Bijlage 1_10 Toelichting bijlage 4 - Onderzoek ontplofbare oorlogsresten.pdf
Tekst van het document
J
Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied ‘Ontwikkelingslocatie woningbouw Fokkenkamp te Wehl.’
ONDERZOEKSGEBIED:
Ontwikkelingslocatie woningbouw Fokkenkamp te Wehl
OPDRACHTGEVER:
Gemeente Doetinchem
DATUM:
11-05-2021
TER ACCORDERING MANAGEMENT
Ing. F. Pas – Algemeen Directeur
EN EINDVERANTWOORDELIJKE
Explosive Clearance Group
DIRECTIE:
………………………………………………………... DOCUMENTCODE:
159-021-VO-01
VERSIE:
Definitief
DISTRIBUTIELIJST:
Explosive Clearance Group BV Gemeente Doetinchem
Copyright Explosive Clearance Group BV 2021©. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken.
Samenvatting In opdracht van de gemeente Doetinchem heeft Explosive Clearance Group een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) in het onderzoeksgebied ‘Ontwikkelingslocatie woningbouw Fokkenkamp te Wehl’. Middels het literatuur- en archiefonderzoek en de luchtfoto-interpretatie zijn er binnen het onderzoeksgebied geen indicaties achterhaald voor een verhoogde kans op de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. Het onderzoeksgebied is derhalve onverdacht op het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten (zie Bijlage 1 voor de Bodembelastingkaart Ontplofbare Oorlogsresten). ECG adviseert u om de geplande werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren en het opsporingsproces niet verder voort te zetten. Hoewel er geen feitelijke aanleiding is het onderzoeksgebied verdacht te verklaren, adviseert ECG u om het uitvoerend personeel voorafgaand aan werkzaamheden in de te bewerken gebieden altijd te instrueren (aan de hand van Bijlage 3 Protocol Toevalsvondst) geen verdere acties te ondernemen in het geval van het onverhoopt aantreffen van munitieverdachte objecten en terstond contact op te nemen met de (plaatselijke) politie: telefoon: 0900-8844.
Inhoudsopgave 1 INLEIDING ................................................................................................................................ 7 1.1 ALGEMEEN ....................................................................................................................................... 7 1.2 NORMEN BETREFFENDE DE BEOORDELING EN AANVAARDBAARHEID VAN DE RISICO’S VAN OO ........................ 9 1.3 AANLEIDING ................................................................................................................................... 10 1.4 DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK .................................................................................................. 10 1.5 VERANTWOORDING ......................................................................................................................... 12 1.6 BRONNEN....................................................................................................................................... 12 1.6.1 TOELICHTING BRONNEN .................................................................................................................... 13 1.6.2 VERDERE AANDACHTSPUNTEN ...........................................................................................................
17 1.7 WIJZE VAN RAADPLEGEN ARCHIEFINSTELLINGEN .................................................................................... 17 1.8 ONDERZOEKSGEBIED ........................................................................................................................ 18 1.9 KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM ....................................................................................................... 21 2 HET INDICATIE- EN CONFLICTPERIODE-ONDERZOEK .......................................................................... 22 2.1 OPZET INDELING EN METHODE ........................................................................................................... 22 2.2 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE ................................... 23 2.3 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ............................................................................................ 23 2.4 INVENTARISATIE REEDS UITGEVOERD ONDERZOEK ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN .................................... 26 2.5 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ............................................................................................................ 26 2.6 WIJZE VAN RAADPLEGEN ARCHIEFBEWAARPLAATSEN .............................................................................
27 2.7 INDICATIE ONDERZOEK GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN ....................................... 28 2.7.1 ERFGOEDCENTRUM ACHTERHOEK EN LIEMERS DOETINCHEM .................................................................. 28 2.7.2 GELDERS ARCHIEF ARNHEM .............................................................................................................. 29 2.7.3 NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG ........................................................................................................ 29 2.7.4 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDESTUDIES AMSTERDAM ................................ 30 2.7.5 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG .............................................................. 30 2.8 INTERNATIONALE ARCHIEVEN ............................................................................................................. 30 2.8.1 THE NATIONAL ARCHIVES.................................................................................................................. 31 2.8.2 THE NATIONAL ARCHIVES: OMGANG MET HET ONTLENEN VAN GEGEVENS AAN DAILY LOGS EN ORB’S ........... 31 2.8.3 GEALLIEERDEN: NORD DE GUERRE-COÖRDINATENSTELSEL ......................................................................
31 2.8.4 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV ........................................................................................................ 34 2.8.5 LIBRARY AND ARCHIVES CANADA........................................................................................................ 34 2.9 GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D..................................................................... 35 2.9.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE...................................... 35 2.9.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK ............................. 38 2.9.3 MIJNENVELDREGISTER ...................................................................................................................... 38 2.9.4 KRANTENBERICHTEN DELPHER ........................................................................................................... 39 2.10 LUCHTFOTO-INTERPRETATIE .............................................................................................................. 39 2.10.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO-INTERPRETATIE ........................................................................................... 39 2.10.2 METHODIEK....................................................................................................................................
39 2.10.3 CLASSIFICATIE VALIDITEIT WAARNEMING .............................................................................................. 40 2.10.4 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO-INTERPRETATIE .............................................................. 40
2.10.5 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL .............................. 41 2.11 OVERZICHTSTABEL CONFLICTPERIODE.................................................................................................. 43 2.12 BEELDMATERIAAL AFKOMSTIG UIT LITERATUUR EN ARCHIEVEN ................................................................ 49 3 HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ............................................................................................ 51 3.1 BEELDVERGELIJKING TEN BEHOEVE CONTRA-INDICATIEONDERZOEK .......................................................... 51 3.2 KLIC-MELDING ................................................................................................................................ 53 3.3 ANALYSE ONDERZOEK NA-CONFLICTPERIODE (CONTRA-INDICATIES) ......................................................... 55 4 AFWEGING INDICATIES EN CONTRA-INDICATIES EN AFBAKENING .......................................................... 56 4.1 BEOORDELING EN BEREDENEERDE INSCHATTING OMTRENT AANWEZIGHEID OO ......................................... 56 5 LEEMTEN IN KENNIS .................................................................................................................
57 6 CONCLUSIE EN ADVIES .............................................................................................................. 58 7 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN ..................................................................................... 60 8 BIJLAGEN .............................................................................................................................. 63 BIJLAGE 1: BODEMBELASTINGKAART ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN ................................................................ 63 BIJLAGE 2: GEBEURTENISSENKAART .............................................................................................................. 65 BIJLAGE 3: PROTOCOL TOEVALSVONDST ........................................................................................................ 67 BIJLAGE 4: GERAADPLEEGDE ARCHIEVEN ........................................................................................................ 69
1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, is een aantal om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht.1 1.1
ALGEMEEN
Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (OO)2 is het onverhoeds aantreffen van deze OO bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen OO. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van OO en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van (bij het opsporen van OO betrokken)3 werknemers, omstanders en andere personen. Het voornoemd risico kan zich voordoen indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van OO en/of het opsporen van OO op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt.
