3 tot 5 m lang en minimaal 2,5 m breed (afb. 2.3). Rondom deze sporen zijn tot nu toe geen paalkuilen aangetroffen. Hun oorspronkelijke opbouw is dus nog niet bekend. Vermeldenswaardig is dat hutkommen in bijna alle nederzettingen uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen voorkomen. In de volle middeleeuwen zijn ze zeer zeldzaam en uit de Bronstijd en IJzertijd zijn ze niet bekend. 12 Vanaf de vroeg-Romeinse tijd vormen ze een nieuw verschijnsel in nederzettingen.
Afb.2.3: Vlakoverzicht met hutkom S6006 en S19002 zoals die werd aangetroffen op het vlak in werkput 6 en 19.
12
Bouma 2013, 43.
11
Structuur 7: palenconcentratie In het centrale deel van sleuf 14, circa 2,5 m ten zuiden van spiekerstructuur 2, is een palenconcentratie aangetroffen. De structuur bestaat uit vier ronde paalkuilen (S14005 t/m S14007) die in een cirkel zijn geplaatst. De palen liggen ca. 1,4-1,5 m uit elkaar en hebben een diepte tot ca. 20 cm. In de sporen zijn geen vondsten aangetroffen. In het centrale deel van structuur 7 bevind zich een ruime kuil (S14003). De exacte aard van structuur 7 is niet duidelijk. In een cirkel geplaatste paalkuilen doen denken aan een hooimijt. Deze diende voor de opslag van hooi, waarbij het hooi werd opgestapeld en door een dak beschermd. Ook kan worden aangenomen dat we hier te maken hebben met een onderdeel van een hutkomconstructie.
Afb. 2.4: Overzichtsfoto van structuur 7 (foto richting het westen) en uitsnede van vlaktekening met hypothetische reconstructie (lichtblauwe markering).
Structuur 8: loopgraaf (D. Beckers) Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in werkput 5 en 7 resten van een van de verdedigingslinies die onderdeel uitmaakten van de uitbreiding van de Weststellingen aangetroffen, bestaande uit een loopgraafsysteem met mitrailleursnest. Deze maken zeer waarschijnlijk deel uit van de zeer laat aangelegde Märzbecher-Stellung . Deze linie bevond zich grofweg tussen de IJssel bij Doesburg en de Duitse grens bij Megchelen, en werd aangelegd onder bevel van Festungs-Pionier-Stab 35. 13 Luchtfotomateriaal van 21 februari 1945 wijst uit dat er op dat moment nog geen loopgraven binnen het plangebied aanwezig waren. 14 In combinatie met het gebrek aan informatie uit andere primaire bronnen is dit een aanwijzing voor de zeer late aanleg van deze loopgraven, waarschijnlijk dus na 21 februari 1945 en vóór de bevrijding van de regio op 3 april 1945. Dat er in februari 1945 wel gewerkt werd aan het stellingsysteem wordt duidelijk uit een melding van Festungs-Pionier-Kommandeur XVIII, die op 26 februari meldde dat de Märzbecher-Stellung West voor 45% ‘matig’ uitgebouwd was, en de Märzbecher-Stellung Ost voor slechts 5%. 15 De Märzbecher-Stellung diende als opvangstelling achter andere stellingsystemen tussen het Pannerdens Kanaal, de Rijn en de IJssel, waaronder de Primel-Stellung, de Narzissen-Stellung en de OudeIJssel-Stellung.
Overige sporen In oostelijke deel van het terrein lijkt sprake te zijn van een cluster met paalsporen en één kuil (zie afb. 2.5). Uit deze palenconfiguraties zijn echter geen duidelijke structuren te herleiden. Met een hoge mate van waarschijnlijkheid maken deze palen deel uit van een grote structuur, zoals een huis plattegrond. Het beeld zal duidelijker worden zodra het grote areaal rondom werkput 15 is onderzocht.
13
Persoonlijk archief D. Beckers, Baustandskarte Nieder-Rhein 25.1.45.
14
WUR Geoportal: Flight 336, Run 08, foto 4195.
15
Persoonlijk archief D. Beckers.
12
Afb. 2.5: Allesporenkaart van werkput 15.
Kuilen Behalve paalsporen zijn ook kuilen gevonden. In tegenstelling tot de paalsporen komen zij los verspreid binnen het onderzochte gebied voor. Dit maakt aannemelijk dat ze niet als afvalkuilen geïnterpreteerd moeten worden. In werkput 24 is een mogelijke silokuil aangetroffen (S24002). Een silokuil is een specifiek type opslagkuil, waarin granen of andere oogstgewassen werden bewaard. 16 De silokuil op vindplaats Fokkenkamp te Wehl betreft een relatief ondiepe kuil (de gemeten diepte bedraagt circa 55 cm) met een rechte, vlakke bodem. In het opgravingsvlak was deze kuil ovaal van vorm met een maximale doorsnede van 0,9 m. De ronde vorm in combinatie met de (afgerond) rechthoekige doorsnede levert een cilindervormige kuil op die expliciet aan een opslagfunctie gerelateerd kan worden. Een andere aanwijzing is dat de onderste lagen van S2202 rijk waren aan organische resten, zoals houtskool (zie afb. 2.6).
Afb. 2.6: Coupedoorsnede van silokuil S24002 in werkput 24.
16
Van der Linde & Ball 2021, 168.
13
Greppels Tijdens de opgraving zijn meerdere greppels gevonden. Het gaat hierbij om sporen met een donkergrijsbruine tot grijsbruine vulling, waarvan de begrenzing als gevolg van bioturbatie niet altijd scherp meer is. De beperkte diepte van deze sporen wijst erop dat het terrein sterk afgetopt is. Dit is tevens goed zichtbaar in de gedocumenteerdede profielen. Op dit moment is de ouderdom van de greppels niet duidelijk. Ze zijn waarschijnlijk onderdeel van verkavelings- en afwateringsgreppels uit de periode middeleeuwen-nieuwe tijd.
Sporen en resten uit de Tweede Wereldoorlog Ter hoogte van wp 5 en 7 zijn resten blootgelegd uit WOII. In eerste instantie zijn resten van een loopgraafsysteem aangetroffen. Verder is in in werkput 7 de aanwezigheid van een mitrailleurnest vastgesteld. Deze sporen maken onderdeel van de uitbreiding van de Weststellingen van de MärzbecherStellung. Overigens werd er geen munitie aangetroffen. Deze sporen behoren tot vindplaats 2.
