Bijlage 1_13 Toelichting bijlage 7 - Aanvullend steenuilonderzoek Fokkenkamp in Wehl.pdf
Tekst van het document
Aanvullend steenuilonderzoek Fokkenkamp in Wehl In opdracht van Gemeente Doetinchem
Colofon Aanvullend steenuilonderzoek Fokkenkamp in Wehl
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Doetinchem Dhr. Y. Horstink
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2267 Ing. R. Boerboom S.J.J. Wamelink 01 mei 2021 Steenuil (foto: B. Breetveld)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud
Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
6
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 7
Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 8 3.1
Onderzoeksmethode ............................................................................................ 8
3.2
Resultaten ............................................................................................................ 9
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 13 4.1
Toetsing aan Wet natuurbescherming ................................................................. 13
4.2
Steenuil .............................................................................................................. 13
Conclusie ................................................................................................................... 17
Bijlage 1
Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 19
Samenvatting Uit het gericht onderzoek naar de steenuil blijkt er door dat de geplande woningbouw in het plangebied ‘Fokkenkamp’ in Wehl een essentieel gedeelte van het foerageergebied van de steenuil verdwijnt. Om het verlies aan foerageergebied te compenseren moet het overgebleven leefgebied versterkt worden. Het compensatieplan dient door de provincie Gelderland goedgekeurd te worden middels een ontheffingsaanvraag. Dit zijn uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om woningbouw te realiseren in het plangebied ‘Fokkenkamp’ in Wehl. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de jaarrond beschermde steenuil. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van gemeente Doetinchem. Het bureau deed literatuuronderzoek en voerde veldonderzoek op de locatie uit.
Pagina 3
1 Inleiding en doel 1.1
Inleiding
De gemeente Doetinchem heeft plannen voor woningbouw in het gebied Fokkenkamp in Wehl. Voor de voorgenomen activiteiten verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Op basis van een eerste risicoanalyse door de gemeente Doetinchem is gebleken dat het plangebied mogelijk deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de beschermde steenuil. De gemeente Doetinchem heeft Staring Advies gevraagd voor het uitvoeren van gericht steenuilonderzoek. Het gericht onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of deze beschermde soort voorkomt binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen en om vervolgens te beoordelen in hoeverre sprake is van negatieve effecten op de steenuil.
1.2
Doel
Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande woningbouw sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van steenuil. Voor overige beschermde soorten is een quickscan natuurtoets uitgevoerd (SA rapport 2266) om te beoordelen of de plannen een negatief effect hebben op overige beschermde soorten.
Pagina 4
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1
Gegevens plangebied
Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
2.2
Fokkenkamp Wehl Doetinchem Gelderland
Beschrijving van het plangebied
Het plangebied ‘Fokkenkamp’ is gelegen aan de noordrand van de bebouwde kom van Wehl. Het plangebied wordt globaal begrenst door de Broekhuizerstraat (de N318) aan de noordzijde, de Doesburgseweg aan de zuid- en westzijde en de Fokkenkampseweg aan de oostzijde (zie figuur 1). Het plangebied bestaat uit een afwisseling van agrarische percelen (mais), begraasde terreindelen, een paardenbak, gazons o.a. in gebruik als trapveldje, een hondenlosloop terrein ingericht met solitaire bomen en struweel en lijnvormige groenstructuren. Het plangebied kent een gesloten landschappelijke structuur door diverse landschappelijke lijnvormige elementen bestaande uit bomen- en struweelsingels. Bebouwing is aanwezig in westelijk deel van de planlocatie bestaande uit een clubgebouw van de plaatselijke scouting (zie figuur 2). De omgeving van het plangebied bestaat uit de bebouwde kom van Wehl en uit het buitengebied ten noorden van Wehl, met een afwisseling van agrarische percelen, boerenbedrijven, woonerven, lijnvormige groenstructuren en infrastructuur (zie figuur 1).
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied
Binnen het plangebied bevinden zich geen potentiele nestlocaties van de steenuil. Het gebied, kan door de aanwezigheid van geschikt jachtbiotoop wel tot het functioneel leefgebied van in de omgeving broedende steenuilen behoren. Om het eventuele verstorend effect van de geplande activiteiten op de jaarrond beschermde steenuil in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is daarom een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. De omvang van dit gebied is in de orde van minimaal 500 meter om de relaties met eventueel aanwezige territoria van de steenuil in beeld te brengen. Deze zone wordt aangeduid als ‘onderzoeksgebied’. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied ‘Fokkenkamp’, wordt bepaald door agrarische percelen, enkele boerenerven, lijnvormige beplantingen en een sportpark (zie figuur 2). Het onderzoeksgebied concentreert zich met name aan de noordzijde van het plangebied, aangezien er aan de zuidzijde geen geschikte nestlocaties voor de soort te verwachten zijn.
