Bijlage 1.17 - Toelichting Bijlage 7 bij ROB - Archeolgisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
Voor het noorden van het plangebied is daarom in eerste instantie geen vervolgonderzoek geadviseerd Het terrein zal echter een dubbelbestemming moeten krijgen, waarbij bij verstoringen in de toekomst alsnog onderzoek noodzakelijk is.
Pagina 12 van 27
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied 21 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan negen vondstmeldingen geregistreerd (zie tabel IV en figuur 8). De meest vondstmeldingen zijn gekoppeld aan de archeologische onderzoeken die binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd en hierboven reeds samenvattend zijn beschreven. Verder is op een afstand van 500 meter ten zuiden van het plangebied een fragment van vermoedelijk Scandinavische vuurstenen dolk daterend uit de Vroege-Bronstijd aangetroffen. De aangetroffen vondsten van de in 1987 uitgevoerde veldkartering bijna een kilometer ten westen van het plangebied, komt overeen met de aangetroffen nederzettingsrestanten die tijdens later uitgevoerde opgraving (onder andere voor de nieuwbouwontwikkeling Heideslag) zijn aangetroffen. Tabel IV. Zaaknummer (waarnemingsnummer) 2731039100 (7783)
2387576100 (442612)
Overzicht ARCHIS-vondsten
Situering t.o.v. plangebied
Aard van de melding
500 meter ten zuiden van het plangebied Het Broek te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 213120/440750
Bronstijd: - fragment van een vuursteen Scandinavische dolk
800 meter ten zuidwesten van het plangebied Uitbreiding riooltracé Bedrijvenpark A 18 te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 212368/440886
Late-Middeleeuwen: - 8 fragmenten van steengoed - 3 fragmenten van grijsbakkend handgevormd aardewerk - proto-steengoed
Het betreft een toevalsvondst tijdens niet archeologische graafwerkzaamheden.
Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd: - 10 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - 16 fragmenten van keramische bouwmateriaal - greppels/sloten Aangetroffen tijdens de uitvoering van een archeologische begeleiding (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2387576100 (54391))
2315355100 (428674)
850 meter ten westen van het plangebied te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 212230/441435
Neolithicum - Late-Middeleeuwen: - handgevormd aardewerk IJzertijd - Nieuwe tijd: - fragment van een metalen slak Aangetroffen tijdens de uitvoering van een opgraving (zie Zaakindentificatie (OMnummer) 2301341100 (42957))
2210062100 (421149)
900 meter ten zuidwesten van het plangebied Land van Wehl te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 212541/440528
Neolithicum - Nieuwe tijd: - handgevormd aardewerk - fragmenten van huttenleem/verbrande leem Bronstijd - Nieuwe tijd: - 5 fragmenten van metalen slakken IJzertijd - Nieuwe tijd: - fragment van gedraaid aardewerk Romeinse tijd - Nieuwe tijd: - baksteen Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd: - fragment van steengoed - fragment van witbakkend geglazuurd aardewerk - 2 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk
21
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 13 van 27
Aangetroffen tijdens de uitvoering van een booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2210062100 (30306)) 2301341100 (442553)
900 meter ten westen van het plangebied Motketel te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 212130/441320
IJzertijd: - handgevormd aardewerk - 536 fragmenten van stenen objecten - fragment van een glazen armband - greppels/sloten - fragment van een kubussteen - 2 fragmenten van plattegronden - slijpsteen - 2 slijpstenen - 5 spiekers/graanschuren Vroege-Middeleeuwen: - fragmenten van Badorf aardewerk Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen: - fragmenten van keramische kogelpotten - fragment van een ijzeren object, beslag - 4 huisplattegronden - 13 kuilen - 981 fragmenten van metalen slakken - 2 fragmenten van hutkommen - fragment van een ijzeren houweel/hak - fragment van een ijzeren pijlpunt - fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk - 9 fragmenten van plattegronden - 6 waterputten Late-Middeleeuwen: - fragment van een bronzen object, beslag - fragment van een ijzeren paardentuig - fragmenten van Paffrath aardewerk Nieuwe tijd: - weg, karrespoor - 4 greppels/sloten Aangetroffen tijdens de uitvoering van een opgraving (zie Zaakindentificatie (OMnummer) 2301341100 (42957))
