Bijlage 1.1.1 ontwerpbestemmingsplan Doetinchemseweg 20-20a Wehl - 2023 Bijlagen regels.pdf
Tekst van het document
9. Hoogstamboomgaard
Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruit- of notenbomen. Hoogstamboomgaarden komen vooral voor als onderdeel van het boerenerf, maar ook bij landgoederen en buitenplaatsen waren vaak boomgaarden te vinden. Hoogstamboomgaarden komen met name voor op kleigronden, op zandgrond zijn ze relatief schaars. Boomgaarden worden vaak door een heg, haag of sloot afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland. Hoogstamboomgaarden vormen naast hun landschappelijke betekenis ook een belangrijk leefgebied voor diverse diersoorten. Instapeisen - Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,50 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. - Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 6 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 bomen per hectare. - Een hoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Inrichtingseisen bij aanleg hoogstamboomgaard - Minimaal 6 bomen; - Stam van minimaal 1,50 meter hoog; - Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha.; - Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; - Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.
10. Struweelrand
Struweelranden zijn aaneengesloten randen die bestaan uit ruigtekruiden, struiken of een combinatie van beide. Deze randen kunnen zich ontwikkelen vanuit een extensief beheerde situatie, of aangeplant worden. Kenmerk van een struweelrand is dat deze zowel vrij kan liggen, als aansluiten op een ander element. Struweelranden kunnen dienen als overgangsgebied tussen een agrarisch perceel en bos. Ze zijn vooral van belang voor insecten, amfibieën, reptielen, broedvogels en planten. Instapeisen - Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een wisselende beplanting (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan ontwikkelen. - De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter breed. - Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door bomen en/of struiken. - De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen, maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelsrand. Inrichtingseisen bij aanleg struweelrand - in de rand koomen minimaal 10 inheemse grassen en/of kruiden voor. Om hiertoe te komen mag de rand ook worden ingezaaid met een (inheems) zaadmengsel.
11. Vlechtheg
Een vlechtheg is een heg waarbij door het half inkappen en horizontaal buigen van takken een dichte heg wordt gevormd. Het historische hoofddoel van vlechtheg is veekering. Bijkomende voordelen van deze beheersvorm is dat de heg door het vlechten wordt aangezet tot natuurlijke verjonging. Een vlechtheg kan daardoor eeuwenoud worden. Vlechtheggen vormen een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna. Instapeisen - Een vlechtheg is een vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten, (deskundig) gevlochten begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken. - Een vlechtheg is minimaal 25 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg gelegde heg/vlechtheg - alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; - het betreft een element met één- of twee rijen; - plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen plantafstand in de rij minimaal 0,30 cm en maximaal 0,50 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,30 meter en maximaal 0,50 meter; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van Nederlandse herkomst; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen 2 nieuwe parallel lopende heggen op een perceel is tenminste 50 meter.
12. Fruitlaan
Fruitlanen zijn wegen die zijn beplant met een of meerdere rijen fruitbomen. Lanen werden niet alleen aangeplant uit esthetische motieven, maar dienden ook als beschutting tegen weersinvloeden en voor de houtproductie. Lanen vormen niet zelden de oprit naar landhuis of boerderij. Lanen zijn van belang voor oude bomen of boomholten gebonden vogels en vleermuizen. Instapeisen - Een fruitlaan is een weg of pad, die aan beide zijden met een of meerdere rijen fruitbomen is beplant en is bedoeld en aangelegd als laan. - Bij een laan gaat het meestal om bomen van dezelfde soort en leeftijd en er is sprake van een herkenbaar en regelmatig plantverband. - Een laan is minimaal 40 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg fruitlaan - alleen gebruik inheemse fruitbomen; - plantafstand in de rij minimaal 6 en maximaal 10 meter; - afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; - aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; - raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij.
