Bijlage 1_14 Toelichting bijlage 8 - Aanvullend onderzoek vleermuizen ransuil en kleine marterachtigen.pdf
Tekst van het document
Nader onderzoek vleermuizen, ransuil en kleine marterachtigen Fokkenkamp, Wehl
Opdrachtgever: Gemeente Doetinchem De heer Y. Horstink Raadhuisstraat 2 7001 EW Doetinchem
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
202266 6-10-2021 T. Asbreuk T. Asbreuk R. Kroeskop Concept 1
© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................................... 5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 5
3
Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 9
3.1
Inleiding .................................................................................................................................................. 9
3.2
Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 9
4
Methode ................................................................................................................................................... 10
4.1
Bureauonderzoek ................................................................................................................................. 10
4.2
Veldonderzoek ...................................................................................................................................... 10
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 12
5.1
Vleermuizen .......................................................................................................................................... 12
5.1.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 12
5.1.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 13
5.2
Vogels ................................................................................................................................................... 16
5.2.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 16
5.2.2
Resultaten veldonderzoek ........................................................................................................... 16
5.3
Bunzing, hermelijn en wezel ................................................................................................................. 16
5.3.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 16
5.3.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 16
5.4
Overige waarnemingen ........................................................................................................................ 16
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 18
6.1
Soortenbescherming ............................................................................................................................ 18
6.2
Ontheffing noodzakelijk ....................................................................................................................... 18
6.3
Uitvoerbaarheid van de plannen .......................................................................................................... 18
6.4
Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 19
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 21 Bijlage 2 Soortkaart vleermuizen ........................................................................................................................... 26
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 3
1 Inleiding De gemeente Doetinchem is voornemens in het plangebied “Fokkenkamp” te Wehl een woonwijk te ontwikkelen. In verband met deze plannen is er reeds een toetsing uitgevoerd door Staring Advies aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid. Uit deze toetsing kwam naar voren dat nader onderzoek naar onder andere vleermuizen (foerageergebied en vliegroutes), ransuil en kleine marterachtigen noodzakelijk is. Nader, gericht veldonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat in het plangebied beschermde functies als voortplantings- of rustplaatsen of daarbij behorend essentieel leefgebied van beschermde soorten aanwezig zijn. Duidelijk moet dan ook worden om welke soort(en) en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van het gebouw/bomen is voor deze soort(en). Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in de gemeente Doetinchem (Gelderland) ten noorden van het dorp Wehl (afbeelding 1). Het gros van het plangebied bestaat uit maïsakkers, grasland/trapveldjes en een paardenbak. Nabij de paardenbak is tevens wat kleinschalige bebouwing aanwezig. Rondom en in het plangebied is lijnvormige opgaande beplanting van grotendeels inheemse boomsoorten aanwezig. Voorafgaand aan het vleermuisbezoek op 9 september 2021 zijn foto’s genomen in het plangebied (afbeelding 2). Ten noorden van het plangebied ligt de N813, ten noorden van deze weg begin het buitengebied van Wehl.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De gemeente Doetinchem is voornemens woningen te bouwen in het plangebied. Informatie over het aantal of het type woningen is momenteel onbekend. Aangenomen wordt dat voor de woningen ten minste een deel van het open grasland en maïsakker verdwijnt en dat de hoeveelheid straatverlichting toeneemt.
Afbeelding 1. Ligging plangebied (rood) ten noorden van Wehl.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 5
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 6
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 7
Afbeelding 2. Impressie plangebied, situatie op 9 september 2021.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 8
3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De wet Natuurbescherming in een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de wet Natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 9
4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw.
4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna. • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.
4.2 Veldonderzoek Op basis van aantal veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen, ransuil en bunzing, hermelijn en wezel. De onderzoeken zijn uitgevoerd door T. Asbreuk ecologische adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 10
Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.
