Bijlage 1_09_Toelichting bijlage 1.pdf
Tekst van het document
is verplicht bij een plan als: het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor volgens de Wet milieubeheer een project-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling verplicht is. of als de ontwikkelingen binnen het plan mogelijk tot significante gevolgen leiden voor Natura 2000gebieden waardoor een Passende beoordeling nodig is. b) M.e.r. is verplicht bij een project: • als de activiteit die mogelijk wordt gemaakt is opgenomen in kolom 1 van de C-lijst. • als de omvang van de activiteit de drempelwaarde van kolom 2 van de C-lijst overschrijdt. • en er een besluit als genoemd in kolom 4 van de C-lijst nodig is. 3. Een formele m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een formele beoordelingsplicht, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.plicht. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen wel worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk.
Er is sprake van een formele m.e.r.-beoordelingsplicht als de voorgenomen activiteit: • voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en • groter is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en • mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst (indien de activiteit mogelijk wordt gemaakt door een plan in kolom 3, dan geldt een plan-m.e.r.-plicht). 4. Een 'vormvrije' m.e.r.-beoordelingsplicht: indien sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling, dan moet het bevoegd gezag (aan de hand van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling) met een m.e.r.-beoordelingsbesluit ook beoordelen of de voorgenomen activiteit (door de initiatiefnemer bij bevoegd gezag gemeld in de vorm van een aanmeldnotitie) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben c.q. of belangrijke gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Als belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu wel kunnen worden uitgesloten, dan volstaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling en is het een milieueffectrapportage niet nodig.
Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling als de voorgenomen activiteit: • voorkomt/beschouwd kan worden als een activiteit in kolom 1 van de D-lijst, en 34
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
• •
kleiner is dan de drempelwaarde in kolom 2 van de D-lijst, en mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst.
Onderzoek en conclusie Uit het Besluit m.e.r. blijkt dat de voorgenomen activiteit en het besluit zijn opgenomen in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder categorie D 10, sub C “De aanleg van een vakantiedorp/ hotelcomplex buiten stedelijke zones met bijbehorende voorziening” (onderstaande tabel). De aanleg is niet opgenomen in onderdeel C van de bijlage, daardoor geldt er geen directe m.e.r.-plicht.
Afbeelding 22: Uitsnede activiteit uit Besluit Milieueffectrapportage (Bron: Besluit milieueffectrapportage)
Het vakantiepark voor circa 50 recreatiewoningen heeft een beperkte verkeer aantrekkende werking en is vergelijkbaar met de geldende planologische mogelijkheden (64 stacaravans). Daarmee wordt de drempelwaarden van de D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet overschreden en geldt een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Op basis van de aanmeldnotitie welke als bijlage is opgenomen bij de ruimtelijke onderbouwing is geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de aanmeldnotitie.
4.3
Bodem
Gebruik Bij een ruimtelijke procedure moet worden bepaald dat de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. Onderhavig plan maakt nieuwe gevoeligere functie mogelijk. Het uitvoeren van een bodemonderzoek ten behoeve van dit plan is daarom noodzakelijk. Bouwen Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd. Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer: • • • •
nog geen gegevens betreffende de bodemgesteldheid bekend zijn; er meer dan twee uur per dag mensen in verblijven; als het bouwwerk de grond raakt en; als er na sloop wordt herbouwd.
Onderhavig plan maakt bouwwerken mogelijk waarin mensen langer dan twee uur gaan verblijven. In verband hiermee is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd volgens de NEN5740 richtlijnen, alsmede naar asbest in de bodem volgens de NEN 5707 richtlijnen. Deze onderzoeken zijn gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor onverdachte locaties.
35
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Onderzoek en conclusie
Op basis van de beschikbare informatie omtrent het historisch en huidig gebruik van de locatie, kan de onderzoekslocatie als niet verdacht worden beschouwd. De hypothese "onverdachte locatie (ONV)" uit NEN 5740 is voor de locatie gebruikt. Deze hypothese gaat ervan uit dat op een locatie geen of slechts licht verhoogde gehalten worden gemeten. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde onderzoeksstrategie (NEN5740) niet geschikt is om de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem aan te tonen. Onderzoek naar asbest in de grond dient plaats te vinden conform de NEN 5707. Uit het vooronderzoek is gebleken dat de locatie onverdacht is met betrekking tot asbest. Opgemerkt wordt dat bij de uitvoering van het veldwerk aandacht is besteed aan het eventueel zintuiglijk voorkomen van asbest op en in de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden; • In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden; • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn.