2.3
Vondsten en monsters
Tijdens de opgraving zijn in totaal 157 unieke vondstnummers uitgedeeld. Tabel 2.3 geeft een voorlopig overzicht van het aantal vondsten per materiaalsoort. Tabel 2.4 geeft een overzicht van de genomen monsters. In totaal zijn 1204 vondsten gedaan verspreid over de opgraving en er is één monsters genomen uit silokuil S24002. Tabel 2.3: aantal vondsten per materiaalcategorie
materiaalcategorie
aantal
datering
keramiek (handgevormd)
316
IJZ-ROM
keramiek
454
ROM
keramiek
110
Middeleeuwen/NT
bouwkeramiek
20
ROM-NT
verbrande leem
49
IJZ-ROM
kleipijp
2
metaal
23
ROM/ME/NT
metaal (lood)
2
onbekend
slak
109
onbekend
bot
1
onbekend
kunststof
1
recent
natuursteen (tefriet)
45
natuursteen overig
64
vuursteen
3
overig (indet)
4
totaal
1204
Tabel 2.4: aantal monsters per monstertype
type monster
aantal
algemeen biologisch monster/houtskoolmonster
1
totaal
1
De opgraving heeft relatief veel vondstmateriaal uit archeologische structuren opgeleverd (n=278, zie tabel 2.5). De meeste fragmenten aardewerk, vuursteen en natuursteen uit sporen zijn uit de paalsporen van structuur 1, 3, 5 en 6 afkomstig. Dat biedt de mogelijkheid om deze structuren chronologisch te plaatsen op basis van vondstdeterminatie. Zoals in tabel 2.6 is gepresenteerd, komen de meeste vondsten uit de akkerlaag (n=584). Hierbij domineren aardewerkfragmenten (n=395) en slak (n=102).
14
De volgende paragraaf van dit hoofdstuk zullen de meest belangrijke vondstcategorieën nader worden besproken. Tabel 2.5: Aantal vondsten per materiaalcategorie uit structuren en overige contexten. materiaal
structuur
keramiek
1
3
4
5
6
2
113
8
23
68
overige contexten
eindtotaal
666
880
19
20
41
49
kleipijp
2
2
metaal (Fe)
1
1
bouwkeramiek
1
verbrande leem
7
1
metaal (Pb)
2
2
121
131
bot
1
1
kunstroof
1
1
17
45
49
64
metaal/slak
10
natuursteen (tefriet) natuursteen overig
28 1
13
vuursteen
1
overig (indet)
4
Eindtotaal
3
177
1 1
9
24
69
0
1
3
1
5 922
1204
Tabel 2.6: Aantal vondsten per materiaalcategorie uit archeologische sporen (afgesloten contexten) en lagen. context
aantal
akkerlaag
584
greppel
40
hutkom
122
kuil
263
waterkuil
177
paalkuil
11
recent
7
eindtotaal
1204
15
2.3.1 Handgevormd aardewerk, een waardering S.B.C. Bloo Het aardewerk is na het wassen gedroogd en per vondstnummer gewaardeerd. Bij de waardering is gelet op de conservering van de scherven, verschraling, versiering, potdelen, af te beelden materiaal en een globale datering. Aan de hand van deze kenmerken kan een eerste inschatting worden gegeven of de gestelde onderzoeksvragen zijn te beantwoorden en op welke wijze het onderzoek dient te worden uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in de aardewerkdatabase. De bewoners uit de prehistorie uit deze omgeving bevonden zich binnen twee invloedsferen, een oostelijke en een zuidelijke. Voor beide groepen zijn aardewerktypologieën opgesteld voor het vaatwerk uit de ijzertijd-begin Romeinse tijd. Zo sluiten de vormen en maakwijze van het vaatwerk aan bij de typologie opgesteld voor Ede en Oost-Nederland door Taayke (onder andere 2006 en 2012) en bij die voor de omgeving van het rivierengebied en zuidelijker door Van den Broeke (2012). Ook zijn er vele publicaties bekend over het vaatwerk uit Deventer en omgeving geschreven door Hermsen waarmee het vaatwerk van Wehl zal worden vergeleken om tot een typologische datering te komen. 17
Resultaten De proefsleuven in het zuiden, dicht bij de eerder opgegraven vindplaats, leveren vaatwerk op uit de ijzertijd. Dit aardewerk is waarschijnlijk onderdeel geweest van de zuidelijk gelegen nederzetting. De proefsleuven aan de andere zijde van de lege zone, gelegen aan de noordoostzijde, leveren materiaal op dat gedateerd kan worden in de (late) Romeinse tijd passend in het beeld van het RijnWeserGermaanse aardewerk. Dit aardewerk is veelvuldig versierd met spatelindrukken, vlakdekkend met vingertopindrukken en kamstreken. Dit aardewerk kent zeer opvallende vormen als voetschalen maar daar zijn geen aanwijzingen voor bij het materiaal van Fokkenkamp. Bijna al het vaatwerk is gemaakt van klei verschraald met mineraal materiaal, dit kan bestaan uit kwartsgruis, grind of zand. Potgruis of organisch materiaal is incidenteel toegevoegd. Aangezien minerale verschraling gedurende de gehele prehistorie en de perioden erna is toegevoegd, kan dit niet als dateringscriterium worden gebruikt. Het is dan ook bijna onmogelijk om onversierde wandfragmenten te dateren. Versiering en potvormen zijn dan ook lijdend in de duiding van het vaatwerk. Er is geen aardewerk uit het neolithicum of de bronstijd gevonden. Enkele diagnostische vondsten worden hier uitgelicht. In een kuil (S8002) is een randfragment van een biconische pot versierd met vingertopindrukken op de rand gevonden (vnr.
57). De buitenzijde is besmeten en de klei is verschraald met kwartsgruis. Dit pottype is in het zuiden van het land bekend onder vormtype 23a van Van den Broeke (2012), en in het noorden onder type V1 (Taayke 1996) 18. Dit is een veel voorkomende vorm die vooral in de eerste helft van de ijzertijd werd gebruikt. Ook op deze vindplaats is dit vormtype meerdere keren aangetroffen (bijvoorbeeld vnr. 94 uit S800). In een andere kuil (S12002) is eveneens materiaal uit de eerste helft van de ijzertijd gevonden (vnr. 91).