Pagina 5
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).
Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (geel) met daarbinnen het plangebied (rood), bron: Google Earth (2021).
Pagina 6
2.4 Geplande werkzaamheden Gemeente Doetinchem heeft plannen voor woningbouw in het plangebied ‘Fokkenkamp’ aan de noordzijde van de bebouwde kom van Wehl. Op dit moment is er nog geen informatie over het aantal woningen en de verdere inrichting van het plangebied.
Pagina 7
3 Het ecologisch onderzoek Mogelijk is het plangebied onderdeel van het functioneel leefgebied van de steenuil. Gericht onderzoek is dan ook noodzakelijk om te bepalen of er zich territoria van de steenuil bevinden binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden en om vervolgens te bepalen in hoeverre het plangebied in gebruik is als functioneel leefgebied door de steenuil. In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en resultaten van het veldonderzoek besproken.
3.1
Onderzoeksmethode
De steenuil is een gebouwbewonende soort waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze soort is erg trouw aan de broedlocatie. Het plangebied, bestaande uit een afwisseling van agrarische percelen (mais), begraasde terreindelen, een paardenbak, gazons o.a. in gebruik als trapveldje, een hondenlosloop terrein ingericht met solitaire bomen en struweel en lijnvormige groenstructuren is gedeeltelijk geschikt als functioneel leefgebied voor de soort. Met name de paarden- en schapenweides in het gebied zijn geschikt als jachtbiotoop voor de soort. Mogelijk is er sprake van een vaste rust- en verblijfplaats en nestlocatie voor de steenuil in de omgeving van het plangebied. Hierdoor is het mogelijk dat het plangebied tot het functioneel leefgebied van de soort behoort. Gericht onderzoek is dan ook noodzakelijk om te bepalen of er zich territoria van de steenuil bevinden binnen de invloedsfeer van de geplande werkzaamheden en om vervolgens te bepalen in hoeverre het plangebied in gebruik is als functioneel leefgebied door de steenuil. Conform de richtlijnen uit de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017), van het Netwerk Groene Bureaus) zijn hiervoor 3 avondronden en één dagbezoek (zoeken naar sporen en nestplekken) in de periode 1 februari tot en met 30 april uitgevoerd. Ook is navraag gedaan bij de steenuilenwerkgroep STONE.
Onderzoeker
Ronde
Datum
Begintijd
Eindtijd
R. Boerboom
avondronde 1
22-3-2021
19.20 uur
21.00 uur
R. Boerboom
dagbezoek
31-3-2021
12.47 uur
14.30 uur
R. Boerboom
avondronde 2
1-4-2021
20.45 uur
22.00 uur
R. Boerboom
avondronde 3
19-4-2021
21.16 uur
22.00 uur
Weersomstandigheden Bewolkt, droog, 6,5°C, wind 0 Bft Onbewolkt, droog, 18,5°C, wind 1 Bft Onbewolkt, droog, 8,5-6°C, wind 2-3 Bft Licht bewolkt, droog, 12-10°C, wind 0 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek steenuil.
Pagina 8
3.2
Resultaten
Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
3.2.1 Veldonderzoek Avondronde 1 Tijdens het eerste avondbezoek op 22 maart zijn op twee locaties territoriale/roepende steenuilen gehoord. Het betreft de Keppelseweg 32 en 34, ten noordoosten van het plangebied. Vanaf beide locaties is tegelijkertijd een roepend mannetje gehoord. Avondronde 2 Tijdens de tweede avondronde zijn wederom op twee locaties roepende steenuilen gehoord. Het betrof ditmaal de Doesburgseweg 23, direct ten westen van het plangebied, en in een linde langs de Keppelseweg, ten hoogte van nummer 32. Het betreft hier vermoedelijk het steenuilenpaar van de Keppelseweg 32, gezien de beperkte fysieke afstand tot deze locatie. Bij de Doesburgseweg 23 zijn zowel het vrouwtje als het mannetje roepend gehoord. Bij de Keppelseweg 32 is alleen een roepend mannetje gehoord. Avondronde 3 Tijdens de derde avondronde is geen activiteit van steenuilen waargenomen. Dagbezoek Op 31 maart is, in combinatie met een quickscan natuurtoets voor overige beschermde soort(groep)en het plangebied onderzocht op mogelijke nestlocaties voor de steenuil en is tevens gezocht naar verse sporen als uitwerpselen, braakballen, veren of prooiresten. Ook is in de omgeving van het plangebied gezocht naar geschikte nestlocaties. Daarnaast is beoordeeld in hoeverre het plangebed geschikt is als leefgebied voor de soort. Tijdens de daginspectie zijn geen steenuilen waargenomen in het plangebied.