In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van OO zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart.4 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden – degene voor wiens rekening een bouwwerk/civieltechnisch tot stand wordt gebracht) zich ervan te gewissen dat de betrokken werkgevers en zelfstandigen in staat zijn de verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden die gelden in de uitvoeringsfase na te komen (een inspanningsverplichting samenhangende met verantwoord opdrachtgeverschap). Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever zekerheid verkrijgt dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap. Kortom: de opdrachtgever dient reeds in het ontwerp er zoveel mogelijk voor te zorgen dat er zekerheid bestaat dat het werk veilig kan worden uitgevoerd.
1 Uit Amerikaans onderzoek in Europa na de Tweede Wereldoorlog (1947) waarbij de uitwerking van 26.444 ingezette
bommen (verspreid over 38 doelen) is bestudeerd, is gebleken dat hiervan 13% procent om verschillende redenen niet tot ontploffing zijn gekomen (blindgangers). 2 De term Ontplofbare Oorlogsresten (OO) vervangt de term Conventionele Explosieven (CE). Zie: Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2019, nr. 471, Besluit 28 november 2019. 3 Het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten mag op Arbo-grondlagen alleen plaatsvinden door bedrijven die hiervoor gecertificeerd zijn. Per 1 januari 2021 is het Werkveld Specifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) vervangen door het Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO). Het vooronderzoek valt buiten het bereik van het CS-OOO. Zie voetnoot 7. 4 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl.
Verantwoord opdrachtgeverschap houdt hierbij in dat de aandacht voor de gezondheid en de veiligheid van degenen die het werk uitvoeren in alle fases van een project (van ontwerp tot oplevering) is geborgd en dat de opdrachtgever zich altijd bewust is van zijn verantwoordelijkheid en daarnaar handelt. Door vanaf het begin van een project de gevolgen voor gezond en veilig werken te beoordelen en maatregelen te nemen, kunnen risico’s in de uitvoeringsfase worden voorkomen. Is bij de voorbereiding van een bouwwerk goed wordt nagedacht over de veiligheidsaspecten en de planning, leidt dat tot minder arbeidsrisico’s bij de realisering van het bouwwerk.5 Ten gevolge van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij grond- en/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar is over de samenstelling van de (water)bodem en hiervoor de juiste onderzoeken te (laten) verrichten.
Zodat de opdrachtnemer/uitvoerder in zijn hoedanigheid als werkgever een goede beoordeling kan maken of er in de uitvoeringsfase bepaalde risico’s kunnen ontstaan en waarmee er in een Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en een eventueel Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G plan) rekening mee gehouden dient te worden.6 Het vaststellen of er bijvoorbeeld sprake is van specifieke gevaren in verband met de potentiële aanwezigheid van OO kan plaats vinden middels een historisch vooronderzoek7 waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten.8 Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de onderzoekverplichting in
5 Zie voor achtergronden: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Jaarplan 2015 (Den Haag 2014) 18 (http://www.inspectieszw.nl/Images/Jaarplan-InspectieSZW-2015_tcm335-359626.pdf); De Inspectie blijft zich inzetten om bij de opdrachtgevers, inclusief gemeenten, indringend concrete aandacht en zorg te eisen voor hun verantwoordelijkheid bij de voorbereidingen voor GWW-projecten. Bijvoorbeeld het veilig opleveren van projectgrond – gevrijwaard van explosieven – en sturing op arbo-aspecten in het opdrachtverlenings-traject. 6 Staatsblad, jaargang 2016, nummer 495: “Artikel 2.26 [van het Arbeidsomstandighedenbesluit] vormt tevens de basis voor handhaving op het terrein van grond-, weg- en waterbouw. Op grond van dit artikel moet de opdrachtgever in de ontwerpfase zich ervan vergewissen dat de werkgever en de zelfstandige zijn verplichtingen voor de arbeidsomstandigheden in de uitvoeringsfase kan nakomen. Daarbij gaat in het bijzonder over de verplichtingen op grond van de artikelen 3 (de zorgplicht van de werkgever), 5 (inventarisatie en evaluatie van risico’s) en 8 (voorlichting en onderricht) van de wet, evenals hoofdstuk 4, afdeling 5, van het Arbobesluit.
Als er risico’s bij werkzaamheden in of op de grond zijn waaraan werknemers of zelfstandigen blootgesteld kunnen worden, zoals verontreinigde grond, de aanwezigheid van kabels, leidingen of Conventionele explosieven in de grond, of een beperkte draagkracht van de grond moet de werkgever deze risico’s benoemen in de risicoinventarisatie en -evaluatie (RIE). Als deze risico’s spelen op een specifieke bouwplaats, moet de werkgever daarover worden geïnformeerd, zodat hij maatregelen kan nemen om deze risico’s te vermijden of te beperken. In verband met het voorkomen van gevaar voor derden (artikel 10 Arbowet) moeten ook zelfstandigen en andere derden op gevaren worden gewezen.” Zie eveneens: Artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet: “Het is de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is.” 7 Richtlijnen voor een vooronderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten zijn in tegenstelling tot het voormalige Werkveldspecifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) niet in het Certificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) opgenomen omdat het ministerie van SZW besloten heeft deze uit
de wettelijke certificatie rondom het opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten te halen omdat deze werkzaamheden strikt genomen geen veiligheidsrisico dragen zoals bedoeld in arbo-technische zin. Om een handvat voor de kwaliteitsborging van een Vooronderzoek en Risicoanalyse te bieden is op 8 februari 2021 het vrijwillig Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01) voor vrijwillige certificatie vrijgegeven. Zie www.vomes.nl. In het CS-VROO-01 zijn eisen opgenomen waaraan een Vooronderzoek of een Risicoanalyse onafhankelijk kunnen worden beoordeeld/getoetst. 8 VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen Ontplofbare Oorlogsresten liggen, maar geeft antwoord op de vraag of het (op basis van primair bronnenmateriaal) aannemelijk (theoretische indicatie) is dat in
artikel 4.10 van het Arbobesluit om het risico van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten voorafgaand aan werkzaamheden in een gebied te inventariseren en te evalueren. 1.2
NORMEN BETREFFENDE DE BEOORDELING EN AANVAARDBAARHEID VAN DE RISICO’S VAN OO
Naar de risico’s behorende bij achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten is in Nederland geen onderzoek verricht. Het is (vooralsnog) niet mogelijk een percentage toe te wijzen aan de kans op letsel per jaar als gevolg van een accidentele/ongecontroleerde in werking tredende OO. Om hier een onderbouwde conclusie op te geven dient middels wetenschappelijk onderzoek een kwantificering van de kans dat er OO gevonden worden en ontploft, plaats te vinden. Bij het eerste aspect (het beoordelen van de kans dat er OO gevonden worden) speelt evident de kwaliteit en diepgang van het vooronderzoek een rol en bij het tweede aspect (de kans dat OO ongecontroleerd in werking treedt en met welke gevolgen) spelen onder andere de hoofdsoort en subsoort van de OO (inclusief uitwerking), de gebruikte ontstekingsinrichting (bij voorkeur eveneens informatie welke middels een vooronderzoek kan worden achterhaald) de geplande activiteit/het toekomstig gebruik en de locatie een rol.