13. Halfstamboomgaard
Halfstamboomgaarden zijn zeer authentiek. Laag genoeg om in onderhoud te nemen, hoog genoeg voor het kleinvee om er niet bij te kunnen komen. Veel halfstamboomgaarden hadden een tweeledige functie, het telen van fruit en het houden van kleinvee op dezelfde plek. Instapeisen - Een halfstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,20 meter en maximaal 1,50 hoog, de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. - Een halfstamboomgaard bestaat uit minimaal 8 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 250 bomen per hectare. - Een halfstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Inrichtingseisen bij aanleg halfstamboomgaard - Minimaal 8 bomen - Stam van minimaal 1,20 meter hoog en maximaal 1,50 hoog - Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha. - Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; - Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.
14. Struikenboomgaard
Een struikenboomgaard is de ouderwetse vorm van een laagstamboomgaard. De eerste zijtakken zitten meestal op 50 cm boven de grond. De struiken bereiken een hoogte van 4 tot 5 meter. Struikenboomgaarden hebben een hoge cultuurhistorische waarde. Instapeisen - Een struikenboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 0,50 meter en maximaal 1,20 meter hoog waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie. - Een struikenboomgaard bestaat uit minimaal 6 fruitbomen en heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 bomen per hectare. - Een struikenboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk afgescheiden van de omgeving. Inrichtingseisen bij aanleg struikenboomgaard - Minimaal 6 bomen - Stam van minimaal 0,50 meter hoog en maximaal 1,20 hoog - Dichtheid van minimaal 50 en maximaal 200 fruitbomen per ha. - Aanplant fruitbomen met minimale maat 8-10; - Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.
15. Hakhoutbosje
Hakhoutbosjes voorzagen de boeren in het verleden in de behoefte aan hout. Het hout werd bijvoorbeeld gebruikt voor brandhout, staken voor de groentetuin of hout voor gereedschapsstelen. Dit type bosjes wordt ook wel geriefhoutbosje genoemd. Instapeisen - Een hakhoutbosje is een vrijliggend vlakvormig landschapselement, met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd. - Een hakhoutbosje is minimaal are en maximaal hectare groot. Inrichtingseisen bij aanleg hakhoutbosje - alleen gebruik inheemse bomen en/of struiken; - plantverband van minimaal 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter; - aanplant met 2- of 3 jarig bosplantsoen van inheemse soorten; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen 2 nieuwe hakhoutbosjes op een perceel is tenminste 100 meter.
16. Griend
Grienden zijn natte moerassige gebieden die zijn aangeplant met wilgen. Deze wilgen werden om de 4 tot 6 jaar enkele tientallen centimeters boven de grond afgezaagd. Het geoogste hout, vaak wilgentenen genoemd werd o.a. gebruikt als rijshout ter bescherming van waterkeringen. Vooral de oude wilgengrienden hebben vaak een rijke ondergroei van hogere planten, varens en mossen. Ze zijn ook van belang als schuilplaats voor kleine zoogdieren en broedgebied voor zangvogels. Instapeisen - Een griend is een vrijliggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten dat als hakhout wordt beheerd. - Het griend is minimaal 1are en maximaal 1hectare groot. Inrichtingseisen bij aanleg griend - alleen gebruik inheemse bomen en struiken, waarvan minimaal 80% bestaat uit inheemse wilgensoorten; - plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 1,50 m x 1,50 meter; - aanplant met 2-3 jarige wilgenstek; - raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij; - afstand tussen nieuwe grienden op een perceel is tenminste 100 meter.
17. Bomenrij Bomenrijen zijn vaak een beeldbepalende elementen in het landschap. Ook een enkele boom los in het veld of op de akker kan deze rol vervullen. Vaak ook duiden ze iets aan en zijn de begeleiding van een weg, sloot of pad. De bomen hebben niet alleen een landschappelijke waarde maar ook waarde als broedgelegenheid voor vogels, of als corridor voor vleermuizen. Instapeisen - Een bomenrij/solitaire boom is een vrijliggend landschapselement van inheemse loofbomen. - Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij die op of langs landbouwgrond staan. - Een bomenrij is minimaal 40 meter lang en bestaat uit minimaal 6 bomen per 40 meter. Inrichtingseisen bij aanleg bomenrij en solitaire boom - alleen gebruik inheemse bomen; - plantafstand in de rij minimaal 8 en maximaal 12 meter; - afstand tussen twee bomenrijen maximaal 8 meter; - aanplant laanbomen met minimale boommaat 10-12; - raster minimaal op 1 meter uit het hart van de buitenste rij.
