CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1_03_Toelichting_Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Augustinuslocatie Gaanderen.pdf

beeldvormende raad 16 mei 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Augustinuspark Gaanderen - 2023 en beeldkwaliteitsplan Het Augustinuspark8.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Augustinuslocatie, Gaanderen

Opdrachtgever: Gemeente Doetinchem T.a.v. de heer Y. Horstink Raadhuisstraat 2 7001 EW Doetinchem

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

201855 10-12-2021 M. Hoofd M. Hoofd T. Asbreuk Definitief 1

© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Aanleiding ................................................................................................................................................... 5

2

Huidige situatie en ontwikkeling................................................................................................................. 6

2.1

Huidige situatie ....................................................................................................................................... 6

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 6

3

Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 9

3.1

Inleiding .................................................................................................................................................. 9

3.2

Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 9

4

Methode ................................................................................................................................................... 10

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 10

4.2

Bureauonderzoek ................................................................................................................................. 10

4.3

Veldonderzoek ...................................................................................................................................... 10

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................. 13

5.1

Inleiding ................................................................................................................................................ 13

5.2

Vleermuizen .......................................................................................................................................... 13

5.2.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 13

5.2.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 18

5.2.3

Te nemen maatregelen ................................................................................................................ 19

5.3

Vogels ................................................................................................................................................... 20

5.3.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 20

5.3.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 21

5.3.3

Te nemen maatregelen ................................................................................................................ 22

5.4

Overige beschermde soorten ............................................................................................................... 22

5.4.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 22

5.4.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 22

6

Conclusie ................................................................................................................................................... 24

6.1

Soortenbescherming ............................................................................................................................ 24

6.1.1

Vleermuizen ................................................................................................................................. 24

6.1.2

Vogels........................................................................................................................................... 24

6.1.3

Egel .............................................................................................................................................. 24

6.2

Ontheffing noodzakelijk ....................................................................................................................... 24

6.3

Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 25

Bijlage 1 Vleermuizen - gedrag............................................................................................................................... 27 Bijlage 2 Vleermuizen – vliegroutes en verblijfplaatsen ........................................................................................ 28

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 3

Bijlage 3 Vogels ...................................................................................................................................................... 29 Bijlage 4 Egel .......................................................................................................................................................... 30 Bijlage 5 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 31

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 4

1 Aanleiding De gemeente Doetinchem werkt aan de planvoorbereiding voor het herontwikkeling van de Augustinuslocatie in Gaanderen. In verband met deze plannen is reeds een toetsing uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid. Uit deze toetsing kwam naar voren dat nader onderzoek naar vleermuizen, steenmarter, gierzwaluw en huismus noodzakelijk was. Dat onderzoek is uitgevoerd in 2018 (Staring Advies, 2018). In verband met de juridische houdbaarheid van dat onderzoek was een actualisatie nodig. Deze is uitgevoerd in 2021 en beschreven in deze rapportage. Door middel van gericht veldonderzoek is bepaald welke functie het plangebied (de Augustinuslocatie) heeft voor beschermde soorten. Uit het onderzoek komt naar voren om welke soorten en aantallen het gaat en welke functies er zijn aangetroffen. Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 5

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie De Augustinuslocatie (het plangebied) ligt in het dorp Gaanderen, dat valt onder de gemeente Doetinchem in de provincie Gelderland. Gaanderen ligt ten zuidoosten van Doetinchem. Het plangebied betreft Van Damstraat 19 en ligt aan de westelijke zijde van Gaanderen, naast de Sint-Augustinuskerk aan de rand van het dorp (Afbeelding 1 en Afbeelding 2). De Augustinuslocatie betreft een voormalige basisschool die momenteel antikraak wordt bewoond, Afbeelding 3 toont enkele foto’s. Er staat een langwerpig gebouw op het terrein (het voormalige schoolgebouw) en een fietsenstalling. Het voormalige schoolgebouw bestaat ten dele uit enkel de begane grond en deels uit een begane grond met een verdieping. Het gebouw is deels voorzien van een pannendak en deels van een plat dak. Het gebouw is niet in optimale staat, er zitten gaten en kieren in de boeiboorden, muren en het dak. Het terrein rondom de gebouwen is grotendeels verhard. Daarnaast is gazon en ruig grasland aanwezig. Langs de randen van het terrein en in het bosje bij de ingang van het terrein staan bomen, waaronder veldesdoorn, berk, zwarte els, douglasspar, robinia en zomereik. De meeste bomen hebben een DBH van <40 cm. De grootste bomen zijn een populier met een DBH van 140 cm en een Amerikaanse eik met een DBH van 95 cm (Eelerwoude, 2021).

De verlichting op het terrein is afkomstig van straatverlichting, vanuit het voormalige schoolgebouw en vanuit de woningen buiten het plangebied. Op het terrein zijn geen waterelementen aanwezig.

