CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1_12 Toelichting bijlage 6 - Quickscan natuurtoets Fokkenkamp in Wehl.pdf

gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6.3: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Wehl Fokkenkamp11.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets Fokkenkamp in Wehl In opdracht van Gemeente Doetinchem

Colofon Quickscan natuurtoets Fokkenkamp in Wehl

Opdrachtgever Contactpersoon

Gemeente Doetinchem Dhr. Y. Horstink

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2266 Ing. R. Boerboom S.J.J. Wamelink 09 april 2021 Plangebied (foto: R. Boerboom)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Beschermde status plangebied .................................................................................... 6 3.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7

3.2

Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7

3.3

Natura 2000 .......................................................................................................... 9

3.4

Houtopstanden ................................................................................................... 11

Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 12 4.1

Methode ............................................................................................................. 12

4.2

Resultaten .......................................................................................................... 13

5

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 23

6

Conclusie ................................................................................................................... 28

Bijlage 1

Impressie plangebied ..................................................................................... 30

Bijlage 2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 31

Bijlage 3

Beschermde plant- en diersoorten.................................................................. 39

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen woningbouw in het plangebied ‘Fokkenkamp’ in Wehl aanvullend onderzoek naar ransuil, steenuil en foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen noodzakelijk is. Aanvullend onderzoek naar overige beschermde soort(groep)en flora of fauna is niet noodzakelijk. Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met (overige) broedvogels. Indien werkzaamheden en activiteiten plaatsvinden buiten het broedseizoen is de kans op conflicten met broedende vogels het kleinst. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of een vergunningsaanvraag met betrekking tot stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken” en andere Natura 2000-gebieden noodzakelijk is. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor het Gelders Natuurnetwerk is niet aan de orde. Een aantal van de opgaande groenstructuren binnen het plangebied voldoet aan de criteria voor beschermde houtopstanden. Indien er sprake is van het verwijderen van deze groenstructuren is een kapmelding bij de provincie Gelderland noodzakelijk. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen voor woningbouw in het plangebied ‘Fokkenkamp’ in Wehl.

Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de Gemeente Doetinchem. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.

Pagina 3

1

Inleiding en doel

1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. Er zijn plannen voor woningbouw in het plangebied ‘Fokkenkamp’ in Wehl. De gemeente Doetinchem is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om de quickscan natuurtoets uit te voeren.

1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.

Pagina 4

2

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden

2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Fokkenkamp Wehl Doetinchem Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied ‘Fokkenkamp’ is gelegen aan de noordrand van de bebouwde kom van Wehl. Het plangebied wordt globaal begrenst door de Broekhuizerstraat (de N318) aan de noordzijde, de Doesburgseweg aan de zuid- en westzijde en de Fokkenkampseweg aan de oostzijde (zie figuur 1). Het plangebied bestaat uit een afwisseling van agrarische percelen (mais), een paardenbak, gazons o.a. in gebruik als trapveldje en een hondenlosloop terrein. In het plangebied zijn solitaire bomen, struweel en lijnvormige groenstructuren aanwezig. Bebouwing is aanwezig in westelijk deel van de planlocatie bestaande uit een clubgebouw van de plaatselijke scouting (zie figuur 2 en bijlage 1). De omgeving van het plangebied bestaat uit de bebouwde kom van Wehl en uit het buitengebied ten noorden van Wehl, met een afwisseling van agrarische percelen, boerenbedrijven, woonerven, lijnvormige groenstructuren en infrastructuur (zie figuur 1).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door de noordrand van de bebouwde kom van Wehl en een gedeelte van het buitengebied van Wehl, met een afwisseling van agrarische percelen, boerenbedrijven, woonerven, lijnvormige groenstructuren en infrastructuur (zie figuur 2).

2.4 Geplande werkzaamheden Gemeente Doetinchem heeft plannen voor woningbouw in het plangebied ‘Fokkenkamp’ aan de noordzijde van de bebouwde kom van Wehl. Op dit moment is er nog geen informatie over het aantal woningen en de verdere inrichting van het plangebied.

Pagina 5

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).