Er is verder geen integraal en formeel vastgelegd normenkader (instrumentarium) beschikbaar voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid (maatschappelijke grenswaarde) van eventuele risico’s samenhangende met het aantreffen van OO.9 In Nederland kennen we geen wet- en regelgeving of landelijk beleid dat richting geeft aan de omgang met risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten, tenminste waar het gaat om publieke risico’s (dus anders dan het arbeidsomstandighedenrisico). Er is dus geen sprake van landelijke risiconormen over welke risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten al dan niet aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het lokaal bevoegd gezag een eigen afweging moet maken op grond van haar verantwoordelijkheid voor de openbare veiligheid over de acceptatie van risico’s/gevaren van Ontplofbare Oorlogsresten. Omgekeerd betekent dit voor alle duidelijkheid dat de ‘de gemeente’ niet per definitie actie moet ondernemen ten aanzien van de Ontplofbare Oorlogsresten die zich nog in de (water)bodem bevinden.10 De tendens is dat op dit moment het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten als een risico wordt gezien, i.p.v. het daadwerkelijk exploderen.11
een bepaald gebied nog OO zouden kunnen worden aangetroffen. Door middel van opsporingswerkzaamheden kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van OO worden vastgesteld. 9 Raad voor de financiële verhoudingen, Herziening bommenregeling gemeentefonds Kenmerk 2015-0000363666 (26 juni 2015) 9: ‘Om een doelmatige afweging te kunnen maken tussen veiligheid en kosten is een beoordelingskader nodig waarmee gemeentebesturen de risico’s van explosieven in bodem en water in kunnen schatten.’ 10 E. Cator, I. Helsloot en J. Vlagsma, Afbakening van verdacht gebied in Amsterdam. Onderzoek naar nieuwe, onderbouwde methodes voor de afbakening van CE-verdachte gebieden (Nijmegen juni 2017) 40. 11 M. Dijkstra, Een op risico gebaseerde methode om de efficiëntie en effectiviteit van Conventionele Explosieven onderzoeken van RWS projecten te verbeteren (Delft 2013) 97.
1.3
AANLEIDING
De gemeente Doetinchem heeft ECG in verband met toekomstige woningbouw aan de Fokkenkamp te Wehl de opdracht gegeven om een historisch vooronderzoek voor het onderzoeksgebied ‘Ontwikkelingslocatie woningbouw Fokkenkamp te Wehl’ op te stellen. De locatie en een beschrijving van het onderzoeksgebied zijn opgenomen in paragraaf 1.8. 1.4
DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK
Het onderzoeksdoel en de te volgen werkwijze betreffende een vooronderzoek worden in CS-VROO01 als volgt omschreven: ‘Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er in het onderzoeksgebied sprake is van aanwijzingen van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten, en indien deze aanwijzingen er zijn, om het verdachte gebied af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal. Eindresultaat is een rapportage en een bijbehorende Bodembelastingskaart ontplofbare oorlogsresten. Het vooronderzoek omvat twee onderdelen, namelijk een Vooronderzoek conflictperiode en een Vooronderzoek naconflictperiode. Een vooronderzoek kan één of beide onderdelen bevatten’.12 Het uitgangspunt van deze studie is, om door middel van het verzamelen en verwerken van relevant historisch feitenmateriaal, een gefundeerd antwoord te verkrijgen op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of een deel hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (aanwijzingen indicaties)? 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als onverdacht kan worden aangemerkt (aanwijzingen contraindicaties)? 3.
Indien er sprake is van verdacht gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Ontplofbare Oorlogsresten? De resultaten van de bureaustudie zijn onder te verdelen naar: geografisch herleidbare gebeurtenissen met informatie die een aanwijzing vormen dat het gebied verdacht of onverdacht is op de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (indicaties) en/of geografisch herleidbare gebeurtenissen zijn die een aanwijzing vormen dat het gebied als onverdacht (aanwijzingen die erop duiden op het niet – meer - aanwezig zijn van Ontplofbare Oorlogsresten kan worden aangemerkt (contra-indicaties).
12 Stichting Veilig Omgaan met Explosieve Stoffen (VOMES), Nadere bepalingen voor het beoordelen van bronnenmateriaal
en afbakening van verdacht gebied behorende bij het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten, kenmerk CS-VROO-02, versie 21-01, Status definitief, Goedkeuringsdatum 08-02-2021, 4
Oorlogshandelingen (in dit geval gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten leiden) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals in het navolgend overzicht is weergegeven. MOGELIJKE OORZAKEN/SCENARIO'S VOOR ACHTERGEBLEVEN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
LUCHTAANVALLEN
Bombardement
Beschieting met boordwapens
Beschieting met raketten
Vliegtuigcrash/ Inslag V-wapen
GRONDGEVECHTEN (SECUNDAIRE GEVOLGEN)
Blindgangers (bijv. artillerie beschieting)
In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven
MUNITIE VERNIETIGING
MILITAIR GEBRUIK
MUNITIE OPSLAG
Springputten en dergelijke
Militair oefenterrein
Munitie fabricage en/of opslag
Munitiedump of stort
Stationering militairen
Munitie inrichtingen
Munitiedump in water
Vliegveld
Incident munitieopslag
(afzinking)
(explosie)
Vernielingsactiviteiten
Mijnenveld(en)
Figuur 1: Overzicht van mogelijke oorzaken/scenario’s voor de aanwezigheid van OO in en rond een onderzoeksgebied.
Aanwijzingen voor gebeurtenissen die mogelijk geleid hebben tot het uit de bodem verwijderen van Ontplofbare Oorlogsresten (contra-indicaties) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals hierna is weergegeven. MOGELIJKE OORZAKEN/SCENARIO'S VOOR CONTRA-INDICATIES/VERWIJDEREN VAN ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
GRONDROERENDE WERKZAAMHEDEN
Ontgravingen
Gronddepositie
BAGGERWERKZAAMHEDEN
OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN
EODD en voorgangers
Civiele opsporingsbedrijven
Figuur 2: Overzicht van mogelijke oorzaken/scenario’s voor de afwezigheid van OO in en rond een onderzoeksgebied.
Met behulp van historisch feitenmateriaal als literatuur, archief- en luchtfotomateriaal wordt getracht te achterhalen door welke oorlogshandelingen en welke naoorlogse activiteiten er al dan niet een (beredeneerbare) verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied. Hierbij wordt specifiek en voor zover mogelijk op basis van feitelijkheden bepaald of (en zo ja: waar) in het onderzoeksgebied Ontplofbare Oorlogsresten verwacht kunnen worden.
