Bijlage 1.12 - Bijlage 1 Ruimteljke onderbouwing Bleeksestraat 8-10 te Wehl.pdf
Tekst van het document
In afwijking van het bovenstaande geldt voor m.e.r.-plichtige plannen de mogelijkheid van een planm.e.r.-beoordeling. Onder volgende voorwaarden is dan geen plan-m.e.r. nodig: Er moet sprake zijn van kleine gebieden op lokaal niveau of van kleine wijzigingen van een plan. Het plan mag niet leiden tot mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt in ieder geval voor activiteiten die de drempelwaarde op de C-lijst overschrijden. Dit kan ook gelden voor activiteiten op de D-lijst, maar alleen als uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling of plan-m.e.r.beoordeling volgt dat sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er mag geen sprake zijn van significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden, zoals die kunnen volgen uit een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming. Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Die figuur is alleen toepasbaar als het plan niet leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en geen significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. De figuur van de vormvrije m.e.r.-beoordeling keert niet terug onder de Omgevingswet. Een project of plan kan voortaan alleen nog leiden tot m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit hangt samen met de aanwijzing van gevallen waarin de m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn die gevallen aangewezen, waarbij anders dan voorheen onder het Besluit milieueffectrapportage nog maar sprake is van één lijst (voorheen was sprake van de zogenaamde Cof D-lijst). Groot verschil met dit besluit is dat voor m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen nu geen drempels meer gelden. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de herbouw van een bestaande bedrijfswoning, de verruiming van de mogelijkheid om bijgebouwen bij de andere bedrijfswoning te realiseren en het volledig binnen het bouwvlak brengen van de bestaande ligboxenstal. Deze activiteiten vallen niet onder de categorieën van gevallen, zoals genoemd onder de onderdelen C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Er is geen sprake van oprichting, wijziging of uitbreiding van installaties voor het fokken, mesten of houden van dieren of van een stedelijk ontwikkelingsproject. Zoals blijkt uit de onderbouwing van de haalbaarheid van dit plan, zoals verwoord in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeken, leidt uitvoering van het plan niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
25
Deze activiteiten vallen niet onder de categorieën van gevallen, zoals genoemd onder in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is geen sprake van oprichting, wijziging of uitbreiding van installaties voor intensieve veehouderij of van een stedelijk ontwikkelingsproject. Zoals blijkt uit de onderbouwing van de haalbaarheid van dit plan, zoals verwoord in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeken, leidt uitvoering van het plan niet tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Verder is geen passende beoordeling nodig voor Natura 2000-gebieden (zie paragraaf 6.8). Dat betekent dat zowel vanuit het milieu- als natuurspoor geen verplichting bestaat tot het doorlopen van een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplicht. Ook geldt er geen verplichting tot het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
6.3
Bodem
De wijziging van het bouwvlak is noodzakelijk om de bedrijfswoning op de “nieuwe” plek te kunnen bouwen. Daarnaast is ook een aanpassing van het bouwvlak noodzakelijk om bij de andere bedrijfswoning een bijgebouw te kunnen realiseren. Hierom is onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem uitgevoerd. Onderzoek Het bodemonderzoek is uitgevoerd door Montferland Milieu. Het rapport met bevindingen en conclusies is toegevoegd als bijlage 1. Het volgende is geconcludeerd: • • • •
Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuigelijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. In de grond is een verhoogt gehalte aan Kobalt en Nikkel aangetroffen. De waarden zijn groter dan de achtergrondwaarde. In het grondwater is een verhoogd gehalte aan Barium en koper aangetroffen. De waarden zijn groter dan de streefwaarde. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. Geconcludeerd kan worden dat er geen ernstige bodem- en/of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn.
Conclusie Uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen de voorgenomen wijziging van het bouwvlak. Ook bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor bouwen in de nabije toekomst (nieuwe woning) zullen de aangetoonde verontreinigingen geen bezwaar vormen.