18. Rietzoom en klein rietperceel
Rietzomen bestaan uit smalle rietstroken die grenzen aan een perceel. Een klein rietperceel is een klein vlakvormig element. Vanwege een extensief gebruik zijn rietzomen en kleine rietpercelen een belangrijk broedgebied voor rietvogels,en eveneens van belang voor amfibieën, insecten en moerasvegetaties. Instapeisen - Een rietzoom bevindt zich langs een waterloop en bestaat uit riet-, biezen en/of zeggevegetaties met een dominantie van riet, minimaal 50%. - De rietzoom heeft een breedte van minimaal 1 meter en is minimaal 20 meter lang. - Een klein rietperceel is een vlakvormig element met een vegetatie die overwegend uit riet bestaat. Inrichtingseisen bij aanleg rietzoom en klein rietperceel - het beheertype wordt aangelegd in de vorm van een plasberm of een drasberm, hierbij gelden de volgende inrichtingseisen; - de plasberm wordt uitgegraven tot 50 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of; - de drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde. - natte gedeelte van berm wordt aangeplant met rietstekken; 4 stuks per m2.
19. Natuurvriendelijke oever Een natuurvriendelijke oever is een verbreding die wordt aangebracht aan een bestaande waterloop. Deze verbreding kan bestaan uit een plas- of drasberm of een flauw talud. De begroeiing bestaat uit plantensoorten van natte ruigten en natte graslanden. Door de kenmerkende flora en fauna hebben deze oevers een hoge ecologische waarde. Instapeisen - Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande waterloop, in de vorm van een plas- of drasberm of flauw talud (flauw talud minimaal 1: 3) met een begroeiing van inheemse planten. - De oever heeft een breedte van minimaal 1,5 en maximaal 10 meter en is minimaal 20 meter lang. Inrichtingseisen bij aanleg natuurvriendelijke oever - een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm of een flauw talud, waarbij de volgende inrichtingseisen gelden; - de drasberm wordt uitgegraven tot 10 cm onder of 10 boven het gemiddelde waterpeil. 50% van de breedte van de oever moet dan voldoen aan deze voorwaarde, of; - er wordt een flauw talud aangelegd waarbij de taludschuinte minimaal 1:3 of flauwer is. Het talud wordt uitgegraven vanaf het gemiddelde waterpeil.
Subsidie Bij de provincie is het mogelijk om voor het beheer van bovengenoemde landschapselementen subsidie
te krijgen. Het beheer moet dan aan voorwaarden voldoen. Bekijk hiervoor de website van de provincie. Een aantal instapeisen is door de provincie strenger geformuleerd. Bron landschapselementen: Model subsidieverordening Groenblauwe diensten Gelderland, l april 2011.
Bijlage 8 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - Doetinchemseweg 2020a
Inventarisatie cultuurhistorische waarde in de gemeente Doetinchem 2010
Doetinchemseweg 20 (één ensemble met nr. 20A) 3104, gelegen in Wehl.
Volgnr.
:
Oorsp. functie Huidige functie
: Boerderij. : Woonhuis.
Bron
: GEM
Gebouwtype Bouwperiode
: Boerderij. : 1900-1940.
Opbouw score hoofdgebouw
Bouwstijl
: Traditionalisme.
Gaafheid
Status
: Geen status.
Cult.hist. waarde
: Positief.
Waardering
: Beeldbepalend.
Cult.hist. waarde Monumentale waarde Score hoofdgebouw
Event. bijgeb.
: Ja, namelijk een schuur en een.
Bouwstijl
172
: Redelijk (2 punten telt 3 x) : Beperkte verminkingen (1 punt telt 3 x) : Positief (1 punt telt 3 x) : Positief (1 punt telt 2 x) : 14
(Overige) Bijgebouwen Categorie : Schuur. Totaal complex Waardering Landschapsstructuur
Bureau Helsdingen, Vianen
: Het ensemble is gaaf / compleet. : Beekdallandschap
Score complex
: 4
Score totaal
:
20
173
Inventarisatie cultuurhistorische waarde in de gemeente Doetinchem 2010
Doetinchemseweg 20A (één ensemble met nr. 20) 3104, gelegen in Wehl.