De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen; • De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond en in het grondwater zijn echter gering en kunnen als niet significant beschouwd worden; • Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingswijzing, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Het verkennend bodemonderzoek is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Gelet op het vorenstaande is van vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaar tegen het gebruik van de locatie als vakantiepark.
4.4
Geluid
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): • • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen); andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): - verzorgingstehuizen; - psychiatrische inrichtingen; - medische centra;
36
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
- poliklinieken; - medische kleuterdagverblijven. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Onderzoek en conclusie Recreatieterreinen en de bijbehorende gebouwen voor recreatief nachtverblijf en centrale en andere voorzieningen worden niet beschouwd als geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wgh. Het beoogde initiatief hoeft dan ook niet aan het bepaalde in de Wgh te worden getoetst. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en het verblijf in de recreatiewoningen is desondanks een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De bedrijfswoning is wel een geluidsgevoelig object en is om die reden betrokken in het onderzoek. Daarnaast is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai op de bestaande woning (Koningsweg 7) door de realisatie van de grondwal in het zuidelijke gedeelte van het plangebied. De geluidbelasting op de enige geluidgevoelige woning bedrijfswoning) bedraagt maximaal 53 dB na aftrek van 3 dB op grond van art. 110g van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is daarmee hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
De (bedrijfs)woning dient ter vervanging van de bestaande bebouwing. Er kan een hogere waarde worden verleend van 53 dB voor deze woning. Voor de verdere ontwikkeling van deze locatie dient een hogere waarde procedure te worden opgestart waarbij een hogere waarde van 53 dB wordt vastgesteld voor deze woning. Er wordt ruimschoots aan de norm voor vervangende nieuwbouw voldaan (58 dB). Er geldt de voorwaarde dat de benodigde gevelisolatie moet gelijk zijn aan het verschil tussen de werkelijke geluidbelasting en het niveau van 33 dB. De geluidbelasting op de recreatiewoningen varieert tussen de 53 en 63 dB zonder aftrek ex art. 110G. In de bijgevoegde rapportage is onderbouwd dat ter plaatse van de recreatiewoningen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De geluidbelasting op de gevels van de woning aan de Koningsweg 7 op de achtergevel neemt, na afronding, niet significant toe. Van een toename is volgens de Wet Geluidhinder pas sprake als de geluidbelasting met minimaal 1.5 dB toeneemt. De plaatsing van de wal leidt niet tot een wezenlijke toename van de geluidbelasting ter plaatse van de Koningsweg 7. Het aspect wegverkeerslawaai is dan geen beletsel voor het plan. Voor het geluid van het vakantiepark op omliggende woningen wordt verwezen naar paragraaf 4.7 Bedrijven en milieuzonering. Het voorliggende initiatief is uitvoerbaar in het kader van de Wet geluidhinder.
4.5
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van 37
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. Onderhavig plan als milieubelastende activiteit In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Concreet betekent dit dat de toevoeging van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte aan een enkele ontsluitingsweg) als niet relevant wordt bestempeld. Onderhavig plan als milieuhindergevoelige functie Het RIVM brengt de achtergrondwaarden luchtkwaliteit in beeld. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (RIVM rapport 2019-0091) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. De achtergrondconcentratie in het plangebied bedraagt voor stikstofdioxide ongeveer 15,2 μg/m³ en voor fijnstof ongeveer 18,2 μg/m³. De grenswaarden waaraan voldaan moet worden bedraagt 40 μg/m³ als jaargemiddelde. De grenswaarden worden derhalve niet overschreden.
Beoordeling en conclusie Een activiteit draagt 'niet in betekenende mate' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ingeval de grens van 3% (een toename van maximaal 1,2 μg/m3 NO2 of PM10) niet wordt overschreden. In relatie tot de categorieën van projecten, genoemd in de Regeling NIBM, kan het beoogde plan worden aangemerkt als een project van geringe omvang. Op basis van het geldende bestemmingsplan is reeds een vakantiepark toegestaan voor 64 stacaravans. Het beoogde gebruik en bebouwingsmogelijkheden (circa 50 recreatiewoningen) is vergelijkbaar en daarmee niet intensiever. Het aantal verkeersbewegingen zal daarmee ook vergelijkbaar zijn met het gebruik dat nu reeds planologisch is toegestaan. Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plan niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie van gevaarlijke stoffen en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: • •
stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een LPG vulpunt; mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen.
Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' van belang. In dit besluit wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. 38
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Op de volgende uitsnede van de risicokaart is de ligging van het projectgebied met een blauwe cirkel aangegeven.
Afbeelding 23: Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (blauwe cirkel) (Bron: www.risicokaart.nl)
Inrichtingen In de omgeving op een afstand van circa 600 m aan de A18 liggen twee tankstations met een verkooppunt van LPG. Deze tankstations zijn niet relevant in het kader van de externe veiligheid voor de ontwikkeling van het vakantiepark omdat de ontwikkeling plaats vindt buiten de zone van 150m om de tankstations. Transport gevaarlijke stoffen Uit de toetsing aan het basisnet spoor, weg en water blijkt dat de omliggende transportwegen met uitzondering van de A18 niet zijn aangewezen voor transport van gevaarlijke stoffen. De A18 maakt deel uit van het transport netwerk van gevaarlijke stoffen. De snelweg heeft een maximale plaatsgebonden risicocontour van 82 meter. Door de afstand van circa 1,4 km tot het projectgebied wordt geconcludeerd dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over snelweg niet van invloed is op de personen in het projectgebied. Voor de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A18 is gebruik gemaakt van het rekenmodel RBM II. Voor de berekening met betrekking tot de hogedruk aardgastransportleiding is gebruik gemaakt van het rekenmodel CAROLA. Voor de beschouwde risicobronnen geldt dat de beoogde ontwikkeling is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van de rijksweg A18.
Voor het relevante deel van de rijksweg A18 is geen plasbrandaandachtgebied van toepassing. Met betrekking tot het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A18 is voor de maatgevende kilometer van het beschouwde wegtraject bepaald dat de oriëntatiewaarde voor zowel de huidige (vergunde) situatie als de toekomstige situatie niet wordt overschreden.
39
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Hogedruk aardgasbuisleiding Nabij de beoogde ontwikkelingen is een hogedruk aardgasbuisleiding van de Gasunie gelegen. De kenmerken van de betreffende hogedruk aardgasbuisleiding zijn weergegeven in volgende tabel.
Afbeelding 24: Details aanwezige gasleiding (Bron: Gasunie)
Bij de berekening van het groepsrisico ten gevolge van de hogedruk aardgasleiding is het van belang dat de populatie binnen het invloedgebied van de aardgasleiding geïnventariseerd wordt. Het invloedsgebied (het gebied binnen de 1% letaliteitsafstand) is ca. 140 meter voor de betreffende hogedruk aardgasbuisleiding. Nagenoeg het gehele plangebied valt dus binnen het invloedsgebied. Voor het onderzoek is de populatie in een ruim gebied rondom het plangebied meegenomen op basis van de bevolkingsgegevens, tot ca. 2 kilometer aan weerszijden van de buisleiding. De waarden voor de huidige en toekomstige situatie zijn allebei minder dan 10% van de oriëntatiewaarde, waardoor geen verantwoording van het groepsrisico conform artikel 8 van het Bevt hoeft plaats te vinden. Plaatsgebonden risico Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar nabij het beoogde plangebied. Conform artikel 5 van de Revb is sprake van een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de buisleiding, gemeten vanaf het hart van de buisleiding. Met deze afstand wordt ook bij de ontwikkeling rekening gehouden, doordat er geen recreatiewoningen zijn voor voorzien in deze belemmeringenstrook.
De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar, aangezien voor de beschouwde aardgasbuisleiding geen sprake is van een risicocontour van 10-6 per jaar. Aan deze grenswaarde wordt aldus voldaan. De beoogde ontwikkeling is gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van de buisleiding N-566-01-deel-1. Uit de risicoanalyse voor de hogedruk aardgasbuisleiding volgt dat de oriëntatiewaarde zowel in de huidige (vergunde) situatie als in de toekomstige situatie niet wordt overschreden. Ook neemt het groepsrisico ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen niet toe. Conclusie Op basis van de toetsing aan de risicokaart van de provincie Gelderland, Basisnet spoor, weg en water en de informatie van de gemeente Doetinchem kan worden geconcludeerd dat rondom de locatie geen bronnen bevinden die invloed uitoefenen op de veiligheid ter plaatste van het projectgebied. Voor een uitgebreide beschrijving van de resultaten wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlage. Het aspect externe veiligheid levert dan ook geen belemmeringen op voor het onderhavige plan.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.