6.4
Akoestiek
6.4.1
Wegverkeerslawaai
Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. Er geldt een voorkeurswaarde van 48 dB. In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweebaans wegen, die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet daarom in principe een akoestisch onderzoek plaatsvinden.
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
26
De onder de Wet geluidhinder geldende geluidzones zijn onder de Omgevingswet vervangen door geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen voor wegverkeerslawaai zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze geluidnormen zijn over het algemeen iets ruimer dan onder de Wet geluidhinder. Zo geldt er nu een standaardwaarde van 50 dB, terwijl deze voorheen 48 dB was. Daarentegen moet wel rekening worden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Overigens moet ook waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone/aandachtsgebied in het kader van een goede ruimtelijke ordening/evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect akoestiek afgewogen worden. Onderzoek en conclusie Ondanks het feit dat de voorliggende ontwikkeling een geluidsgevoelige functie mogelijk maakt in de vorm van een nieuwe bedrijfswoning nabij de Bleeksestraat en Doetinchemseweg is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk vanwege de relatief lage verkeersintensiteiten op deze wegen. Het geluidsaspect levert geen probleem op voor de voorliggende ontwikkeling. 6.4.2
Railverkeerslawaai
Voor railverkeerslawaai geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Er is van rechtswege (Wgh) een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De spoorlijn Arnhem - Doetinchem - Winterswijk heeft een zone van 100 meter. Ook voor spoorwegen geldt onder de Omgevingswet de systematiek van de geluidaandachtsgebieden. Net als onder de voormalige Wet geluidhinder geldt een standaardwaarde van 55 dB. Onderzoek en conclusie Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functies binnen de genoemde zone van 100 meter. Een akoestisch onderzoek is dus niet noodzakelijk. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan. Het is gezien de afstand van de nieuwe woning tot het spoor voldoende aannemelijk dat kan worden voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB. De nieuwe woning ligt bovendien op ruimere afstand van het spoor dan de te slopen, bestaande woning. 6.4.3
Industrielawaai
In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen, inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidzone moet zijn vastgesteld. Met deze zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting door industrielawaai niet meer bedragen dan 50 dB(A) (de voorkeursgrenswaarde industrielawaai). Ook voor industrieterreinen geldt onder de Omgevingswet de systematiek van de geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden rondom industrieterreinen met zogenaamde ‘grote lawaaimakers’ zijn vergelijkbaar met de geluidzones rondom gezoneerde industrieterreinen in het kader van de voormalige Wet geluidhinder.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
27
Onderzoek en conclusie Voor het voorliggende plangebied is het industrieterrein A18 Bedrijvenpark van belang. Zoals blijkt uit onderstaande afbeelding reikt de geluidzone/het geluidaandachtsgebied niet tot het plangebied.
Figuur 9: Ligging geluidzone/geluidaandachtsgebied A18 Bedrijvenpark
6.5
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is een belangrijk programma op grond van de wet. Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen. In het Besluit nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m 3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
28
De vanuit de Europese richtlijn luchtkwaliteit voortvloeiende luchtkwaliteitseisen zijn als omgevingswaarden opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Onderzoek De grens in de Regeling nibm ligt bij de realisatie van 1500 woningen met een enkele ontsluitingsweg. Bij deze ontwikkeling gaat het om de realisatie van één woning, waarbij ook nog eens sprake is van vervangende nieuwbouw. Daarnaast is geen sprake van uitbreiding van de veehouderij en heeft de gewenste ruimere mogelijkheid voor bijgebouwen bij de andere woning geen invloed op de luchtkwaliteit. Verder is in of nabij het plangebied geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Tot slot is geen sprake van realisatie van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). De gemeente Doetinchem ligt niet in een aandachtsgebied als bedoeld in het Bkl.