Figuur 2. Luchtfoto van het onderzoeksgebied (geel) met daarbinnen het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).

Pagina 6

3

Beschermde status plangebied

3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden.

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN/GNN. De kernkwaliteiten van het NNN/GNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten.

Pagina 7

Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). In de ruime omgeving van het plangebied liggen verschillende bos- en natuurgebieden die zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Het betreft onder andere het Stille Wald ten zuidwesten van het plangebied, de Kruisbergsche Bosschen ten noordoosten van het plangebied en het Bergherbos ten zuiden van het plangebied. Ook de Oude IJssel ten noordoosten van het plangebied is aangewezen als bestaande natuur. Tussen deze gebieden liggen GO’s als ecologische verbindingszones.

Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN (donkergroen) en de GO (lichtgroen), bron: Provincie Gelderland 2021.

Pagina 8

3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren of indirecte verstoringsfactoren, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een (significante) toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied “Rijntakken” en overige Natura 2000-gebieden.

3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” ligt op circa 7,5 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4). Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand, vanaf ruim 11 kilometer. Door de aard en de beperkte omvang van de werkzaamheden en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied “Rijntakken” en overige Natura 2000-gebieden, worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn, met uitzondering van effecten door stikstofdepositie, op voorhand uit te sluiten door de ruime afstand tot Natura 2000gebieden en de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten. Stikstofdepositie In veel Natura 2000-gebieden is stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats.

Ook in het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken is sprake van overbelasting door stikstof (bron: www.natura2000.nl/gebieden). De afspraken over stikstof staan in de gebiedsanalyse van het betreffende Natura 2000-gebied. Alleen als de hoeveelheid op termijn vermindert, zijn nieuwe bedrijfsactiviteiten met stikstofuitstoot mogelijk. In het

Pagina 9

plangebied wordt woningbouw gerealiseerd. Door de inzet van werktuigen tijdens de realisatiefase en een mogelijke toename van verkeersbewegingen in de gebruiksfase is een toename van stikstofdepositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. Een stikstofberekening is noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een (significante) toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de geplande activiteiten.

Veluwe

Rijntakken

Emmericher Ward

Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach Hetter-Millinger Bruch

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied “Rijntakken” en overige Natura 2000-gebieden), bron: http://natura2000.eea.europa.eu/ (2021).

Pagina 10

3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is mogelijk noodzakelijk.

3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.

3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom (zie figuur 1). Een aantal van de opgaande groenstructuren binnen het plangebied voldoet aan de criteria voor beschermde houtopstanden. Indien er sprake is van het verwijderen van deze groenstructuren is een kapmelding bij de provincie Gelderland noodzakelijk.

Pagina 11

4

Beschermde soorten plangebied

4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten, uit de afgelopen 10 jaar.

4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

Ing. R. Boerboom

1

31-03-2021

12:47 uur

Onbewolkt, droog, 18,5°C, windkracht 1 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 12

4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kan wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal nationaal en internationaal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •

•

Nationaal beschermde soorten: boommarter, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis en wezel1. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van enkele beschermde amfibieënsoorten: •

Nationaal beschermde soort: bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander1.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten.

1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de boommarter, bunzing, steenmarter en wezel, in de provincie

Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 13

4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat uit intensief gebruikt grasland, opgaande groenstructuren, een paardenbak, hondenlosloopterrein en agrarische percelen. In de groenstructuren staan soorten als zomereik, hazelaar, eenstijlige meidoorn, haagbeuk, ruwe berk, Spaanse aak, hulst en gewone vlier. Verspreid in het plangebied groeit een enkele jonge wilg. De natuurlijke begroeiing bestaat hoofdzakelijk uit algemene soorten van voedselrijke omstandigheden, zoals stinkende gouwe, klimop, gewoon speenkruid, paarse dovenetel, maarts viooltje, grote brandnetel, akkerkool, klimopereprijs, gewone vogelmelk, kleefkruid, winterpostelein en fluitenkruid. In het hondenlosloopterrein en langs de akkerranden groeien plaatselijk soorten van minder voedselrijke omstandigheden als klein vogelpootje, schapenzuring, reigersbek, Sint-Janskruid, akkerviooltje en gewoon biggenkruid. Ook groeien her en der verwilderde tuinplanten als gewoon sneeuwklokje, wilde/Spaanse hyacint en hemelsleutel. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Op de gevels van de bebouwing binnen het plangebied groeien geen muurvegetaties.