1.5
VERANTWOORDING
Deze bureaustudie is uitgevoerd conform de door ECG opgestelde offerte van 10 maart 2021 met kenmerk ‘159-021-VO-01’ en de in de offerte opgenomen kaart van het onderzoeksgebied (op bladzijde 9 van de offerte). Het volgende dient expliciet te worden vermeld: een vooronderzoek (d.w.z. een bureaustudie) naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten blijft indicatief van aard; het is geen exacte wetenschap.
1.6
BRONNEN
Bij het indicatieonderzoek (vooronderzoek conflictperiode) dienen de relevante bronnen te worden geïdentificeerd en geraadpleegd. Tevens is ook een tabel ingevoegd waarin de relevante bronnen voor het onderzoek na-conflictperiode op zijn genomen. In ieder geval dienen te worden geraadpleegd de daarvoor in de onderstaande tabel als “verplicht” aangeduide bronnen. De in de tabel als “aanvullend” aangeduide bronnen worden in ieder geval geraadpleegd indien er sprake is van de beschreven situaties zoals luchtaanvallen door de Royal Air Force en artilleriebeschietingen. In de rapportage wordt gemotiveerd waarom een aanvullende bron wel of niet geraadpleegd is. Eventuele leemten in kennis worden gespecificeerd.
BRON Literatuur Gemeentearchief en Provinciaal Archief Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, waaronder toegang 077, inventarisnummer 1328 en toegang 216k, inventarisnummers 181-186 Nationaal Archief te Den Haag, waaronder collectie 2.04.53.15 en collectie 2.13.167 Semi-Statische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie Wageningen UR, Kadaster en Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland te Edinburgh
RAADPLEGEN
GERAADPLEEG
Verplicht Aanvullend
D
Ja Ja Ja
Ja Ja Ja Ja
BRON Krantenberichten, via Delpher en Nationaal Archief toegang 2.04.110 Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie 575 The National Archives te Londen, gegevens aangaande luchtaanvallen door Royal Air Force Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie 409 The National Archives te Londen, gegevens aangaande artilleriebeschietingen National Archives and Record Administration II (NARA II at College Park (VS) Getuigenverklaringen Kadaster (naoorlogs kaartmateriaal) Library and Archives Canada te Ottawa (Canada) Imperial War Museum
RAADPLEGEN
GERAADPLEEG
Verplicht Aanvullend
D
Ja
Ja Ja
Ja
Aanvullend ECG Aanvullend ECG
Ja Ja Nee Ja Ja Ja
Tabel 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen. BRON Literatuur Kadaster Internet GIS online Rijkswaterstaat Gemeentelijk archief Provinciaal archief Nationaal archief
RAADPLEGEN Verplicht Aanvullend
GERAADPLEEGD Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Tabel 2: Overzicht van geraadpleegde bronnen Vooronderzoek na-conflictperiode.
1.6.1 TOELICHTING BRONNEN Literatuur Voor het onderzoeksgebied dienen relevante literatuurbronnen te worden geraadpleegd, zowel standaardwerken als eventuele specifieke regionale informatiebronnen. Daarbij geleden met betrekking tot het onderzoek naar gebeurtenissen in de periode mei 1940 als verplicht te raadplegen standaardwerken in ieder geval: ▪ Nierstrasz, e.a. (Ministerie van Oorlog, hoofdkwartier van de chef van de generale staf, kriegsgeschiedkundige afdeling), De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, diverse delen (’s-Gravenhage 1953); ▪ Molenaar, F.J., De luchtverdediging in de meidagen 1940 2 delen (s’-Gravenhage 1970).
Gemeentelijk en provinciaal archief Bij het raadplegen van het gemeentelijk en provinciaal archief worden de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde Ontplofbare Oorlogsresten en de oorlogsschaderapporten geraadpleegd. Indien deze stukken niet aanwezig zijn, dient dit te worden vermeld in de rapportage. Bij het onderzoek in het provinciaal archief wordt in elk geval onderzoek verricht in de relevante archieven van het Militair Gezag. Verder worden er in het provinciaal archief, indien beschikbaar, ook stukken van de luchtbeschermingsdienst, stukken over aangetroffen/geruimde ontplofbare oorlogsresten en de oorlogsschade geraadpleegd. Indien er indicaties zijn voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten dient in het gemeentelijk en provinciaal archief voorts te worden gezocht naar gegevens over relevante naoorlogse ontwikkelingen (contra- indicaties), tenzij met de opdrachtgever overeen is gekomen dat dergelijk onderzoek geen deel uit maakt van de opdracht. Indien deze gegevens niet aanwezig zijn, wordt dit vermeld in de rapportage.
Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) In het NIOD raadpleegt ECG de Collectie Departement van Justitie (toegangsnummer 216k), waarin zich processen-verbaal bevinden met betrekking tot bomafworpen en andere luchtoorlog gerelateerde gebeurtenissen in een aantal Nederlandse gemeenten, en de Collectie Generalkommissariat für das Sicherheitswesen – Höhere SS- und Polizieführer Nord-West (toegangsnummer 077), waarin zich een relatief compleet overzicht bevindt van bomafworpen en andere luchtoorlog gerelateerde gebeurtenissen op Nederlands grondgebied in de periode september 1940 – april 1941. Nationaal Archief te Den Haag ECG raadpleegt uit het Nationaal Archief onder andere de collectie “Binnenlandse Zaken” (toegangsnummer 2.04.53.15) waarin de berichten van gemeenten aan de Rijksinspectie Luchtbescherming te Den Haag in de periode 1940-1943 zijn ontsloten. Semistatische archiefdiensten (SSA) Ministerie Defensie te Rijswijk ECG raadpleegt de collectie van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) waarin de ruimingen in de periode 1945-1947 zijn ontsloten.
Nederlands Instituut voor Militaire Historie De collectie “Duitse verdedigingswerken in Nederland en rapporten van het Bureau Inlichtingen te Londen (1940–1945)” met collectienummer 575 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) wordt geraadpleegd om te helpen vaststellen of er indicaties zijn dat er Duitse militaire werken in het onderzoeksgebied aanwezig waren tijdens de Tweede Wereldoorlog. Explosieven Opruimings Dienst Defensie Bij het raadplegen van het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) wordt als eerste de database met meldingen van aangetroffen Ontplofbare Oorlogsresten en de collectie
mijnenveldkaarten geraadpleegd. Indien in de database met meldingen van aangetroffen Ontplofbare Oorlogsresten indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten worden aangetroffen, wordt de collectie MORA’s/UO’s geraadpleegd. Indien in de collectie mijnenveldkaarten indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten worden aangetroffen, wordt de collectie mijnenveld ruimrapporten te worden geraadpleegd The National Archives te Londen De organisatie dient aan te tonen dat in The National Archives te Londen een relevante onderzoeksinspanning is geleverd aangaande het verzamelen van informatie over door de Royal Air Force (RAF) uitgevoerde luchtaanvallen in het onderzoeksgebied of de directe omgeving. Hierbij dient de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 in ogenschouw te worden genomen en dient onderzoek te worden verricht in relevante stukken van ten minste de volgende vier onderdelen van de RAF: ▪ ▪ ▪ ▪
Bomber Command; Coastal Command; Fighter Command/Air Defense Great Britain; Second Tactical Air Force.