Dat betekent dat de ontwikkeling niet hoeft te worden getoetst aan luchtkwaliteit. Bovendien is sprake van een bedrijfswoning waarop de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet van toepassing zijn. Overigens blijkt uit monitoringsrapportages van het rijk dat die rijksomgevingswaarden op deze locatie niet in het geding te zijn. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn niet in het geding. Ter plaatse van de nieuwe woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. De ontwikkeling hoeft op grond van het Bkl niet te worden getoetst aan luchtkwaliteit. Desondanks is duidelijk dat de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet in het geding zijn op deze locatie.
6.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Wet basisnet van belang. Daarnaast is er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
29
Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Daarbij is onder meer ook de zelfredzaamheid van mensen een belangrijk gegeven. Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op milieubelastende activiteiten (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Het beoordelingskader voor omgevingsplannen is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De belangrijkste begrippen daaruit worden hieronder nader toegelicht. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren.
Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen/locaties waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Aandachtsgebieden Binnen aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met groepsrisico. Met de aandachtsgebieden introduceert de wetgever een nieuwe benadering van het groepsrisico. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). De gemeente kan in een omgevingsplan een aandachtsgebied aanwijzen als een voorschriftengebied. Binnen een voorschriftengebied gelden dan beschermende bouwvoorschriften voor nieuwe bouwwerken bovenop de standaard bouweisen. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als op de locatie ook zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten. De regels over deze extra bouweisen staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Zeer kwetsbare gebouwen De categorie zeer kwetsbare gebouwen is nieuw en omvat die gebouwen waarvan de gebruikers niet in staat zichzelf in veiligheid te brengen. Denk hierbij aan ziekenhuizen, verzorgingstehuizen en basisscholen. Het idee is dat deze categorie extra bescherming geniet. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is externe veiligheidsbeleid vastgesteld op 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5.
Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk.
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
30
6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Onderzoek Zoals blijkt uit de risicokaart is qua risicobronnen in de omgeving van het plangebied alleen sprake van een hogedruk aardgasleiding. Andere stationaire of mobiele risicobronnen zijn niet aanwezig in of nabij het plangebied. De hoge druk aardgasleiding betreft een buisleiding (A-523) met een uitwendige diameter van 1220 mm en een maximale werkdruk van 66,2 bar. De buisleiding ligt op een afstand van circa 130 meter van de nieuwe woning. De bestaande, te slopen woning ligt op kortere afstand van de buisleiding (circa 87 meter), zodat de situatie er qua externe veiligheid op vooruit gaat. Daarbij wordt voldaan aan de grenswaarde van 10-6/jaar voor het plaatsgebonden risico en heeft de ontwikkeling ook een positieve invloed op het groepsrisico.
Advisering door Veiligheidsregio Noord en Oost Gelderland (VNOG) is daarom niet noodzakelijk voor deze ontwikkeling. Het plan sluit zeer kwetsbare objecten uit. Daarom hoeft het plangebied niet als voorschriftengebied te worden aangewezen.
Figuur 10: uitsnede risicokaart/aanduiding planlocatie met blauwe cirkel (bron: risicokaart.nl)
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen stationaire bronnen of mobiele bronnen aanwezig, die beperkingen opleveren voor de ontwikkeling.
6.7
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
31
Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Voor wat betreft de beoordeling van geur van veehouderijen wordt aangesloten bij de geurnormen en minimumafstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit.
VNG en Rijk adviseren om na inwerkingtreding van de Omgevingswet de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 niet meer te gebruiken. In plaats daarvan kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de Staalkaarten en de door VNG opgestelde indicatieve bedrijvenlijst. Nu de indicatieve bedrijvenlijst nog niet is vrijgegeven wordt vooralsnog het gebruik van de lijsten en richtafstanden uit de uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ voortgezet. Voor wat betreft geur van veehouderijen wordt aangesloten bij de standaardnormen en minimumafstanden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Onderzoek en conclusie In het voorliggende geval betekent dit enerzijds dat moet worden beoordeeld of de bestaande woningen in de omgeving van het bedrijf hinder kunnen ondervinden van de wijziging van het bouwvlak, terwijl anderzijds moet worden beoordeeld of de nieuwe bedrijfswoning hinder kan ondervinden van bestaande bedrijvigheid in de omgeving. Voor wat betreft de gewijzigde begrenzing van het agrarisch bouwvlak geldt dat op zich wordt voldaan aan de in dit geval voor geur aan te houden minimumafstand van 50 meter. De richtafstand voor geur blijft voor de veehouderij buiten beschouwing, omdat de wettelijke minimumafstanden voorrang hebben op de richtafstanden.