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De gemeente Doetinchem werkt aan de planvoorbereiding voor het herontwikkeling van het terrein en de bebouwing. Welke werkzaamheden er precies gaan plaatsvinden is op dit moment niet bekend. Voor de effectenbeoordeling van deze rapportage is als uitgangspunt genomen dat alle bomen worden gekapt en dat de gebouwen worden gesloopt of grootschalig worden gerenoveerd.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 6

Afbeelding 1. Ligging plangebied.

Afbeelding 2. Luchtfoto plangebied.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 7

Afbeelding 3. Impressie plangebied tijdens de huismusronde op 15-05-2021. De bovenste twee foto’s tonen de zuidelijke en oostelijke zijde van het voormalige schoolgebouw. De twee foto’s daaronder tonen de noordelijke zijde en de fietsenstalling. De onderste vier foto’s tonen de westelijke zijde en geven een beeld van het terrein rondom de gebouwen.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 8

3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 5 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming in een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 9

4 Methode 4.1 Inleiding De functies van het plangebied voor huismus, gierzwaluw, vleermuizen en steenmarter zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie:  NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna).  De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.

4.3 Veldonderzoek Veldbezoeken Op basis van aantal veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen, huismus en gierzwaluw. De onderzoeken zijn uitgevoerd door B. Haamberg, M. Hoofd en A. Nieuwenhuis (Eelerwoude) en Ronald Schrijber (Groenligua). Betreffende personen zijn ecologische deskundige (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 10

Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.

Datum

Type onderzoek

Start –eindtijd

Onderzoeker

Weersomstandigheden

21-04-2021

Huismusonderzoek

07:45 – 10:15 Zon op: 06:23

B. Haamberg

10  14 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 1 Bft

15-05-2021

Huismusonderzoek

09:11 – 10:06 Zon op: 05:38

A. Nieuwenhuis

11 °C, droog, dicht bewolkt, windkracht 2 Bft

21-05-2021

Kraamonderzoek vleermuizen avond

21:15 – 23:00* Zon onder: 21:31

M. Hoofd

13  11 °C, droog, half bewolkt, windkracht 3 Bft

03-06-2021

Kraamonderzoek vleermuizen ochtend

03:20 – 05:20 Zon op: 05:17

M. Hoofd

18 °C, droog, onbewolkt weer, windkracht 1 Bft

11-06-2021

Kraamonderzoek vleermuizen avond + gierzwaluw

20:55 – 23:55 Zon onder: 21:55

M. Hoofd R. Schrijber

22 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 2 Bft

05-07-2021

Kraamonderzoek vleermuizen avond + gierzwaluw

20:33 – 23:41 Zon onder: 21:56

A. Nieuwenhuis

19  17 °C, droog, dicht bewolkt, windkracht 3 Bft

20-08-2021

Baltsonderzoek vleermuizen

21:45 – 23:45 Zon onder: 20:47

M. Hoofd

18 °C, droog, onbewolkt weer, windkracht 1 Bft

06-09-2021

Baltsonderzoek vleermuizen

22:00 – 23:30 Zon onder: 20:09

M. Hoofd

17 °C, droog, onbewolkt weer, windkracht 2 Bft

*Iets eerder gestopt dan conform Vleermuisprotocol 2021, omdat bijna geen activiteit van vleermuizen meer waar te nemen was. Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het Vleermuisprotocol 2021 (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2021). Het protocol is gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen en laatvlieger, vanwege de geschiktheid van het type bebouwing voor deze soorten. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van de volgende apparatuur: batdetectors Pettersson D240X, Batlogger M en Echometer Touch en warmtebeeldcamera Pulsar Helion XP 38. In totaal zijn zes veldbezoeken uitgevoerd: vier in de kraamperiode en twee in de baltsperiode. Het kraamonderzoek heeft zich gericht op de aanwezigheid van zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen.

Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens het uitvlieg- of invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang en zonsopkomst. Het baltsonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van balts-, paar-, en/of winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens de baltsactiviteit van vleermuizen, vanaf een uur na zonsondergang. Tijdens dit tijdstip is de meeste baltsactiviteit bij vleermuizen waar te nemen. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 11

Vogels Toepassing van kennisdocumenten en vogellijst Bij broedvogelinventarisaties van huismus en gierzwaluw wordt gewerkt volgens het Kennisdocument Huismus en het Kennisdocument Gierzwaluw (Bij12, 2017). Hierbij worden waarnemingen die op broedgevallen of een territorium duiden in verschillende inventarisatierondes genoteerd op kaart. Vervolgens wordt op basis van deze waarnemingen een kaart met territoria vastgesteld. De veldbezoeken richten zich vooral op de soorten die jaarrond gebruik maken van vaste rust- en verblijfplaatsen (zgn. ‘jaarrond-soorten’ en ‘categorie 5-soorten’). Hierbij is uitgegaan van de per 26 augustus 2009 gewijzigde vogellijst. Ook eventuele andere bijzonderheden zijn genoteerd. Huismus Het onderzoek naar huismus is uitgevoerd in twee bezoeken in de periode april – mei door één veldmedewerker. De bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens gunstige weersomstandigheden. Tijdens het bezoek is onder andere gelet op zingende mannetjes en nestindicatieve waarnemingen zoals nestbouw, transport voedsel en alarmroepen. Gierzwaluw Het gierzwaluwonderzoek is uitgevoerd in twee bezoeken*, waarvan minimaal 1 bezoek plaatsvond tussen 20 juni en 7 juli. Deze veldbezoeken hebben plaatsgevonden in de avond voorafgaand aan het vleermuisonderzoek en tijdens gunstige weersomstandigheden. Tijdens het onderzoek zijn bezette nesten geteld (in- en uitvliegende dieren).

Tijdens dit tijdstip zoeken gierzwaluwen hun nesten op om te gaan slapen. Gedurende dit onderzoek worden tevens laagvliegende vogels genoteerd, met onderscheid tussen luidruchtige vluchten op huishoogte en bezoek van (waarschijnlijke) nestplaats. Vervolgens is op basis van deze waarnemingen een kaart met territoria vastgesteld. *Het Kennisdocument Gierzwaluw gaat uit van drie veldbezoeken, hiervan is afgeweken. Ten eerste omdat tijdens de twee veldbezoeken geen nestindicerende waarnemingen zijn gedaan, ten tweede omdat tijdens de avond en ochtendrondes voor vleermuizen geen nestindicerende waarnemingen van gierzwaluwen zijn gedaan, ten derde omdat gierzwaluwen honkvast zijn en nesten ook in 2018 niet zijn vastgesteld (Staring Advies, 2018). Overige beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten dan eerder beschreven voor. Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hierbij dient gedacht te worden aan bijvoorbeeld steenmarter. Het veldwerk naar de groep van overige soorten is uitgevoerd tijdens de onderzoeken naar vleermuizen en vogels.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 12

5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen.

5.2 Vleermuizen 5.2.1 Voorkomen en functie Samenvatting aangetroffen soorten en verblijfplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied drie soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Hieronder wordt per soort ingegaan op welke functies het plangebied heeft voor deze soorten. Tabel 2. Aangetroffen verblijfplaatsen binnen het plangebied.

Soort

Type verblijfplaats

Minimaal aantal dieren

Locatie invliegopening

Gewone dwergvleermuis

Zomerverblijfplaats

1

Bij raamkozijnen bovenste verdieping noordoostelijke zijde van gebouw.

Gewone dwergvleermuis

Paar-/baltsverblijfplaats

2

Tussen muur en kozijn aan de zuidelijke zijde van het gebouw. Links.

Gewone dwergvleermuis

Paar-/baltsverblijfplaats

1

Tussen muur en kozijn aan de zuidelijke zijde van het gebouw. Rechts.

Gewone dwergvleermuis

Vermoedelijke verblijfplaats

1

Bij regenpijp nabij deur aan de zuidzijde van het gebouw.

Tabel 3. Aangetroffen verblijfplaatsen buiten het plangebied.

Soort

Type verblijfplaats

Minimaal aantal dieren

Locatie invliegopening

Gewone dwergvleermuis

Paar-/baltsverblijfplaats

1-2

Bij raamkozijnen bovenste verdieping noordoostelijke zijde van gebouw.

Laatvlieger

Zomerverblijfplaats

5-?

Enkele pannen rechts van nok van noordwestelijke zijde van kerk.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 13

Kader -Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Gewone dwergvleermuis Soortbeschrijving De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot halfopen landschap. Verblijfplaatsen In het plangebied zijn vier (vermoedelijke) verblijfplaatsen aangetroffen. Het betreft één zomerverblijfplaats, twee paar-/baltsverblijfplaatsen en één vermoedelijke verblijfplaats. Voor de zomer- en paar/baltsverblijfplaatsen geldt dat geen uitvliegende of uitvliegende dieren zijn gezien, maar dat de verblijfplaatsen zijn vastgesteld op basis van gedrag. Bij de zomerverblijfplaats is in het voorjaar vroeg op de avond zeer geconcentreerde foerageeractiviteit vastgesteld. Dit duidt op de aanwezigheid van een verblijfplaats. In het najaar werd tijdens het baltsonderzoek aangetikt bij twee kozijnen (Afbeelding 4).