2730853100 (7754)
2731177100 (7804)
900 meter ten westen van het plangebied De Weem te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 212220/441550
Late-Middeleeuwen: - aardewerk - fragmenten van ijzeren slakken
900 meter ten westen van het plangebied De Weem te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 212220/441570
Vroege-Middeleeuwen: - fragmenten van keramische bolpotten
Betreft oppervlaktevondsten tijdens een veldkartering uitgevoerd in 1987
Late-Middeleeuwen: - fragmenten van grijsbakkend gedraaid aardewerk - fragmenten van keramische kogelpotten - fragmenten van keramische ovens - fragmenten van ijzeren slakken - fragmenten van plantaardig, hout planken - fragmenten van plantaardig, hout schoppen/scheppen/spades - waterputten Betreft oppervlaktevondsten tijdens een veldkartering uitgevoerd in 1987
2323041100 (427836)
950 meter ten noordwesten van het plangebied Kelderweg te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 212400/441940
IJzertijd: - handgevormd aardewerk - 4 fragmenten van metalen slakken Romeinse tijd - Nieuwe tijd: - baksteen Aangetroffen tijdens de uitvoering van een booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2323041100 (45889))
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 14 van 27
2337096100 (437360)
950 meter ten noordwesten van het plangebied Kelderweg te Wehl Gemeente Doetinchem Coördinaat: 212406/441975
IJzertijd - Romeinse tijd: - handgevormd aardewerk - 6 kuilen - fragment van een oven - 69 fragmenten van ijzeren slakken - 24 paalgaten Romeinse tijd - Nieuwe tijd: - 2 fragmenten van keramische bouwmateriaal Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen: - fragment van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk Nieuwe tijd: - fragment van steengoed Aangetroffen tijdens de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2337096100 (47827))
Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische plaatselijke Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland (contactpersoon de heer B. Clabbers). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend die niet in ARCHIS worden weergegeven. Oudheidkundige vereniging Wehl Voor aanvullende informatie is tevens contact gezocht met de oudheidkundige vereniging Wehl. Gemeld wordt dat voor het plangebied of omgeving geen aanvullende informatie beschikbaar is anders dan al vermeld in ARCHIS. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van het oostelijk dekzand- en rivierenlandschap22 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland is weergegeven in bijlage 2. Voor een meer gedetaileerde bewoningsgeschiedenis van het rivierterrassen- en rivierduinengebied langs de Oude IJssel wordt verwezen naar de rapportage behorende bij de archeologische waardenen verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem.23
22 23
Barends et al., 2006 Van Oosterhout, 2008 / Willemse et al., 2019
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 15 van 27
Al vanaf de Oude Steentijd (Laat-Paleolithicum, zie bijlage 1) werd het oostelijk dekzand- en rivierenlandschap bewoond door rondtrekkende jagers en verzamelaars. Vooral de hoger gelegen terreindelen zoals dekzandruggen en -koppen en de hoogste delen van de dekzandwelvingen, werden vanaf het Laat-Paleolithicum gekozen als woonplaats en begraafplaats. Deze vormden de meest reliëfrijke, hoogstgelegen en goed ontwaterde delen van het landschap, vaak met markante gradiënten naar lagere terreindelen. Tevens hadden beekdalen en (kleine) rivieren een grote aantrekkingskracht. De beek/rivier bood mogelijkheden tot visvangst en het bejagen van dieren die naar de beek/rivier trokken. Daarnaast was er in het beek-/rivierdal een rijke vegetatie voorhanden als voedselbron. De hogere rivierduinen en dekzandruggen en -koppen nabij een beek-/rivierdal waren dus de meest favoriete bewoningslocaties. Vanaf de Nieuwe Steentijd (Neolithicum) deden landbouwactiviteiten hun intrede. Nederzettingen ontstonden juist vaker op de overgang van de hoge zandgronden naar de lage beek-/rivierdalen (gebieden van dekzandwelvingen), gunstig gelegen tussen de weiden in de beek-/rivierdalen en vooral daar waar een aanzienlijk areaal aan hoge (zand)gronden aanwezig waren om in gebruik genomen te worden als landbouwgrond.