Alleen voor het bouwvlak rondom de bestaande woning Bleeksestraat 10 wordt niet voldaan aan de minimumafstand van 50 meter tot de woning Doetinchemseweg 15. Voor de woning Bleeksestraat 10 als zodanig geldt echter geen milieucontour. Door net als in de huidige beheersverordening een aanduiding ‘plattelandswoning’ op te nemen is uit te sluiten dat hier ooit bedrijfsmatig dieren worden gehouden of agrarische bedrijfsopslagen worden gerealiseerd. Op die manier is sprake van voldoende afstand tussen de veehouderij en de woning Doetinchemseweg 15. Ook voor andere woningen wordt voldaan aan de minimumafstand van 50 meter. Voor de overige milieuaspecten (geluid, stof en gevaar) bij een melkrundveehouderij geldt een maximale richtafstand van 30 meter. De minimumafstand van 50 meter voor geur komt overeen met de maximale richtafstand voor een loonwerkbedrijf, zodat hieraan eveneens wordt voldaan. Ter plaatse van omliggende woningen van derden is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat betreft de nieuwe bedrijfswoning Bleeksestraat 8 geldt dat sprake is van voldoende afstand tot omliggende bedrijven. Ten opzichte van de direct naastgelegen veehouderij Bleeksestraat 6 geldt een minimumafstand van 50 meter. De feitelijke afstand bedraagt circa 120 meter, zodat ruimschoots wordt voldaan aan deze minimumafstand.
De nieuwe bedrijfswoning Bleeksestraat 8 en de bestaande plattelandswoning Bleeksestraat 10 worden niet beschermd tegen onder meer geluid en geur afkomstig van het eigen bedrijf. Die woningen vormen logischerwijs geen belemmering voor de bedrijfsvoering van dit eigen bedrijf. Voor wat betreft de plattelandswoning kan nog worden opgemerkt dat die functieaanduiding ongewijzigd vanuit de beheersverordening wordt overgenomen in dit bestemmingsplan.
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
32
Daarbij is het zo dat ten opzichte van omliggende veehouderijen wordt voldaan aan de voor geur geldende minimumafstand van 50 meter. Ten opzichte van het eigen bedrijf hoeft geen nieuwe afweging plaats te vinden, omdat het bedrijf als zodanig nu niet wordt uitgebreid. Voor de nieuwe bedrijfswoning is het industrieterrein A18 Bedrijvenpark van belang. Zoals blijkt uit paragraaf 6.5.3 reikt de geluidzone/het geluidaandachtsgebied van dit industrieterrein niet tot het plangebied. Verder is het zo dat bestaande woningen al op kortere afstand van het industrieterrein liggen dan de nieuwe woning. De milieugebruiksruimte van (toekomstige) bedrijven wordt verdergaand beperkt door de bestaande woningen dan door de nieuwe bedrijfswoning. Om die reden is ook het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning niet in het geding. Bovendien hebben de gronden op het noordelijke deel van het industrieterrein een nader uit te werken bestemming. Hiervoor moet eerst een uitwerkingsplan worden vastgesteld. Dat betekent dat zich hier momenteel bij rechte geen bedrijven mogen vestigen. Bij de totstandkoming van het uitwerkingsplan zal rekening moeten worden gehouden met de door bestaande woningen opgelegde beperkingen in toe te kennen milieugebruiksruimte.