Bijzondere vegetaties met kenmerkende of beschermde plantensoorten worden in het plangebied niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het onderzoeksgebied: tjiftjaf, roodborst, zwartkop, groenling, boomkruiper, houtduif, grote bonte specht, heggenmus, huismus, buizerd, merel, appelvink en vink. In het plangebied en net hierbuiten zijn enkele oude nesten van vermoedelijk houtduif aangetroffen. Ook zijn drie nesten van ekster of zwarte kraai aangetroffen. Bij deze nesten is geen activiteit van deze soorten waargenomen. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Er zijn geen overige jaarrond beschermde vogelsoorten in het plangebied en waargenomen. Buiten het plangebied zijn de buizerd en huismus waargenomen. Enkele nesten van ekster of zwarte kraai in het plangebied kunnen gebruikt worden als nestlocatie door de ransuil.

Pagina 14

Boomvalk, buizerd, havik, sperwer en wespendief Tijdens het veldbezoek zijn buiten het plangebied enkele hoog overvliegende (cirkelende) buizerds waargenomen. Buizerds broeden in forse bomen, voornamelijk in bossen en soms in grote parken of andere bosjes in halfopen landschap. In het plangebied en de directe omgeving zijn wel verschillende bomen die van voldoende omvang zijn om als nestboom te fungeren, maar deze bomen bieden onvoldoende rust en dekking voor de buizerd of andere boombewonende soorten als boomvalk, havik, sperwer en wespendief om er te broeden. Nesten kunnen bijvoorbeeld verwacht worden in het buitengebied van Wehl, waar verschillende bosschages te vinden zijn die wel geschikt zijn als nestlocatie. In het plangebied zijn geen sporen van bovenstaande roofvogels gevonden, zoals plukplaatsen, prooiresten, uitwerpselen of veren. Ook zijn er geen horsten van roofvogels aangetroffen. Incidenteel kan een foeragerend of overvliegend exemplaar van de buizerd of sperwer in het plangebied worden waargenomen, maar het plangebied is niet van belang voor de functionaliteit van het leefgebied van deze soorten. Gierzwaluw en huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn verspreide waarnemingen van deze twee jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoorten bekend. De waarnemingen komen met name van locaties binnen de bebouwde kom van Wehl (bron: NDFF).

Tijdens het veldbezoek zijn geen gierzwaluwen gezien. Voor de gierzwaluw is dit ook niet mogelijk in januari, aangezien deze soort in Afrika overwintert. Bij de woning aan de Doesburgseweg 23, ten noordwesten van het plangebied, zijn enkele roepende huismussen gehoord. Gierzwaluwen en huismussen zijn koloniebroeders die hun verblijfplaatsen doorgaans hebben in bebouwing. Nestlocaties liggen vaak in ruimtes tussen dakpannen en het dakbeschot, achter dakgootbekisting of in scheuren of spleten van muren van gebouwen. Het scoutinggebouw binnen het plangebied is niet toegankelijk en biedt geen geschikte nestlocaties voor deze soorten, zoals ruimte onder dakpannen, achter regenpijpen, op balken of in speciale nestkasten. Foeragerende huismussen kunnen in het plangebied incidenteel voorkomen, met name langs de randen nabij de Doesburgseweg 23. De aanwezige groenstructuur langs de Doesburgseweg zal incidenteel door huismussen als rustplek of schuilplaats gebruikt worden, maar er is geen sprake van een essentieel foerageergebied. Dit bevindt zich waarschijnlijk op het erf van de Doetinchemseweg 23 en naastgelegen tuinen. De gierzwaluw foerageert tijdens de vlucht en enige binding met het plangebied is voor deze soort uitgesloten.

Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van overvliegende en pleisterende grote gele kwikstaarten bekend (bron: NDFF). Het betreft allen waarnemingen buiten het broedseizoen van de soort. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen in het onderzoeksgebied. In Nederland broedende grote gele kwikstaarten hebben hun leefgebied hoofdzakelijk bij snelstromende en meanderende beken. Nestlocaties zijn onder andere holle oevers met boomwortels en bouwwerken, zoals sluizen, stuwen en watermolens. In het onderzoeksgebied ontbreekt het aan geschikte

Pagina 15

broedlocaties voor de grote gele kwikstaart. Daarnaast ligt het plangebied ver buiten de bekende en traditionele broedlocaties in de oostelijke Achterhoek, Twente en Limburg. Het plangebied is geen (essentieel) leefgebied voor deze soort. Sporadisch kan een foeragerende, overvliegende of rustende grote gele kwikstaart in het onderzoeksgebied aangetroffen worden. Ooievaar Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van overvliegende en foeragerende ooievaars bekend (bron: NDFF). De ooievaar is tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Voor de ooievaar ontbreken nestlocaties in de vorm van kunstnesten op palen of daken van gebouwen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is geen functioneel leefgebied voor deze soort. Steenuil Vanuit de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen van (broedgevallen) van de steenuil bekend. Onder andere van woonerven aan de Kruisstukweg, de Kleindorpseweg en de Keppelseweg zijn broedgevallen bekend (bron: NDFF). Deze nestlocaties bevinden zich op meer dan 300 meter afstand van het plangebied. Het plangebied kan echter wel onderdeel zijn van het leefgebied van de soort. Uit een eerste analyse uitgevoerd door de gemeente Doetinchem is beoordeeld dat delen van het plangebied geschikt zijn als foerageergebied voor de steenuil. Het betreft de paardenwei, het hondenlosloopterrein en een schapenweide.

De schapenweide was ten tijde van het veldbezoek recent omgeploegd en zal vermoedelijk ook als maisakker gebruikt worden. Dit perceel is hiermee niet of nauwelijks nog geschikt als foerageergebied. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied verder geen gebruikssporen van steenuilen, zoals braakballen, veren, prooiresten of uitwerpselen aangetroffen. Ook hangen er geen steenuilenkasten, waarmee een nestlocatie uitgesloten is. Gericht onderzoek moet aantonen of er sprake is van functioneel leefgebied van steenuilen die in de nabijheid van het plangebied broeden. Dit onderzoek wordt door Staring Advies, in opdracht van de gemeente Doetinchem, uitgevoerd in het veldseizoen van 2021.

Pagina 16

Ransuil In het onderzoeksgebied zijn enkele nesten van ekster en/of zwarte kraai aangetroffen die door de jaarrond beschermde ransuil als nestlocatie gebruikt kunnen worden (zie foto 1 en 2).

Foto 1 en 2. Nesten van ekster en/of zwarte kraai die door de jaarrond beschermde ransuil gebruikt kunnen worden als nestlocatie (foto’s: R. Boerboom).

Uit de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de ransuil bekend. Verderop uit de bebouwde kom van Wehl en uit het nabijgelegen bosgebied Stille Wald zijn waarnemingen van de soort bekend, ook van pas uitgevlogen jongen (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek is de soort niet aangetroffen in het onderzoeksgebied. Ook zijn er geen sporen als uitwerpselen of braakballen aangetroffen. In de bomen binnen het plangebied is een nestlocatie van de ransuil echter niet uit te sluiten. Het plangebied is door de aanwezige opgaande groenstructuren, graslandpercelen, bermen en parkachtige beplanting tevens geschikt als jachtgebied voor de ransuil. Roek Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele roekenkolonies bekend (bron: NDFF). Er is onder andere een kleine kolonie in een bomenrij aan de Keppelseweg, ten noordoosten van het plangebied aanwezig (bron: NDFF). De roeken foerageren hoofdzakelijk op de omliggende agrarische percelen. Een aantal bomen in het plangebied is potentieel geschikt als nestlocatie. Hier zijn echter geen recent gebruikte roekennesten aangetroffen. Het plangebied is plaatselijk marginaal geschikt als foerageergebied voor de roek, maar niet van essentieel belang voor de functionaliteit van de nestlocaties van in de omgeving broedende roeken.