In de Middeleeuwen vond een geleidelijke omslag plaats in het agrarisch bedrijfssysteem, die ook landschappelijk gevolgen had. Door een intensiever bodemgebruik en het gelijktijdig in stand houden van de vruchtbaarheid van het steeds uitbreidende akkerareaal namen de heidevelden in omvang sterk toe. Door eeuwenlange bemesting werden vooral de hogere dekzandruggen geleidelijk opgehoogd. Deze staan voor de oostelijke zandgronden bekend als engen, enken, eenmans-essen of kampen. In het algemeen wordt de term “es” gebruikt. Doordat de hydrologische omstandigheden op korte afstand sterk wisselen, zijn nooit grote akkercomplexen tot ontwikkeling gekomen. Hier overheerste de individuele occupatie, waardoor kleine percelen ontstonden, met een afwisseling van grasland en akkerland. Vaak zijn de percelen omgeven door heggen of hakhout. De bewoning binnen het oostelijk dekzandlandschap was daardoor altijd sterk verspreid. Vanaf de Middeleeuwen verplaatste de bewoning zich ook naar de lager gelegen gebieden aan de randen van de essen, om zo maximaal gebruik te maken van het beschikbare landbouwareaal. Tot voor kort nam men aan dat het potstalsysteem (een mengsel van stalmest, huisafval, bosstrooisel, heideplaggen en zand dat werd vervaardigd in een veestal) al volop in de Middeleeuwen in gebruik was.
Opgravingen van middeleeuwse boerderijen laten tot dusver echter geen overtuigende sporen zien van het gebruik van het potstalsysteem destijds. Het is daarmee kenmerkend voor het agrarisch gebied van de Nederlandse zandgronden in de Nieuwe tijd.
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 16 van 27
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal24
Tabel V. Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Hottingerkaart
1773-1794
85
-
Nog niet ontgonnen, woeste gronden. Wellicht natuurlijke graasgronden voor vee (extensief gebruik).
Nog niet ontgonnen gebied, woeste gronden, enkel doorsneden door (zand)wegen.
Kadastrale kaart (Minuutplan)
1822
Wehl, Sectie D, Blad 02
1:2.500
In agrarisch gebruik, deels akkerland, deels grasland.
Erf ontstaan vrijwel direct ten noorden van het plangebied, bebouwing betrof niet meer dan een woonboerderij, met langs de noordwestzijde de voorloper van de Mussenhorstweg. Omgeving merendeels ontgonnen t.b.v. agrarisch gebruik.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1890
493
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Spoorlijn tussen Wehl en Doetinchem aangelegd circa 200 meter ten noorden van het plangebied. Verder weinig veranderingen.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1908
493
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Schuur gebouwd ten westen van de woonboerderij, binnen het huidige erf gelegen aan de Mussenhorstweg 2.
Topografische kaart
1957
40 F
1:25.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Bebouwing binnen het boerenerf gelegen aan de Mussenhorstweg 2 sterk uitgebreid, voornamelijk schuren. Ook uitbreiding van bebouwing binnen andere erven gelegen aan de Mussenhorstweg, welke enigszins is rechtgetrokken (wegvernieuwing).
Topografische kaart
1977
40 F
1:25.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Sloop- en nieuwbouw van vooral schuren/loodsen binnen het boerenerf gelegen aan de Mussenhorstweg 2. Herverkaveling van agrarische percelen.
Topografische kaart
1986
40 F
1:25.000
Merendeels huidige situatie met plangebied gelegen langs de zuidwestrand van het boerenerf.
Merendeels huidige situatie.
