CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.12 - Bijlage 1 Ruimteljke onderbouwing Bleeksestraat 8-10 te Wehl.pdf

gemeenteraad 24 november 2022, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.7: Bestemmingsplan Bleeksestraat 8 en 10 - 202216.112 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bleeksestraat 8-10 te Wehl

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleiding ....................................................................................................................... 4

1.1

Aanleiding en doel .................................................................................................................. 4

1.2

Planologische situatie ............................................................................................................. 4

1.3

Leeswijzer................................................................................................................................ 5

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving .......................................................................................................... 6

2.1

Huidige situatie ....................................................................................................................... 6

2.2

Toekomstige situatie ............................................................................................................... 6

2.3

Omgevingsdialoog................................................................................................................... 8

Hoofdstuk 3

Conclusie ..................................................................................................................... 9

Hoofdstuk 4

Ruimtelijke analyse ................................................................................................... 10

4.1

Landschap ............................................................................................................................. 10

4.2

Erf .......................................................................................................................................... 10

4.3

Bebouwing ............................................................................................................................ 11

Hoofdstuk 5

Beleidskader .............................................................................................................. 13

5.1

Inleiding................................................................................................................................. 13

5.2

Rijksbeleid ............................................................................................................................. 13

5.3

Provinciaal beleid .................................................................................................................. 15

5.4

Regionaal beleid .................................................................................................................... 17

5.5

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 19

Hoofdstuk 6

Haalbaarheid ............................................................................................................. 24

6.1

Algemeen .............................................................................................................................. 24

6.2

Milieueffectrapportage - (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)plicht........................................ 24

6.3

Bodem ................................................................................................................................... 26

6.4

Akoestiek............................................................................................................................... 26

6.5

Luchtkwaliteit........................................................................................................................ 28

6.6

Externe veiligheid.................................................................................................................. 29

6.7

Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................. 31

6.8

Flora en fauna ....................................................................................................................... 33

6.9

Water .................................................................................................................................... 35

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

2

6.10

Archeologie en cultuurhistorie ......................................................................................... 37

6.11

Verkeer en parkeren ......................................................................................................... 40

6.11

Economische haalbaarheid ............................................................................................... 41

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Cultuurhistorische waardestelling Quickscan natuurwaarden Erfinpassingsplan Bouwvlak bestaand en beoogd

Niet gearceerde tekst = bruikbaar onder zowel Wro als Omgevingswet Geel gearceerde tekst = specifiek bruikbaar onder Wro Groen gearceerde tekst = specifiek bruikbaar onder Omgevingswet

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

3

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Op de locatie Bleeksestraat 8-10 te Wehl, kadastraal bekend gemeente Wehl, sectie L, nummers 366, 685 en 961 (ged), is een agrarisch bedrijf (melkrundveehouderij) gelegen met nevenactiviteit loonwerk. Bij het bedrijf horen twee bedrijfswoningen: Bleeksestraat 8 en Bleeksestraat 10. De staat van de woning Bleeksestraat 8 is zodanig slecht dat men voornemens is deze woning te slopen. Om meer ruimte op het erf te krijgen, wil men deze woning herbouwen op een andere plek, buiten het bestaande bouwvlak. Daarnaast is het de bedoeling om bij de woning Bleeksestraat 10 een nieuw bijgebouw of meerdere bijgebouwen met een oppervlak van in totaal maximaal 100 m2 te realiseren. Dit is momenteel niet mogelijk, aangezien het bouwvlak strak rondom die woning ligt. Aanpassing van het bouwvlak is dus noodzakelijk. Op 18 januari 2022 besloot het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem om in principe medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet in de onderbouwing van de planologische wijziging.

1.2

Planologische situatie

Op de locatie geldt de beheersverordening ‘Landelijk gebied – 2020, reparatie 2022’. De locatie heeft hierin de hoofdfunctie ‘Agrarisch met waarden’. Binnen het agrarisch bouwvlak gelden de dubbelhoofdfuncties ‘Waarde – Archeologische verwachting 3 (WR-A3), ‘Waarde – Archeologische verwachting 5 (WR-A5)’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 6 (WR-A6)’. Verder is sprake van de functieaanduidingen ‘cultuurhistorie’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ en de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal bedrijfswoningen = 2’ De woning Bleeksestraat 8 is in erg slechte staat. Er zijn plannen om deze woning te slopen en op een andere plek te herbouwen. Hiermee ontstaat op het erf ruimte om te manoeuvreren met tractoren en vrachtwagens. De beoogde plek voor herbouw van de woning ligt buiten het geldende bouwvlak, zodat hiervoor een wijziging van het bouwvlak nodig is. De woning Bleeksestraat 8 is een karakteristieke woning (deze woning en één bijgebouw hebben cultuurhistorische waarde; ter plaatse geldt de functieaanduiding ‘cultuurhistorie’), die zich echter in zodanig slechte staat bevindt, dat behoud ervan niet reëel is. Uitgangspunt is daarom dat de woning zal worden gesloopt. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 18 januari 2022 besloten om hiermee in principe te kunnen instemmen.

Het bouwvlak voor de bedrijfswoning Bleeksestraat 10 is gekoppeld aan het agrarisch bouwvlak Bleeksestraat 8. Voor de woning Bleeksestraat 10 is in het verleden een omgevingsvergunning verleend om het gebruik als plattelandswoning mogelijk te maken. De woning staat ook als plattelandswoning aangeduid in de beheersverordening. Bij de woning is planologisch geen ruimte beschikbaar om een bijgebouw te realiseren. Die behoefte bestaat wel. Daarom is het wenselijk dat het bouwvlak rondom deze woning wordt vergroot. Daarnaast ligt de bestaande ligboxenstal voor een klein deel buiten het geldende bouwvlak, zodat ook hiervoor een aanpassing van het bouwvlak nodig is.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