In het plangebied hangen geen steenuilenkasten en zijn geen overige geschikte nestgelegenheden aanwezig. Het aanwezige scoutinggebouw is ongeschikt voor de steenuil. Er zijn binnen het plangebied verder geen sporen als braakballen, eierschalen, veren, prooiresten of uitwerpselen gevonden. Bij het woonerf van de Doesburgseweg 23, net ten westen van het plangebied, is tijdens de tweede avondronde een steenuilen territorium vastgesteld. Zowel het mannetje als het vrouwtje zijn roepend waargenomen op het erf. Hier hangt een steenuilenkast in een berk achterop het erf. Het vrouwtje is roepend vanuit of nabij deze kast gehoord. Bij overige erven in de directe omgeving van het plangebied zijn geen steenuilenkasten aangetroffen. Verschillende delen van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied of uitkijkpost voor de steenuil. De analyse van het leefgebied wordt in hoofdstuk 4 verder behandeld.
Pagina 9
3.2.2 Bronnenonderzoek NDFF Vanuit de omgeving van het plangebied zijn diverse recente waarnemingen (van broedgevallen) van de steenuil bekend. Onder andere van de erven aan de Kruisstukweg, de Kleindorpseweg en de Keppelseweg zijn broedgevallen bekend op basis van gegevens van het nestkaartenproject van SOVON Vogelonderzoek Nederland (bron: NDFF). Deze nestlocaties bevinden zich op meer dan 300 meter afstand van het plangebied (zie figuur 3). Het betreft de volgende locaties, met de afstanden tot het plangebied: • • • •
Keppelseweg 30: Keppelseweg 34: Kleindorpseweg 10: Kruisstukweg 25:
310 meter 575 meter 700 meter 380 meter
Keppelseweg 34
Kleindorpseweg 10 Keppelseweg 30
Kruisstukweg 25
Figuur 3. Recente waarnemingen van bekende nestlocaties van de steenuil (blauwe cirkels) vanuit de omgeving van het plangebied (rood), bron: NDFF).
STONE Steenuilenoverleg Nederland Vrijwilligers van STONE controleren jaarlijks de bekende nestkasten binnen hun regio. Het broedsucces wordt bepaald. Hiermee worden gegevens over legdata, legselgrootte,
Pagina 10
nestsucces, het aantal uitgevlogen jongen en eventuele redenen van mislukken van nesten verzameld. Aanwezige kuikens worden gewogen en geringd. De resultaten worden vastgelegd in het Meetnet Nestkaarten van SOVON Vogelonderzoek Nederland. Deze gegevens zijn weer ondergebracht in de NDFF. In overleg met de regio coördinator van STONE zijn de gegevens via de NDFF geraadpleegd.
3.2.3 Samenvatting steenuilonderzoek Op basis van de bevindingen van het veldonderzoek en de literatuurstudie blijkt dat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen of nestlocaties van de steenuil binnen het plangebied zijn. Net buiten het plangebied, aan de Doesburgseweg 23, is wel sprake van een territorium. Hier is tijdens het veldonderzoek een steenuilenpaar waargenomen. Vanuit het waarnemingenarchief van Staring Advies zijn al vanuit 2004 waarnemingen bekend van territorium indicerende steenuilen van dit adres. Door de ligging direct naast het plangebied is de conclusie dat het plangebied onderdeel is van het functioneel leefgebied van dit steenuilenpaar. Gebruik van het plangebied door overige steenuilenterritoria in de omgeving, zoals de bekende locaties aan de Keppelseweg, Kleindorpseweg en Kruisstukweg, wordt niet verwacht of beperkt zich hooguit tot een incidenteel bezoek. Door de concurrentie met het steenuilenpaar aan de Doesburgseweg 23, de fysieke afstand tot het plangebied, de mogelijke barrièrewerking van de tussenliggende provinciale wegen en de aanwezigheid van voldoende geschikt leefgebied direct rondom de nestlocaties is geen sprake van functioneel leefgebied van overige steenuilenparen.