Figuur 11: nader uit te werken bestemming noordelijk deel A18 Bedrijvenpark
6.8
Flora en fauna
Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat deze wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Wel is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden, waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving, worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn vrijwel altijd het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (in incidentele gevallen is het Rijk bevoegd gezag).
In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
33
Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project.
Voor wat betreft de gebiedsbescherming op grond van de Wet natuurbescherming geldt als voorwaarde dat het bestemmingsplan geen significant negatieve gevolgen mag hebben op Natura 2000-gebieden. De inhoud en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn via het Aanvullingsspoor natuur beleidsneutraal geïntegreerd in de Omgevingswet en de daaronder hangende amvb’s. De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De regels van het aanvullingsspoor natuur gaan over: • het beschermen en ontwikkelen van natuur, en het behoud en herstel van de biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur voor maatschappelijke functies; • het verzekeren van een samenhangend beleid voor het behoud en beheer van waardevolle landschappen. Net als onder de Wet bescherming gelden onder de Omgevingswet regels voor bescherming van dier- en plantsoorten. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland (NNN). Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Bij omgevingsplannen moet worden onderzocht in hoeverre verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt.
Bij het plegen van inbreuk op de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet, moet een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten worden aangevraagd. Uit een verleende omgevingsvergunning kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortvloeien die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van deze omgevingsvergunning kan dus van invloed zijn op de haalbaarheid van een plan. De Omgevingswet bepaalt dat net als onder de Wet natuurbescherming een passende beoordeling nodig is als een plan of project mogelijk leidt tot nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Hieruit moet de zekerheid worden verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet aantast. Alleen onder zeer strikte voorwaarden mag hiervan worden afgeweken. Onderzoek en conclusie Het plangebied is onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna, waarbij onder meer gekeken is naar beschermde nesten, holen en vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermde natuurgebieden, zoals Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone en Natura 2000. Hieronder volgt een samenvatting.
Het volledige rapport (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Bleeksestraat 8-10 Wehl – Effectbeoordeling in het kader van soortbescherming, Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000”, Natuurbank Overijssel, projectnummer 4067, versie 1.0 met rapportdatum 23 mei 2022) is bijgevoegd als bijlage 3.
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
34
Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of een Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebieden en het plangebied, is het op voorhand duidelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet zal leiden tot een negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden. De afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden bedraagt circa 9 kilometer. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De veehouderij als zodanig wordt immers niet uitgebreid en de realisatie van een enkele woning leidt op deze afstand niet tot effecten op Natura 2000-gebieden. Hierbij is verder van belang dat per 1 juli 2021 een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor de bouwsector geldt. Deze vrijstelling geldt voor effecten die ontstaan gedurende de sloop-, aanleg- en bouwfase.
Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied in de huidige situatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels. Amfibieën, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen bezetten geen vaste (winter)rust- of verblijfplaats in het plangebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de boerderij gesloopt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Overigens zijn in het kader van de in april 2022 uitgevoerde asbestsanering de dakpannen verwijderd. Daarmee is het pand ongeschikt als nestplaats voor huismussen en vormt het geen verblijfplaats voor vleermuizen. Een meer gedetailleerde beschouwing is terug te vinden in de quickscan.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende diersoorten enigszins af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Het is alleen zaak om de werkzaamheden af te stemmen op de voortplantingsperiode van vogels.