Het onderzoek dient gericht te zijn op het vaststellen van het: ▪ ▪ ▪ ▪
Aantal; Hoofd- en subsoort, Gewichtsklasse; Type ontsteker;
Van de afwerpmunitie en raketten die tijdens de luchtaanval zijn ingezet en op de inslaglocaties daarvan. Bundes-Militärarchiv te Freiburg In het Bundesarchiv-Miltärarchiv wordt tenminste de collectie Lageberichte van de Luftwaffenführungsstab Ic geraadpleegd, die meldingen bevat over bomafworpen op Nederlands grondgebied in de periode 10 mei 1940 – 10 november 1941. Luchtfotocollectie Wageningen Universiteit, Kadaster en RCAHMS (NCAP) ECG inventariseert de beschikbare luchtfoto’s betreffende de datum waarop de oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. De inventarisatie geschiedt in ieder geval in de volgende luchtfotocollecties: ▪ Collecties ‘JARIC’ en ‘ACIU’ berustend bij Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland/National Collection of Aerial Photography te Edinburgh; ▪ Wageningen UR te Wageningen; ▪ Kadaster te Zwolle.
Daaruit worden de meest geschikte luchtfoto’s geselecteerd. Bij de selectie van luchtfoto’s wordt rekening gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van het fotobeeld, de dekking en de schaal. Er dienen luchtfoto’s te worden gebruikt van zo kort mogelijk vóór de gebeurtenis, en van zo kort mogelijk ná de relevante gebeurtenis (mits van voldoende kwaliteit voor interpretatie op oorlogsschade). De organisatie deint zich daarbij rekenschap te geven van het feit dat de betrouwbaarheid van de conclusies zal toenemen naarmate luchtfoto’s van meer verschillende opnamedata worden gebruikt en naarmate de data van de luchtfoto’s dichter bij de gebeurtenis liggen. Hoe meer oorlogshandelingen (mogelijk) van relevantie zijn voor het onderzoeksgebied, hoe meer luchtfoto’s dienen te worden geraadpleegd. De organisatie dient de selectie van luchtfoto’s voldoende te motiveren. Krantenberichten Ten behoeve van onderzoek naar contra-indicaties in de vorm van explosievenruimingen over de periode 1940-1972 wordt in ieder geval gezocht naar krantenberichten via de online zoekmachine Delpher, en via de verzameling krantenknipsels uit het archief van de Hulpverleningsdienst (Nationaal Archief toegang 2.04.110).
Kadaster Ten behoeve van het onderzoek naar contra-indicaties wordt in ieder geval naoorlogs kaartmateriaal uit het archief van het kadaster geraadpleegd met als doel het inventariseren van naoorlogse ruimtelijke ontwikkelingen. Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) De collectie “Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940” met collectienummer 409 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie wordt geraadpleegd indien uit raadpleging van de verplichte bronnen blijkt dat er indicaties zijn dat grondgevechten en/of artilleriebeschietingen hebben plaatsgevonden in de periode mei 1940. The National Archives Londen The National Archives te Londen geldt als een aanvullende bron met betrekking tot onderzoek naar Geallieerde artilleriebeschietingen in de periode vanaf september 1944. Wanneer uit overige bronnen indicaties zijn gebleken dat het onderzoeksgebied in deze periode is getroffen door Geallieerde artilleriebeschietingen, dien de War Diaries van de relevante Geallieerde eenheden te worden geraadpleegd om detailinformatie aangaande deze beschietingen te verzamelen.
National Archives and Record Administration II (NARA II at College Park (VS) Er dient aanvullend bronnen onderzoek plaats te vinden in The National Archives (NARA) te College Park in Maryland (VS) wanneer er duidelijk indicaties zijn dat het onderzoeksgebied is getroffen door luchtaanvallen met afwerpmunitie door de United States Army Air Forces (USAAF). Het onderzoek in NARA dient gericht te zijn op het vaststellen van het
▪ ▪ ▪ ▪
Aantal; Hoofd- en subsoort, Gewichtsklasse; Type ontsteker;
van de afwerpmunitie die tijdens de luchtaanval is ingezet en op de inslaglocaties daarvan. Het onderzoek bevat in elk geval raadleging van de collectie Mission Reports (World War II Combat Operations Reports 1941-1946; Record Group 18, MLR Number NM6 7A; Arc identifier 596339). Getuigenverklaringen In overleg met de opdrachtgever wordt bepaald of getuigen worden gehoord. Dit wordt gerapporteerd. Indien getuigen worden gehoord, dient een schriftelijke getuigenverklaring te worden opgesteld en getekend door de getuige en/of door een vertegenwoordiger van de opdrachtgever die bij het horen van de getuige aanwezig is. De getuigenverklaring wordt opgenomen als bijlage bij het rapport. 1.6.2 VERDERE AANDACHTSPUNTEN Wanneer uit het bronnenmateriaal relevante feiten naar voren komen, wordt met behulp van voetnoten en bronvermelding een verwijzing gegeven naar de vindplaats van de betreffende passages, afbeeldingen of documenten zodat alle gegevens desgewenst verifieerbaar zijn.13 Deze rapportage omvat (naast de eerdergenoemde zaken): ▪ ▪ ▪ ▪
Aanleiding van het vooronderzoek; omschrijving en doelstelling van de opdracht; begrenzing van het onderzoeksgebied; beschrijving van de uitvoering van het onderzoek (inclusief de betrokken, door het management van ECG bevoegde, personen); ▪ verantwoording van het bronnenmateriaal (inclusief bronverwijzing); ▪ resultaten van de beoordeling van het bronnenmateriaal; ▪ beschrijving leemten in kennis. Als er aanwijzingen worden achterhaald dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen en er geen sprake is van relevante contra-indicaties dan zal de uiteindelijke afbakening van het ‘verdachte’ gebied in zowel horizontale als verticale zin plaatsvinden (indien de noodzakelijke parameters aanwezig zijn).
1.7
WIJZE VAN RAADPLEGEN ARCHIEFINSTELLINGEN
Voor deze bureaustudie zijn diverse archiefinstellingen geraadpleegd. De wijze van raadplegen van de archiefbewaarplaatsen is in de navolgende tabel gespecificeerd conform de eisen in het CS-VROO.