4

Figuur 1: uitsnede beheersverordening (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het aanpassen van het bouwvlak is op grond van de beheersverordening niet mogelijk. De flexibiliteitsbepalingen in de beheersverordening voorzien hier niet in. Daarom is een nieuw bestemmingsplan nodig. Deze plantoelichting is daar een onderdeel van. In het nieuwe bestemmingsplan wordt duidelijk vastgelegd dat de nieuwe bedrijfswoning functioneel verbonden is met het bestaande agrarische bedrijf op deze locatie. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de beheersverordening van rechtswege opgegaan in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dat betekent dat voor bovenstaande ontwikkeling een wijziging van het omgevingsplan nodig is. Deze plantoelichting is daar een onderdeel van. In deze wijziging van het omgevingsplan wordt duidelijk vastgelegd dat de nieuwe bedrijfswoning functioneel verbonden is met het bestaande agrarische bedrijf op deze locatie.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 Planbeschrijving is een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie weergegeven. In hoofdstuk 3 Conclusie zijn de conclusies en eventuele randvoorwaarden weergegeven van hoofdstuk 4 Ruimtelijke analyse, hoofdstuk 5 Beleidskader en hoofdstuk 6 Haalbaarheid. De volledige ruimtelijke analyse waar de beoogde ontwikkeling plaatsvindt staat in hoofdstuk 4 Ruimtelijke analyse. Hoofdstuk 5 geeft het relevante beleid weer. Tenslotte komt in hoofdstuk 6 de haalbaarheid aan de orde.

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

5

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

In de huidige situatie is sprake van een melkrundveehouderij met als neventak loonwerk. De bedrijfswoning Bleeksestraat 8 kan op grond van het geldende bouwvlak niet op de gewenste plek worden herbouwd. Ook is het vanwege de krappe begrenzing van het bouwvlak om de bestaande bedrijfswoning Bleeksestraat 10 niet mogelijk om hier bijgebouwen te realiseren. Verder ligt de bestaande ligboxenstal voor een klein deel buiten het bouwvlak.

Figuur 2: huidige situatie

2.2

Toekomstige situatie

Het agrarisch bouwvlak wordt op de volgende wijze aangepast: • in het vlakje aan de zuidzijde van het bouwvlak wordt ruimte gecreëerd voor herbouw van de woning Bleeksestraat 8; • het bouwvlak rondom de woning Bleeksestraat 10 wordt vergroot, zodat het mogelijk is om bijgebouwen te realiseren; • de ligboxenstal wordt in zijn geheel binnen het bouwvlak gebracht, waarbij het aantal dieren niet wijzigt ten opzichte van de huidige situatie. De oppervlakte van het bouwvlak neemt in de toekomstige situatie niet toe ten opzichte van het op grond van de beheersverordening geldende bouwvlak. De oppervlakte van het bestaande bouwvlak bedraagt 13.892 + 158 = 14.050 m2. De oppervlakte van het beoogde bouwvlak bedraagt 13.055 + 995 = 14.050 m2. De bestaande woning Bleeksestraat 8 wordt gesloopt, waarbij er circa 473 m2 aan gebouwen verdwijnt. De uitvoering en oppervlakte van de nieuwe woning wordt nader uitgewerkt in de fase van de nog aan te vragen omgevingsvergunning. Uitgaande van de in de beheersverordening opgenomen maat voor het maximale bouwvolume van 750 m3, is het realistisch om indicatief een maximale oppervlaktemaat van circa 150 m2 te veronderstellen. In de beheersverordening of in gemeentelijk beleid zijn voor het oppervlak van agrarische bedrijfswoningen overigens geen regels opgenomen, omdat een regel voor de inhoudsmaat volstaat.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

6

Herbouw van de woning op de bestaande plek is niet wenselijk, aangezien de woning dan aan drie zijden wordt omsloten door bedrijfsgebouwen. Het voordeel van een bedrijfswoning op de beoogde plek is bovendien dat er ruimte ontstaat om op het erf te manoeuvreren. Voertuigbewegingen van en naar het bedrijf hoeven dan niet langer via de ontsluitingsweg achter de woning Doetinchemseweg 15 plaats te vinden. Dit zorgt voor een evidente verbetering van de milieusituatie ter plekke van deze woning. Het verkeer wat op het bedrijf moet zijn, zal het bedrijf voortaan uitsluitend benaderen via de bestaande inrit vanaf de Bleeksestraat. Alleen de verkeersbewegingen ten behoeve van de nieuwe bedrijfswoning zullen nog via de inrit aan de Doetinchemseweg plaatsvinden. Dat betekent dat hier geen zwaar verkeer meer zal rijden.

Figuur 3: beoogde situatie

De nieuw te bouwen woning Bleeksestraat 8 wordt de eerste bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf en krijgt daarom de uitstraling van een hoofdgebouw. De verdere uitwerking vindt plaats in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarbij wordt rekening gehouden met de eisen die volgen uit de nota Welstand Doetinchem. Door de beoogde situering en erfinrichting is er vanaf de Bleeksestraat geen of weinig zicht op de nieuwe woning. Het bestaande aanzicht verandert hier niet of nauwelijks. Vanaf de Doetinchemseweg zal de nieuwe woning goed zichtbaar zijn en zoals dat bij agrarische erven gebruikelijk is voor de bedrijfsbebouwing worden geplaatst.

Figuur 4: zicht vanuit Doetinchemseweg op bedrijf (bron: Google Streetview)

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

7

Het bijgebouw of de bijgebouwen bij de bestaande woning Bleeksestraat 10 kunnen binnen bepaalde voorwaarden vergunningvrij worden gerealiseerd. Exacte invulling daarvan is ter nadere uitwerking van initiatiefnemer en valt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan. Wel geldt als over te nemen voorwaarde vanuit de beheersverordening een maximale oppervlakte van 100 m2. De erfinpassing zal bestaan uit inheemse, streekeigen haag- en boomsoorten. Het bestaande groen op en rondom het erf wordt in stand gehouden. Verder wordt een wadi/waterinfiltratiesloot aangelegd, om te anticiperen op effecten van klimaatverandering (perioden met hemelwateroverlast en verdroging).