6.9
Water
6.9.1
Waterbeheerprogramma 2022-2027
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende 6 jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het Waterschap Rijn en IJssel deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. In het waterbeheerprogramma is rekening gehouden met Europese en landelijke richtlijnen, waaronder Kaderrichtlijn Water (KRW). Doel van deze richtlijn is schoon en gezond water in alle Europese lidstaten. 6.9.2
Watersysteem
De bouwmogelijkheden en het verharde oppervlakte nemen niet toe ten opzichte van het onderliggende beheerplan. Hemelwater zal ter plaatse in de bodem worden geïnfiltreerd en vastgehouden.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
35
6.9.3
Gemeentelijk Rioleringsplan
In paragraaf 5.5.9 Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 is het rioleringsplan van de gemeente Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf. 6.9.4
Watertoets
Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen. Thema Hoofdthema's Veiligheid
Toetsvraag
Relevant
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale 1. Nee waterkering? 2. Nee 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade? Riolering en 1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)? 1. Nee afvalwaterketen 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 2. Nee 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap? 3. Nee Wateroverlast 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak? 1. Nee (oppervlaktewater) 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard 2. Nee oppervlak? 3. Nee 3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwater- overlast 1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de 1. Nee ondergrond? 2. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 3. Nee IJssel? 4. Nee 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren? Oppervlaktewater1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater 1. Nee kwaliteit geloosd? 2. Nee 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Nee 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch actiegebied? Grondwaterkwaliteit Ligt het plangebied in de beschermingszone van een Nee drinkwateronttrekking? Volksgezondheid 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het 1. Nee gemengde of verbeterde stelsel? 2.
Nee 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Verdroging Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte natuur? Natte natuur 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 1. Nee 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones 2. Nee voor natte natuur?
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
36
Inrichting en beheer
Aandachtsthema's Recreatie
Cultuurhistorie
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
1. Nee 2. Nee
Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
Nee
In onderhavige situatie neemt het bebouwde oppervlak niet toe. Hemelwater zal ter plekke infiltreren in de bodem. Het huishoudelijk afvalwater wordt uiteraard wel geloosd op het gemeentelijk riool. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Gezien de bescheiden aard en omvang van de ontwikkeling heeft initiatiefnemer dit plan niet vooraf voorgelegd aan het waterschap. De ontwikkeling stuit niet op een waterschapsbelang.
6.10
Archeologie en cultuurhistorie
Het gemeentelijke beleid over archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid over deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. 6.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: “Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.” Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen.
Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
37
De archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek.
Figuur 12: Uitsnede archeologische beleidskaart
De uitgangspunten voor het archeologiebeleid sluiten al aan op het nieuwe beleid, dat regionaal is opgesteld. Dit beleid staat in de nota 'Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek' (vastgesteld in 2013). Dit beleid geeft een verlichting van de grenzen voor archeologisch onderzoek. De gebieden zoals deze in de archeologische beleidskaarten onderscheiden zijn, veranderen hier niet door. Wel zijn er nu in de basis 5 verschillende niveaus van bescherming. Deze komen terug in de navolgende tabel. De volgende archeologische gebieden komen in het plangebied voor:
uitgangspunten archeologiebeleid
dubbelbestemming
AWV categorie 5 (hoog + afgedekt)
bij bodemingrepen dieper dan 40 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 3 plangebieden groter dan 250 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek
AWV categorie 7 (middelmatig)
bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 5 plangebieden groter dan 1000 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek
AWV categorie 8 (laag)
bij bodemingrepen dieper dan 30 Waarde - Archeologische centimeter - maaiveld en bij verwachting 6 plangebieden groter dan 5000 m² vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
38
Uitvoering van voorliggend bestemmingsplan/voorliggende wijziging van het omgevingsplan leidt tot bodemingrepen dieper dan 30 centimeter -maaiveld. De wijziging van de bouwvlakgrenzen leidt ter plaatse van de onderscheiden archeologische gebieden echter niet tot een overschrijding van de hierboven genoemde oppervlaktecriteria. Dat betekent dat geen inventariserend archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden. Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10): “Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.” 6.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). In het plangebied is de bestaande boerderij Bleeksestraat 8 geïnventariseerd als cultuurhistorisch waardevol (rapport “inventarisatie cultuurhistorische waarde in de gemeente Doetinchem 2010”). Het betreft een beeldbepalend pand. Het ensemble als geheel is neutraal gewaardeerd.