13 ECG hanteert hiervoor de methodiek van onderzoek, annotatieregels en richtlijnen conform de systematiek van:
P. de Buck e.a., Zoeken en schrijven. Handleiding bij het maken van een historisch werkstuk (Rijswijk 1992).
ARCHIEF
WIJZE VAN RAADPLEGEN FYSIEK DATABASE ANDERS BEZOCHT
(EERDER BEZOCHT)
Gemeentearchief
Het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers was gesloten gedurende de uitvoering van het onderzoek
✓ Provinciaal Archief NIOD Nationaal Archief te Den Haag Semi-Statische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie WUR Kadaster Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland te Edinburgh Krantenberichten, via Delpher en Nationaal Archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie collectie 575 The National Archives te Londen, gegevens aangaande luchtaanvallen door Royal Air Force Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie 409 The National Archives te Londen, gegevens aangaande artilleriebeschietingen National Archives and Record Administration II (NARA II at College Park (VS) Kadaster (naoorlogs kaartmateriaal) Library and Archives Canada te Ottawa (Canada)
TOELICHTING
✓ ✓ ✓ ✓ ✓
✓ ✓ ✓
Aanvraag per mail. Database met Excel-bestand Via Dotkadata Via Dotkadata
✓ ✓
✓
Database en online
✓ Deels online ✓
✓
✓ ✓
Collectie online
✓
Via Dotkadata
✓
Deels online
✓
✓
✓
Tabel 3: Wijze van het raadplegen van de diverse archiefbewaarplaatsen.
1.8
ONDERZOEKSGEBIED
Het onderzoeksgebied “Ontwikkelingslocatie woningbouw Fokkenkamp te Wehl’” is gelegen in de gemeente Doetinchem in de plaats Wehl. Het gebied wordt momenteel in gebruik als agrarisch- en weiland. Het onderzoeksgebied wordt omgegeven door de navolgende straten: ▪ Broekhuizerstraat; ▪ Doesburgseweg; ▪ Jonkheer de Bellefroidweg;
▪ Keppelseweg; ▪ Fokkenkampseweg. Het onderzoeksgebied is op de volgende pagina weergegeven (159-021-TE-01).
1.9
KWALIFICATIE ONDERZOEKSTEAM
Een vooronderzoek vereist een multidisciplinaire aanpak, met onderscheid in de volgende expertises: historisch onderzoek, deskundigheid Ontplofbare Oorlogsresten, civiele techniek, luchtfotointerpretatie en Geografische Informatiesystemen (GIS). Het onderzoeksteam voor het vooronderzoek zal daarom bestaan uit meerdere medewerkers van ECG met diverse opleidingen en vakgebieden. Het basisteam dat het vooronderzoek daadwerkelijk uitvoert en rapporteert, bestaat uit academisch geschoolde historici. Daarnaast kunnen bij enkele cruciale onderzoeksfases een senior OCEdeskundige en een civiel-technicus worden betrokken, om de verkregen historische gegevens te vertalen in een advies waarbij tevens rekening gehouden wordt met munitietechnische en bouwkundige aspecten. Tevens wordt het onderzoeksteam ondersteund door een GIS-specialist. Het onderzoeksteam bestaat uit de volgende personen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Dhr. drs. H.M.P.J. van der Burgt (Historicus) Dhr. T. Derks (Senior deskundige OOO) Mevr. Ö. Keles BA (Historica in opleiding) Dhr. J.M. van Limbeek MA (Historicus) Dhr. D.H.W. Lodewijk MA (Historicus) Dhr. C.P. Neelen MA (GIS-Specialist/historicus) Mevr. H. Noij MA (Historica) Dhr. Ing. F. Pas (Civiel-technicus)
2 HET INDICATIE- EN CONFLICTPERIODE-ONDERZOEK In het indicatie – conflictperiode onderzoek wordt op basis van bronnenonderzoek vastgesteld of er aanwijzingen zijn dat het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. 2.1
OPZET INDELING EN METHODE
In dit hoofdstuk wordt een inventarisatie uitgevoerd naar bij ECG bekende gegevens omtrent eerder uitgevoerde onderzoek(en) naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied.14 Vervolgens wordt de literatuurlijst weergegeven. Daarop volgt er een opsomming van de bezochte archief-instanties met de geraadpleegde archiefdelen, de gehanteerde luchtfoto’s voor de luchtfoto-interpretatie en worden de achterhaalde naoorlogse ruimingen van Ontplofbare Oorlogsresten en daaraan gerelateerde zaken vermeld. Het merendeel van de uit de literatuur en archieven (incl. luchtfoto’s) achterhaalde aanwijzingen voor oorlogshandelingen/indicaties wordt uiteindelijk in een overzichtstabel/chronologische gebeurtenissenlijst in Paragraaf 2.11 weergegeven waarin een indicatie bij voorkeur vanuit het perspectief van meerdere primaire bronnen parallel wordt beoordeeld/geanalyseerd (en waar mogelijk geverifieerd) op de omschrijving van: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
de aard van de oorlogshandeling; het aantal en de soort Ontplofbare Oorlogsresten dat tijdens de oorlogshandeling is ingezet; de (inslag)locatie van de Ontplofbare Oorlogsresten; eventuele verificatie en lokalisering van de indicatie op luchtfotomateriaal; relevantie; herleidbaarheid tot (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied.
Om dit te bewerkstelligen is de chronologische gebeurtenissenlijst in Paragraaf 2.11 derhalve op de volgende wijze ingedeeld: ▪ de datum waarop de indicatie/aanwijzing en/of oorlogshandeling heeft plaatsgevonden; ▪ Informatie/beschrijving indicatie uit een secundaire bron, bijvoorbeeld literatuur; ▪ Informatie/beschrijving indicatie uit een primaire schriftelijke bron uit een archief in Nederland (in de meeste gevallen het perspectief van de “passieve zijde”, bijvoorbeeld verslag Luchtbeschermingsdienst, schademelding of Politie rapport); ▪ Informatie/beschrijving indicatie uit een primaire schriftelijke bron uit een buitenlands archief (in de meeste gevallen het perspectief van de “actieve zijde” - inclusief de eventuele achterhaalde betrokken eenheid); 14 Onder een onderzoek wordt door ECG verstaan: een vooronderzoek, een Risicoanalyse en/of (opsporings)onderzoek
uitgevoerd volgens de regels van de (voormalige) Beoordelings Richtlijn Opsporen Conventionele Explosieven (BRL-OCE) en het Werkveldspecifieke Certificatieschema Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE 2012 en WSCS-OCE 2016) door een hiervoor destijds gecertificeerde entiteit of onderzoek conform het vigerende Certificatie schema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (CS-OOO) of het Certificatieschema Vooronderzoek en Risicoanalyse Ontplofbare Oorlogsresten (CS-VROO-01).
▪ Informatie/waarneming indicatie beeld- en luchtfotomateriaal uit zowel nationale en internationale archieven. Deze worden weergegeven in een lichtblauw vak om de beelddata te benadrukken; ▪ Informatie/waarneming indicatie kaart uit zowel nationale en internationale archieven. Deze worden weergegeven in een lichtbruin vak om het kaartmateriaal te benadrukken; ▪ Ingezette OO met verschijningsvorm, hoofdsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, ontstekingsinrichting, aantal en eventuele nadere informatie (ECG neemt in een aantal gevallen de meest voor de hand liggende informatie op – dat wil zeggen dat de OO zijn weergegeven welke het meest waarschijnlijk tijdens de aanval zijn gebruikt); ▪ Verificatie en herleidbaarheid van de indicatie/oorlogshandeling. De indicatie wordt vanuit het perspectief van meerdere secundaire en bij voorkeur primaire bronnen beoordeeld op de aanwezigheid van voldoende betrouwbare concrete informatie en geografische herleidbaarheid (bijv. middels luchtfoto’s) en in het GIS-systeem voorzien van een ID-code; Iedere relevante waarneming is (tevens voor de archivering) verwerkt in het GIS-systeem, inclusief bronverwijzing en eventuele verdere beschikbare informatie. In de chronologische gebeurtenissenlijst worden voor de bronverwijzingen (uitgezonderd luchtfoto’s) voetnoten gehanteerd.