17
Hermsen heeft de morfologische en technologische kenmerken per periode uitvoerig beschreven in diverse publicaties,
soms met andere auteurs. Zie de literatuurlijst voor enkele voorbeelden die bij de uitwerking van dit aardewerk gebruikt zouden kunnen worden. 18
Taayke 1996, het steekproefgebied van Drenthe is toepasbaar voor deze regio. Voor de typologie van Ede heeft dit
steekproefgebied als bron gediend. Zie voor de vormtypen Taayke 2012, 94-109.
16
Afb. 2.7. Randfragment met de aanzet tot een oor vanaf de rand uit dezelfde kuil als de neolithische bijl (vnr. 22, S2004).
In de mogelijke hutkom S19002 zijn scherven gevonden van een kom en van een fijn besmeten pot (vnr. 126). De kenmerken van dit aardewerk komen zowel in de ijzertijd als in de Romeinse tijd voor. In kuil S16002 en kuil S15002 zit versierd aardewerk vermoedelijk daterend in de late Romeinse tijd (vnr 145 en vnr. 146). Vnr. 146 bevat scherven die toebehoren aan vlakdekkend versierd a ardewerk bestaande uit vlakdekkend geplaatste spatelindrukken. Ook bevat deze kuil delen van een kom met een knobbel. 19
Afb. 2.8 Versierd aardewerk uit vnr. 146 (S16002).
Conservering Het aardewerk is goed geconserveerd, er is geen sprake van een roestkorst waardoor elementen als verschraling of wandafwerking niet meer zichtbaar zijn. Ook zijn de scherven relatief groot genoeg om diagnostische kenmerken te kunnen waarnemen.
19
Taayke omschrijft deze plastische versiering als knoppen (Taayke 2012, 115).
17
2.3.2 Natuursteen In totaal zijn 109 stuks natuursteen verzameld. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is al het waargenomen natuursteen verzameld. natuursteen: tefriet Tefriet is een informatief waardevol materiaal, dat werd gebruikt voor het vervaardigen van maalstenen en werd geïmporteerd uit externe productiecentra. In totaal zijn 45 brokken tefriet gevonden. Deze vondsten zijn vooral uit de bewoningssporen uit de Romeinse tijd verzameld. Het materiaal is slecht geconserveerd en valt snel uit elkaar. Tussen de tefrietbrokken zijn enkele maalsteenfragmenten vastgesteld. natuursteen: overig In deze categorie (n=64) vallen de overige natuursteensoorten. Deze groep betreft vooral fragmenten van sedimentere gesteenten, zoals zandsteen maar ook metamorfe stukken, zoals kwarts en kwartsiet. Deze stenen werden gebruikt voor de vervaarding van verschillende types werktuigen (slijpstenen, wrijfstenen, klopstenen, aambeelden etc.), maar ook voor andere doelen, zoals bijvoorbeeld als kooksteen (temperatuuraccumulatie) en het inrichten van haardplaatsen.
Op grond van de vorm, de bewerkingssporen, de afmetingen en het soort gesteente zijn de natuursteenvondsten van vindplaats 1 (Nederzetting uit de IJzertijd tot Romeinse tijd) in drie hoofdcategorieën onder te verdelen: 1) werktuigen 2) breukstenen (hoekig steenmateriaal dat antropogeen is behandeld) 4) stenen met sporen van verhitting/verbranding 5) manuporten (dit zijn stukken natuursteen die bewust verzameld zijn, echter zonder sporen van antropogene bewerkingen). In kuil (S2004) is bij een neolithische bijl (vnr. 22), ook aardewerk uit de Romeinse tijd gevonden wat een bijzondere maar geen zeldzame combinatie is. De bijl is gemaakt uit diabaas en is op basis van de morfologische kenmerken in het midden tot laat neolithicum te plaatsen.
Afb. 2.9 Gepolijste bijl uit spoor 2004 (vnr. 22).
2.3.3 Metaal Het metaal (n=23) bestaat voor een groot deel uit nog niet-geïdentificeerde metaalbrokken. Eén vondst (vnr. 13) betreft variant van een rolkapfibula die in de 2e of 3e eeuw na Chr. gedateerd kan worden. 20 Hiervan is maar een klein aantal bekend in Nederland.
20
Determinatie: M. Hendriksen.
18
Afb. 2.10: De rolkapfibula (vnr. 13). Deze vondst is in de vulling van waterkuil 1005 in werkput 1 aangetroffen.
2.3.4 Vuursteen Tijdens het onderzoek zijn drie vuursteenartefacten aangetroffen. Op basis van uiterlijke kenmerken dateren zij in het neolithicum.
2.5
Voorlopige conclusie resultaten
Het vroegste gebruik van het terrein Fokkenkamp bij Wehl kan waarschijnlijk in het neolithicum/bronstijd worden gedateerd op basis van drie vuursteenartefacten. De aard van het terreingebruik in die periode kan op dit moment niet nader worden gereconstrueerd. Vanaf de vroege ijzertijd en vooral in de Romeinse tijd was het terrein vrij intensief bewoond. Deze bewoning heeft in de bodem vele sporen en structuren achtergelaten. Gedurende de Romeinse tijd waren er waarschijnlijk twee erven in gebruik op het zuidwestelijke en zuidoostelijke deel van het terrein. Tussen ERF1 en ERF2 bevinden zich enkele sleuven waar geen sporen uit de ijzertijd of Romeinse tijd zijn aangetroffen. De erven liggen volgens de AHN kaart op de hoogste zuidelijke helft van de dekzandrug, grenzend aan het ruime dal ter noorden ervan. Deze situatie is weergegeven in bijlage 2b, waar de ondergrond van de allesporenkaart is geprojecteerd op de vlakhoogtekaart. Of de erven tegelijkertijd werden bewoond is niet duidelijk. Op basis van de beschikbare data uit huidig onderzoek en onderzoek aan Norman Belvealstraat (zie afb. 2.11) kan de volgende werkhypothese worden gesteld. In het centrale en westelijke deel van het plangebied was een ERF 1 aanwezig. Tot dit erf behoort één hoofdgebouw (STR1), waterkuil (STR2) en enkele bijgebouwen (hutkommen STR 3 en 4).