Datum
Type onderzoek
Start –eindtijd
Onderzoeker
Weersomstandigheden
12-07-2021
Vleermuizen, ransuil en plaatsen cameravallen
20.30-23.50 Zon onder: 21.50
T. Asbreuk
19°C, droog, half bewolkt, windkracht 1Bft
Vleermuizen, ransuil en ophalen cameravallen
19.40 -22.15 Zon onder: 20.05
T. Asbreuk
24 °C, droog, half bewolkt, windkracht 2 Bft
09-09-2021
Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2021 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van vliegroutes en foerageergebieden. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector Pettersson D240X in combinatie met een zaklamp en wamtebeeldcamera (Pulsar Helion XP38). In totaal zijn twee veldbezoeken uitgevoerd: één in de kraamperiode en één in de baltsperiode. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden na zonsondergang en tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden. Bunzing, hermelijn en wezel Het onderzoek naar bunzing, hermelijn en wezel is uitgevoerd met twee struikrovervallen. Dit zijn speciaal voor deze soorten ontworpen cameravallen waarbij tevens een lokstof is toegepast. De Struikrovers zijn geplaatst op 12 juli voorafgaand aan het vleermuisonderzoek. Tijdens het tweede veldbezoek op 9 september zijn de Struikrovers weer opgehaald en zijn de geheugenkaartjes uitgelezen.
Het onderzoek naar deze soorten richt zich op het verzamelen van zichtwaarnemingen en sporen, waarbij gebruik wordt gemaakt van speciaal ontwikkelde cameravallen de zogenaamde Struikrover-cameravallen. Deze Struikrover-cameravallen, twee in totaal, zijn gedurende het eerste vleermuisbezoek (12 juli 2021) geplaats en tijdens het tweede bezoek (9 september 2021) opgehaald. De cameravallen zijn gedurende 8 weken in het plangebied aanwezig geweest op geschikte locaties voor kleine marterachtigen. De Struikrover-cameraval maakt foto’s en/of filmopnames. De opnames zijn uitgelezen en op kantoor gedetermineerd. Daarnaast wordt met name ook tijdens het nachtelijke vleermuisonderzoek gelet op de aanwezigheid van dieren en sporen daarvan (keutels, prooiresten, enz.). Vogels Ransuil Het onderzoek naar ransuil is uitgevoerd in twee bezoeken die samenvielen met het onderzoek naar vleermuizen. In deze periode roepen jonge uitgevlogen ransuilen regelmatig, ook is met de warmtebeeldcamera gezocht naar (foeragerende) ransuilen. De bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens gunstige weersomstandigheden. Overige beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten dan eerder beschreven voor.
Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hierbij dient gedacht te worden aan bijvoorbeeld steenmarter. Het veldwerk naar de groep van overige soorten is uitgevoerd tijdens en/of na afloop van de veldbezoeken naar vleermuizen en vogels. Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 11
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Vleermuizen 5.1.1 Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied 4 soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Deze vleermuizen worden op kaart weergegeven in bijlage 2. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot halfopen landschap. Foerageergebied en vliegroutes Gewone dwergvleermuis komt redelijk algemeen voor in het plangebied met duidelijke concentraties nabij de groenstructuren in het centrale en westelijk deel van het plangebied. Het totale aantal foeragerende dieren in het plangebied wordt ongeveer op 10-30 exemplaren geschat. Tijdens de kraamperiode zijn geen vliegroutes aangetroffen in het plangebied.
In de paartijd werd de centrale bomenrij (noord-zuid) door enkele 5-10 individuen gebruikt als vliegroute. De overige aangetroffen gewone dwergvleermuizen gebruiken de luwte van de beplanting om langs te vliegen en te foerageren en zijn overal diffuus verspreidt langsvliegend aangetroffen. Laatvlieger De laatvlieger komt in Nederland vrij algemeen voor maar staat wel op de rode lijst als kwetsbaar (Min. LNV, 2020). De soort lijkt een matige afname te laten zien (Norren et al., 2020). Laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Kraamkolonies komen in Nederland voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Deze bevinden zich in de spouwmuur, achter en onder de (dak)betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied. Foerageergebied en vliegroutes De laatvlieger gebruikte gedurende het eerste veldbezoek het plangebied veelvuldig om te foerageren.