2.3

Omgevingsdialoog

In aanloop naar de formele procedure voor het bestemmingsplan zijn bewoners/eigenaren van nabijgelegen woningen meegenomen in de ontwikkeling van de plannen. De plannen zijn doorgenomen met de bewoners/eigenaren van de woningen Doetinchemseweg 13, Doetinchemseweg 15, Doetinchemseweg 17, Doetinchemseweg 19, Bleeksestraat 4 en Bleeksestraat 6. Het in paragraaf 2.2 beschrevene is met hen besproken. Uit de omgevingsdialoog is gebleken dat men positief tegenover het voorliggende plan staat.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

8

Hoofdstuk 3

Conclusie

Ruimtelijke analyse De voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de ruimtelijke structuur van het kampenlandschap, zoals is beschreven onder hoofdstuk 2 en 4. Bij uitvoering van het plan wordt rekening gehouden met de genoemde punten (erfinpassingsplan). Beleidskader De voorliggende ontwikkeling sluit aan bij het beleid van de verschillende overheden. Bij de uitvoering van het plan zijn er geen specifieke zaken om rekening mee te houden.

Haalbaarheid Het plan levert geen problemen op ten aanzien van de onderzochte milieukundige en ruimtelijke aandachtspunten (archeologie en cultuurhistorie, bodem, geluid, luchtkwaliteit, verkeer en parkeren, externe veiligheid, milieuzonering, flora en fauna, water), mits rekening wordt gehouden met de voortplantingsperiode van vogels (zie paragraaf 6.8).

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

9

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke analyse

Landschap

Het plangebied ligt nog net binnen het gebied de Wehlse Broeklanden, ter plaatse van het deelgebied De Zandgronden. Het betreft een kampenlandschap, op korte afstand van zowel broekontginningslandschap als boslandschap. Kenmerkend voor het kampenlandschap zijn de kleinschaligheid en de grote verscheidenheid. Kampen zijn van oorsprong eenmansessen. Het betreft kleine, opbollende akkers, die op hogere gronden in het beekdal liggen. Opgaande beplanting, in de vorm van bomenlanen, bosopstanden, houtwallen en hoge erf- of wegbeplanting, omkadert de essen. De landschapszones binnen het plangebied maken deel uit van het noordelijk zandgebied (dekzandruggen en rivierduinen/dekzandvlakten). De met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling leidt niet tot een grote impact op het landschap. Door de wijze van erfinpassing kan zelfs worden geconcludeerd dat hier een positieve bijdrage aan wordt geleverd. Het betreft een ondergeschikte wijziging van het bouwvlak, waarvoor een aantal groenelementen wordt toegevoegd, die passen in het van oudsher aanwezige beeld van bomenlanen en erfbeplanting in dit gebied. Ten opzichte van de bestaande situatie draagt uitvoering van het plan bij aan versterking van het landschap en vergroting van de biodiversiteit.

4.2

Erf

Omstreeks 1900 was rondom het plangebied sprake van een relatief kleinschalig coulissenlandschap. De boerenerven liggen aan de rand van de es, op de overgang naar de lager liggende hooi- en weidegronden langs de beek. De erven liggen verspreid in het landschap. Kleine bosjes en houtsingels vormen een afscherming tussen het erf en het bouwland. Door de kleinschaligheid van het landschap zijn de afzonderlijke erven vanuit een beperkt aantal plekken in het landschap te beleven. Het kampenlandschap is visueel relatief dicht.

Figuur 5: topografische kaart 1900 (bron: Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed)

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

10

Voor de inpassing van de nieuwe woning en de gewijzigde opzet van het erf is een erfinpassingsplan opgesteld (zie bijlage 4), dat aansluit op het hier aanwezige cultuurhistorische landschap. Daarbij wordt voorzien in de aanplant van inheemse, streekeigen hagen en bomen, die aansluiten op bestaande landschapsstructuren. Hierbij wordt gedoeld op de bestaande boomsingels langs de Bleeksestraat en Doetinchemseweg, die ook verder in de omgeving doorlopen en mede bepalend zijn voor de beleving van het hier aanwezige landschap. De visuele dichtheid van het landschap wordt op locatieniveau door de erfinpassing versterkt. Zo worden laanbomen en een scheerhaag en struweelhaag aangeplant, die aansluiten op bestaand groen en bestaan uit streekeigen soorten. De hoeveelheid verharding en verlichting bij de nieuwe woning blijven beperkt.

In de beoogde opzet worden de volgende elementen gerealiseerd (zie ook figuur 6): - aansluiting van de bestaande erftoegangsweg naar de nieuwe woning; - aanplant van laanbomen langs de erftoegangsweg naar de nieuwe woning en achter de woning aan de zuidzijde van de bestaande ligboxenstal (voorgestelde soorten: haagbeuk, zomereik, linde, liguster en meidoorn); - een scheerhaag tussen de woning en ligboxenstal (voorgestelde soorten: beuk, haagbeuk, veldesdoorn, liguster en meidoorn); - een gemengde struweelhaag ter rechterzijde van de erftoegangsweg naar de nieuwe woning (voorgestelde soorten: meidoorn, veldesdoorn, Gelderse roos, hondsroos, wilde liguster en lijsterbes); - een wadi (waterinfiltratiesloot); - een solitaire walnoot in de zuidoostelijke hoek van de tuin bij de nieuwe woning.

Figuur 6: erfinpassingsplan

4.3

Bebouwing

De bestaande boerderij en schuren vormen een compact cluster. Daarmee wordt bedoeld dat de gebouwen dicht aaneengesloten, op korte afstand van elkaar staan. Er is duidelijk sprake van een samenhangend erf.