In het oostelijke deel van het plangebied zijn sporen van ERF 2 aangetroffen. Tot dit erf kunnen de structuren 2, 7, de dichte concentratie van palensporen en de kuil uit werkput 15 worden gerekend. Het kerngebied van dit erf/deze erven ligt/liggen waarschijnlijk binnen de grenzen van het onderhavig onderzoeksgebied. Na de Romeinse tijd werd het terrein niet verder gebruikt voor bewoning, dit blijkt uit het ontbreken van gebouwstructuren uit middeleeuwen of nieuwe tijd. De archeologische resten uit deze perioden zijn hoofdzakelijk als sporen van een akkergebied te interpreteren. Het betreft met name verkavelings- en afwateringsgreppels. De jongste sporen in het plangebied (behalve recente sporen en verstoringen) stammen uit de periode van de Tweede Wereldoorlog. In werkput 5 en 7 (het centraal zuidelijke deel van het plangebied) zijn loopgraven met een mitrailleurnest vastgesteld. De loopgraven hebben waarschijnlijk een zigzaglopend patroon. Uit historische bronnen blijkt dat de oorlog in de maanden september en november van het jaar 1944 in Wehl echt losbarstte. Het dorp werd gebombardeerd waarbij panden werden verwoest en beschadigd en slachtoffers vielen. Op 2 april 1945 begon de strijd om de bevrijding van Wehl. Waarschijnlijk zijn de loopgraven in één van beide perioden of korte tijd daarvoor aangelegd. 21
21
Bouma 2013, 146.
19
Afb. 2.11: Combinatiekaart met de resultaten van het vooronderzoek aan Norman Belvealstraat (onderste rechterhoek) en het huidig onderzoek. Met paarse kleur is de vermoedelijke ligging van twee ervan binnen het plangebied aangetoond.
3. Uitwerking Naar onze mening is in deze fase van het onderzoek een nadere uitwerking van de gegevens en materialen niet aan de orde. Het ligt meer voor de hand om pas na de opgraving, als de fasering en datering van de onderzoekslocatie nader bekend is, de totale uitwerking op te pakken. In dat geval worden de resultaten van het proefsleuvenonderzoek meegenomen in de rapportage van de opgraving, waarvoor een nieuw evaluatierapport zal worden opgesteld.
4. Waardering In het plangebied zijn archeologische sporen en vondsten van vindplaats1 aangetroffen: Vindplaats 1; complextype: nederzetting, datering: ijzertijd tot met Romeinse tijd en Vindplaats 2 , complextype WOII linie. Vindplaats 1 bestaat uit meerdere gebouwstructuren, hutkommen, paalsporen/paalconcentraties, kuilen en waterkuilen die verspreid over proefsleuven 1-7, 12-20 zijn aangetroffen. Deze sporen behoren tot de Romeins vindplaats die tijdens ADC onderzoek uit 2013 op Norman Belvealstraat te Wehl zijn aangetroffen. 22 De situering van de vindplaats 1 op de paleogeografische kaart geeft aan dat deze op de noordelijke helling ligt van de zuidwest-noordoost georiënteerde dekzandrug. Deze rug gaat in noordelijke richting over in een dekzandwelving. De bewoningssporen bevinden zich direct onder een recente bouwvoor en homogeen pakket dat als akkerlaag is geïnterpreteerd. Deze laag is waarschijnlijk in 22
Oosterhout 2010; Bouma 2013.
20
twee fasen ontstaan, als gevolg van terreingebruik in late prehistorie/ Romeinse tijd en in jongere perioden (middeleeuwen, nieuwe tijd). Op de kadastrale minuutplan uit 1832 is dit deel van de omgeving reeds als akker aangegeven, hetgeen op een eerder ontstaan wijst (zie PvE). De aangetroffen bewoningssporen bestonden uit een één of meer mogelijke gebouwen. Daarbij zijn er geen aanwijzingen aangetroffen voor een specifieke functie van deze bijgebouwen. De afwezigheid van oversnijdingen van sporen kan duiden op eenfasige structuren. Maar dit beeld wordt wellicht mede bepaald door de geringe omvang van het onderzochte areaal.
Waardering vindplaats 1 De waardering van de vindplaats is gebaseerd op wat er in deze fase van het onderzoek bekend is. Op beleving van de vindplaats kan niet gescoord worden; de vindplaats is niet als zodanig aan het oppervlak te herkennen en er is geen directe verbondenheid met een specifieke historische gebeurtenis. Op fysieke kwaliteit van de vindplaats kan gescoord worden op het criterium gaafheid en conservering waarbij het eerste betrekking heeft op sporen en het tweede op vondstmateriaal. Er zijn meerdere sporen gecoupeerd om de gaafheid te kunnen bepalen. Alle sporen bleken van antropogene oorsprong te zijn. De variatie in spoordiepte is vrij groot en het is waarschijnlijk dat een deel van de sporen die bij de vindplaats hebben gehoord opgenomen zijn in het Ap-horizont. De sporen waren in het vlak en de coupe duidelijk begrensd en bij vijf sporen (drie op het vlak, nog twee in de coupe) waren meerdere vullingen herkenbaar. Voor gaafheid wordt zodoende midden gescoord. De conservering van de aangetroffen vondsten is goed. Echter, de bewaarcondities voor organisch vondstmateriaal zoals bot, leer of hout worden als slecht ingeschat, met name vanwege het feit dat de bodem relatief zuurstofrijk is. Deze conservering van het archeologisch materiaal is normaal voor het OostNederlandse zandgebied. De vindplaats scoort gemiddeld op dit criterium.
Vanwege het lage aantal archeologische onderzoeken in directe omgeving waarbij grote vindplaatsen zijn aangetroffen die qua datering en vermoedelijk ook aard overeenkomen met de tijdens onderhavig proefsleuvenonderzoek gevonden vindplaats wordt op zeldzaamheid hoog gescoord. Op de informatiewaarde van de vindplaats wordt hoog gescoord. De vindplaats heeft de potentie om bij te dragen aan het beeld van bewoning en landgebruik in de ijzertijd en Romeinse tijd in een lokale en regionale context. Dit soort nederzettingsterreinen is in Oost-Nederland zeldzaam, vandaar dat de vindplaats op dit aspect hoog scoort. Op ensemblewaarde wordt hoog gescoord. De aangetroffen sporen kunnen gerelateerd worden aan vindplaatsen in de omgeving van het onderzoeksgebied, met name de vindplaats aan Norman Belvealstraat in Wehl, en dragen bij aan een beter beeld van diachrone ontwikkelingen in bewoning en landschapsgebruik gedurende de ijzertijd en Romeinse tijd . Het criterium representativiteit is alleen relevant indien bij het uitvoeren van de waardering het vermoeden bestaat dat duurzaam behoud van de vindplaats gerealiseerd kan worden. Dat is hier niet het geval en daarom is dit punt niet van toepassing. Op basis van de waardering (zie tabel 4.1) wordt vindplaats 1 behoudenswaardig geacht.