De hoogste aantallen werden gezien nabij de groenstructuren en boven de open delen van het trapveldje en de manege met het grasland in het centrale en westelijk deel van het plangebied. Boven deze delen werden tot 5 exemplaren tegelijk waargenomen, maar door de schemering en het snelle vliegen is dit waarschijnlijk een sterke ondertelling en ligt het werkelijke aantal hoger. Het totale aantal foeragerende dieren in het plangebied Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 12
wordt ongeveer op 10-25 exemplaren geschat. De laatvliegers foerageerden van ongeveer 22.00 uur tot 23.30 uur in deze aantallen. Na 23.30u werd nog zo nu en dan een enkel exemplaar opgepikt. Zeer waarschijnlijk wordt deze relatief hoge dichtheid verklaard een grote hoeveelheid meikevers en mogelijk door (mest)kevers die een relatie hebben met de manege en het besloten landschap in het plangebied. Duidelijke vliegroutes van de laatvlieger zijn niet aangetroffen in het plangebied. Tijdens de tweede ronde zijn ook foeragerende laatvliegers aangetroffen, maar in lagere aantallen 1-3 exemplaren en korter (van 20.30-20.45). Gezien het tijdstip (kort na zonsondergang) tijdens beide ronden komen de laatvliegers vermoedelijk uit de gebouwen in Wehl. Rosse vleermuis De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Onder andere solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen en dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt.
De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en ook wel rondom straatverlichting. Foerageergebied en vliegroutes Tijdens de tweede ronden zijn kortstondige waarnemingen van overvliegende rosse vleermuizen gedaan. Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis kent een sterke seizoenstrek en legt daarbij grote afstanden af. Vanaf augustus/september trekken vooral de dieren uit Midden- en Oost-Europa in Zuidwestelijke richting om onder andere in Nederland te overwinteren. De soort wordt dan ook vaak in Nederland in het najaar gezien, in Nederland zijn slechts enkele kraamverblijfplaats vastgesteld. Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Ze gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend. Ze jagen tot op 5 á 10 km afstand van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral halfopen bosrijk landschap. Foerageergebied en vliegroutes Tijdens de ronde op 9 september 2021 zijn enkele foeragerende ruige dwergvleermuizen aangetroffen. Vliegroutes zijn niet aangetroffen.
5.1.2 Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Foerageergebied Het plangebied wordt door laatvliegers, gewone dwergvleermuizen en een beperkte hoeveelheid ruige dwergvleermuizen gebruikt als foerageergebied. Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 13
Gewone- en ruige dwergvleermuis De gewone en ruige dwergvleermuis foerageren in relatief groene delen en boven water. Dit kan ook in woonwijken liggen. De ontwikkeling van een woonwijk heeft waarschijnlijk nauwelijks effecten op de kwaliteit van het foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Laatvlieger Het plangebied is gezien de aantallen foeragerende laatvliegers in de kraamperiode van essentieel belang voor deze soort (afbeelding 3). Laatvliegers foerageren vaak in kleinschalige landschappen boven oude, kruidenrijke, extensieve graslanden vaak besloten tussen bomen, houtwallen en/of houtsingels (Dietz et. al., 2011). De combinatie tussen de graslanden (trapveldjes) en manege omringt door inheemse bomen en struiken in het westelijk deel van het plangebied maakt dit terrein uitermate geschikt voor meikevers en andere keversoorten, een belangrijke voedselbron voor de laatvlieger. De ontwikkeling van een woonwijk op deze locatie leidt tot verlies van dit foerageergebied. Een ontheffing is dan ook noodzakelijk indien de gemeente voornemens is hier een woonwijk te ontwikkelen. De (maïs)percelen in het noordoostelijk deel van het plangebied zijn vrijwel ongeschikt als foerageergebied voor laatvliegers. Hier zijn ook geen laatvliegers aangetroffen tijdens het onderzoek.
Wel kan verlichting vanuit de woonwijk effect hebben op laatvliegers die in het westelijk deel foerageren.
Afbeelding 3: het westelijk deel dat gebruikt wordt als foerageergebied (groen) en essentieel is. In het oranje deel zijn minder laatvliegers waargenomen, maar deelt wel de kenmerken van een belangrijk foerageergebied. De overige delen binnen het plangebied zijn waarschijnlijk niet essentieel.