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

11

Voor het gebied geldt dat door schaalvergroting, intensivering van de landbouw, rationalisering van de waterlopen en de wegen en door de verstedelijking de kleinschalige afwisseling in het landschap minder is geworden. Beplantingselementen verdwenen en nieuwe bebouwing verscheen op plaatsen waar van oudsher geen bebouwing was. De vroegere herkenbare relatie tussen de landschappelijke ondergrond en het ruimtegebruik vervaagde. Door de rationalisering van de wegen lijken de boerderijen toevallig in het landschap te liggen. De nieuwe woning wordt aan de zuidzijde en op korte afstand van de bestaande ligboxenstal gesitueerd, waarbij het cluster compact blijft, maar mede door de landschappelijke inpassing een veel minder ingeklemd idee ontstaat dan in de huidige opzet. De nieuwe woning wordt de eerste bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf en krijgt daarom de uitstraling van een hoofdgebouw. Door de beoogde situering en erfinrichting is er vanaf de Bleeksestraat geen of weinig zicht op de nieuwe woning. Het bestaande aanzicht verandert hier niet of nauwelijks. Vanaf de Doetinchemseweg zal de nieuwe woning goed zichtbaar zijn. De woning wordt hier zoals dat bij agrarische erven gebruikelijk is geplaatst voor de bedrijfsbebouwing. Het beeld is er één van een agrarische bedrijfswoning met kort daarachter de agrarische bedrijfsbebouwing.

De woning is in ruimtelijk opzicht niet gescheiden van de bedrijfsbebouwing, maar vormt daarmee één gezamenlijk erf. De bestaande cultuurhistorisch waardevolle boerderij is zoals beschreven in paragraaf 1.2 en 2.2 niet te behouden (zie ook paragraaf 6.10.2). Vanuit het oogpunt van bedrijfsvoering is het niet wenselijk om de woning op de huidige plek te herbouwen. Het college van burgemeester en wethouders heeft zich in principe bereid verklaard om medewerking te verlenen aan herbouw van de woning op de nu beoogde plek. Daarbij zal in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning een zodanige vorm moeten worden gevonden dat hiermee wordt voldaan aan redelijke eisen van welstand. De nieuwe woning zal een zodanige vorm en uitstraling moeten hebben dat deze passend is voor deze plek. In combinatie met de erfinrichting is het verlies aan ruimtelijke kwaliteit beperkt of per saldo zelfs licht positief te noemen. Zeker omdat de waarde van de bestaande woning Bleeksestraat 8 in de openbare ruimte nauwelijks kan worden beleefd vanwege het beperkte zicht erop door omliggende gebouwen.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

12

Hoofdstuk 5 5.1

Beleidskader

Inleiding

In dit hoofdstuk komt het overheidsbeleid aan de orde dat van invloed is op voorliggende herziening van het bestemmingsplan/wijziging van het omgevingsplan. Uit onderzoek blijkt dat de volgende beleidsstukken niet van invloed zijn:  Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), Rijksoverheid, inwerking getreden op 13 maart 2012;  beleidskader Duurzame energieopwekking in Doetinchem, vastgesteld 25 april 2019;  herziene woningbouwstrategie 2015, gemeente Doetinchem, vastgesteld 5 november 2015;  lokale woonagenda gemeente Doetinchem 2016-2025, vastgesteld 22 september 2016;  planologisch beleid 2011, gemeente Doetinchem, vastgesteld op 30 juni 2011 en onherroepelijk op 5 september 2011;  masterplan Schil, gemeente Doetinchem, d.d. 13 december 2007;  cultuurnota Dossier Cultuur 2003, gemeente Doetinchem, vastgesteld d.d.

18 december 2003;  detailhandelsbeleid Doetinchem, gemeente Doetinchem, 18 juli 2013;  visie boodschappenstructuur, gemeente Doetinchem, vastgesteld 22 februari 2018;  kantorennota 'Ruimte voor kantoren', gemeente Doetinchem, vastgesteld op 7 februari 2008;  beleidskader Bedrijventerreinen In Verandering (BIVA), vastgesteld 27 juni 2019;  continuïteit in Karakter, Cultuurhistorie Doetinchem, vastgesteld 21 september 2017;  mobiliteitsvisie 2016-2026, gemeente Doetinchem, vastgesteld 3 november 2016;  parkeervisie gemeente Doetinchem 2017-2020, gemeente Doetinchem, vastgesteld 8 juni 2017;  Regionaal Programma Werklocaties Achterhoek, vastgesteld 27-06-2019 Deze plannen zijn daarom ook niet verder toegelicht in dit plan. Het beleid wat wel van invloed is op het bestemmingsplan/de wijziging van het omgevingsplan is in dit hoofdstuk verwoord en afgewogen.

5.2

Rijksbeleid

5.2.1

Nationale omgevingsvisie

Binnenkort treedt de Omgevingswet in werking/Op [datum] is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: De Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie naar de Tweede Kamer gestuurd. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Denk aan periodes van droogte afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen Ook de bouw van nieuwe woningen om het nationale woningtekort op te lossen en de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra zijn van belang. Denk ook aan het versterken van de natuur en biodiversiteit, het behoud van het landschap en de vitaliteit van de landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk dus een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken met als doel om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

13

Ten aanzien van dit plan: Het bestemmingsplan/de wijziging van het omgevingsplan voorziet in de herbouw van een bestaande bedrijfswoning op een andere plek en een beperkte aanpassing van het bouwvlak. De ontwikkeling treft geen rechtstreeks nationaal belang. 5.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit zijn aangepast.

Bij besluit van 28 augustus 2012 (inwerking getreden op 1 oktober 2012) is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied. De nationale ruimtelijke belangen zijn juridisch vastgelegd in de Omgevingswet, de Omgevingsregeling en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de hoofdinfrastructuur voor weg, spoor, water en buisleidingen, Mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van Defensietaken, elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland, bouw- en aanlegbeperkingen voor het IJsselmeergebied, bescherming van UNESCO-werelderfgoederen en een reserveringsgebied voor de parallelle Kaagbaan (Schiphol). Voor omgevingsplannen die toezien op ontwikkelingen in deze gebieden heeft de rijksoverheid instructieregels opgesteld, die hun uitwerking hebben gekregen in het Bkl.