21
Tabel 4.1: Waardering van de vindplaats 1 volgens de criteria van de KNA. Archeologische waarderingstabel volgens KNA Vindplaats 1: nederzettingssporen uit de IJzertijd en Romeinse tijd Scores Waarden
Criteria
Hoog
Midden
Schoonheid
Wordt niet gescoord
Herinneringswaarde
Wordt niet gescoord
Laag
Beleving
Gaafheid
2
Conservering
2
Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke kwaliteit
Zeldzaamheid
3
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
Representativiteit
N.v.t.
Waardering vindplaats 2 Vindplaats 2 heeft sporen uit WOII opgeleverd. Het gaat hier om een linie van loopgraven met mogelijke schuttersput(ten). Op beleving wordt niet gescoord, omdat de archeologische resten zich onder de grond bevinden. Fysieke kwaliteit Gaafheid: hier worden 3 punten gescoord. De reden hiervoor is dat de sporen direct onder de bouwvoor zichtbaar zijn. Conservering: hier worden eveneens 3 punten gescoord. Zowel het organische als anorganisch materiaal is goed geconserveerd. Inhoudelijke kwaliteit Zeldzaamheid: hier worden 2 punten op gescoord. Zeldzaam zijn linies niet, maar veel opgegraven linies zijn er ook niet. Informatiewaarde: ook hier worden 3 punten gescoord. Er is een veel kenniswinst te behalen over hoe een linie opgebouwd werd en hoe ze achtergelaten werden. Ensemblewaarde: hier worden 3 punten gescoord. De kans is groot dat er meerdere linies worden aangetroffen binnen dezelfde gemeente, maar mogelijk zijn deze nog niet aangetroffen of slecht gedocumenteerd.
22
Tabel 4.2: Waardering van de vindplaats 1 volgens de criteria van de KNA. Archeologische waarderingstabel volgens KNA Vindplaats 2: WOII linie Scores Waarden
Criteria
Hoog
Midden
Schoonheid
Wordt niet gescoord
Herinneringswaarde
Wordt niet gescoord
Gaafheid
3
Conservering
3
Laag
Beleving
Fysieke kwaliteit
Zeldzaamheid
Inhoudelijke kwaliteit
2
Informatiewaarde
3
Ensemblewaarde
3
Representativiteit
N.v.t.
Op basis van de waardering (zie tabel 4.2) wordt vindplaats 2 behoudenswaardig geacht.
5. Advies Als gekeken wordt naar de waarderingstabel is voor vindplaats 1 een score van 4 punten voor fysieke kwaliteit en een score van 9 punten voor inhoudelijke kwaliteit aanleiding om de vindplaats te behouden. Vindplaats 2 is ook als behoudenswaardig gewaardeerd (score van 6 punten voor fysieke kwaliteit en een score van 8 punten voor inhoudelijke kwaliteit). Het advies van BAAC is dan ook om vindplaats 1 en vindplaats 2 te beschermen middels behoud in situ bij bodemingrepen dieper dan 40 cm – maaiveld en indien dit niet mogelijk is door behoud ex situ door middel van een opgraving. De te behouden terrein is circa 12650 m2 groot en ligt ter hoogte van proefsleuven 1-7, 12-20 (zie bijlage 7). De begrenzing op de advieskaart is bepaald op basis van volgende factoren: -
de verspreiding van sporen uit het huidig onderzoek en eerdere onderzoeken. 23 Afgaand op de verspreiding van sporen uit ADC onderzoek uit 2013 is het aannemelijk dat de archeologische sporen in zuidelijke richting doorlopen tot de westelijke, noordelijke en zuidwestelijke24 grens van plangebied. Een noordoostelijke en oostelijke grens van vindplaats is op basis van een model van landschappelijke reliëf bepaald en duidelijke afname van sporen in meest noordelijke en oostelijke werkputten (WP 11, 21-28 ).
-
Tussen de bouwkavels bevinden zich groene zones (zie bijlage 7b). Deze gebieden worden tijdens de voorgenomen bouwwerkzaamheden niet verstoord. De locaties van de groenzones zijn zodoende niet in het advies voor het vervolgonderzoek meegenomen. Binnen deze zones zijn archeologische resten wel te verwachten. Dat betekent dat hier een dubbel bestemming geldt.
23
Betreft vooronderzoek en opgraving aan de Norman Belvealstraat in Wehl.
24
Zuidwestelijke grens bevind zich ter hoogte van Doesburgseweg.
23
Na aanleiding van bovenstaande factoren is en advieskaart opgesteld (zie bijlage 7). Op deze kaart zijn drie deelgebieden uitgedeeld die in aanmerking voor vervolgonderzoek komen: -
Deelgebied 1 bevindt zich in westelijke deel van het plangebied en ligt ter hoogte van werkput 14. De oppervlakte van deelgebied 1 bedraagt 3892 m 2;
-
Deelgebied 2 bevindt zich in het centraal-zuidelijke deel van het plangebied, ter hoogte van werkputten 5-7, 8, 10, 12, 14-16. Deelgebied heeft de oppervlakte van 6028 m 2;
-
Deelgebied 3 bevindt zich in oostelijke deel van het plangebied, ter hoogte van werkput 19 en 20. Dit is een oost west georiënteerde blok met de oppervlakte van 1448 m 2.
De totale oppervlakte van deelgebieden 1 t/m 3 is 11.368 m 2. De oppervlakte van “niet op te graven” groene stroken binnen de archeologische vindplaats is 1.282 m 2. Indien op deze locatie bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden, zal hieraan voorafgaand archeologisch onderzoek plaats dienen te vinden. Voor dit onderzoek dient een nieuw PvE te worden geschreven dat beoordeeld moet worden door de bevoegde overheid. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten. Het selectieadvies dient namelijk eerst beoordeeld te worden door de bevoegde overheid wat uiteindelijk leidt tot een selectiebesluit. Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC bv wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigh eid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij de Minister (in de praktijk de RCE) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016.
6 Conservatie/restauratie Al het metaal dat aangeboden wordt aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Gelderland wordt geconserveerd om verder verval tegen te gaan. Bijzondere aandacht gaat uit naar de volgende objecten: -bronzen fibula (vnr. 13) -bronzen knoop (vnr. 41) -ijzer mesfragment (vnr. 50) Er zal bij de deponering een conserveringsrapport worden bijgeleverd.