40
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Gebiedstypering De locatie ligt in de zuiden het dorp Wehl. Dit gebied wordt aangemerkt als een ‘gemengd gebied’ waarbij een combinatie van verschillende activiteiten naast elkaar kunnen worden uitgeoefend. In de directe omgeving liggen woningen, agrarische bedrijven en de snelweg (A18). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling.
Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Bedrijvigheid binnen het plangebied Het beoogde initiatief voorziet in een vakantiepark. Deze functie is mogelijk van invloed op het woon- en leefklimaat van bestaande woningen in de directe omgeving van het plangebied. Derhalve is beoordeeld of voldaan kan worden aan de indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure. Voor een gemengd gebied gelden de volgende richtafstanden:
Afbeelding 25: Uitsnede VNG brochure bedrijven en milieuzonering (Bron: VNG brochure)
Voor een vakantiepark geldt op basis van de brochure Bedrijven en milieuzonering een minimale afstand van 30 meter in een gemengd gebied. De afstand van de recreatiewoningen tot de bestaande burgerwoningen in de omgeving is circa 30 meter. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is volledigheidshalve een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Deze rapportage is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting van het vakantiepark voldoet aan de uitgangspunten voor een goede ruimtelijke ordening. Er wordt ruimschoots voldaan aan de geluidregels zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het projectgebied (recreanten) hinder ondervinden 41
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
van bestaande functies in de omgeving. In de directe omgeving komen slechts lichte (bedrijfs)categorieën voor die geen belemmering vormen voor het onderhavige plan. In tussentijd zijn geen nieuwe (en/of zwaardere) milieubelastende activiteiten in de omgeving toegevoegd. In de directe omgeving zijn voornamelijk woningen en agrarische bedrijven gelegen en die vormen geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. Voor wat betreft de aanwezigheid van een gasleiding binnen het plangebied, LPG-tankstations aan de A18 en het vervoer van gevaarlijk stoffen over deze snelweg is een extern veiligheidsonderzoek uitgevoerd. Kortheidshalve wordt voor de resultaten hiervan verwezen naar paragraaf 4.6. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.8
Flora en Fauna
Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. In verband hiermee is een onderzoek uitgevoerd. Het plangebied is op 1 april 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste verblijf- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Hieronder is een beknopte beschrijving opgenomen van de bevindingen en resultaten. Soortenbescherming Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd.
Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures die na 1 januari 2017 geïnitieerd worden zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies worden het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Door de bouw van de recreatiewoningen en de aanleg van de voorzieningen alsmede het gebruik hiervan kan de stikstofdepositie op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied toenemen. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied (Rijntakken) ligt op een afstand van circa 6,8 km. Zie volgende afbeelding. Het is aannemelijk, dat de stikstofemissie zal afnemen als gevolg van de afname het aantal gaskachels en verkeersbewegingen door de activiteiten van het voormalige vakantiepark. De effectbeoordeling is tot stand gekomen op basis van ervaring met soortgelijke plannen.
Gezien de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden en de beperkte uitstraling van de werkzaamheden en activiteiten, zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand niet te verwachten. Zorgvuldigheidshalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor zowel de realisatiefase als de 42
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
gebruiksfase om na te gaan of de ontwikkeling tot een toename van stikstofdepositie op gevoelige Natura 2000gebieden leidt. Deze berekeningen zijn in bijlage 9 opgenomen. Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000- gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft geen significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie en de vergunningverlening van de omgevingsvergunning, activiteit bouwen. Daarnaast is geen (natuur)vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk omdat geen sprake is van een depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Afbeelding 26: Ligging van Nature 2000-gebied t.o.v. het plangebied (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, wordt uitgesloten. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. In de huidige situatie betreft het plangebied een grotendeels bebouwd en verhard terrein. In een dergelijke situatie is weinig ruimte voor plantensoorten. Van bijzondere groeiplaatsen en een stabiel, natuurlijk ecosysteem is geen sprake. De aanwezigheid van beschermde planten- of dierensoorten in of aan het gebouw is niet aannemelijk omdat de winkel tot voor kort nog in gebruik is geweest. De kans dat hier beschermde flora en fauna voorkomt is niet waarschijnlijk. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt buiten de Groene Ontwikkelingszone. Een klein deel van de gronden - met een oppervlakte van circa 300 m2 - ligt in het noordoostelijk deel van het plangebied in het Gelders Natuurnetwerk. Zie volgende afbeelding met een uitvergroting van dat gebied (paars omlijnd). Deze gronden hebben een recreatieve bestemming. In het voorliggende plan zullen deze gronden worden bestemd voor natuur en worden als zodanig ingericht ter versterking en verbetering van de kernkwaliteiten.