Figuur 4. Nestlocaties steenuil (oranje) in relatie tot het Fokkenkamp (rood), op basis van nestgegevens STONE, NDFF en gericht veldonderzoek 2021. Met groen zijn geschikte foerageergebieden binnen het plangebied aangegeven die mogelijk tot het functioneel leefgebied van de steenuil behoren.
Pagina 11
Foerageergebied Door de aanwezigheid van een steenuil territorium net buiten het plangebied behoort een deel van het plangebied voor de woningbouw vermoedelijk tot het functioneel leefgebied van dit steenuilenpaar. Het betreft de nestlocatie aan de Doesburgseweg 23. Het plangebied bestaat deels uit ongeschikte terreindelen, zoals de maisakkers aan de oostzijde en de paardenbak centraal in het plangebied. Met name de opgaande groenstructuren, ruige hoekjes en de grazige terreindelen zijn wel geschikt als foerageergebied voor de steenuil. Kort gemaaide of begraasde weilanden zijn belangrijk voor het vangen van regenwormen en veldmuizen. In houtwallen, houtstapels en ruigtes zijn insecten zoals meikevers, loopkevers, nachtvlinders en rupsen te vinden. Deze percelen binnen het plangebied hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 1,65 hectare (zie figuur 5). Door de geplande woningbouw verdwijnen deze terreindelen of raken ongeschikt door een toename van verstoring door licht, geluid, menselijke activiteit en eventuele barrièrewerking door toekomstige woningen of infrastructuur.
Pagina 12
4 Wet natuurbescherming 4.1
Toetsing aan Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Van de steenuil zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en/of de nestlocaties jaarrond beschermd. Ook het leefgebied dat van belang is voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats is beschermd. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld functioneel leefgebied (migratieroutes of foerageergebieden) ook beschermd zijn. De effecten op de steenuil en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden en de relevante verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 5).
4.2
Steenuil
4.3.1 Gebruik van het plangebied In het plangebied bevinden zich geen voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- of verblijfplaatsen van de steenuil. Net buiten het plangebied, aan de Doesburgseweg 23, is wel sprake van een territorium, waardoor het plangebied onderdeel is van het functioneel leefgebied van deze steenuilen. In de omgeving van het plangebied zijn nog enkele territoria van de steenuil aanwezig (zie figuur 4). Deze territoria overlappen deels ook met het steenuilenpaar van de Doesburgseweg 23. Analyse territorium De gemiddelde territoriumgrootte is circa 5 – 30 hectare (bron: Soortenstandaard Steenuil, Ministerie van Economische Zaken). De foerageergebieden liggen, met name in het broedseizoen, binnen 300 meter afstand van de nestlocatie (bron: Soortenstandaard Steenuil, Ministerie van Economische Zaken). Op basis van de habitateisen van de
Pagina 13
steenuil, veldwaarnemingen en de ligging van de nestlocaties in de omgeving van het plangebied is een inschatting gemaakt van het gebiedsgebruik en de omvang van het functioneel leefgebied van minimaal één steenuilenpaar nabij het plangebied (Doesburgseweg 23). Op basis hiervan blijkt dat het plangebied gedeeltelijk binnen het leefgebied van dit steenuilenpaar valt. Incidenteel gebruiken ook in de verdere omgeving broedende steenuilen mogelijk het plangebied, maar door de fysieke afstand tot deze percelen, de mogelijke barrièrewerking van de provinciale weg (N813) en de beschikbaarheid van voldoende foerageergebied dichterbij de nestlocaties zal gebruik van plangebied incidenteel zijn. Het territorium aan de Kruisstukweg 25, ten noordwesten van het plangebied, overlapt voor een deel wel met de het territorium aan de Doesburgseweg 25 (zie figuur 5).
Figuur 5. Analyse leefgebied steenuil Doesbugseweg 23. Overlap met het territorium van de Kruisstukweg 25 is met de zwarte cirkel weergegeven.