2.2
UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE
Bij het beoordelen of de bij het onderzoek achterhaalde informatie/aanwijzingen/indicaties relevant is/of kunnen zijn, worden selectiecriteria uit het CS-VROO-01 toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten in het onderzoeksgebied.’15 Indien de locatieverwijzing niet verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied of op een andere wijze een relatie met het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld op basis van voorkennis) impliceert of van invloed kan zijn, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant of onbetrouwbaar beoordeeld en wordt deze verder (indien noodzakelijk gemotiveerd) buiten beschouwing gelaten. Locatieverwijzingen dienen verder ongewijzigd uit het bronbestand te worden overgenomen.
2.3
HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE
Aangezien locatieverwijzingen een essentiële rol spelen bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties, wordt er gekeken naar de geografische situatie voor of ten tijde van aanvang van de oorlog. Derhalve kunnen locatieverwijzingen die uit het huidige stratenbeeld zijn verdwenen toch worden achterhaald.
15 CS-VROO-01, 17.
Middels ArcGIS Pro kunnen de huidige onderzoeksgebieden op de oude situatie worden geprojecteerd. Een overzicht van de situatie rond 1945 is op de volgende pagina weergegeven (tekening 159-021-TE-02). Op deze kaart zijn diverse toponiemen te zien, zoals: ▪ ‘t Hagelkruis; ▪ Broekhuizen; ▪ Groot Fokkenkamp In de wetenschap van deze locatieverwijzingen zal het indicatieonderzoek worden uitgevoerd.
2.4
INVENTARISATIE REEDS UITGEVOERD ONDERZOEK ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN
ECG is aan de hand van een aantal potentiële informatiedragers nagegaan of er in het verleden in het onderzoeksgebied onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten. BRON:
OMSCHRIJVING
VEO Bommenkaart https://www.explosievenopsporing.nl./veobommenkaart/ op 1 april 2021 geraadpleegd. Gemeente Doetinchem
Binnen de contouren van het onderzoeksgebied is geen overlappend onderzoek aanwezig
ProRail Rijkswaterstaat Waterschap Provincie Gelderland
Niet van toepassing. Er is geen ander overlappend onderzoek in het onderzoeksgebied aanwezig. Niet van toepassing. Er is geen ander overlappend onderzoek in het onderzoeksgebied aanwezig. Niet van toepassing. Er is geen ander overlappend onderzoek in het onderzoeksgebied aanwezig. Niet van toepassing. Er is geen ander overlappend onderzoek in het onderzoeksgebied aanwezig. Niet van toepassing. Er is geen ander overlappend onderzoek in het onderzoeksgebied aanwezig.
Tabel 4: Toetsing eerder vooronderzoek, Risicoanalyse en opsporing onderzoek Ontplofbare Oorlogsresten
De volgende bij ECG beschikbare rapportages hebben betrekking op de omgeving nabij het onderzoeksgebied: ▪ Explosive Clearance Group, Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Heideslag te Wehl’, Documentcode 157-020-VO-01 (Wijchen 22 juli 2020). Eventuele relevante zaken uit het aangehaalde onderzoek worden bij het voorliggende onderzoek betrokken.
2.5
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
▪ Amersfoort, H. en P. Kamphuis (red.), Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied (Den Haag 2005). ▪ Blom, T. A., Bommen op Wehl, (Kortenhoef 1945). ▪ Bollen, H. en P. Vroemen, Canadezen in actie: Nederland najaar '44 - voorjaar '46 (Warnsveld 1994). ▪ Brendel, C., Ahornblad aan de beukenbomen: Doetinchemse herinneringen 1940-1945 (Amersfoort 1996). ▪ Jaarboek Achterhoek en Liemers, ‘De bevrijding van de Achterhoek en Liemers’, deel 43 (Doetinchem 2020). ▪ Korthals Altes, A., Luchtgevaar. Luchtaanvallen op Nederland 1940-1945 (Amsterdam 1984). ▪ Nederkoorn, W.P. en G.J.B. Stork (red.), Er op of er onder : hoe Achterhoek en Lijmers de Duitsche bezetting doorstonden en ervan werden bevrijd : gegevens over den bezettingstijd, het verzet en de bevrijding (Arnhem 1977).
▪ Nierstrasz e.a. (Ministerie van oorlog, hoofdkwartier van de chef van de generale staf, ▪ krijgsgeschiedkundige afdeling,) De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II, Hoofddeel III/ Deel 2 Onderdeel B, De verdediging van Noord-Limburg en Noord-Brabant mei 1940 (’s-Gravenhage 1953). ▪ Molenaar, F.J., De luchtverdediging in de meidagen 1940 2 delen ('s-Gravenhage 1970). ▪ Oudheidkundige Vereniging Wehl, Heerlijk Ni-js (Wehl, verscheidene uitgaven). ▪ Penders, A.F.J., De krijgsverrichtingen ten oosten van de Ijssel en in de Ijssellinie, mei 1940 (Den Haag 1952). ▪ Rutten, F., En toen was er oorlog: 1939-1945, een tijdsbeeld. W.O. II in Gaanderen en de Achterhoek (Gaanderen Herziene Druk 2015). ▪ Velhorst, G.W., Van bezetting tot bevrijding: periode eind 1944 tot de bevrijding (Doetinchem 2005). In de geraadpleegde literatuur kunnen verwijzingen naar oorlogshandelingen worden aangetroffen welke op basis van de locatiebeschrijvingen herleidbaar zijn naar het onderzoeksgebied. Deze feitelijk herleidbare indicaties zullen in de overzichtstabel conflictperiode in paragraaf 2.11 worden opgenomen.
2.6
WIJZE VAN RAADPLEGEN ARCHIEFBEWAARPLAATSEN
Voor deze bureaustudie zijn verschillende archiefinstellingen geraadpleegd. In de onderstaande tabel is de wijze van het raadplegen van de diverse archiefbewaarplaatsen aangegeven.