24
7
Literatuur
Bouma, N. (red.), 2013: Een nederzetting uit de Romeinse tijd aan de Norman Belvealstraat in Wehl, gemeente Doetinchem. Een archeologische opgraving, Amersfoort (ADC rapport 3477). Broeke, P.W. van den, 2012: Het handgevormde aardewerk uit de IJzertijd en de Romeinse tijd van Oss Ussen. Studies naar de typochronologie, technologie en herkomst , Leiden. Sidestone Press. Hermsen, I., 2003: Wonen en graven op prehistorische gronden. Archeologisch onderzoek van nederzettingsresten uit de bronstijd en ijzertijd op de percelen Holterweg 59 en 61 te Colmschate (gemeente Deventer). Rapportages Archeologie Deventer , nummer 11. Hermsen, I., 2007: Een afdaling in het verleden. Archeologisch onderzoek van bewoningsresten uit de prehistorie en de Romeinse tijd op het terrein Colmschate (gemeente Deventer). Rapportages Archeologie Deventer, nummer 19. Hermsen, I. & E. Haveman, 2009: Op het spoor van de Holterweg. Archeologisch en historisch onderzoek van, onder en langs de Holterweg in Colmschate (gemeente Deventer). Rapportages Archeologie Deventer , nummer 25. Hermsen, I. & M. van der Wal, 2012: Afscheid in de ijzertijd. Archeologisch onderzoek van het grafveld uit de vroege ijzertijd op de locatie Olthof-Noord in Epse-Noord. Rapportage Archeologie Deventer , nummer 35. Emaus, A., 2022: Plan van Aanpak, ‘s-Hertogenbosch, BAAC-project A-22.0293. Kuijl, E.E.A. van der, R.
de Graaf en J.F.M. Rohling, 2021: Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Archeologie Plangebied Fokkenkamp te Wehl, gemeente Doetinchem , Zelhem (Hamaland Advies projectnr. 213252). Kuijl, E. van der, 2022: Programma van Eisen IVO-P Doesburgseweg 10a/Broekhuizerweg ong./Fokkenkampseweg ong. te Wehl Versie: 14-03-2022, versie 2.0. PvE-nummer 223644. Linde, C.M. van der & E.A.G. Ball, 2021: De ijzertijdnederzetting van Well-Aijen, werkvak 3. Drie eeuwen bewoning op een duintop langs de Maas , ‘s-Hertogenbosch (BAAC-project A-14.0042). Taayke, E. 1996: Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. bis 300 n.Chr. , Groningen. Proefschrift Universiteit Groningen.
Taayke, E., C. Peen, M. van der Harst-Domburg & W. Vos, 2012: Ede vol Erven, Germaanse bewoning op de rand van een wereldrijk. Leiden. Taayke, E., 2006: Uslarien? Rijn-Wezer-Germaans aardewerk op Nederlandse bodem, in: Brinkkemper, O., J. Deeben, J. van Doesburg, D.P. Hallewas, E.M. Theunissen & A.D. Verlinde, (red.), Vakken in vlakken. Archeologische kennis in lagen, NAR 32, 199-214.
25
Internet: https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ https://archis.cultureelerfgoed.nl/ https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen www.grondwatertools.nl www.maps.bodemdata.nl
Bijlagen 1 Puttenplan met locatie van putwandprofielen 2a Allesporenkaart 2b Allesporenkaart (met AHN 3) 3 Sporenlijst 4 Overzicht structuren 5 Vondstenlijst 6 Advieskaart 7 Selectierapport
26
Wehl, Fokkenkamp Puttenplan
WP28 WP25 putgrens
WP26
profiel opentopo
WP27
WP21 WP22 WP23
WP17
WP24 WP18 WP2
WP19
WP1 WP20
WP3 WP13 WP14 WP15 WP4 WP6
WP16 WP8 WP10
WP5
WP12 WP7 WP9 WP11
A-22.0293© BAAC
Wehl, Fokkenkamp Allesporenkaart
WP28 WP25 greppel
WP26 kuil
WP27
WP21
paalkuil stakje
WP22
waterkuil waterput
WP23
WP17
WP24 WP18
spitspoor moesbed
WP2
WP19
hutkom
WP1 loopgraf
WP20 natuurlijke laag natuurlijke verstoring
WP3 recente verstoring
WP13
hoogte (m +NAP)
WP14
12,0000
WP15
12,7500
WP4 13,5000
WP6
WP16 WP8
14,2500 15,0000
WP10 WP5
WP12 WP7 WP9 WP11
A-22.0293© BAAC
Wehl, Fokkenkamp Allesporenkaart
WP28 WP25 greppel
WP26 kuil
WP27
WP21
paalkuil stakje
WP22
waterkuil waterput
WP23
WP17
WP24 WP18
spitspoor moesbed
WP2
WP19
hutkom
WP1 loopgraf
WP20 natuurlijke laag natuurlijke verstoring
WP3 recente verstoring
WP13 WP14 WP15 WP4 WP6
WP16 WP8 WP10
WP5
WP12 WP7 WP9 WP11
A-22.0293© BAAC
SPORENLIJST PROJECT
PUT
VLAK
SPOOR
AARD
DIEPTE (CM)
STRUCTUUR
VINDPLAATS
DATERING
FASE
VONDSTNUMMERS
A-22.0293
22
2201
550
LGN
A-22.0293
9
1
600
LGN
3
A-22.0293
28
1
700
LG
2, 8, 10, 12, 13, 14, 17, 21, 26, 27, 28, 31, 32, 35, 42, 43, 45, 46, 48, 49, 50, 51, 52, 54, 55, 59, 60, 61, 62, 63, 67, 68, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 90, 92, 93, 96, 97, 98, 104, 110, 111, 112, 116, 117, 121
A-22.0293
17
2201
800
LG
1, 5, 7, 9, 11, 23, 41, 64, 65, 66, 69, 94, 95, 99, 100, 101, 102, 103, 108, 109, 113, 114, 115, 124, 128, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 136, 138, 141, 142, 143, 144, 147, 148, 154, 155
A-22.0293
22
2202
820
LG
A-22.0293
5
502
850
LG
A-22.0293
15
2201
900
LG
A-22.0293
24
1
998
VSN
A-22.0293
28
1
999
REC
A-22.0293
1
0
1000
LG
A-22.0293
1
1
1001
LGN
A-22.0293
1
1
1002
PK
A-22.0293
1
1
1003
PK
7
20
A-22.0293
1
1
1004
GR
5
25
A-22.0293
1
1
1005
KLW
189
A-22.0293
1
1
1006
KL
A-22.0293
1
1
1007
PK
A-22.0293
1
1
1008
PK
18
A-22.0293
1
1
1009
KL
19
A-22.0293
1
1
1400
LG
A-22.0293
2
0
2000
LG
A-22.0293
2
1
2001
LGN
A-22.0293
2
1
2002
PK
A-22.0293
2
1
2003
PK
A-22.0293
2
1
2004
KL
22
A-22.0293
2
1
2005
KL
24
A-22.0293
2
1
2402
LG
A-22.0293
2
1
2801
LG
4, 139, 140, 149 20
6
3
15, 33, 34, 36, 38
16 14
PROJECT
PUT
VLAK
SPOOR
AARD
DIEPTE (CM)
STRUCTUUR
VINDPLAATS
DATERING
FASE
VONDSTNUMMERS
A-22.0293
3
1
3001
LGN
A-22.0293
3
1
3002
KL
30
29, 37
A-22.0293
3
1
3003
GR
10
30
A-22.0293
4
1
4001
LGN
A-22.0293
4
1
4002
PK
A-22.0293
4
1
4003
PK
A-22.0293
4
1
4004
PK
A-22.0293
4
1
4005
SK
A-22.0293
4
1
4006
PK
A-22.0293
4
1
4007
PK
A-22.0293
4
1
4008
PK
1
A-22.0293
4
1
4009
PK
1
A-22.0293
4
1
4010
PK
1
A-22.0293
4
1
4011
PK
A-22.0293
4
1
4012
PK
1
A-22.0293
4
1
4013
PK
1
A-22.0293
4
1
4014
PK
1
A-22.0293
4
1
4015
PK
A-22.0293
4
1
4016
GR
A-22.0293
4
1
4017
PK
A-22.0293
4
1
4018
PK
A-22.0293
4
1
4019
PK
A-22.0293
4
1
4020
PK
A-22.0293
4
1
4021
PK
A-22.0293
4
1
4022
GR
A-22.0293
4
1
4023
PK
A-22.0293
5
0
5000
LG
A-22.0293
5
1
5001
LGN
A-22.0293
5
1
5002
HUTKOM
A-22.0293
5
1
5003
PK
3
A-22.0293
5
1
5004
PK
16
A-22.0293
5
1
5005
PK
56
A-22.0293
5
1
5006
KL
20
1
18
1 1
12
16
1
1
IJZ-ROM
79
IJZ-ROM
1 39
4
40, 44
47
PROJECT
PUT
VLAK
SPOOR
AARD
DIEPTE (CM)
STRUCTUUR
A-22.0293
5
1
5007
LPG
A-22.0293
6
1
6001
LGN
A-22.0293
6
1
6002
PK
A-22.0293
6
1
6003
PK
A-22.0293
6
1
6004
PK
A-22.0293
6
1
6005
PK
A-22.0293
6
1
6006
HUTKOM
A-22.0293
7
1
7001
LGN
A-22.0293
7
1
7002
VSN
A-22.0293
7
1
7003
LPG
A-22.0293
7
1
7004
KL
A-22.0293
7
1
7005
KL
A-22.0293
8
1
8001
LGN
A-22.0293
8
1
8002
KL
A-22.0293
8
1
8003
GR
A-22.0293
8
1
8004
VSN
A-22.0293
9
0
9000
LG
A-22.0293
9
1
9001
LGN
A-22.0293
9
1
9002
GR
A-22.0293
10
1
10001
LGN
A-22.0293
11
1
11001
LGN
A-22.0293
11
1
11800
LG
A-22.0293
12
1
12001
LGN
A-22.0293
12
1
12002
KL
A-22.0293
13
1
13001
LGN
A-22.0293
14
1
14001
LGN
A-22.0293
14
1
14002
KL
A-22.0293
14
1
14003
HUTKOM
A-22.0293
14
1
14004
PK
7
A-22.0293
14
1
14005
PK
7
A-22.0293
14
1
14006
PK
A-22.0293
14
1
14007
PK
A-22.0293
14
1
14008
LG
VINDPLAATS
DATERING
FASE
VONDSTNUMMERS
8
20
12
5
38
53
8
20
56
57
10
58
35
33
89, 91
157 40
20
153
7 7
PROJECT
PUT
VLAK
SPOOR
AARD
DIEPTE (CM)
STRUCTUUR
A-22.0293
14
1
14009
PK
15
2
A-22.0293
14
1
14010
PK
2
A-22.0293
14
1
14011
PK
2
A-22.0293
14
1
14012
PK
2
A-22.0293
15
0
15000
LG
A-22.0293
15
1
15001
LGN
A-22.0293
15
1
15002
KL
A-22.0293
15
1
15003
PK
A-22.0293
15
1
15004
PK
A-22.0293
15
1
15005
PK
A-22.0293
15
1
15006
PK
A-22.0293
15
1
15007
PK
A-22.0293
15
1
15008
PK
A-22.0293
15
1
15009
PK
A-22.0293
15
1
15010
PK
A-22.0293
15
1
15011
PK
A-22.0293
15
1
15012
GR
A-22.0293
15
1
15013
PK
A-22.0293
15
1
15014
PK
A-22.0293
15
1
15015
PK
A-22.0293
15
1
15016
PK
A-22.0293
15
1
15017
PK
A-22.0293
15
1
15018
PK
A-22.0293
15
1
15019
PK
A-22.0293
15
1
15020
PK
A-22.0293
15
1
15021
PK
A-22.0293
15
1
15022
PK
A-22.0293
15
1
15023
PK
A-22.0293
16
1
16001
LGN
A-22.0293
16
1
16002
KL
A-22.0293
17
0
17000
LG
A-22.0293