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal lag het plangebied destijds binnen een nog niet ontgonnen gebied/gebied van woeste gronden, dat enkel doorsneden werd door (zand)wegen (zie figuur 9). Wellicht werden deze gronden al wel gebruik als natuurlijke graasgronden voor vee (extensief gebruik). Rond het begin van de 19e eeuw ontstond het erf vrijwel direct ten noorden van het plangebied. In eerste instantie betrof de bebouwing niet meer dan een woonboerderij, met langs de noordwestzijde de voorloper van de Mussenhorstweg. Het plangebied was in agrarisch gebruik, deels als akkerland en deels als grasland. Het gebied van woeste gronden was ook merendeels ontgonnen t.b.v. agrarisch gebruik (zie figuur 10). Het plangebied bleef gedurende de 19e en 20e eeuw in agrarisch gebruik. De 19e eeuw kende voor de omgeving weinig veranderingen. Wel werd in de tweede helft van de 19 e eeuw de spoorlijn tussen Wehl en Doetinchem aangelegd, welke circa 200 meter ten noorden van het plangebied ligt (zie figuur 11). 24
www.topotijdreis.nl / beeldbank.cultureelerfgoed.nl / Versfelt, 2003
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 17 van 27
Gedurende de 20e eeuw, en vooral in de tweede helft, breide de bebouwing binnen het huidige erf gelegen aan de Mussenhorstweg 2 steeds verder uit. Er vond voornamelijk sloop en nieuwbouw van schuren/stallen plaats (zie figuren 12 t/m 14). Ook vond uitbreiding van bebouwing plaats binnen andere erven gelegen aan de Mussenhorstweg. De huidige situatie dateert al merendeels uit de jaren ’80 van de 20e eeuw, waarbij het plangebied een ligging heeft langs de zuidwestrand van het boerenerf (zie figuur 15). Bouwhistorische gegevens Aangezien het plangebied vanaf de tweede helft van de 18 e eeuw tot heden niet bebouwd is geweest, wordt het raadplegen van het archief Bouw- en Woningtoezicht bij de gemeente Doetinchem (al dan niet via het Erfgoedcentrum Achterhoek Liemers) niet zinvol geacht. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 25 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Ook op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem zijn er in de omgeving van het plangebied geen resten dan wel structuren bekend uit de Tweede Wereldoorlog (zie figuur 5). 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VI.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
(Laat-)Paleolithicum Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars)
-Noordoostelijke helft: middelhoog
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In en direct onder de bouwvoor, in de top van de (dunne laag) dekzandafzettingen dan wel in de Pleistocene kleilaag (Laag van Wijchen) en de top van de rivierterrasafzettingen, mogelijk door agrarisch bewerking/diepploegen omgewerkt tot een gebroken grond.
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
In en direct onder de bouwvoor, in de top van de (dunne laag) dekzandafzettingen dan wel in de Pleistocene kleilaag (Laag van Wijchen), mogelijk door agrarisch bewerking/diepploegen omgewerkt tot een gebroken grond.
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden/-heuvels, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In en direct onder de bouwvoor, in de top van de (dunne laag) dekzandafzettingen dan wel in de Pleistocene kleilaag (Laag van Wijchen), mogelijk door agrarisch bewerking/diepploegen omgewerkt tot een gebroken grond.
-Zuidwestelijke helft: laag
Laat-Neolithicum (Landbouwers)
-Noordoostelijke helft: middelhoog -Zuidwestelijke helft: laag
Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)
-Noordoostelijke helft: middelhoog -Zuidwestelijke helft: laag
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990 25
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 18 van 27
Middeleeuwen
-Noordoostelijke helft: middelhoog -Zuidwestelijke helft: laag
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In en direct onder de bouwvoor, in de top van de (dunne laag) dekzandafzettingen dan wel in de Pleistocene kleilaag (Laag van Wijchen), mogelijk door agrarisch bewerking/diepploegen omgewerkt tot een gebroken grond.
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In en direct onder de bouwvoor, in de top van de (dunne laag) dekzandafzettingen dan wel in de Pleistocene kleilaag (Laag van Wijchen), mogelijk door agrarisch bewerking/diepploegen omgewerkt tot een gebroken grond.
Volgens de (geactualiseerde) archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem ligt het plangebied landschappelijk gezien binnen het Pleniglaciale Laagterras, waarbij de noordoostelijke helft van het plangebied op een hoge rivierterrasrest ligt en de zuidwestelijke helft van het plangebied binnen een laag gelegen rivierterrasvlakte. Het gehele plangebied is mogelijk afgedekt met een Pleistocene kleilaag (Laag van Wijchen). Onduidelijk is of wel of geen sprake is van een (dunne) laag dekzand. Zo ja, dan wordt het dekzand nog boven de Pleistocene kleilaag verwacht. Over het algemeen zal het plangebied niet echt een gunstige bewoningspositie hebben ingenomen, zeker niet de zuidwestelijke helft van het plangebied binnen de laag gelegen rivierterrasvlakte. Het hoge rivierterrasrest vormde welllicht een iets betere (tijdelijke) bewoningslocatie voor JagersVerzamelaars ((Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) en Landbouwers (vanaf het LaatNeolithicum), waar de natuurlijke waterhuishouding wellicht voldoende was voor beakkering. De meeste voorkeur zal wel zijn uitgegaan naar het ten westen gelegen dekzandgebied, waar hoger gelegen dekzandruggen voorkomen. Dit is goed zichtbaar aan de archeologische vindplaatsen die zijn aangetroffen tijdens opgravingen (onder andere voor de nieuwbouwontwikkeling Heideslag).