Vliegroutes In het plangebied is een vliegroute van gewone dwergvleermuizen aanwezig, de aangetroffen vliegroute is weergegeven als groene pijl op de luchtfoto in bijlage 2. Deze bomenrij is de enige lijnvormige structuur die noord-zuid loopt in de omgeving en heeft daarmee waarschijnlijk een essentiële functie. Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 14
Effecten op deze vliegroute kunnen worden voorkomen door het element te sparen en rondom geen of vleermuisvriendelijke verlichting aan te brengen. Indien dit in de plannen niet mogelijk is, is een ontheffing en een mitigatie/compensatie noodzakelijk. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Kader- Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zij gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in -en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan
Kader – Verlichting
waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) lantaarnpalen zoals de vleermuis. Bij het plaatsen van bijbinnen in/of Op ditrond moment is binnenjagen, en rondom hetrosse plangebied verlichting aanwezig. Deverlichting verlichting het plangebied beperkt zich tot lampen uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen
die enkel worden gebruikt bij activiteiten op bijvoorbeeld de manage. Door het lange daglicht in de kraamperiode staan de lampen in
van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
deze tijd van het jaar niet aan.
Op dit moment is binnen en rondom het plangebied verlichting aanwezig. De verlichting beperkt zich tot de straatlantaarns in dein nieuwe situatie zal de toe. verlichting mogelijk toenemen. wordt datverlichting met de De verlichting en neemt de nieuwe situatie Verwacht wordt dat metVerwacht de toename van rondom de te ontwikkelen locaties toename van verlichting rondom de te ontwikkelen locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige
een mogelijk negatief effect zal optreden op de aanwezige soorten. De te verwachte soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig
soorten. De te verwachten soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig voor verstoring door verlichting.
voor verstoring door verlichting. Er dient wel te allen tijden rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een
Er dient wel te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te
minimumentedirecte beperken en directe de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Dit geldt met name voor beperken belichting van de verlichting omgeving envan onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomenin enhet hetplangebied gebied aantrekkelijker te maken de voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen bomenrijen en in het bijzonder vliegroute (afbeelding 4). Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijk getroffen worden:
te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden: verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; Verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); - - Verlichting alleen aan opdehet momentzodat wanneer het nodig is (dynamische verlichting) verlaag de hoogte van lichtmasten boomkronen onverlicht blijven; beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste Verlaag de hoogtes van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;armatuur Fout! Verwijzingsbron gevonden. ; Beperk verstrooiing vanniet het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur; geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes. Geen verlichting plaatsen bij in-en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 15
5.2 Vogels 5.2.1 Voorkomen en functie Ransuil Ransuilen bouwen zelf geen nest maar broeden vaak op oude nesten van bijvoorbeeld zwarte kraai of ekster. De ransuil is een jaarrond-soort, wat inhoudt dat de soort gedurende meerdere jaren gebruik kan maken van hetzelfde nest. De ransuil is niet algemeen in ons land en staat op de rode lijst als ‘kwetsbaar’. In het plangebied zijn geen ransuilen waargenomen tijdens de veldbezoeken. Ook zijn geen braakballen of andere sporen aangetroffen.
5.2.2 Resultaten veldonderzoek Verblijfplaatsen van de ransuil zijn jaarrond beschermd. Tijdens het onderzoek zijn geen (jonge) ransuilen gehoord of gezien. Ook zijn geen braakballen of andere sporen aangetroffen.
5.3 Bunzing, hermelijn en wezel 5.3.1 Voorkomen en functie Bunzing, hermelijn en wezel Tijdens de veldonderzoeken is gelet op de aanwezigheid van de bunzing, hermelijn en wezel en zijn cameravallen (Struikrovers) geplaatst. Tijdens de veldbezoeken en op de camerabeelden van twee Struikrovers zijn geen bunzing, hermelijn of wezel aangetroffen. Verblijfplaatsen van deze soorten worden dan ook niet verwacht.
5.3.2 Effecten en ontheffing Negatieve effecten zijn niet te verwachten op de bunzing, hermelijn of wezel. Vaste voortplantings- of rustplaatsen van deze beschermde soorten ontbreken. Conclusie: Negatieve effecten op overige beschermde soorten zijn niet te verwachten. Het aanvragen van een ontheffing is voor overige beschermde soorten niet noodzakelijk. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels.