43
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Afbeelding 27: Ligging van GNN t.o.v. het plangebied (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie Het plangebied ligt grotendeels buiten het GNN. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het GNN (en van de GO) geen externe werking kent. Voorts worden de gronden bestemd voor ‘natuur’ en ingericht ter verbetering van de kernkwaliteiten. Het is aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect hebben op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied. Dit wordt aangetoond met een berekening van het computerprogramma Aerius. Het uitvoeren van de voorgenomen plannen leidt niet tot een negatief effect op Natura 2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Soortenbescherming Het plangebied bestaat overwegend bebouwing, verharding, struiken en natuurlijke opslag in een stedelijke omgeving. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer wordt het plangebied niet een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd en wordt het tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde diersoorten beschouwd. Mogelijk behoort het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige diersoorten uit onderstaande soortgroepen:
vogels;
vleermuizen;
grondgebonden zoogdieren. Ten zuiden van het plangebied ligt een faunapassage onder de A18. Deze wordt mogelijk benut door verschillende kleine zoogdiersoorten als muizen, egel, vos en marterachtigen, waaronder de das. De inrichting en het gebruik van het plangebied heeft geen negatief effect op de functionaliteit van deze faunapassage. Dieren die gebruik maken van de faunapassage kunnen via de 44
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
taludsloot naar het oosten en westen om vervolgens uit te waaieren over het landschap. Aan de west- noorden oostzijde van het plangebied is een raster aangebracht, maar kleine zoogdieren (inclusief vos en das) kunnen eenvoudig onder het raster doorkruipen. Het plangebied wordt gebruikt tijdens de daglichtperiode, terwijl faunapassages in de donkere uren van de nacht worden gebruikt;
amfibieën.
In onderstaande tabel wordt een samenvatting gegeven van de onderzochte soortgroepen, functies, beschermde soorten binnen de planlocatie, verbodsbepalingen en eventuele aandachtspunten.
Afbeelding 28: samenvatting van de wettelijke consequenties (Bron: Natuurbank Overijssel)
Afbeelding 29: Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per diergroep (Bron: Natuurbank Overijssel)
Conclusie De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden 45
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk, behoudens een kleine bosstrook, en Natura 2000-gebieden. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten een negatief effect zal hebben op instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied. Een stikstofberekening is uitgevoerd. De conclusie luidt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied. De inrichting en het gevoerde beheer, maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende vleermuis-, vogel-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten.
Deze soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar er nestelen vermoedelijk ieder jaar vogels in het plangebied en verschillende grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten bezetten er een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen rust- of verblijfplaats in het plangebied. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden geen beschermde dieren gedood en worden geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Door het bebouwen van een klein deel van het plangebied, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied in zeer beperkte mate aangetast. Deze aantasting is dusdanig gering, dat er geen sprake is van een wettelijke consequentie. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van soort- of gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en –gebieden. De Quickscan natuurwaardenonderzoek Koningsweg 5 Wehl is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.9
Water
4.9.1
Waterbeheerprogramma 2022-2027
Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2022-2027 beschreven voor onze primaire taakgebieden: • • • • •
Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel:Vaarwegbeheer.
De ontwikkeling sluit aan op de doelstellingen zoals aangegeven in het plan. 4.9.2
Watersysteem
Het plangebied bestond uit een recreatiepark met 64 stacaravans met bijbehorende bebouwing zoals een kantine, sanitaire voorzieningen, zwembad, parkeerplaatsen, etc. In het plangebied is geen oppervlakte water aanwezig. Het regenwater wat op het terrein valt wordt geïnfiltreerd in de bodem. Het grondwaterpeil bevindt zich tussen 2,24 en 2,60 minus maaiveld.