Het betreffen voornamelijk nederzettingsterreinen daterend vanaf de IJzertijd, en dan vooral uit de Vroegetot Midden-IJzertijd en uit de Vroege-/Late-Middeleeuwen (9e t/m 12e eeuw). Het Pleistocene rivierterrasgebied ten oosten van Wehl, waar het plangebied binnen ligt, vormde waarschijnlijk een te nat gebied (zeer vochtige gronden) dat minder geschikt was voor bewoning. Ook geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat dit gebied voor zeer lange tijd nog woeste gronden betrof, gelegen buiten de oude bouwlandcomplexen. Pas met de grootschalige ontginning rond het begin van de 19e eeuw ontstond het erf aan de Mussenhorstweg. Het plangebied bleef in agrarisch gebruik. Pas aan het einde van de 20e eeuw werd het uiterst noordoostelijke deel van het plangebied bij het huidige boerenerf getrokken. Bebouwing heeft er binnen de begrenzing van het plangebied tot op heden niet gestaan. Op basis van de bovenstaande uitgangspunten kunnen er in het plangebied archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. De kans op het voorkomen van resten wordt echter alleen middelhoog geacht voor de noordoostelijke helft van het plangebied. Voor de zuidwestelijke helft is de verwachting laag (zie tabel VI). Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Er zijn geen aanwijzingen dat binnen het plangebied historische bebouwing heeft gestaan.
Aangezien er verder geen aanleiding is voor de aanwezig een plaggendek, worden eventueel aanwezige archeologische resten verwacht in en direct onder de bouwvoor, in de top van de (dunne laag) dekzandafzettingen dan wel in de Pleistocene kleilaag (Laag van Wijchen). Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Archeologische resten, indien aanwezig, zullen hoofdzakelijk bestaan uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Door de ligging van het plangebied in wat voorheen waarschijnlijk een vrij nat gebied was met zeer vochtige gronden, zeker de zuidwestelijke helft van het plangebied, kunnen organische resten en bot goed geconserveerd zijn.
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 19 van 27
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is vanaf het begin van de 19e eeuw in agrarisch gebruik geweest. Door ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden die vanaf het voormalige maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. Daarnaast dient er rekening worden gehouden dat er grondverbeteringswerkzaamheden hebben plaatsgevonden, wanneer de Pleistocene kleilaag (Laag van Wijchen) relatief dun was. Deze kleilaag werd vaak opgemengd met de onderliggende rivierzanden, om zo de draagkracht en waterhuishouding van de grond te verbeteren. Dergelijke gronden worden ook wel aangeduid als gebroken gronden. 2.9
Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek
Op grond van de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Vooralsnog is het uitgangspunt dat recente bodemverstorende ingrepen (enigszins) beperkt zijn geweest, aangezien er binnen het plangebied de afgelopen 250 jaar geen bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Met de verwachting voor de aanwezigheid van een archeologische laag of vondststrooiing met een hoge vondstdichtheid en de beperkte oppervlakte van het plangebied, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek. Daarnaast zal voor de karterende fase van het booronderzoek, met een minimum aantal van tien boringen binnen een plangebied met een beperkte oppervlakte, sprake zijn van een verdicht boorgrid. Het opgeboorde materiaal dient in het veld bodemkundig te worden beschreven en de archeologisch relevante bodemlagen dienen te worden gezeefd, om daarmee te kunnen beoordelen of er archeologische indicatoren voorkomen. Door middel van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied verder archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 4 maart 2021 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk.
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 20 van 27
In het plangebied zijn gelijkmatig verspreid tien boringen gezet (zie figuur 16). De boringen zijn gezet met behulp van een edelmanboor (diameter 15 cm) tot maximaal 220 cm -mv. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.26 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In bijlage 5 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel is de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu is met het blote oog geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De hoofdlijn van de opbouw van de bodem kan als volgt worden weergegeven: Tabel VII.