17
1
17001
LGN
A-22.0293
18
1
18001
LGN
VINDPLAATS
DATERING
FASE
VONDSTNUMMERS
146
22
152
18
151
13
150
40
145, 156
PROJECT
PUT
VLAK
SPOOR
AARD
DIEPTE (CM)
A-22.0293
18
1
18002
VSN
A-22.0293
18
1
18003
VSN
A-22.0293
18
1
18004
PK
A-22.0293
18
1
18005
VSN
A-22.0293
18
1
18006
VSN
A-22.0293
19
1
19001
LGN
A-22.0293
19
1
19002
HUTKOM
A-22.0293
20
1
20001
LGN
A-22.0293
20
1
20002
PK
18
A-22.0293
20
1
20003
PK
21
A-22.0293
20
1
20004
PK
A-22.0293
20
1
20005
PK
A-22.0293
21
0
21000
LG
A-22.0293
21
1
21001
LGN
A-22.0293
22
0
22000
LG
A-22.0293
22
1
22001
LG
A-22.0293
22
1
22002
VSN
A-22.0293
22
2201
22003
KL
A-22.0293
22
2201
22004
LG
A-22.0293
22
1
22005
GR
A-22.0293
23
1
23001
LG
A-22.0293
24
0
24000
LG
A-22.0293
24
1
24001
LGN
A-22.0293
24
1
24002
KL
A-22.0293
25
1
25001
LGN
A-22.0293
25
1
25002
KL
A-22.0293
25
1
25003
LG
A-22.0293
26
1
26001
LGN
A-22.0293
26
1
26002
LG
A-22.0293
27
1
27001
LGN
A-22.0293
28
0
28000
LG
A-22.0293
28
1
28001
LGN
A-22.0293
28
1
28002
VSN
STRUCTUUR
VINDPLAATS
DATERING
FASE
VONDSTNUMMERS
19
140
6
126, 127
17
16
25 129 11
56
105, 106, 107, 137
9
118, 119, 120
PROJECT
PUT
VLAK
SPOOR
AARD
A-22.0293
28
1
28003
VSN
DIEPTE (CM)
STRUCTUUR
VINDPLAATS
DATERING
FASE
VONDSTNUMMERS
Wehl, Fokkenkamp Allesporenkaart
WP28 WP25 greppel
WP26 kuil
WP27
WP21
paalkuil stakje
WP22
waterkuil waterput
WP23
WP17
WP24 WP18
spitspoor moesbed
WP2
WP19
hutkom
WP1 loopgraf
WP20 natuurlijke laag natuurlijke verstoring
WP3 recente verstoring
WP13
structuren
WP14 WP15 WP4 WP6
WP16 WP8 WP10
WP5
WP12 WP7 WP9 WP11
A-22.0293© BAAC
VONDSTENLIJST PROJECT
VONDSTNR
VZAKNR
SPOOR
VULLING
A-22.0293
1
0
800
A-22.0293
1
1
A-22.0293
1
A-22.0293
STRUCTUUR
VINDPLAATS
MATERIAAL
CATEGORIE
AANTAL
GEWICHT (G)
VERZAMELWIJZE
0
KAW
ME/NT
3
14,8
AANV
800
0
KKP
2
0,1
AANV
2
800
0
KBW
2
31,7
AANV
1
3
800
0
SXX
1
6,5
AANV
A-22.0293
1
4
800
0
MXX
SLAK
4
153,2
AANV
A-22.0293
2
0
700
0
KAW
ROM
17
91,8
AANV
A-22.0293
2
1
700
0
SXX
3
18,3
AANV
A-22.0293
2
2
700
0
STE
2
78,7
AANV
A-22.0293
2
3
700
0
MXX
4
31,2
AANV
A-22.0293
3
0
600
0
SXX
3
3649,2
AANV
A-22.0293
4
0
900
0
MPB
1
3,4
AANV
A-22.0293
5
0
800
0
MFE
1
110
AANV
A-22.0293
6
0
999
0
KAW
3
58,4
AANV
A-22.0293
6
1
999
0
STE
4
103,4
AANV
A-22.0293
7
0
800
0
KAW
4
91,2
AANV
A-22.0293
7
1
800
0
KBW
1
172,7
AANV
A-22.0293
7
2
800
0
MXX
3
49
AANV
A-22.0293
7
3
800
0
MXX
2
20
AANV
A-22.0293
8
0
700
0
KAW
17
132
AANV
A-22.0293
8
1
700
0
SXX
5
60,8
AANV
A-22.0293
8
2
700
0
MXX
SLAK
3
51,2
AANV
A-22.0293
9
0
800
0
KAW
ME/NT
6
20
AANV
A-22.0293
9
1
800
0
MXX
SLAK
3
66,1
AANV
A-22.0293
10
0
700
0
KAW
ROM
7
39,7
AANV
A-22.0293
10
1
700
0
SXX
1
8,1
AANV
SLAK
ROM
ME/NT
SLAK
ROM
OPMERKINGEN
PROJECT
VONDSTNR
VZAKNR
SPOOR
VULLING
A-22.0293
11
0
800
A-22.0293
11
1
A-22.0293
11
A-22.0293
STRUCTUUR
VINDPLAATS
MATERIAAL
CATEGORIE
AANTAL
GEWICHT (G)
VERZAMELWIJZE
0
KAW
ME/NT
8
53
AANV
800
0
KBW
1
26,4
AANV
2
800
0
ODB
1
7,6
AANV
11
3
800
0
MXX
SLAK
5
146,4
AANV
A-22.0293
12
0
700
0
KAW
ME/NT
8
47
AANV
A-22.0293
12
1
700
0
SXX
2
89,3
AANV
A-22.0293
12
2
700
0
MXX
2
54
AANV
A-22.0293
13
0
700
0
MXX
1
6,3
AANV
A-22.0293
14
0
700
0
KAW
ME/NT
1
16
AANV
A-22.0293
15
0
1005
0
3
KAW
ROM
28
335,3
AANV
A-22.0293
15
1
1005
0
3
STE
1
8,3
AANV
A-22.0293
15
2
1005
0
3
SVU
1
11,7
AANV
A-22.0293
16
0
1006
0
KAW
21
251,8
AANV
A-22.0293
16
1
1006
0
SXX
1
75,8
AANV
A-22.0293
17
0
700
0
KAW
ROM
1
2,8
AANV
A-22.0293
18
0
1008
0
KAW
ROM
1
6,1
AANV
A-22.0293
19
0
1009
0
KAW
ROM
4
15,5
AANV
A-22.0293
20
0
1003
0
KAW
ROM
1
1,8
AANV
A-22.0293
21
0
700
0
KAW
ROM
4
42,6
AANV
A-22.0293
21
1
700
0
SXX
1
6
AANV
A-22.0293
22
0
2004
1
KAW
HAND
22
279,2
AANV
A-22.0293
22
1
2004
1
KHL
VKL
2
11,2
AANV
A-22.0293
22
2
2004
1
SXX
2
230,5
AANV
A-22.0293
23
0
800
0
MPB
1
31,4
AANV
A-22.0293
24
0
2005
0
KAW
ROM
3
53,2
AANV
A-22.0293
24
1
2005
0
KHL
VKL
33
592,7
AANV
A-22.0293
24
2
2005
0
KBW
5
241,5
AANV
SLAK
HAND
OPMERKINGEN