46
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
4.9.3 Waterplan In paragraaf 3.5.5 is het Waterplan Doetinchem behandeld. Het beleid dat daarin is verwoord komt terug in deze waterparagraaf. 4.9.4 Watertoets Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen. Waterhuishoudkundige aspecten In de 'Handreiking Watertoets 2' zijn inhoudelijke criteria aangereikt voor de watertoets, die basis vormen voor de planbeoordeling door het waterschap en het daaruit voortvloeiende wateradvies. In onderstaande watertoetstabel zijn de voor het bestemmingsplan van belang zijnde waterhuishoudkundige criteria opgenomen. Thema
Toetsvraag
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2.Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee
2
Nee
2
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ 3.Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?
Nee
2
Nee
1
Nee
1
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500 m2 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van (bestaand) verhard oppervlak ? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes
Nee
2
Ja
1
Ja
1
Nee
1
Oppervlaktewaterkwaliteit
Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
Nee
1
Grondwateroverlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
Nee
1
Nee Nee
1 1
Riolering en Afvalwaterketen
Wateroverlast(oppervlaktewater)
Relevant
47
Intensiteit
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Grondwaterkwaliteit
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking ?
Nee
1
Inrichting en beheer
Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
1
Nee
2
1.In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2.Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Nee
1
Nee
1
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee
2
Nee
2 1
Verdroging
Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?
Nee
1
Recreatie
Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Nee
2
Cultuurhistorie
Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
1
Volksgezondheid
Natte Natuur
Nee
1
Nee
Afbeelding 30: Watertoets
Wateroverlast (oppervlaktewater) Er is geen sprake van een toename van de oppervlakte aan verharding of bebouwing. De toegelaten oppervlakte mocht 3.670 m2 bedragen voor 64 stacaravans, bedrijfswoning en andere bijbehorende bebouwing. In de nieuwe situatie is de oppervlakte verharding vergelijkbaar. Riolering en Afvalwaterketen Het afvalwater wordt via het bestaande rioolnetwerk binnen het plangebied afgevoerd naar het gemeentelijk riool. Hemelwater Het hemelwater van de dakvlakken wordt deels afgevoerd naar de waterpartij en deels geïnfiltreerd in de bodem. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan het waterbeleid van de gemeente en het Waterschap en dat het aspect 'water' geenbelemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan.
48
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie. 4.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz ijn zijn geheel en de Monumentenwet 1988 gedeeltelijk heeft vervangen. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Een belangrijk archeologisch doel van de wetgeving op het gebied van archeologie is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken.
Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep. De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten zijn op 18 november 2010 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld.
De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek. De meest actuele archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 vastgesteld. Archeologische verwachtingskaart Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem is het onderzoeksgebied gelegen in een terrein met een middelmatige archeologische waarde (zie volgende afbeelding). De vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek zijn veranderd, hierdoor is archeologisch onderzoek in het terrein met een middelmatige archeologische verwachting verplicht bij bodemingrepen vanaf 1.000 m2 en dieper dan 30 cm-mv.
49
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Afbeelding 31: Archeologische beleidskaart met het plangebied in het rode kader (Bron: Van Oosterhout 2010)
In het plangebied is een vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek dat als karterend uitgevoerd zal worden. Hiervoor worden verspreid over het plangebied in totaal 18 boringen gezet met een edelmanboor met een diameter van 12 centimeter. Op basis van het AHN blijkt dat het plangebied hoger ligt dan de directe omgeving, mogelijk op een dekzandrug of –kopje. De hogere ligging zorgt ervoor dat het plangebied een aantrekkelijke nederzettingslocatie was vanaf het Laat Paleolithicum. Binnen het plangebied zelf heeft een erf gelegen dat vóór 1822 gesticht is en mogelijk oudere voorgangers kent, waardoor ook voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd een hoge verwachting toegekend is. Het karterend booronderzoek heeft aangetoond dat de bodem in het plangebied verstoord is tot in de top van het dekzand. Ook in de boringen waarin een plaggendek is aangetroffen, is de overgang tussen het plaggendek en de natuurlijke ondergrond scherp. De bodemverstoring reikt tot minimaal 50 cm-mv en maximaal 120 cm-mv. Het onderzoek heeft geen resten opgeleverd van het historische erf dat op basis van cartografisch onderzoek in het westelijk deel van het plangebied verwacht werd. Andere archeologische indicatoren ontbreken eveneens.