Ten aanzien van dit plan: Bovenstaande gebieden zijn in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening op kaarten aangegeven/Bovenstaande gebieden zijn opgenomen in bijlage III van de Omgevingsregeling (onder verwijzing naar GML-bestanden). Hieruit blijkt dat het plangebied niet in een gebied van nationaal belang ligt. 5.2.3

De ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (oktober 2012) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is toegevoegd aan artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening en is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motivatievereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is de gewijzigde Ladder in werking getreden. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

14

Ten aanzien van dit plan: Met betrekking tot woningbouw is sprake van een Ladder-plichtige stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen. Het voorliggende bestemmingsplan/De wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in de realisatie van extra woningen, maar alleen in sloop en herbouw van een bestaande bedrijfswoning. Verder voorziet het bestemmingsplan/de wijziging van het omgevingsplan niet in een uitbreiding van de veehouderij als zodanig, maar is alleen sprake van een beperkte wijziging van de grens van het bouwvlak. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft daarom niet te worden doorlopen. Het Bro/Bkl heeft verder geen doorwerking op het initiatief.

5.3

Provinciaal beleid

5.3.1

Omgevingsvisie Gelderland

De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. Samen met de Omgevingsverordening heeft de provincie al vooruitgelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in samenspraak met de omgeving. De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven: 1. Energietransitie; 2. Klimaatadaptatie; 3. Circulaire economie; 4. Biodiversiteit; 5. Bereikbaarheid; 6. Vestigingsklimaat; 7. Woon- en leefklimaat. Bij de visie is een aantal themakaarten aanwezig. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen:  ruimtelijk beleid;  waterbeleid;  milieubeleid;  natuur- en landschapsbeleid. Daarmee is voor een aantal onderwerpen specifiek beleid vastgelegd. Op de themakaart milieubeleid staan geen aspecten die betrekking hebben op de gemeente Doetinchem. Bij 'onderzoek en conclusie' is de verdere toetsing aan deze themakaarten verwoord.

In het kader van de uitvoering van de visie, zijn ook drie beleidsdocumenten vastgesteld:  Regionaal waterprogramma;  Handreiking plussenbeleid;  Beleidslijn windenergie. Ten aanzien van dit plan: Het voorliggende bestemmingsplan/De wijziging van het omgevingsplan heeft geen betrekking op één van de onderwerpen uit de hierboven genoemde beleidsdocumenten. Toetsing hieraan is dus niet nodig. Voor het overige staan in de Omgevingsvisie geen specifieke uitgangspunten beschreven die betrekking hebben op de ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

15

5.3.2

Omgevingsverordening Gelderland

De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. In de Omgevingsverordening, achtste actualisatieplan, inwerking getreden op 1 februari 2022, wordt ingezet op die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. In de Omgevingsverordening is met betrekking tot woningbouw geregeld dat er per regio een regionale woonagenda moet worden opgesteld. De zeven gemeenten in de Achterhoek hebben hieraan invulling gegeven door in juli 2019 gezamenlijk in te stemmen met de kwaliteitscriteria voor nieuwe woningbouwplannen. In het achtste actualisatieplan is een nieuw artikel opgenomen over klimaatadaptatie.

Op grond van artikel 2.65b van de Omgevingsverordening moet in de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, worden ingegaan op de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken (inclusief de afweging die daarbij is gemaakt). Ten aanzien van dit plan: Het voorliggende bestemmingsplan/De wijziging van het omgevingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die stuiten op de regels uit de Omgevingsverordening Gelderland. Specifiek voor klimaatadaptatie geldt dat het plan niet leidt tot een nieuwe functie op deze plek, maar dat sprake is van een onderschikte wijziging van een bestaande functie. De waterveiligheid verandert daardoor niet. Op grond van de Klimaateffectatlas (www.klimaateffectatlas.nl) is bovendien sprake van een kleine tot extreem kleine kans op overstroming met een beperkte overstromingsdiepte (extreem kleine kans op een overstromingsdiepte tot 1,5 meter en kleine kans op een overstromingsdiepte tot 1 meter). Wateroverlast en de effecten en gevolgen van droogte en hitte zijn voor zover relevant meegenomen in de erfinrichting (onder meer in de vorm van een wadi). Het plan voldoet daarmee aan hetgeen in de Omgevingsverordening staat vermeld.

Overigens is volgens de Klimaateffectatlas geen sprake van zodanige lokale klimaateffecten dat hiervoor op planniveau specifieke regels moeten worden gesteld. Gezien de bescheiden aard en omvang van de ontwikkeling heeft initiatiefnemer dit plan niet vooraf voorgelegd aan de provincie. De ontwikkeling treft geen provinciaal belang. 5.3.3

Cultuur en Erfgoed 2017-2020 Beleef het mee!

Gelderland is rijk aan cultuur en erfgoed: onder andere musea, theater, dans, festivals, monumenten, archeologie en het historische landschap. Het stimuleren van toegankelijkheid van cultuur en erfgoed voor de inwoners van Gelderland is een belangrijke provinciale kerntaak. Vanuit het programma Cultuur en Erfgoed worden verbindingen gezocht met overige provinciale kerntaken en de gebiedsopgaven. De duidelijkste verbindingen liggen bij de programma's Leefbaarheid, SteenGoed Benutten, Energietransitie, Gebiedsopgaven en Toerisme en Recreatie. Inwoners en bezoekers van Gelderland moeten de mogelijkheid hebben om cultuur en erfgoed te beleven en ervan te genieten. De provincie faciliteert dat hiertoe in alle regio's initiatieven ontplooid kunnen worden. Versterking van de regionale identiteit door middel van cultuur en erfgoed is hierbij het uitgangspunt. De provincie wil hierbij een verbindende en inspirerende rol vervullen, en investeren in de verdere ontwikkeling van kennis en onderzoek. Ondernemerschap en innovatie van de culturele sector worden gestimuleerd.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