WIJZE VAN RAADPLEGEN: ARCHIEF
FYSIEK
DATABASE (EERDER BEZOCHT)
ANDERS:
OPMERKING/TOELICHTING
Gemeentearchief
✓
✓
Deels database en online beeldbank
Provinciaal Archief Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie Nationaal Archief te Den Haag Semi-Statische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie Wageningen UR Kadaster Royal Commission on the Ancient and Historical Monuments of Scotland te Edinburgh Krantenberichten, via Delpher en Nationaal Archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie collectie 575 The National Archives te Londen, gegevens aangaande
✓
✓
Aanvraag per mail Database met excel-bestand Via Dotkadata
BEZOCHT
✓ ✓ ✓ ✓
✓ ✓
Via Dotkadata Via online bestelling en Luftbilddatenbank
✓
✓
✓
✓
Database en online
✓
Deels online
✓ ✓
WIJZE VAN RAADPLEGEN: ARCHIEF
FYSIEK BEZOCHT
luchtaanvallen door Royal Air Force Bundesarchiv-Militärarchiv te Freiburg Nederlands Instituut voor Militaire Historie, collectie 409 The National Archives te Londen, gegevens aangaande artilleriebeschietingen National Archives and Record Administration II (NARA II at College Park (VS) Kadaster (naoorlogs kaartmateriaal) Library and Archives Canada te Ottawa (Canada) Imperial War Museum
DATABASE (EERDER BEZOCHT)
ANDERS:
OPMERKING/TOELICHTING
✓
Collectie online
✓
Via Dotkadata
✓
✓
Deels online
✓
✓
Deels online
✓
✓
✓
Tabel 5: Wijze van het raadplegen van de diverse archiefbewaarplaatsen.
2.7
INDICATIE ONDERZOEK GEMEENTELIJKE, REGIONALE EN PROVINCIALE ARCHIEVEN
Voor deze bureaustudie zijn verschillende gemeentelijke, regionale en provinciale archiefinstellingen geraadpleegd op relevante OO-gerelateerde gegevens betreffende het onderzoeksgebied. De eventueel achterhaalde indicaties worden in paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.7.1
ERFGOEDCENTRUM ACHTERHOEK EN LIEMERS DOETINCHEM
In het Erfgoedcentrum Achterhoek en Liemers te Doetinchem zijn de gemeentearchieven van de gemeente Wehl geraadpleegd. Het onderzoeksgebied viel ten tijde van de oorlog onder deze gemeente. De archieven die zijn geraadpleegd hebben betrekking op de gemeente Wehl, te weten 0772 Wehl 1947-2004 en 1175 Wehl 1816-1946. Omdat het onderzoeksgebied sinds 2005 onder de gemeente Doetinchem valt, is ook het archief 0759 Gemeentebestuur Doetinchem, 2005-2009 geraadpleegd. Daarnaast zijn ook een aantal collecties geraadpleegd die betrekking hebben op de Tweede Wereldoorlog. Een compleet overzicht van de geraadpleegde stukken is opgenomen in bijlage 4. De hieruit achterhaalde potentiële relevante indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.7.2
GELDERS ARCHIEF ARNHEM
In het Gelders Archief (GA) te Arnhem is archief 0045 Tijdelijk Provinciaal Bestuur te Lochem, (1936) 1944-1945 en 1037 Militair Gezag in Gelderland, 1941-1948 geraadpleegd. Het Militair Gezag (MG) was een orgaan dat in de bevrijde delen van Nederland een interim-bestuur moest vestigen zolang er een oorlogstoestand heerste en de regering het gezag nog niet kon overnemen. Het MG hield zich onder meer bezig met het herstel en handhaving van de veiligheid en het weer op gang brengen van het maatschappelijk leven. Dit hield ook in, dat men zich bezighield met luchtbescherming, het herstellen van oorlogsschade, explosievenopruiming etc. Stukken omtrent deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het vooronderzoek. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.7.3
NATIONAAL ARCHIEF DEN HAAG
In het Nationaal Archief (NA) is archief 2.04.53.15 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. De Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen werd naar aanleiding van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, die in 1936 in werking trad, opgericht. De taak van dit overheidsorgaan was de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. Toen in 1942 de Duitse bezetter de wet verving door de Luchtbeschermingsverordening kwam de luchtbescherming sterker onder controle te staan van de bezetter. De archiefstukken beslaan diverse onderwerpen betreffende de luchtbeschermingsdienst, waaronder door gemeenten ingestuurde rapporten betreffende Geallieerde luchtactiviteiten. Tevens is archief 2.13.210 Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie-Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814-) 1867-1942 geraadpleegd. De Commissie van Proefneming (CvP) was een instelling die zich bezighield met proeven betreffende wapens en artilleriegeschut. In de archiefstukken zijn ook staten opgenomen betreffende plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, in het begin van de oorlog.
Ook 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is geraadpleegd met betrekking tot mogelijk relevante gegevens voor het onderzoeksgebied. Dit betreft het archief van het ministerie van Defensie (later Oorlog) dat vanaf 14 mei 1940 in Londen was gevestigd. Het hield zich onder meer bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Ook een onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland behoorde tot het takenpakket. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van zaken in Engeland, waarna het in 1947 werd opgeheven. In het NA is het archief 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945-1974 geraadpleegd. Het Korps Hulpverleningsdienst (HVD) nam
vanaf juli 1947 de taken van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) over. Eind juli 1947 werd de H.V.D. verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven die in de civiele sector werden aangetroffen en vanaf januari 1948 ook voor het ruimen op militaire objecten en terreinen. In 1971 werd de taak van de H.V.D. overgedragen aan de EOD.16 Door middel van het raadplegen van delen van het archief van de Hulpverleningsdienst is getracht inzicht te verkrijgen in mogelijke ruimingen van CE in de periode van ca. 1947 tot en met het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Tot slot is 2.13.25 Archief van het Militair Gezag, (1939) 1943-1946 (1956) geraadpleegd. Dit betreft het archief van het overkoepelende orgaan van de Provinciale Militaire Gezagen, zoals toegelicht in paragraaf 2.7.2. Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.7.4
NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDESTUDIES AMSTERDAM
Aangezien er uit de literatuurcollectie bij het NIOD geen (niet reeds in de literatuurlijst opgenomen) mogelijk relevante boektitels naar voren kwamen, is het interesseveld voor dit archief naar een aantal aldaar gedeponeerde archieven verschoven. In het NIOD is het archief van ‘Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höhere SS- und Polizeiführer’ Hanns Albin Rauter (1892-1949), die was belast met ‘de openbare orde en veiligheid’ in Nederland, en het archief van het Departement van Justitie tussen 1940 en 1945 geraadpleegd, respectievelijk archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS-und Polizeiführer Nord-West), (1938) 1940-1945 en 216k Departement van Justitie (1935) 1940-1945 (1950). Een overzicht van de geraadpleegde archiefstukken is opgenomen in Bijlage 4. De achterhaalde indicaties worden in Paragraaf 2.11 beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.
2.7.5
NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE DEN HAAG
De collecties 575 Duitse verdedigingswerken en inundaties van Nederlands Grondgebied in de oorlog / Rapporten van militaire aard vanuit bezet Nederland aan Bureau Inlichtingen Londen (collectie 575) 1940-1945 en 409 Gevechtsverslagen en rapporten mei 1940 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag zijn geraadpleegd. Er zijn geen aanvullende gegevens aangetroffen die verwijzen naar (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied.