Bijlage 1_03_Toelichting_Quickscan beschermde soorten Wnb Sint Jozef terrein.pdf
Tekst van het document
NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
Binnen het projectgebied zijn de waardplanten (boswilg, ruwe iep) van grote vos, iepenpage, grote
25
Conclusies + aanbevelingen 5.1
Conclusies
Te verwachten soorten in invloedsfeer Beschermde planten, amfibieën, reptielen en vissen worden niet in het projectgebied verwacht. Verblijfplaatsen
van
zowel
gebouwbewonende
(zomer-,
paar-
en
(massawinter)-verblijfplaatsen)
vleermuissoorten kunnen niet in het projectgebied worden uitgesloten. Van een aantal van de aanwezige holtebomen kon niet worden vastgesteld of deze geschikt waren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten of niet. Een endoscopische check kan uitsluitsel geven in welke mate de holtebomen in het projectgebied geschikt zijn als verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuissoorten. Omdat het projectgebied enkele bosschages en bomenrijen beslaat, kan niet worden uitgesloten dat er essentiële vliegroutes/foerageergebied worden aangetast. Aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van zowel gebouwals boombewonende vleermuissoorten en essentieel foerageergebied/vliegroutes is noodzakelijk. De aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen en essentieel leefgebied van bunzing, grote bosmuis, hermelijn, wezel en steenmarter kan niet in het projectgebied worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk als het bijgebouw van het westelijke gebouw, de struweelranden en/of de bosschages in het westen en oosten van het projectgebied worden aangetast. Nesten van algemene broedvogels zijn aanwezig (kauw, houtduif) en meer nesten van algemene broedvogels kunnen dan ook niet in en rondom het projectgebied worden uitgesloten.
Direct voorafgaand aan de werkzaamheden dient onderzocht te worden of er broed- of rustgevallen in- en rond het projectgebied aanwezig sprake is van aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Nesten van huismus, gierzwaluw en sperwer als vogelsoorten met jaarrond beschermd nesten kunnen niet in het projectgebied worden uitgesloten. Voor huismus is er mogelijk ook essentieel leefgebied aanwezig in het projectgebied. Aanvullend onderzoek naar huismus en gierzwaluw is noodzakelijk. Aanvullend onderzoek naar sperwer is noodzakelijk als struweel/bosschages in en rondom het projectgebied worden aangetast. Categorie 5 vogelsoorten kunnen niet worden uitgesloten. Deze soorten komen allen algemeen voor in de regio van het projectgebied. Ook biedt de ruime omgeving voldoende alternatieve broedgelegenheden voor de meeste van deze vogelsoorten. Er zijn dan ook geen zwaarwegende ecologische redenen om de vogelsoorten te beschouwen als vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Binnen het projectgebied zijn de waardplanten (boswilg, ruwe iep) van grote vos, iepenpage, grote weerschijnvlinder en (harig) wilgenroosje, grote kattenstaart, meerdere soorten teunisbloemen en basterdwederik als waardplanten van teunisbloempijlstaart, mogelijk aanwezig.
Ook is er Prunus sp., dat als waardplant van sleedoornpage fungeert, langs de randen van het projectgebied aanwezig. Voortplantingslocaties van bovengenoemde soorten kunnen op die locaties om die reden daarom niet worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek is alleen noodzakelijk als deze randen met deze waardplanten worden aangetast. Ontheffing Wanneer na onderzoek blijkt dat een verblijfplaats of essentieel leefgebied van beschermde soorten aanwezig is en er overtredingen van verbodsbepalingen genoemd in de Wet natuurbescherming voorzien worden, is het aanvragen van een ontheffing bij Provincie Gelderland noodzakelijk. Het is mogelijk dat er mitigerende of compenserende maatregelen nodig zijn om overtreding te voorkomen of effecten te beperken of ongedaan te maken. NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
zijn. Vooraf maatregelen nemen om te voorkomen dat vogels gaan nestelen of rusten is toegestaan, mits er geen
26
5.2
Aanbevelingen
Ecologisch werkprotocol Het wordt aanbevolen een ecologisch werkprotocol op te stellen om de details van te nemen mitigerende of compenserende maatregelen uit te werken. Het protocol is tevens een belangrijke richtlijn voor de uitvoering van de voorgenomen ingreep. Daarnaast dient het zorg te dragen voor een goede implementatie van de voorwaarden van een eventuele ontheffing en om voldoende zorgvuldig te werken conform de eisen van de zorgplicht. Het werkprotocol is een document waarin beschreven staat waar en wanneer welke werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden en onder welke voorwaarden. Tevens wordt er aangegeven welke maatregelen uitgevoerd dienen te worden. Algemeen voorkomende broedvogels zijn niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk, maar er wordt geadviseerd deze groep dieren mee te nemen in het ecologisch werkprotocol waarin wordt uitgewerkt hoe om te gaan met broedende vogels en welke maatregelen bijvoorbeeld voorafgaand aan het broedseizoen kunnen worden genomen.
Overige aanbevelingen Vanwege de hoge natuur-, cultuurhistorische en landschappelijke waarde, om een aantal overtredingen met betrekking tot beschermde soorten te voorkomen en een deel van de aanvullende onderzoeken niet uit te hoeven voeren, wordt ten zeerste aangeraden om de bosschages in het westen en het oosten van het projectgebied en de corridor daartussen, te behouden en niet aan te tasten. Ook de vrijstaande bomen op het terrein bieden veel natuurwaarde, vooral de bomen waar veel klimopbegroeiing, die veel dekking en nestgelegenheid voor broedvogels biedt, op aanwezig is. Aan te raden is dus om de bestaande bomen en vegetatie te implementeren in de nieuwbouwplannen. Mocht er toch gekapt worden, dan is er mogelijk sprake van bescherming Wnb houtopstanden en is ook de
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
Bomenverordening van de gemeente Doetinchem van toepassing.
NatuurInclusief
27
Literatuur
BIJ12 (2017a). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis. BIJ12, Utrecht.
BIJ12 (2017b). Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis. BIJ12, Utrecht.
BIJ12 (2017c). Kennisdocument Gierzwaluw. BIJ12, Utrecht.
BIJ12 (2017d). Kennisdocument Huismus. BIJ12, Utrecht.
BIJ12 (2017e). Kennisdocument Rosse vleermuis. BIJ12, Utrecht.
BIJ12 (2017f). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis. BIJ12, Utrecht.
BIJ12 (2017g). Kennisdocument Buizerd. BIJ12, Utrecht.
Broekhuizen, S., Spoelstra, K et.al. 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Naturalis Biodiversity Center, Leiden. EIS Kenniscentrum. Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European investabrate Survey – Nederland, Leiden
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen ‘Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking P.H.C. Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers B.V., Utrecht
Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. [pdf-document]. Versie juli 2017
Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3.
Soortinformatie: http://ravon.nl/ http://vlindernet.nl/ http://libellennet.nl/ http://sovon.nl/ Waarnemingen:
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) & www.verspreidingsatlas.nl/
NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
http://zoogdiervereniging.nl/
28
Bijlage 1 Wetgeving Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De bevoegdheid ligt grotendeels bij de provincies. Zij zijn verantwoordelijk voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten bij bijvoorbeeld Natura
2000-gebieden
(de
gebiedsbeschermingsbepalingen)
en
dier-
en
plantensoorten
(de
soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid blijft het Rijk bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming is onder te verdelen in 3 onderdelen: de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Bescherming van Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden in Nederland zijn onderdeel van een Europees netwerk aan natuurgebieden waar belangrijke flora en fauna duurzaam beschermd worden. Al deze gebieden zijn belangrijk om de Europese biodiversiteit te waarborgen. De in Nederland aangewezen Natura 2000-gebieden worden beschermd onder de Wet natuurbescherming, voorheen de Natuurbeschermingswet 1998. In Nederland zijn er ruim 160 natuurgebieden aangewezen als Natura 2000-gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn er een instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor specifieke habitattypen en fauna in het aanwijzingsbesluit. De instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in termen van behoud/uitbreiding van de omvang van het habitattype of leefgebied en behoud/verbetering van de kwaliteit van het habitattype of het leefgebied. Bij vogels is vaak ook een doelaantal opgenomen voor het aantal broedparen of aantal vogels (bij overwinterende soorten). Dit een doelstelling voor de populatie opgenomen, in termen van behoud of uitbreiding.
In het Natura 2000beheerplan worden de instandhoudingsdoelen in ruimte en tijd uitgewerkt. Zodra een gebied is aangewezen, dient voor alle projecten die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen (een significant negatief effect) een vergunning te worden aangevraagd. Dit geldt niet alleen voor ingrepen binnen deze beschermde gebieden, maar ook voor ingrepen daarbuiten als deze een (negatief) effect hebben op de instandhoudingsdoelen. Een vergunning moet worden aangevraagd bij de provincie of het Rijk (RVO). Bij een omgevingsvergunning kan de aanvraag worden aangehaakt voor beschermde gebieden, dan is de gemeente veelal het bevoegd gezag. Bescherming van soorten Er zijn in de basis van de Wet natuurbescherming 3 soortenbeschermingsregimes van toepassing: •
vogelsoorten van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 Wnb),
•
strikt beschermde soorten conform de Habitatrichtlijn bijlage IV, Conventie van Bern bijlage I en II en de Conventie van Bonn bijlage I (paragraaf 3.2 Wnb), en
•
de andere beschermde soorten, genoemd in bijlage A en B van de wet (paragraaf 3.3 Wnb).
De beschermingsregimes en bijbehorende verbodsbepalingen zijn hieronder nader toegelicht. Beschermingsregime Vogelrichtlijn Hieronder vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Handelingen die de wet verbiedt zijn: •
Artikel 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen;
•
Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen of nesten van vogels weg te nemen;
NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
aantal zegt ook vooral iets over de benodigde draagkracht van het Natura 2000-gebied. Bij soorten is vaak ook
29
•
Artikel 3.1 lid 3: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;
•
Artikel 3.1 lid 4 en lid 5: het is verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
De verbodsbepalingen met betrekking tot nesten en rustplaatsen hebben in de regel alleen betrekking op nesten en rustplaatsen die in gebruik zijn. Onder de bescherming van deze plaatsen worden ook de essentiële onderdelen van het leefgebied verstaan die nodig zijn om het nest of rustplaats ecologisch gezien te laten functioneren. De verbodsbepalingen gelden niet als de nesten en rustplaatsen niet meer in gebruik zijn. Voor enkele soorten die ieder jaar terug keren naar hetzelfde nest of van het nest afhankelijk zijn geldt dat deze jaarrond beschermd zijn. Onder bepaalde voorwaarden mogen de verboden handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen vastgesteld per provinciale verordening of ministeriële regeling. Daarnaast geldt er een vrijstelling als aantoonbaar wordt gewerkt conform een toepasbare en een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Gelden er geen vrijstellingen, dan is een ontheffing nodig om verbodsbepalingen te mogen overtreden. Een ontheffing kan bij de provincie of het Rijk worden aangevraagd, afhankelijk van het gezag dat bevoegd is voor ontheffingverlening voor de handeling (het Rijk alleen voor ‘interprovinciale handelingen’, zoals handelingen door Rijkswaterstaat, Defensie of handelingen aan hoofd(spoor)wegen).
Een ontheffing kan verkregen worden als er wordt voldaan aan de volgende criteria (art. a.
er geen andere bevredigende oplossing is;
b.
er een geldig belang is: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora of fauna;
•
voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of
•
om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c.
en als de handelingen niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort.
Beschermingsregime Habitatrichtlijn Soorten die staan in de Habitatrichtlijn bijlage IV, het Verdrag van Bern bijlage I en II en bijlage I van het Verdrag van Bonn. Handelingen die de wet verbiedt zijn: •
Artikel 3.5 lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren;
•
Artikel 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen;
•
Artikel 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;
•
Artikel 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
3.3, lid 4 Wnb):
30
Belangrijke noot is dat onder de bescherming van voortplantings- en rustplaatsen ook de essentiële onderdelen van het leefgebied worden verstaan die nodig zijn om deze ecologisch gezien te laten functioneren. Onder bepaalde voorwaarden mogen de verboden handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen vastgesteld per provinciale verordening of ministeriële regeling. Daarnaast geldt er een vrijstelling als aantoonbaar wordt gewerkt conform een toepasbare en een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Gelden er geen vrijstellingen, dan is een ontheffing nodig om verbodsbepalingen te mogen overtreden. Een ontheffing kan bij de provincie of het Rijk worden aangevraagd, afhankelijk van het gezag dat bevoegd is voor ontheffingverlening voor de handeling (het Rijk alleen voor ‘interprovinciale handelingen’, zoals handelingen door Rijkswaterstaat, Defensie of handelingen aan hoofd(spoor)wegen). Een ontheffing kan verkregen worden als er wordt voldaan aan de volgende criteria (art. 3.8, lid 5 Wnb): a.
er geen andere bevredigende oplossing is;
b.
er een geldig belang is: •
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
•
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
c.
er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Beschermingsregime andere beschermde soorten Dit zijn de soorten die genoemd worden in de bijlage van Wet natuurbescherming. Onder dit beschermingsregime is het verboden om: •
Artikel 3.10 lid 1, onderdeel a: in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen;
•
Artikel 3.10 lid 1, onderdeel b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen;
•
Artikel 3.10 lid 1c: vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor deze soorten gelden in principe dezelfde vrijstellings- en ontheffingscriteria als bij het beschermingsregime Habitatrichtlijn, maar zijn er een groot aantal aanvullende wettelijke belangen opgenomen om vrijstelling of ontheffing te kunnen verlenen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor andere beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Wel blijft de zorgplicht geldig. De vrijstelling verschilt per provincie en geldt in het algemeen voornamelijk voor ruimtelijke ingrepen, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik. De totale Lijst beschermde soorten Wnb is te vinden op de website van NatuurInclusief.3
3
https://www.natuurinclusief.nl/kennisloket/ NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk
31
In hele specifieke gevallen zijn bepaalde handelingen bij wet uitgezonderd van de verbodsbepalingen die hiervoor zijn genoemd. Deze gevallen zijn niet in dit beknopte overzicht opgenomen, voor zover niet relevant voor deze toetsing. Zorgplicht Voor alle soorten geldt de zorgplicht. De bescherming van soorten gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. Daar moet zorgvuldig mee omgaan worden. Daarom is de zorgplicht in artikel 1.11 van de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving en voor Natura 2000-gebieden. Voorkomen, beperken en ongedaan maken van nadelige effecten (= geen effect op de gunstige staat van instandhouding) zijn hierbij sleutelwoorden. Houtopstanden Het hoofdstuk Houtopstanden in de Wet natuurbescherming is de implementatie van de oude Boswet in de wet. De Boswet had tot doel om bossen te beschermen. Hoewel de Wnb nog steeds als doel heeft om bossen en houtopstanden te beschermen, zijn er meer mogelijkheden om vrijstelling of ontheffing te krijgen van de herplantplicht. De handhaving ligt in principe bij de provincies en in sommige gevallen (bijv. handelingen van Rijkswaterstaat, Defensie) bij het Ministerie van LNV, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Uitgangspunt is dat wat bos is in principe bos moet blijven.
Er mag dus geen netto oppervlakte bos verdwijnen. De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle beplantingen van bomen groter dan 10 are, en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Dit geldt voor beplantingen buiten de bebouwde kom houtopstanden (zie daarvoor het bestemmingsplan van de betreffende gemeente). Deze wijkt vaak af van de bebouwde kom
Uitzonderingen van beplantingen die niet onder de boswet vallen (art. 4.1 Wnb) zijn; •
houtopstanden binnen de bebouwde kom houtopstanden (dan geldt alleen de APV);
•
houtopstanden op erven of in tuinen;
•
fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
•
kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
•
kweekgoed;
•
uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen, en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;
•
het dunnen van een houtopstand;
•
uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa (indien ten minste eens per tien jaar worden geoogst, bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare en zijn aangelegd na 1 januari 2013).
Ook het dunnen en afzetten van hakhout en grienden is toegestaan. Meldingsplicht Wanneer een houtopstand gekapt wordt, of er andere maatregelen genomen worden die (eventueel indirect) tot het verminderen van het oppervlakte bos leiden, geldt een meldingsplicht. De provincie kan aan de hand van een kapmelding ervoor kiezen om een kapverbod op te leggen, voor ten hoogste vijf jaar, ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. Indien wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode, geldt er geen meldingsplicht of verplichting om binnen 3 jaar te herplanten (art. 4.4, lid 1, onderdeel d en art. 4.4, lid 2). Een gedragscode wordt goedgekeurd, als daarin een werkwijze is opgenomen die waarborgt dat: •
er geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuur- of landschapswaarden; NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
verkeerswet (!), hoewel er steeds meer gemeenten deze komgrenzen samentrekken.
32
•
de te vellen houtopstanden geen deel uitmaken van een boskern;
•
herbeplanting op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvindt;
•
de grond waarop herbeplanting plaatsvindt ten minste dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
•
de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond.
Een voorbeeld van een dergelijke gedragscode is de Gedragscode houtopstanden en hakhoutbeheer van TenneT. Herplantplicht Daarnaast geldt voor boskap een herplantplicht. Aan de herplantplicht moet zijn voldaan binnen drie jaar na kap. Geldt er een herplantplicht, maar kan deze niet worden uitgevoerd op het oorspronkelijke perceel, dan kan er compensatie plaatsvinden door de herplant te realiseren op een ander perceel. De voorwaarden om van deze mogelijkheid gebruik te mogen maken (bijvoorbeeld overcompensatie) verschillen per provincie. Zo heeft provincie Utrecht een compensatiebank opgezet om op gewenste plekken te kunnen herplanten en een initiatiefnemer niet zelf op zoek hoeft naar een perceel voor compensatie. Vrijstellingen of ontheffingsmogelijkheden De herplantplicht van bos geldt niet voor: •
maatregelen
ten
behoeve
van
natuurontwikkelingen
(in
het
kader
van
het
halen
van
instandhoudingsdoelstellingen N2000 en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen) •
creëren of onderhouden van brandgangen
•
houtkap voor biomassaplantages (art. 4.4, lid 1, onderdeel a t/m c Wnb).
Ook kunnen provincies vrijstellingsregels of nadere regels voor een ontheffing opstellen voor de herplantplicht. waaronder voor de ontwikkeling van gewenste natuurbeheertypen of als houtopstanden verloren gaan door vernatting door natuurlijke processen of anti-verdrogingsmaatregelen.
Natuurnetwerk Nederland Naast de bescherming van gebieden door de Wet natuurbescherming, is er tevens sprake van een beleidsmatige bescherming van bepaalde natuurgebieden waar rekening mee moet worden gehouden bij ruimtelijke ingrepen. Dit betreft de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Begrenzing Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; tot voor kort: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP). De benaming NNN komt voort uit het Natuurpact van 18 september 2013. Daarin zijn tussen het Rijk en de provincies nieuwe afspraken gemaakt, waaronder over de herijking van de EHS en de nieuwe benaming NNN.4 Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur (plant en dier) in feite voorrang heeft. Het netwerk moet voorkomen dat planten en dieren door isolatie van gebieden uitsterven en dat de Nederlandse biodiversiteit afneemt. Het NNN is samengesteld uit: •
Natura 2000-gebieden, bestaande natuurgebieden, reservaten en natuurontwikkelingsgebieden en (robuuste) verbindingen.
•
Landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheersgebieden).
•
Grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).
4
Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2013/09/18/natuurpact-ontwikkeling-en-beheer-van-natuur-innederland NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
Daarnaast zijn er in de meeste provincies wel meer vrijstellingsmogelijkheden voor natuurontwikkeling,
33
Het is lang de bedoeling geweest dat het NNN in 2018 helemaal gerealiseerd zou zijn, maar inmiddels is duidelijk dat dit niet haalbaar is. Het kabinet Rutte-Assher heeft in het onderhandelingsakkoord van 20 september 2011 aangegeven dat de provincies het NNN in 2021 afronden. Het ambitieniveau is bovendien verminderd, zo worden vermoedelijk de robuuste verbindingen niet gerealiseerd. Los van de daadwerkelijke realisatie is de bescherming van de aangewezen zones in principe wel al van kracht, ook indien die zones nog niet zijn ingericht. In de Nota Ruimte is de globale begrenzing van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (bruto-EHS) weergegeven. Deze is door de provincies verder uitgewerkt tot de netto-EHS, met concrete gebiedsbegrenzingen. Per provincie verschilt verder de exacte uitwerking, beschermingsmethode en eventuele aanwijzing van aanvullende beschermde gebieden. Dit kan soms enige verwarring opleveren. Bovendien werken diverse provincies sinds de verminderde Rijksambitie voor het NNN aan een aparte provinciale hoofdstructuur, waarvoor andere regels gelden. De verwarring wordt soms nog verder vergroot doordat het NNN overal doorvertaald moet worden in de gemeentelijke bestemmingsplannen, waarbij elke gemeente de vrijheid heeft om eigen keuzes te maken voor de gebruikte terminologie en onderverdeling.
De bestemmingsplannen weerspiegelen uiteindelijk de definitieve uitwerking en hieruit berust dan ook de uiteindelijke juridische doorwerking. Toetsingskader Nee-tenzij beginsel Voor het NNN geldt het toetsingskader van het Structuurschema Groene Ruimte 1995 (SGR). Dit is overgenomen in de Nota Ruimte en later in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dat het NNN in oktober 2012 heeft opgenomen. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel van de NNN in het Barro is per provincie verder uitgewerkt in het provinciaal natuurbeleid. Het Barro stelt dat ruimtelijke ingrepen moeten worden getoetst op mogelijke negatieve effecten voor de beginsel dient directe of indirecte aantasting van bos- en natuurgebied (door een ingreep in het NNN) waar mogelijk te worden voorkomen. Spelregels EHS Eind 2007 hebben de toenmalige Ministeries van LNV en VROM en de provincies de 'Spelregels EHS' uitgebracht. Dit is een al oud beleidskader voor het compensatiebeginsel, de EHS saldobenadering en het herbegrenzen van de EHS, maar in de meeste situaties nog steeds leidend. Op grond van de Spelregels EHS wordt niet alleen gekeken naar actuele natuurwaarden, maar ook naar ecologische potenties. Deze spelregels gelden ook voor de nieuwe term NNN.
Deze natuurwaarden of 'wezenlijke kenmerken en waarden' inclusief de bijbehorende abiotische en biotische randvoorwaarden worden vastgelegd in de vorm van natuurdoelen. De provincies hebben deze wezenlijke kenmerken en waarden vastgelegd in het provinciaal natuurbeleid. Deze natuurdoelen zijn per provincie vastgelegd. Sinds 1 januari 2010 zijn alle provinciale doelen omgezet naar één landelijke index (Index Natuur en Landschap). Los van nuanceverschillen en verschillen in formulering in de bestemmingsplannen geldt in principe overal het 'nee-tenzij'-principe voor aantasting van het NNN. Aantasting is niet toegestaan, tenzij aan specifieke voorwaarden wordt voldaan. Er is ook vrijwel altijd een compensatieverplichting in het provinciaal beleid opgenomen. Voor kleine aantastingen is financiële compensatie soms mogelijk, voor grotere aantastingen is vaak zowel compensatie in oppervlakte als in 'kwaliteit' noodzakelijk. Bij aantasting van meer bijzondere typen natuur of natuur met een lange ontwikkelingstijd (bijv. bos) is meestal compensatie van een groter oppervlak verplicht (oppervlakte toeslag).
NatuurInclusief
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
aanwezige natuur- en landschapswaarden. Voor het gehele NNN geldt het 'nee, tenzij beginsel'. Op grond van dit
34
Externe werking In de brief van 3 december 2004 heeft de minister van LNV, mede namens de minister van VROM, besloten om in de Nota Ruimte het 'Nee, tenzij'-regime op gebieden in de nabijheid van het NNN te laten vervallen (TK 29 576, nr. 12). In een brief van 5 juni 2008 heeft de minister van LNV nogmaals aangegeven dat ingrepen buiten het NNN niet worden beoordeeld op hun effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNN (TK 29 576, nr. 12). In de beantwoording van een aantal vragen van de vaste Kamercommissie voor LNV in 2008 is expliciet tot uitdrukking gebracht dat dit ‘Nee-tenzij' regime niet van toepassing is op ingrepen buiten het NNN die gevolgen kunnen hebben voor het NNN zelf, de zogenaamde ‘externe effecten’ (TK 29576, nr. 52). Dit betekent overigens wel, dat bij een ingreep in het NNN, ook rekening gehouden moet worden met indirecte effecten, zoals geluidsverstoring. Hoewel de Minister heeft aangegeven dat externe werking niet hoeft te worden getoetst, zijn er echter een aantal provincies die de toetsing van de externe werking het NNN wel hebben opgenomen in de provinciale verordening (bijv. provincie Noord-Brabant). Het betreft dan geen ‘nee-tenzij’ principe, maar een ‘ja-mits’ principe, waarbij er niet hoeft te worden getoetst aan alternatieven of nut en noodzaak.
Hoewel de Spelregels EHS richtinggevend is, is het provinciaal beleid daarmee leidend voor de toetsing (voor zover zij niet minder
Quickscan beschermde soorten Wnb Augustinuslocatie (deelgebied 1A) te Gaanderen
stringent zijn dan de landelijke Barro).
NatuurInclusief
35