Figuur 13: foto van het pand Bleeksestraat 8
Voor deze locatie is de aanduiding 'cultuurhistorie’ opgenomen. Voor de locaties waar alleen het gebouw cultuurhistorisch waardevol is, ligt de aanduiding alleen op het gebouw. Daar waar het gehele ensemble beschermd moet worden, ligt de aanduiding over het gehele perceel. Aan deze aanduiding wordt een sloopvergunningstelsel gekoppeld. Dit houdt in dat zonder vergunning van de gemeente geen sloopwerkzaamheden mogen plaatsvinden. De voornaamste doelen van de sloopvergunning zijn bescherming tegen ernstige aantasting en voorkomen van sloop van de cultuurhistorisch waardevolle panden. Een sloopvergunning is geen sloopverbod. Er kunnen redenen zijn dat er toch tot geheel of gedeeltelijk tot sloop moet worden overgegaan. In dat geval moet die eventuele sloop in goede orde gebeuren met behoud van de cultuurhistorische waarden. De cultuurhistorisch/stedenbouwkundige deskundige zal bij een aanvraag om een sloopvergunning eerst nagaan of de gewenste aanpassing aan het pand geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde. Als de aanduiding geldt voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken, dan is ruimer gebruik mogelijk. De regeling voor ander gebruik (onder andere beroep en/of bedrijf aan huis) die normaal alleen voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij woningen geldt, is hier ook toegestaan in vrijstaande bijbehorende bouwwerken.
Voor de woning zelf die de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' heeft, is het mogelijk een andere bouwaanduiding te krijgen. Dit wil zeggen dat een woning bijvoorbeeld van vrijstaand mogelijk een twee-aaneen (twee-onder-een-kap) woning wordt.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
39
De genoemde ruimere mogelijkheden zijn alleen mogelijk als duidelijk vaststaat dat dit bijdraagt aan het behoud van het cultuurhistorisch waardevolle pand. Voor de adressen waar de waarde ook in het ensemble zit, geldt de regeling voor gebouwen ook. Maar voor deze gevallen wordt een specifieke regeling getroffen voor behoud van het ensemble. Deze regeling houdt in dat voor elk ensemble maatwerk wordt geleverd voor situeringsmogelijkheden van bijgebouwen. Deze situeringsmogelijkheden bij de ensembles kunnen afwijken van de situeringsmogelijkheden voor bijgebouwen bij andere gebouwen/erven. Deze afweging is gebaseerd op het zicht/de beleving vanuit de openbare ruimte. De gemeente wil voorkomen dat een te ruim aanwijzings- en beschermingsregime het enthousiasme bij eigenaren om de cultuurhistorische waarden van hun pand te koesteren zal doen afnemen. Met bovengenoemde beschermingsregime en regeling is de gemeente van mening dat de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan voldoende worden beschermd. In de beoogde situatie wordt de woning Bleeksestraat 8 gesloopt en op een andere plek herbouwd. De woning bevindt zich in zodanig slechte staat, dat behoud ervan niet reëel is. Dit blijkt ook uit bijlage 2 Cultuurhistorische waardestelling.
Herbouw van de woning op de bestaande plek is niet wenselijk, aangezien de woning dan aan drie zijden wordt omsloten door bedrijfsgebouwen en het qua bedrijfsvoering beter is als hier geen woning staat. Van belang hierbij is verder dat de te slopen woning slechts in beperkte mate kan worden beleefd/gezien vanuit de openbare ruimte, omdat de bedrijfsgebouwen grotendeels het zicht op de woning ontnemen.