Selectieadvies Op basis van het karterend booronderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen (geen vervolgonderzoek). Als gevolg van de bodemverstoringen, die in het gehele plangebied tot in de C-horizont reiken, wordt de kans gering geacht dat met de geplande bodemingrepen archeologische resten verloren gaan. Ten allen tijde zal rekening gehouden moeten worden met het volgende (Erfgoedwet, art. 5.10): Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het archeologisch onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
50
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
4.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed Bij het raadplegen van de monumentenlijst blijkt dat binnen het plangebied geen beschermde monumenten en geen beschermde cultuurhistorische elementen en structuren aanwezig zijn.
4.11
Parkeren en verkeer
Parkeren Voor de locatie Koningsweg 5 geldt de Parapluherziening Parkeren 2018. Op basis van deze parapluherziening geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaats per recreatiewoning. In totaal worden er 50 recreatiewoningen gerealiseerd en een bedrijfswoning. De parkeerbehoefte voor de recreatiewoningen is deels voorzien nabij de woningen. Daarnaast zijn er parkeerkoffers voorzien om het parkeren op te vangen. In totaal worden er 106
parkeerplaatsen gerealiseerd, zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven. Het parkeren (75 parkeerplaatsen) vindt plaats op eigen kavel. Overige parkeervoorzieningen (31 parkeerplaatsen) zijn zoveel mogelijk op compacte wijze in het park geïntegreerd. Nabij de hoofdentree bevind zich de parkeermogelijkheden voor bezoekers. Er is voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied om de in de behoefte te voorzien. Daarmee voldoet het plan aan de ‘Nota Parkeernormen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem’.
Afbeelding 32: Parkeerplaatsen binnen het plangebied (Bron: Oostzee Ontwerp en Omgeving)
Ontsluiting De bestaande infrastructuur in de omgeving blijft onveranderd. Verkeer Het beoogde plan ziet op de realisatie van 50 recreatiewoningen. Op basis van de kengetallen, opgenomen in Publicatie 317 van het CROW, kan redelijkerwijs worden verondersteld dat elke recreatiewoning dagelijks tot maximaal 2,6 – 2,8 verkeersbewegingen zal leiden (in totaal 130-140 verkeersbewegingen per dag). De verkeersgeneratie per recreatiewoning is in feite gelijk te stellen met die van een stacaravan. In totaal worden er 50 recreatiewoningen gerealiseerd in plaats van de 64 stacaravans die planologisch reeds zijn toegestaan. Dat resulteert in afname van het aantal verkeersbewegingen. Deze verkeersbewegingen kunnen eenvoudig worden opgevangen binnen de bestaande verkeersstromen via de ontsluitingswegen Frieslandweg- Koningsweg en Koningsweg-Plantage Allee-N815 naar de A-18. De verwachting bestaat dat circa 60% van de recreanten kiest voor de eerst vermelde route via Frieslandweg- Koningsweg en circa 40% via Koningsweg-Plantage Allee-N815 naar de A-18. 51
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Hoofdstuk 5 5.1
UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een planologische wijziging dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: - het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; - het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; - het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is. In het plan wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarden. De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten, waarin het kostenverhaal in voldoende mate gewaarborgd is.
Tevens zal een planschadeovereenkomst worden afgesloten, Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. In het bedrijfsplan (bijlage 1) is onderbouwd hoe om te gaan met de risico’s en op welke wijze een rendabel en financieel haalbare bedrijfsopzet mogelijk is. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is. 5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg met omwonenden Voorafgaand aan de planontwikkeling heeft de initiatiefnemer omwonenden meerdere keren gesproken over zijn plannen aan de Koningsweg 5 te Wehl. Op 11 november 2021 is een presentatie gegeven voor omwonenden van het vakantiepark. Op deze avond waren de bewoners van de Koningsweg 1, 2, 3, 6, 7 en Frieslandweg 2, 3,4 en 5 aanwezig. Tijdens de bijeenkomst zijn vragen gesteld over o.a.: • • •
Permanente bewoning, word gevreesd. Dit word vastgelegd in de vve en bestemmingsplan om dit te voorkomen; Naam van het park, kan de naam Stille Wald terugkomen? Er is uitgesproken dat het nu geen stille wald meer is i.v.m. de snelweg en de slechte naam van vroeger. Vandaar naamswijziging; Electros cross, op dit moment nog wel tot aan mogelijke plannen. Dit alles i.v.m. de investeringen die daarvoor zijn gedaan en de slechte jaren waarbij al twee jaar deze activiteit niet konden uitvoeren.