16

Erfgoed ontwikkelen en beleven Erfgoed is om te beleven en om van te genieten. Toeristen en inwoners genieten van kastelen, historische steden en oude bossen. Erfgoed ontleent zijn bestaansrecht aan de waardering van mensen. Er is een onderscheid tussen materieel en immaterieel erfgoed. Materieel erfgoed bestaat uit historische bebouwing, historisch landschap en archeologie. Immaterieel erfgoed bestaat uit verhalen, tradities, gewoonten en gebruiken. Op het gebied van materieel erfgoed worden drie hoofddoelen onderscheiden. A. Versterken van de functionaliteit van erfgoed. Dit doet de provincie door het stimuleren van restauratie en herbestemming van monumenten en het tegengaan van leegstand. Extra aandacht is er voor duurzaamheid van monumenten door het stimuleren van energiebesparende maatregelen, en het ondersteunen van initiatieven die bijdragen aan duurzaam onderhoud van groen erfgoed. B. Verbeteren van de uitvoeringskwaliteit door samenwerking in het erfgoednetwerk. Bundeling van kennis en capaciteit bij het uitvoeren van restauraties, het opstellen van uitvoeringsvoorschriften en een kwaliteitsborgingssysteem de zogenaamde Gelderse Voet en de Groene Voet voor erfgoedhoveniers, en voorzetten van het beleid op het gebied van regioarcheologie. C. Stimulering van innovatie en nieuwe ontwikkelingen.

Samen met de erfgoedsector wordt gewerkt aan de onderwerpen: klimaat en duurzaamheid, kennis en innovatie in de praktijk, nieuwe opgaven (bijv. leegstand van monumentaal vastgoed), toegankelijk maken van cultuurhistorische en archeologische waardenkaarten en een kennisagenda Archeologie van Gelderland. Ten aanzien van dit plan: In paragraaf 6.11 wordt nader ingegaan op de aanwezige cultuurhistorie in het plangebied. De ontwikkeling sluit aan op de doelstellingen zoals aangegeven in het beleidskader.

5.4

Regionaal beleid

5.4.1

Kwalitatieve toetsingscriteria woningbouw Achterhoek

De Thematafel Wonen en Vastgoed van de regio Achterhoek heeft op 20 juni 2019 een regionaal kader afgestemd en omarmd over de toe te voegen woningbouw in de Achterhoek. Het beleidsdocument “Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek” beschrijft dit regionale kader en is vastgesteld op 26 september 2019 door de gemeenteraad. Naast het regionale kader beschrijft het beleidsdocument de te hanteren werkwijze en het monitoren van nieuwe woningbouwinitiatieven. Het vervangt een deel van hoofdstuk 5 van de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025 die in 2015 is vastgesteld. Aanleiding voor de ‘Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek’ is het Achterhoeks Woonwensen- en Leefbaarheidsonderzoek 2017 (AWLO), dat laat zien dat er kwalitatieve tekorten en overschotten zijn tussen vraag en aanbod van woningen (mismatch) in de regio Achterhoek. De groei van het aantal huishoudens in de regio houdt langer aan dan eerder voorzien en dat betekent dat er extra woningen moeten komen bovenop het aantal dat in afspraken is vastgelegd in de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025. De ‘Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek’ geeft ruimte aan de bouw van extra woningen, maar met prioriteit voor woningen waar behoefte aan is en waarvan een duidelijk tekort in de markt te zien valt.

De behoefte bestaat voornamelijk uit woningen voor starters en senioren. Drie kwaliteitscriteria worden benoemd waaraan woningbouwinitiatieven moeten voldoen: 1. Behoefte is aangetoond: Per cluster/kern wordt bepaald welke woningtypes en prijssegmenten nodig zijn. 2. Voorrang voor transformatie van leegstand vastgoed: Bouwen op locaties met leegstaand vastgoed gaat voor bouwen op andere locaties binnen de bebouwde kom. In het buitengebied kan het gaan om vrijkomende agrarische bebouwing.

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

17

3. Inbreiding gaat voor uitbreiding: Op uitleglocaties wordt in principe niet gebouwd. De Ladder voor Duurzame Verstedelijking wordt hier gevolgd. Verder is in het beleidsdocument een 4e (niet kwalitatief) criterium opgenomen, namelijk de realisatietermijn van goedgekeurde plannen om zo actiever te sturen op veranderende marktomstandigheden. Daarnaast wordt het effect van dit beleid in beeld gebracht met een monitor die zowel de kwalitatieve als kwantitatieve effecten laat zien. Ten aanzien van dit plan: De herbouw van een bedrijfswoning valt niet onder een woningbouwinitiatief als bedoeld in de ‘Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek. 5.4.2 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 Op 26 april 2012 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012 vastgesteld. Dit is een actualisatie van de Regionale structuurvisie uit 2004. Als basis voor ruimtelijk beleid is er een aantal speerpunten voor de regio benoemd. Dat zijn:  omgaan met de krimp;  externe relaties;  veranderingen in het landelijk gebied;  overstap naar duurzame energie.

Figuur 7: Visiekaart Achterhoek

Huidige kwaliteit als basis voor de toekomst Bovenstaande kaart geeft de regionale structuren en kwaliteiten weer.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

18

Landschap: De verschillen in landschapstypen zijn een belangrijke identiteitsdrager van de Achterhoek. De Achterhoekse gemeenten willen die kenmerken en landschappelijke verschillen in de toekomst behouden, versterken of herstellen. Het gaat er daarbij niet om terug te keren naar het verleden, maar om het opdoen van inspiratie uit het verleden bij de toekomstige inpassing van nieuwe ontwikkelingen. De karakteristieken van deze landschapstypen bieden aanknopingspunten voor de inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Het Achterhoekse landschap kan veel functies absorberen. De 'landschapstypekaart' (bijlage 5 van de structuurvisie) geeft het regionale kader weer. De aanbevelingen met betrekking tot lokale wijze van inpassing staan hier ook verder beschreven. Infrastructuur: Bereikbaarheid van en in de regio is van groot belang. De infrastructuur is derhalve wel functioneel van belang. Deze is voor de toekomst maar zeer beperkt ruimtelijk ordenend, niet meer dan het nu al is. De pijlen geven de verbindingen aan waar verbetering noodzakelijk-wenselijk is.