Pagina 14
Territorium Doesburgseweg 23 Binnen dit territorium is circa 9,2 hectare geschikt foerageergebied aanwezig binnen een straal van 300 meter rond de nestlocatie (zie figuur 7). Er is vermoedelijk wel sprake van overlap met de territoria van de Kruisstukweg 25. Ongeschikte delen zijn de maisakkers, een sportcomplex en de bebouwde kom van Wehl. Ook de aangrenzende bermen en greppels langs de N813 zijn geschikt als foerageergebied voor de steenuil. De inschatting is dat het steenuilenpaar aan de Doesburgseweg met name gebruik maakt van de geschikte foerageergebieden aan de zuidzijde van de N813. Deze weg vormt vermoedelijk een harde grens tussen de twee territoria. Ten zuiden van deze weg is (buiten het plangebied ‘Fokkenkamp’) nog een kleine 3 hectare geschikt foerageergebied beschikbaar. Vermoedelijk was het foerageergebied van dit steenuilenpaar in het verleden groter, maar door woningbouw in de noordrand van de bebouwde kom van Wehl zijn geschikte foerageergebieden verloren gegaan. Buiten het broedseizoen is het mogelijk dat ook foerageergebieden op ruimere afstand van de verblijfplaats gebruikt worden. Buiten de straal van 300 meter is meer geschikt foerageergebied aanwezig, in de vorm van graslanden en enkele houtwallen.
Door de geplande woningbouw gaat er voor dit steenuilenpaar binnen de straal van 300 meter circa 1,65 hectare geschikt leefgebied verloren. Daarmee blijft er nog circa 7,5 hectare geschikt leefgebied over. De overgebleven oppervlakte ligt boven de minimum territoriumgrootte van 5 hectare, die in de Soortenstandaard Steenuil gehanteerd wordt. Er is echter sprake van overlap met het territorium aan de Kruisstukweg 25, waardoor twee steenuilenparen min of meer dezelfde percelen zullen gebruiken als foerageergebied. En mogelijk worden alleen foerageergebieden ten zuiden van de N813 gebruikt. Dit betreft tezamen slechts 3 hectare. Door de concurrentie van het naburige steenuilenpaar en de barrièrewerking van de provinciale weg (N813) kan het plangebied als essentieel leefgebied beschouwd worden. De inschatting is dat de functionaliteit van dit territorium dan ook mogelijk wordt aangetast als deze percelen omgezet worden woonkavels. Conclusie effectbeoordeling steenuil In het plangebied bevinden zich geen voortplantingsplaatsen en/of vaste rust- of verblijfplaatsen van de steenuil. Er bevindt zich wel een steenuilen territorium in de nabijheid van het plangebied. Mede door overlap/concurrentie met nog een territorium en de mogelijke barrièrewerking van de N813 kunnen delen van het plangebied als essentieel foerageergebied gezien worden (zie figuur 6).
Dit geldt specifiek voor het steenuilenpaar van de Doesburgseweg 23. Door de geplande woningbouw zal er sprake zijn van ruimtebeslag op een essentieel deel van het functioneel leefgebied. De functionaliteit van (met name) de vaste rust en verblijfplaats van de steenuil aan de Doesburgseweg 23 komt daarmee in het geding. Om het verlies aan circa 1,65 hectare foerageergebied te compenseren moet het overgebleven leefgebied versterkt worden. Dit kan bijvoorbeeld door ongeschikte maisakkers om te zetten in geschikt foerageergebied (kort gemaaide of begraasde
Pagina 15
weilanden met paaltjes erlangs), houtwallen aan te planten en (begraasde) fruitboomgaarden te realiseren. Het compensatieplan dient door de provincie Gelderland goedgekeurd te worden middels een ontheffingsaanvraag.
Pagina 16
6 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Door de geplande woningbouw in het plangebied ‘Fokkenkamp’ in Wehl verdwijnt er een essentieel gedeelte van het foerageergebied van de steenuil. Om het verlies aan foerageergebied te compenseren moet het overgebleven leefgebied versterkt worden. Het compensatieplan dient door de provincie Gelderland goedgekeurd te worden middels een ontheffingsaanvraag.
Pagina 17
Bijlagen 1
Wettelijk kader Wet natuurbescherming
Pagina 18
Bijlage 1
Wettelijk kader Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 19
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 20
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 21
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 22
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 23
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Pagina 24
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •
ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;
Pagina 25
b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.
Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •
•
dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of
c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.
Pagina 26
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl
Pagina 27