Eén van de aanwezige zag de plannen niet zitten i.v.m. de drukte in zijn opengestelde bos en de mogelijke permanente bewoning. De overige aanwezigen zijn positief over het gepresenteerde plan. Daarna is veelvuldig contact geweest met de omwonenden afhankelijk van de vragen / zorgen van de omwonenden. Ook hebben er verschillende gesprekken onder leiding van de gemeente plaatsgevonden. De omwonenden zijn tussentijds meerdere keren geïnformeerd over het vervolg en de stand van zaken m.b.t. de procedure en de voorbereidingen daarop. Eén omwonende heeft aangegeven de plannen niet wenselijk te vinden. Het lukt de initiatiefnemer niet om met de betreffende omwonende in gesprek te komen om een oplossing te zoeken die recht doet aan de belangen van een ieder (lees: omwonende en ondernemer). De plannen zijn in de loop van de jaren doorontwikkeld en bijgesteld. In de plannen is zoveel mogelijk tegemoet gekomen aan de zorgen van omwonende.
52
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
De procedure De partiële herziening van het bestemmingsplan zal zes weken in ontwerp ter inzage worden gelegd. Publicatie hiervan vindt plaats via de officiële richtlijn. Tijdens deze termijn wordt de mogelijkheid geboden voor het indienen van zienswijzen. Vervolgens zal het vastgestelde bestemmingsplan nogmaals zes weken ter inzage liggen. Gedurende deze periode is er mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de Raad van State.
53
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
Hoofdstuk 6
CONCLUSIE
In dit hoofdstuk komen de conclusies naar voren van de ruimtelijke analyse van het plangebied, hoofdstuk 3 Beleidskader en hoofdstuk 4 naar Haalbaarheid. Ruimtelijke analyse Het beoogde initiatief voorziet in de realisatie van een vakantiepark op de locatie Koningsweg 5 te Wehl. Een vakantiepark is op basis van het geldende bestemmingsplan reeds toegestaan. De beoogde bebouwing past qua oppervlak binnen de toegestane bebouwingsmogelijkheden. Desondanks is er een planologische procedure noodzakelijk voor de realisatie van het initiatief, omdat het initiatief ziet op de realisatie van recreatiewoningen. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn alleen stacaravans toegestaan. Met het beoogde initiatief verkrijgt het voormalige vakantiepark weer een nieuwe passende invulling en wordt het aansluitende terrein verder afgewerkt en ingericht waarbij mede ingezet wordt op het behoud en de verbetering van de natuurwaarden. Beleidskader Het beoogde initiatief sluit aan bij het beleid van de verschillende overheden. Op hoofdlijnen is het beoogde plan reeds toegestaan omdat dit passend is binnen het vigerende planologisch regiem. De realisatie van duurzame recreatiewoningen in een zorgvuldig landschappelijk ingepast vakantiepark is passend binnen de omgeving en zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
Het beleid van de verschillende overheden vormt geen belemmering voor het onderhavige plan. Haalbaarheid Onderhavig plan levert geen problemen op ten aanzien van de onderzochte milieukundige en ruimtelijke aandachtspunten (archeologie en cultuurhistorie, bodem, geluid, luchtkwaliteit, verkeer en parkeren, externe veiligheid, milieuzonering, flora en fauna, water), mits voldaan wordt aan de voorwaarden uit de onderzoeken.
54
Ruimtelijke onderbouwing “Vakantiepark Koningsbos”
BIJLAGEN 1. Bedrijfsplan; 2. Inrichtings- en beeldkwaliteitsplan; 3. Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling; 4. Verkennend bodemonderzoek; 5. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai; 6. Rapportage externe veiligheid; 7. Akoestisch onderzoek industrielawaai; 8. Quickscan flora en fauna; 9. Onderbouwing stikstofdepositie; 10. Archeologisch onderzoek.
55