5.4 Overige waarnemingen Steenuil Tijdens het eerste veldbezoek is een steenuil waargenomen op de boerderij naast het plangebied (Broekhuizerstraat 10). Dit individu is niet waargenomen in het plangebied. De steenuil is aangetroffen op de boerderij aan de overzijde van de weg, deze soort is echter al specifiek onderzocht en beoordeeld door Staring Advies en is derhalve niet in de effectstudie van deze rapportage meegenomen. Steenmarter en andere zoogdieren Uit de analyse van de camerabeelden bleek dat tweemaal een steenmarter voor de cameraval is verschenen (afbeelding 4). Zeer waarschijnlijk betreft dit een exemplaar uit de omgeving van het plangebied.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 16
Afbeelding 4: de steenmarter in het plangebied voor de cameraval.
Naast de steenmarter zijn ook egel, bosspitsmuis sp., bosmuis en rosse woelmuis aangetroffen op de camerabeelden.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 17
6 Conclusie Op basis van het vleermuisonderzoek en vogelonderzoek worden de onderstaande conclusies getrokken.
6.1 Soortenbescherming Uit het flora- en faunaonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en steenmarter. Als gevolg van de geplande werkzaamheden worden tijdelijk negatieve effecten verwacht en treedt verstoring op voor deze soorten. Voor de laatvlieger geldt dat indien in het westelijk deel van het plangebied (zie paragraaf 5.1) een woonwijk wordt ontwikkeld een overtreding niet kan worden voorkomen. Voor de gewone dwergvleermuis geldt dat de aanwezige vliegroute zoals getoond in bijlage 2 behouden moet blijven.
6.2 Ontheffing noodzakelijk Voor de laatvlieger en mogelijk de gewone dwergvleermuis dient een ontheffing aangevraagd te worden. Deze soorten kunnen gezamenlijk in een aanvraag ingediend worden. Om een ontheffing Wet natuurbescherming te verkrijgen voor deze soorten moet: • de gunstige staat van instandhouding gegarandeerd blijven; • invulling gegeven worden aan de zorgplicht; • voldaan worden aan een bij de wet genoemd belang; • er mogen geen alternatieven zijn. Deze gegevens moeten worden uitgewerkt in een projectplan. In het projectplan staat concreet welke werkzaamheden, wanneer, en op welke wijze worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met een onderbouwing van de noodzaak van het project. Een ontheffingsaanvraag moet worden ingediend bij de provincie Gelderland. Maximaal twintig weken na het indienen van de aanvraag wordt er een besluit genomen. Op dat besluit kunnen belanghebbenden nog bezwaar maken. Deze termijnen zijn terug te vinden op de website van de provincie. Concrete maatregelen die genomen moeten worden tijdens de werkzaamheden dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Hierin dienen eveneens de aanvullende voorwaarden verwerkt te worden die voortvloeien uit de ontheffingsaanvraag.
6.3 Uitvoerbaarheid van de plannen Momenteel zijn de plannen nog onvoldoende uitgewerkt om precies vast te stellen wat en welke eventuele effecten zijn te verwachten op de laatvlieger (essentieel foerageergebied) en de gewone dwergvleermuis (vliegroute). Zodra deze plannen concreet zijn kan bepaald worden of de plannen binnen de kaders van de wetgeving uitgevoerd kunnen worden. Geadviseerd wordt de aangetroffen foerageergebieden en de vliegroute te behouden.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 18
6.4 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 19
Literatuurlijst • • • • •
•
Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. ESRI Nederland (2019). https://www.esri.nl/nl-nl/home Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur (2017). Vleermuisprotocol 2017. Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2020). Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 oktober 2020, DGNVLG/20246331, houdende vaststelling van een geactualiseerde Rode Lijst Zoogdieren. Norren, E. van, J. Dekker en H. Limpens, 2020. Basisrapport Rode Lijst Zoogdieren 2020 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. Rapport 2019.026. Zoogdiervereniging, Nijmegen
Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl Soorten: Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Bij12, versie 1.0, Utrecht.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 20
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).
De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern 1 Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 21
Figuur 1: Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 22
Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.
Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Zie kader – Staat van instandhouding). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 23
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en het plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.
Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 24
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 25
Bijlage 2 Soortkaart vleermuizen
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 26
Fokkenkamp, Wehl | Eelerwoude | 27
www.eelerwoude.nl