Dorpenlandschap: Voorzieningen worden in een bepaalde mate geconcentreerd in bestaande grotere kernen, te weten Doetinchem, Winterswijk, Vorden, Hengelo, Borculo, Eibergen, Ruurlo, Neede, Lichtenvoorde, Groenlo, Aalten, Dinxperlo, Varsseveld, Gendringen, Steenderen, Wehl, Didam, 'sHeerenberg, Zelhem, Ulft /Gendringen en Silvolde/Gaanderen/Terborg. Dit betekent echter niet dat overal hetzelfde voorzieningenniveau wordt nagestreefd. In eerste instantie bepalen lokale behoefte en initiatief het niveau van de voorzieningen. Regionaal wordt afstemming gezocht om overaanbod en/of concurrentie door nabijheid te voorkomen. Het uitkristalliseren van deze afstemming is nog in voorbereiding. Overige speerpunten, zoals duurzame energie, toerisme enzovoort: deze speerpunten gelden regionaal en zijn in banners in de zijkant weergegeven. Er zijn geen specifieke locaties voor aangewezen. Wel wordt regionale afstemming nagestreefd. Ten aanzien van dit plan: De met voorliggend bestemmingsplan/De door wijziging van het omgevingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling levert geen strijdigheid op met de Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012.

5.5

Gemeentelijk beleid

5.5.1

Structuurvisie Doetinchem 2035

Op 26 september 2013 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Structuurvisie Doetinchem 2035 vastgesteld. Deze structuurvisie schetst een beeld van de huidige ruimtelijke situatie en gaat zowel in op de kwaliteiten als op onderdelen waar verbeteringen denkbaar zijn. Er worden ruimtelijke kaders geschetst waarbinnen de gemeente Doetinchem de komende jaren wil werken. Daarbij gelden vier thema's. Dit zijn:  beherend ontwikkelen van stad en land;  kwaliteit en beleving;  economische kansen;  Doetinchem en haar omgeving. Beherend ontwikkelen van stad en land Het accent verschuift van ontwikkeling naar beheer als gevolg van de te verwachten vergrijzing van de bevolking en daling van het aantal inwoners. De focus komt te liggen op het verbeteren van bestaande gebieden en functies. Wat goed is vraagt om goed beheer en behoud. Wat niet langer voldoet vraagt om aanpassing of, in het uiterste geval, om vervanging door iets anders. Denkbaar is de sloop van bebouwing en het transformeren van stukken stad naar natuur of stadspark. Kwaliteit en beleving De verschuiving van het accent naar beheer biedt kansen voor kwalitatieve ontwikkeling. Doetinchem moet aantrekkelijk zijn voor bewoners, bezoekers en bedrijven. In de structuurvisie ligt de focus op de beleving en ruimtelijke kwaliteit. De structuurvisie streeft een hoge ruimtelijke kwaliteit na.

De kwaliteit zal er overal weer anders uitzien en is op verschillende manieren te realiseren.

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

19

Economische kansen De gemeente Doetinchem wil aantrekkelijk blijven door bestaande kwaliteiten te versterken en nieuwe kwaliteiten aan te boren. Inzet is het behoud van werkgelegenheid en het redden van de traditioneel sterke sectoren, zoals de maakindustrie en de zorg. Daarnaast zet de gemeente in op onverwachte kansen die zich voordoen en het anticiperen daarop. De stad moet vernieuwend zijn zonder de bestaande kwaliteiten te verwaarlozen. Doetinchem en haar omgeving Als centrumgemeente zal Doetinchem de komende jaren een steeds belangrijkere rol vervullen. Als gevolg van bevolkingsontwikkeling zullen omliggende dorpen steeds vaker gebruik maken van de Doetinchemse voorzieningen. Goede verbindingen met de buurgemeenten zijn noodzakelijk. Er zijn verschillende samenwerkingsvormen, ook met buurland Duitsland. Belangrijke aandachtsgebieden zijn momenteel de infrastructuur, de zorg, het onderwijs, de werkgelegenheid en de cultuur. Ten aanzien van dit plan: De Structuurvisie Doetinchem 2035 van de gemeente bevat geen specifieke voorwaarden voor het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan/de wijziging van dit omgevingsplan. 5.5.2

Planologisch kader voor het landelijk gebied – 2021

Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad de beleidsregel ‘Planologisch kader voor het landelijk gebied – 2021’ vastgesteld. De beleidsregel is op 29 juli 2021 in werking getreden. Met deze beleidsregel wil de gemeente Doetinchem duidelijkheid bieden over voorwaarden die gelden voor medewerking bij bepaalde ontwikkelingen in het landelijk gebied. Deze zijn in de beleidsregel uitdrukkelijk benoemd. De beleidsregel is bedoeld voor bepaalde ontwikkelingen die niet in de beheersverordening passen. Aan de volgende ontwikkelingen wordt in principe/onder bepaalde voorwaarden meegewerkt: - categorie 1: ontwikkelingen met een ondergeschikte invloed, ruimtelijk en functioneel, die aansluiten op de hoofdfunctie; - categorie 2: ontwikkelingen met een beperkte invloed, ruimtelijk en functioneel, die aansluiten op de hoofdfunctie; - categorie 3: ontwikkelingen met een grotere invloed, ruimtelijk en functioneel, die leiden tot een aanpassing van de hoofdfunctie. Ten aanzien van dit plan: Het veranderen van een agrarisch bouwvlak valt in categorie 3 als hierboven bedoeld. Daarbij is van belang dat alleen de vorm wordt aangepast en de oppervlakte van het bouwvlak gelijk blijft. Uit toetsing aan de hiervoor geldende voorwaarden blijkt dat: a. de ontwikkeling nodig is voor een goede bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf (zoals omschreven in hoofdstuk 1 en 2); b.