Algemene bodemopbouw plangebied Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot gemiddeld 60
Variërend van donkergrijsbruin tot donkerbruin en naar onderen toe geelbruin tot donkergrijsgeel gekleurd en gevlekt, matig en onderin zwak humeus, zwak kleiig, matig siltig, matig fijn zand, plaatselijk enkele fijne resten bouwafval (betonen baksteenpuin)
Ap- en ACp-horizont, gebroken gronden, waarbij overstromingsklei van de Oude IJssel vermengd is met de top van de dekzandafzettingen door diepploegwerkzaamheden
Tussen gemiddeld 60 tot minimaal 95 en maximaal 140
Lichtgrijsgeel tot ornajegeel gekleurd (veel roestvlekken en ijzerconcreties), zwak tot matig siltig, matig fijn zand, goed gesorteerd
1C-horizont, dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden)
Vanaf gemiddeld 120 tot 220 (einddiepte boringen)
Lichtgrijsbruin tot grijs gekleurd, deels zwak grindig, matig grof tot zeer grof zand, slecht gesorteerd, ter plaatse van de boringen 4 en 9 hierboven nog een dunne laag sterk zandige klei/sterk zandige leem
2C/Cr-horizont, vlechtende rivierafzettingen (Formatie van Kreftenheye), plaatselijk erboven een dunne Laag van Wijchen, afzettingen binnen het Pleniglaciale Laagterras
De bodemopbouw bestaat vanaf het maaiveld tot gemiddeld 60 cm -mv uit, variërend van donkergrijsbruin tot donkerbruin en naar onderen toe geelbruin tot donkergrijsgeel gekleurd en gevlekt, matig en onderin zwak humeus, zwak kleiig, matig siltig, matig fijn zand. Deze dikke bewerkte bodemlaag is ontstaan door recente en relatief diepe omwerking van de bodem, waarschijnlijk door diepploegwerkzaamheden om daarmee de waterhuishouding van het perceel grasland te verbeteren. Hierbij is overstromingsklei van de Gelderse IJssel vermengd met de top van de dekzandafzettingen. Het gaat om een zogenaamde gebroken grond. Er is in alle boringen onder het verstoringsniveau nog een laag dekzand aanwezig, tot een diepte van minimaal 95 en maximaal 140 cm -mv.
26
Bosch, 2005
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 21 van 27
De goede sortering en vrij afgeronde korrels zijn kenmerkend voor dekzandafzettingen en behoort tot de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden). Dit dekzand is afgezet tijdens het Laat-Glaciaal (tussen 15.700 en 11.755 jaar geleden). Onder het pakket dekzand ligt vanaf gemiddeld 120 cm -mv lichtgrijsbruin tot grijs gekleurd, deels zwak grindig, matig grof tot zeer grof zand, dat tevens slecht gesorteerd is en scherp aanvoelt (2C/2Cr-horizont). Dit betreffen vlechtende rivierterrasafzettingen van de Formatie van Kreftenheye en zijn afgezet in de laatste ijstijd tot de Rijn nog een tak had in noordwestelijke richting (de “rondom Montferland Rijntak”), tussen 40.000 en 25.000 jaar geleden (Pleniglaciaal). Ter plaatse van de boringen 4 en 9 is tussen het dekzand en het rivierzand nog een dunne laag sterk zandige klei/sterk zandige leem aanwezig. Dit betreft een Wijchen Laag die gesedimenteerd zal zijn tijdens overstromingen gedurende warmere perioden (interstadialen) van het LaatPlenglaciaal. Archeologie (geen archeologische vindplaats aangetroffen) Ondanks de vrij verstoorde bodemopbouw/het ontbreken van waarneembare restanten van het oorspronkelijke bodemprofiel, is van elke boring het opgeboorde materiaal per afzonderlijke laag apart gezeefd tot 30 cm in de top van de 1C-horizont over een 4 mm zeef.
Ook bij de visuele inspectie van het opgeboorde materiaal al waargenomen, zijn in het zeefresidu van de humeuze bovengrond (gebroken gronden) plaatse enkele fijne resten bouwafval (beton- en baksteenpuin) aangetroffen. Deze zullen zeer waarschijnlijk door het agrarisch gebruik binnen de percelen terecht zijn gekomen (berijden van de percelen door zware landbouwmachines, bijvoorbeeld voor het uitrijden van mest). Ter plaatse van boring 10 gaat het om een relatief recent aangebrachte halfverhardingslaag binnen de begrenzing van het boerenerf. Deze resten zijn vanuit archeologisch oogpunt dan ook niet relevant. Verder zijn er tot 30 cm in de top van de 1C-horizont geen archeologische indicatoren aangetroffen. Tevens ontbreekt het aan aanwijzingen voor de aanwezigheid van door de mens gevormde cultuurlagen/antropogene lagen, afgezien van door diepploegen veroorzaakte gebroken gronden. Op basis van de resultaten van de karterende fase van het booronderzoek is er geen duidelijke aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied nog te vermoeden.