Pagina 17

Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied niet van belang als nestlocatie of functioneel leefgebied. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn met uitzondering van enkele muizenholen geen (sporen) van zoogdieren aangetroffen in het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is geschikt als leefgebied en foerageergebied voor verschillende soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, eekhoorn, egel, haas, konijn, steenmarter, wezel en diverse soorten (spits)muizen. De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde boommarter, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis en wezel voor de omgeving van het plangebied. Voor de genoemde soorten geldt, met uitzondering van de boommarter, bunzing, steenmarter en wezel, in de provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Boommarter Van de strikt beschermde boommarter is een waarneming van een verkeersslachtoffer bekend van de Keppelseweg, ten noordoosten van het plangebied (bron: NDFF). Het betreft vermoedelijk een zwervend exemplaar, aangezien er in de directe omgeving van de vindplaats geen geschikt leefgebied voor de soort aanwezig is.

Ook het plangebied is niet geschikt als leefgebied voor de boommarter, door het ontbreken van bosschages met voldoende rust en dekking en het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen, zoals bomen met forse (spechten)holen. Tijdens het veldbezoek zijn geen boommarters en/of sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het onderzoeksgebied als vaste rust- of verblijfplaats. Bunzing en wezel Van de bunzing zijn is een waarneming bekend van een verkeersslachtoffer op de Keppelseweg, ten noordoosten van het plangebied (bron: NDFF). Net ten oosten van het plangebied is een wezel waargenomen (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied geen individuen of sporen van de bunzing of wezel aangetroffen. Het plangebied is door de aanwezigheid van dichte opgaande groenstructuren, dicht braamstruweel, ruige hoekjes afgewisseld met extensief beheerd grasland, bermen en greppels wel geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen. Verblijfplaatsen kunnen onder andere verwacht worden onder stapels takken, onder plaatmateriaal, in zoogdierenholen en in dicht struikgewas (zie foto’s 3 t/m 6).

Pagina 18

Foto 3 t/m 6. Geschikte verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen in het plangebied (foto’s: R. Boerboom).

Eekhoorn Verschillende bomen in het plangebied zijn geschikt voor de eekhoorn als verblijfplaats. De soort is niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Tijdens het veldbezoek zijn verder geen (sporen van) eekhoorns waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. Ook zijn er geen eekhoornnesten in de bomen waargenomen. Vanuit de NDFF zijn eveneens geen waarnemingen van eekhoorns bekend uit het plangebied of de directe omgeving. Incidenteel kan er een foeragerende eekhoorn in het plangebied worden waargenomen, maar van een vaste rust- en verblijfplaats of functioneel leefgebied is geen sprake. Steenmarter Vanuit de NDFF zijn diverse waarnemingen van de steenmarter bekend uit de directe omgeving van het plangebied. Het betreft hoofdzakelijk waarnemingen uit de bebouwde kom van Wehl. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen steenmarters en/of sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied. Het scoutinggebouw in het plangebied is ook niet geschikt voor steenmarters aangezien er geen openingen zijn die bruikbaar zijn voor de steenmarter. Derhalve worden verblijfplaatsen van steenmarter, met uitzondering van een tijdelijke dagrustplaats, niet

Pagina 19

verwacht in het plangebied. Het plangebied kan wel als foerageergebied gebruikt worden door de soort. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen Het scoutinggebouw in het plangebied heeft geen kieren of gaten waar gebouwbewonende vleermuizen een verblijfplaats zouden kunnen vinden. De gevels zijn bekleed met houten schroten waar geen openingen tussen zitten. Ook onder de dakrand of langs kozijnen zijn geen geschikte invliegopeningen aanwezig. Verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de uit de omgeving bekende gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger, zijn dan ook uitgesloten in het plangebied. In de woningen direct rond het plangebied kunnen zich mogelijk wel verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In verschillende bomen in het plangebied zijn ondiepe holten en scheuren aangetroffen (zie foto 7 t/m 10). Deze holten zijn echter te ondiep om als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen te fungeren.

Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden niet verwacht in het plangebied.

Foto 7 en 8. Ondiepe holten in de verschillende bomen in het plangebied (foto’s: R. Boerboom).

Pagina 20

Foto 9 en 10. Ondiepe holten in de verschillende bomen in het plangebied (foto’s: R. Boerboom).

Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het plangebied door de aanwezigheid van lijnvormige groenstructuren geschikt als foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. Daarnaast kunnen (delen van) de groenstructuren binnen het plangebied dienen als vliegroute voor vleermuizen. Amfibieën, reptielen, vissen Beschermde amfibieën, reptielen of vissen zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt geen beschermde reptielen of vissen voor de omgeving van het plangebied, maar wel de beschermde amfibieënsoorten bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander (zie paragraaf 4.2.1). In het plangebied is geen sprake van oppervlaktewateren die kunnen dienen als voorplantingswater. De opgaande groenstructuren kunnen wel fungeren als landhabitat en overwinteringsplek voor enkele algemene soorten als bruine kikker en gewone pad. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Door het ontbreken van geschikte leefgebieden en het ontbreken van aansluiting op bekende populaties worden er geen vissen of reptielen in het plangebied verwacht. Het bronnenonderzoek bevestigt tevens de afwezigheid van strikt beschermde amfibieën, reptielen en vissen voor het plangebied en omgeving.

Pagina 21

Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn de citroenvlinder en dagpauwoog in het plangebied waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze zijn echter grotendeels niet actief op het moment van het veldbezoek (maart). De NDFF vermeldt geen beschermde ongewervelde diersoorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Beschermde ongewervelde diersoorten worden ook niet in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied.

Pagina 22

5

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In hoofdstuk 4 is vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie en is bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. In dit hoofdstuk worden deze effecten getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht doordat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. In het plangebied kunnen broedvogels worden verwacht in de opgaande groenstructuren, zoals de bomenrijen en braamstruwelen.

Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels in de directe omgeving van de werkzaamheden minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.

Pagina 23

Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied de buizerd en huismus waargenomen. Verder kan de jaarrond beschermde ransuil in het plangebied verwacht worden. De bebouwing in het plangebied is niet geschikt als nestlocatie voor de gierzwaluw en huismus. De buizerd en roek worden niet als broedvogel in of vlak buiten het plangebied verwacht. Ransuil Een nestlocatie van de ransuil is niet uit te sluiten door de aanwezigheid van enkele eksteren kraaiennesten in het plangebied. Gericht onderzoek is dan ook noodzakelijk om vast te stellen of er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats. Voor deze soort is geen inventarisatieprotocol beschikbaar. Onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort wordt uitgevoerd conform de richtlijnen uit de BMPhandleiding van SOVON Vogelonderzoek Nederland en op basis van de ecologie van de soort. Ransuilen baltsen en roepen op de potentiële nest- of rustplaatsen voornamelijk in de late avondschemer tot begin van de nacht, in de periode maart-april.

In deze periode moet 2 maal ’s avonds geluisterd naar roepende exemplaren bij potentiele nestlocaties. Hierbij wordt eventueel de baltsroep van het mannetje afgespeeld. Daarnaast moet tijdens zomeravonden (juni-juli) gelet op de aanwezigheid van jonge bedelroepende ransuilen. De bedelroep van jonge ransuilen is in de broedtijd goed hoorbaar. Steenuil Het plangebied is mogelijk onderdeel van het functioneel leefgebied van de steenuil. Gericht onderzoek moet aantonen of er sprake is van functioneel leefgebied van steenuilen die in de nabijheid van het plangebied broeden. Dit onderzoek wordt door Staring Advies, in opdracht van de gemeente Doetinchem, uitgevoerd in het veldseizoen van 2021. In het plangebied bevinden zich geen nestlocaties van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. De functionaliteit van het leefgebied van deze soorten wordt eveneens niet aangetast door de geplande activiteiten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek naar deze soorten of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor enkele soorten grondgebonden zoogdiersoorten, zoals bunzing, eekhoorn, egel, haas, konijn, steenmarter, wezel en diverse soorten (spits)muizen.

Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, steenmarter en wezel. Eekhoorn en steenmarter Het voorkomen van de beschermde eekhoorn is alleen ontheffingsplichtig wanneer er

Pagina 24

vaste verblijfplaatsen of essentieel leefgebieden aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze beschermde zoogdiersoort en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Kleine marterachtigen In de provincie Gelderland zijn per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekent dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kunnen zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood. Van de kleine marterachtigen bunzing en wezel zijn enkele verspreide waarnemingen bekend uit de directe omgeving van het plangebied (bron: NDFF). De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten (bron: Zoogdiervereniging). De wezel komt in vergelijkbare landschapstypen voor, maar is over het algemeen minder gebonden aan waterrijke gebieden.

Het plangebied is geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen als bunzing en wezel, doordat er sprake is van een halfopen landschap met allerlei verschillende structuren die dekking bieden. Geschikte verblijfplaatsen voor deze soorten zijn aanwezig in de vorm van takkenhopen, bosranden, greppels, stapels materiaal, zoogdierholen en dicht braamstruweel. Vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van kleine marterachtigen zijn niet uit te sluiten in het plangebied. Hiervoor zal een inventarisatie uitgevoerd worden middels de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel, december 2019). Voor de provincie Gelderland is nog geen inventarisatieprotocol beschikbaar. Om de aanwezigheid vast te stellen wordt aangeraden om altijd verschillende methoden te gebruiken. De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het plangebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden gaat uitvoeren. Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen wordt bepaald aan de hand van het aantal aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft.

De inventarisatiemiddelen dienen gedurende de looptijd van het onderzoek (maart tot en met augustus) ingezet te worden in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij takkenrillen en bosranden.

Pagina 25

Om de aanwezigheid vast te stellen moet gebruik gemaakt worden van een combinatie van de volgende methoden: • •

Cameraval met lokmiddel voor specifiek bunzing en mogelijk hermelijn en wezel. Marterbox (type ‘Mostela’) voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing.

Overige strikt beschermde zoogdieren worden niet in het plangebied verwacht. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is niet nodig voor overige grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging (2021). Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er voor gebouwbewonende vleermuizen als verblijfplaats geschikte gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is niet noodzakelijk. 3. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Ja → Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is noodzakelijk. Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht. De opgaande groenstructuren in het plangebied kunnen wel in gebruik zijn als (essentieel) foerageergebied of vliegroute.

Gericht onderzoek naar deze functies is dan ook noodzakelijk indien sprake is van negatieve effecten op deze mogelijke functies. Gericht onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes van te verwachten soorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger bestaat uit 2 avondbezoeken binnen de periode 15 april – 1 oktober, waarvan minimaal 1 veldbezoek tussen 15 mei en 15 juli moet plaatsvinden.

Pagina 26

Amfibieën In het plangebied worden alleen algemene soorten amfibieën verwacht, waarvoor in de provincie Gelderland de vrijstellingsregeling voor ruimtelijke ingrepen geldt. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is voor amfibieën niet noodzakelijk. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren niet te verwachten in het plangebied. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.

Pagina 27

6

Conclusie

Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om vast te stellen of een vergunningsaanvraag met betrekking tot stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied “Rijntakken” en andere Natura 2000-gebieden noodzakelijk is. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is mogelijk aan de orde. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek naar de ransuil, steenuil en foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen is noodzakelijk. Aanvullend onderzoek is naar overige beschermde soort(groep)en flora en fauna is niet noodzakelijk. Er moet wel rekening worden gehouden met broedvogels. Werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden.

Pagina 28

Bijlagen 1 2 3

Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten

Pagina 29

Bijlage 1 Impressie plangebied

Pagina 30

Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 31

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).

Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 32

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 33

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 34

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 35

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7973/documents/47003