de stikstofdepositie niet toeneemt (zie ook paragraaf 6.8); c. niet meer dan de helft van de nu in het bouwvlak gelegen grond na de herziening buiten het bouwvlak ligt (zie figuur 2 en 3); d. alle aanwezige gebouwen blijven binnen het bouwvlak liggen, met dien verstande dat een deel van de ligboxenstal nu ook binnen het bouwvlak wordt gebracht (zie figuur 2 en 3); e. door de verandering aangrenzende bedrijven, gronden en bedrijven niet zodanig worden belemmerd, dat het gebruik daarvan in het gedrang komt (zie hoofdstuk 6); f. het woon- en leefklimaat van gevoelige functies niet verslechtert (zie hoofdstuk 6); g. op het erf wordt gezorgd voor een goede landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 4), waarover van tevoren overleg heeft plaatsgevonden met de gemeente; h. het bouwvlak niet ligt in het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone; i. de verandering van het bouwvlak de omgeving niet zodanig verandert dat deze door die impact ongewenst is (zie hoofdstuk 2 en 6); j. de ontwikkeling economisch uitvoerbaar is (zie paragraaf 6.11). De ontwikkeling past dus in het planologisch kader voor het landelijk gebied. Toetsing aan bovenstaande voorwaarden heeft overigens al plaatsgevonden in de fase van het principeverzoek en is toen akkoord bevonden door het college van burgemeester en wethouders.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

20

5.5.3

Doetinchem Natuurlijk Duurzaam

Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om de duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen.

In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Ten aanzien van dit plan: In het voorliggende bestemmingsplan/Bij de wijziging van het omgevingsplan heeft de gemeente waar mogelijk al rekening gehouden met de energieneutraliteitsambitie. Zo is het in alle bouwvlakken toegestaan om op daken van gebouwen zonnepanelen en -collectoren te plaatsen. Dit kan vergunningsvrij als rekening wordt gehouden met de bijbehorende randvoorwaarden. Het plaatsen van zonnepanelen en -collectoren op monumenten is niet vergunningsvrij. Het realiseren van zonnepanelen op de grond is alleen toegestaan als er een omgevingsvergunning is aangevraagd. De gedachtegang is dat eerst het dak wordt gebruikt om zonnepanelen te realiseren en dat daarna eventueel nog zonnepanelen tot maximaal 100 m2 op de grond gerealiseerd worden. Hiermee is de maximale oppervlaktemaat op de grond voldoende begrensd. In het bestemmingsplan/omgevingsplan is geregeld dat de opgewekte duurzame energie zowel voor eigen gebruik als voor derden opgewekt mag worden. 5.5.4

Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang:  het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren;  water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling);  met water de identiteit van een plek zichtbaar maken;  een goede communicatie opzetten (intern en extern);  water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen;  samenwerken en afstemmen;  balans in watersysteem en waterketen. Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. Ten aanzien van dit plan: In paragraaf 6.9 Water wordt nader op het aspect water ingegaan. Dit bestemmingsplan/Deze

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

21

wijziging van het omgevingsplan sluit aan op het gestelde in het Gemeentelijk Rioleringsplan. 5.5.5

Groenstructuurplan Doetinchem 2017

Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn:  vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren;  verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties;  handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen;  functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening;  mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

Figuur 8: Groenstructuurkaart Wehl met ligging plangebied bij zwarte pijl

Ten aanzien van dit plan: Het bestemmingplan/De wijziging van het omgevingsplan grijpt niet in op bestaande of te ontwikkelen groenstructuren.

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

22

5.5.6

Bomenbeleid en de Bomenverordening

De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeentelijke bomenverordening. De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid is in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boomstructuren. Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toeneemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Ten aanzien van dit plan: De aanwezige waardevolle bomen worden beschermd middels de kapverordening en de kapvergunning. In dit bestemmingsplan/In deze wijziging van het omgevingsplan zijn derhalve geen maatregelen opgenomen. Het bestemmingsplan/De wijziging van het omgevingsplan vormt geen belemmering voor het Bomenbeleid en de Bomenverordening. Voor de uitvoering van het plan is het niet nodig om bomen te kappen.

Ruimtelijke onderbouwing, versie 2 juni 2022

23

Hoofdstuk 6 6.1

Haalbaarheid

Algemeen

Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.

6.2

Milieueffectrapportage - (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)plicht

Bij ruimtelijke plannen/omgevingsplannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is opgenomen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.)/afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken daadwerkelijk een m.e.r.-(beoordelings)procedure doorlopen moet worden dan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: 1. De activiteit(en) die het plan of besluit mogelijk maakt, komt niet voor in of kan niet worden beschouwd als een activiteit zoals opgenomen in kolom 1 van onderdeel C (C-lijst) of D (D-lijst) van de bijlage van het Besluit m.e.r. Er geldt geen m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.beoordelingsplicht. 2. Een m.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r.

verplicht; a. M.e.r. is verplicht bij een plan als:  het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is.  of als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000-gebieden waardoor een Passende beoordeling nodig is. b. M.e.r. is verplicht bij een project:  als de activiteit die mogelijk wordt gemaakt is opgenomen in kolom 1 van de C-lijst.  als de omvang van de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 van de C-lijst overschrijdt.  en er een besluit als genoemd in kolom 4 van de C-lijst nodig is. 3. Een formele m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een formele beoordelingsplicht, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de Europese m.e.r.richtlijn) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.

Er is sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  groter is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst (indien de activiteit mogelijk wordt gemaakt door een plan in kolom 3, dan geldt een plan-m.e.r.-plicht).

Ruimtelijke onderbouwing, 2 juni 2022

24

4.

Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit:  voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en  kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en  mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7746/documents/41577