Volgnr.
:
Oorsp. functie Huidige functie
: Zomerhuisje. : Woonhuis.
Bron
: GEM
Gebouwtype Bouwperiode
: Boerderij. : 1900-1940 (kern).
Opbouw score hoofdgebouw
Bouwstijl
: Traditionalisme.
Gaafheid
Status
: Geen status.
Cult.hist. waarde
: Positief.
Waardering
: Beeldbepalend.
Cult.hist. waarde Monumentale waarde Score hoofdgebouw
Event. bijgeb.
: Ja, namelijk een schuur en een.
Bouwstijl
: Gewoon (1 punt telt 3 x) : Beperkte verminkingen (1 punt telt 3 x) : Positief (1 punt telt 3 x) : Positief (1 punt telt 2 x) : 11
Bijgebouw met cultuurhistorische waarde Categorie : Schuur.
Opbouw score bijgebouw
Cult.hist. waarde
Gaafheid
: Positief.
Bouwstijl
: Geen (0 punten telt 2 x) : Beperkte verminkingen (1 punt telt 2 x) : Positief (1 punt telt 2 x) : Geen (0 punten telt 1 x) : 4
Cult.hist. waarde Monumentale waarde Score bijgebouw
Totaal complex Waardering Landschapsstructuur
174
173
: Het ensemble is gaaf / compleet. : Beekdallandschap
Score complex
: 4
Score totaal
:
19
Bureau Helsdingen, Vianen
Bijlage 9 Artikel X Waarde - Archeologie
Artikel X
Waarde - Archeologie
X.1 Bestemmings- of functieomschrijving a. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) of functies, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem; b. Als een bouwwerk wordt gebouwd, of een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden worden uitgevoerd binnen verschillende archeologische dubbelbestemmingen op één bouwperceel, moet uitgegaan worden van de waarde die past bij de onderliggende verwachtingszone. X.2 Bouwregels X.2.1 Archeologisch rapport Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels: a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 50 m² en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld; b. als uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; 4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; c. het overleggen van een rapport is niet nodig als de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. Het in sub b bepaalde is mutatis mutandis van overeenkomstige toepassing. X.2.2 Advies archeologisch deskundige Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunningaanvraag als bedoeld in lid X.2.1 sub a, wint het advies in bij de archeologisch deskundige. X.2.3 Geen archeologisch rapport Het bepaalde in lid X.2.1 sub a geldt niet als: a.
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; c. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.
X.3 Nadere eisen Het bevoegde gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in lid X.2, nadere eisen stellen met betrekking tot: a. de afmetingen van bouwwerken; b. de situering van bouwwerken; c. de inrichting en het gebruik van gronden; d. als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond ('in situ') te behouden. X.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden X.4.1 Vergunningplicht Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m over een oppervlakte van meer dan 50 m2; b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 50 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, maar ook het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het graven van een bouwput; c.
bodem verlagen of afgraven dieper dan 0,3 m onder maaiveld, en over een oppervlakte van meer dan 50 m2, (ook voor het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning is vereist; d. het verlagen van het waterpeil; e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. X.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht Het in lid X.4.1 opgenomen verbod geldt niet: a. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,3 m onder het bestaande maaiveld; b. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; c. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik; d. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; e.
voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan of beheersverordening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in dit kader is verleend; f. als op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet gelden. X.4.3 Beoordelingscriteria Ten aanzien van de in lid X.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria: a. de vergunning kan uitsluitend worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de
aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd bezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Als het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de archeologisch deskundige zo nodig een opgraving plaats te vinden; b. het overleggen van een rapport is niet nodig als naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld. X.4.4 Voorschriften Het bevoegd gezag kan aan een omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; d.
de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; X.4.5 Advies archeologisch deskundige Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid X.4.1 wint het advies in bij een archeologisch deskundige.