6.11
Verkeer en parkeren
Wegcategoriseringplan In het wegcategoriseringsprogramma zijn de verschillende wegen (binnen en buiten de bebouwde kom) in Doetinchem ingedeeld in een drietal categorieën: Stroomwegen (autosnelweg A18); Gebiedsontsluitingswegen (80 km/uur en 50 km/uur wegen); Erftoegangswegen (60 km/uur en 30 km/uur wegen). Uitgangspunten bij de inrichting van de wegen binnen de gemeente Doetinchem zijn bepaald in het Wegcategoriseringsplan: de inrichting van de weg (het wegbeeld) moet het gewenste rijgedrag en de rijsnelheid 'afdwingen'; herkenbare inrichting van de verschillende verkeersruimtes door materiaal/kleur; de (kwaliteit van de) leefomgeving staat centraal; de weg moet na realisatie goed te beheren zijn (beheerbewust ontwerpen); snelheidsremmende maatregelen worden getroffen in erftoegangsstraten en op gebiedsontsluitingswegen waar kwetsbare verkeersdeelnemers de weg moeten kruisen. De meeste woonstraten in de gemeente Doetinchem zijn inmiddels aangewezen tot 30 km/uur gebied. Niet alle straten voldoen al helemaal aan de bijbehorende inrichtingseisen. De komende jaren zullen bij groot onderhoud steeds meer woonstraten worden ingericht tot 30 km/uur straat. De gebiedsontsluitingswegen zijn bedoeld om het verkeer uit de woongebieden te verwerken richting bijvoorbeeld de snelweg A18.
Het is duidelijk welke wegen dit zijn maar ook deze voldoen nog niet allemaal aan de gestelde eisen. Niet alle gebiedsontsluitingswegen hebben bijvoorbeeld aparte fietspaden.
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
40
Figuur 14: De gebiedsontsluitingswegen in Doetinchem
Voor beide categorieën geldt dat de kwaliteit van de leefomgeving moet centraal staan. Een duidelijk onderscheid aanbrengen tussen de verschillende verkeersruimtes zorgt ervoor dat de verkeersdeelnemer duidelijk zijn plek en die van anderen op de weg weet en zo de verkeersruimte op de juiste wijze gebruikt. Op drukke erftoegangsstraten is het belangrijk dat voetgangers veilig kunnen lopen op een trottoir. Voor rustige erftoegangsstraten kan worden overwogen alle verkeersdeelnemers gebruik te laten maken van dezelfde ruimte. Een smalle weg die gebruikt wordt door iedereen leidt tot een lagere rijsnelheid. Fysieke maatregelen als drempels ondervinden een steeds grotere weerstand bij de gebruikers en omwonenden en hulpdiensten. Ze leiden tot trillinghinder en toename van de geluidsoverlast. Bij voorkeur wordt gezocht naar maatregelen die een lagere snelheid afdwingen, maar die geen of beperkte bijeffecten hebben voor de leefomgeving en hulpdiensten. Parkeren De normering uit de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem, zal aangehouden worden. Hierbij is gekozen voor een dynamische verwijzing naar dit beleidsdocument (in lijn met jurisprudentie van de ABRS, ECLI:NL:RVS:2015:2837). Het moet met een voorwaardelijke verplichting in de regels vastgelegd worden.
Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen meer worden gezocht op eigen terrein of in clusters. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de openbare ruimte gewaarborgd blijft. Onderzoek en conclusie Het parkeren kan op eigen terrein opgelost worden en de extra verkeersaantrekkende werking is nihil. Hiermee vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering.
6.11
Economische haalbaarheid
Realisatie van de met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling geschiedt op particulier initiatief. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van initiatiefnemer. Initiatiefnemer heeft vooraf de financiële mogelijkheden onderzocht en op basis hiervan geconcludeerd dat voldoende garantie bestaat om de beoogde ontwikkeling te financieren. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Voor de gemeente zijn er geen andere kosten verbonden aan dit project waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.
Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022
41
Bijlage 1
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Bijlage 2
Cultuurhistorische waardestelling
Bijlage 3
Quickscan natuurwaarden
Bijlage 4
Erfinpassingsplan
Bijlage 5
Bouwvlak bestaand en beoogd
Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022
42