4 4.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied en lage tot middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van de noordoostelijke helft van het plangebied op een hoge rivierterrasrest ligt en de zuidwestelijke helft van het plangebied binnen een laag gelegen rivierterrasvlakte. Over het algemeen zal het plangebied niet echt een gunstige bewoningspositie hebben ingenomen, zeker niet de zuidwestelijke helft van het plangebied binnen de laag gelegen rivierterrasvlakte. Het hoge rivierterrasrest vormde wellicht een iets betere (tijdelijke) bewoningslocatie voor Jagers-Verzamelaars ((Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) en Landbouwers (vanaf het Laat-Neolithicum), waar de natuurlijke waterhuishouding wellicht voldoende was voor beakkering. Hier zijn ook al diverse archeologische vindplaatsen aangetroffen, voornamelijk nederzettingsterreinen daterend vanaf de IJzertijd.
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 22 van 27
Het Pleistocene rivierterrasgebied ten oosten van Wehl, waar het plangebied binnen ligt, vormde waarschijnlijk een te nat gebied (zeer vochtige gronden) dat minder geschikt was voor bewoning. Ook geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat dit gebied voor zeer lange tijd nog woeste gronden betrof, gelegen buiten de oude bouwlandcomplexen. Pas met de grootschalige ontginning rond het begin van de 19e eeuw ontstond het erf aan de Mussenhorstweg. Het plangebied bleef in agrarisch gebruik. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting dan ook laag. De resultaten van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek laten een verstoorde bodemopbouw zien tot een diepte van gemiddeld 60 cm -mv, waarbij door voorheen agrarisch gebruik en diepploegwerkzaamheden een zogenaamde gebroken grond is ontstaan. Of het pakket overstromingsklei ter plaatse van het plangebied van voldoende dikte is geweest zodat er voorheen sprake was van een oude rivierkleigrond is de vraag. Gezien de mate van klei in het gediepploegde deel van de bodemopbouw is het pakket overstromingsklei van zeer beperkte dikte geweest. In een gebied met vrij natte/drassige condities zal eerder sprake zijn geweest van een beek- of gooreerdgrond binnen een landschappelijke ligging dat beter aangeduid kan worden als een dekzandvlakte.
Met de huidige/gereguleerde grondwaterstanden heeft het plangebied te maken met periodiek relatief ondiepe grondwaterstanden, gezien het voorkomen van roestvlekken direct in de onverstoorde 1Chorizont. Ook komen er in het gediepploegde deel van de bodemopbouw veel brokken/restanten van ijzerconcreties voor, duidend op het in het verleden voorkomen van een oerlaag die kapot is geploegd. De oorspronkelijke top van de dekzandafzettingen is in ieder geval in sterke mate verstoord. Er is in alle boringen onder het verstoringsniveau nog een laag dekzand aanwezig, tot een diepte van minimaal 95 en maximaal 140 cm -mv. Onder het pakket dekzand ligt vanaf gemiddeld 120 cm -mv lichtgrijsbruin tot grijs gekleurd, deels zwak grindig, matig grof tot zeer grof zand, dat tevens slecht gesorteerd is en scherp aanvoelt (2C/2Cr-horizont). Dit betreffen vlechtende rivierterrasafzettingen. De overgang van dekzand naar rivierzand ligt in de boringen 2, 8 en 10 (rond 11,1 m +NAP) op een iets hoger niveau ten opzichte van NAP dan de overige boringen (rond 10,9 m +NAP), waardoor het uiterst noordelijke deel van het plangebied op een iets hoger gelegen rivierterrasrest ligt.
Het hoogteverschil van het maaiveld lijkt verder vooral te liggen in de variërende diepte van het pakket dekzand en dat er binnen het huidige boerenerf ophoging heeft plaatsgevonden met name door het aanbrengen van een laag gebroken puin en betonverhardingen. In zijn algemeenheid laten de boringen zien dat het plangebied in een gebied heeft gelegen waar, voordat grootschalige ontginning plaatsvond, sprake was van natte/drassige condities en dat mede hierdoor minder geschikt, zo niet ongeschikt was als bewoningslocatie. Restanten van de van nature gevormde bodemopbouw zijn verder niet aangetroffen. Op grond van de gezette boringen is binnen het gehele plangebied het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau aangetast, zo niet volledig verstoord/vergraven. Er zijn verder ook geen archeologische indicatoren aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een lage tot middelhoge verwachting gold voor de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 23 van 27
4.2
Advies
Op grond van de al in sterke mate aangetaste/verstoorde bodemopbouw binnen het plangebied en het verder ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden (geen archeologische resten aangetroffen in het zeefresidu van opgeboord zand/versneden en verbrokkelde klei), adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Doetinchem). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed27).
27 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 24 van 27
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Barends, S., Baas, H.G., Harde, M.J. de, Renes, J., Stol. T., Triest, J.C. van, Vries, R.J. de, Woudenberg, F.J. van, 2005: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A. 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen†, H.J.A. & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H.
de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg Den Bosch, 2e druk. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. & Wong, T.E., 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Oosterhout, F. van, 2008: Archeologische monumentenzorg in het stedelijk gebied van Doetinchem. Toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingskaart en beleidskaart. RAAP-rapport 1835, deel 1. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Stichting voor Bodemkartering, 1966: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 40 Oost/Arnhem. Versfelt, H.J., 2003: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen. ISBN 90-806727-4-2. Willemse, N.W., Keunen, L.J., Kok, R.S., Wijnen J.A.T., & Van der Veen, S., 2019: Archeologie in de gemeente Doetinchem. Actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart. RAAP-rapport 2877- tweede herziene versie. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 25 van 27
Willemse, N.W. & Kocken, M.H.J.M., 2013: Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501. RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 26 van 27
BRONNEN AHN; internetsite, maart 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, maart 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, maart 2021 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, maart 2021. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Dinoloket; internetsite, maart 2021. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, maart 2021. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, maart 2021. http://www.topotijdreis.nl/ Omgevingsdienst Achterhoek (ODA); internetsite, maart 2021. https://www.odachterhoek.nl/onderwerp/cultureel-erfgoed-en-archeologie/cultureel-erfgoed-enarcheologie/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, maart 2021. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Ruimingskaart; internetsite, maart 2021. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, maart 2021. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, maart 2021. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 15340.001 versie 1
Pagina 27 van 27
Situering van het plangebied binnen Nederland28
Figuur 1.
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
28 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 15340.001 versie 1
Detailkaart van het plangebied29
Figuur 2.
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
29 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied30
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda
30 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de (geactualiseerde) archeologische beleidskaart gemeente Doetinchem31
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de geactualiseerde) archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
31
Willemse et al., 2019
Rapport 15340.001 versie 1
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen de binnen de (geactualiseerde) archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem32
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de (geactualiseerde) archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Doetinchem Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
32
Willemse et al., 2019
Rapport 15340.001 versie 1
Rapport 15340.001 versie 1
Rapport 15340.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)33
Figuur 6.
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
33
AHN
Rapport 15340.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland34
Figuur 7.
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Legenda Plangebied
34
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 8.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN35
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN)
35
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort / AHN
Rapport 15340.001 versie 1
Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 8536
Figuur 9.
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 (bron: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland) Legenda Plangebied
36
Versfelt, 2003
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 10.
Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1822 (Minuutplan)37
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1822 (Minuutplan) (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) Legenda Plangebied
37
https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/faq
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1890 (Bonneblad)38
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1890 (Minuutplan) (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) Legenda Plangebied
38
Kadaster Topotijdreis
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1908 (Bonneblad)39
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1908 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
39
Kadaster Topotijdreis
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 195740
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1957 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
40
Kadaster Topotijdreis
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 14.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 197741
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
41
Kadaster Topotijdreis
Rapport 15340.001 versie 1
Figuur 15.
Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 198642
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1986 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied
42
Kadaster Topotijdreis
Rapport 15340.001 versie 1
Boorpuntenkaart plangebied met als achtergrond de luchtfoto43
Figuur 16.
Wehl (gemeente Doetinchem) – Mussenhorstweg 2a Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda Plangebied
43
Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 15340.001 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 15340.001 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
1950
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 15340.001 versie 1
Bijlage 2
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat zich voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, dat plaats maakte voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine spitse vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.
Rapport 15340.001 versie 1
Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.
Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.
Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.
Rapport 15340.001 versie 1
De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de 3e eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de 5e eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.
Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e - 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adelijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling wat zich uit in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.
Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 15340.001 versie 1
Bijlage 3
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan het bevoegd gezag besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.