Op basis van de combinatie van de waarnemingen in het voor- en najaar is vastgesteld dat het een zomerverblijfplaats betreft. Omdat geen in- of invliegers zijn waargenomen is de exacte plek niet gevonden. Mogelijk wordt via de opening tussen het kozijn en de muur de spouwmuur gebruikt. Kader - Baltsgedrag Vleermuizen baltsen (ook wel sociale roep) in het najaar binnen een territorium om vrouwtjes te vinden en mee te lokken naar hun verblijfplaats om te paren. Zij vliegen daarbij op vaste routes, waarbij ze een zeer sterke binding met een bepaald gebouw(en) en/of beplanting hebben waar zich een paar- en/of baltslocatie bevindt. Baltsende mannetjes zijn dan ook een indicatie voor de aanwezigheid van een balts- en/of paarverblijfplaats. Mogelijk overwinteren deze mannetjes ook op deze locaties. Een locatie met een balts- en/of paarverblijfplaats kan dan ook aangemerkt worden als (vermoedelijke) winterverblijfplaats. Bij strenge vorst verhuizen ze echter vaak naar massawinterverblijfplaatsen. De exacte plekken van de balts- en/of paarplekken zijn vaak niet duidelijk, aangezien ze tijdens het baltsen zelden in- of uitvliegen. Wel is de locatie op woningniveau vaak duidelijk. Soms baltsen mannetjes rondom een geheel huizenblok zonder duidelijke voorkeur voor een bepaalde woning. Binnen een territorium kunnen de mannetjes verschillende verblijfplaatsen hebben.

Deze verblijfplaatsen maken onderdeel uit van een netwerk en binnen dit netwerk verhuizen ze regelmatig tussen deze verblijven.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 14

Afbeelding 4. In de witte cirkel de twee kozijnen waar werd aangetikt door de gewone dwergvleermuis.

De twee paar-/baltsverblijfplaatsen die binnen het plangebied zijn aangetroffen bevinden zich aan de zuidzijde van het gebouw, tussen de muur en het kozijn. Op beide locaties werd minuten lang aangetikt (ongeveer ter hoogte van het plafond van de begane grond) en soms ook kort ingevlogen (Afbeelding 5). Mogelijk bevindt de verblijfplaats zich in de spouwmuur op achter het plaatwerk en kan via de opening tussen het kozijn en de muur worden bereikt. De vermoedelijke verblijfplaats bevindt zich nabij de regenpijp (Afbeelding 5). Hier is tijdens het voorjaarsonderzoek waarschijnlijk een gewone dwergvleermuis uitgevlogen. Op andere momenten in het jaar is geen activiteit vastgesteld die er op wijst dat zich hier een verblijfplaats bevindt.

Afbeelding 5. In de witte cirkels de twee locaties waar werd aangetikt door de gewone dwergvleermuis (twee paar/baltsverblijfplaatsen). De witte pijl geeft de plek bij de regenpijp aan waar de vermoedelijke zomerverblijfplaats is gevonden.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 15

De zomerverblijfplaats die buiten het plangebied ligt is aangetroffen in de baltsperiode en vastgesteld op basis van invliegende dieren. Er is op één avond tweemaal een invliegende gewone dwergvleermuis gezien. In theorie kan dit hetzelfde dier zijn geweest. De verblijfplaats wordt bereikt via een opening tussen de gevel en het dak (Afbeelding 6).

Afbeelding 6. In de witte cirkel de locatie in de woning naast het plangebied waar de gewone dwergvleermuizen invlogen.

Foerageergebieden De foerageeractiviteit was het hoogst langs de bomen in het noordwestelijke deel van het plangebied. Hier werd met maximaal 3-4 dieren tegelijk gefoerageerd. Daarnaast was foerageeractiviteit bij het bosje bij de ingang van het terrein. Hier werd door 1-2 dieren gefoerageerd. Van essentieel foerageergebied is geen sprake. Vliegroutes Er zijn geen vaste vliegroutes van gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 16

Laatvlieger Soortbeschrijving De laatvlieger komt in Nederland vrij algemeen voor maar staat wel op de rode lijst als kwetsbaar (Min. LNV, 2020). De soort lijkt een matige afname te laten zien (Norren et al., 2020). Laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Kraamkolonies komen in Nederland voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Deze bevinden zich in de spouwmuur, achter en onder de (dak)betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. De jachtgebieden liggen in een straal van 1 tot 5 km (zelden meer) rondom de kolonie. Vliegroutes volgen waar mogelijk lijnvormige structuren, maar laatvliegers vliegen bij gunstige weersomstandigheden ook wel grote afstanden door open gebied. Verblijfplaatsen Tijdens het onderzoek is één verblijfplaats van laatvlieger vastgesteld in de kerk ten zuidwesten van het plangebied. Hier is tijdens de ochtendronde in het voorjaar één invliegende laatvlieger gezien (Afbeelding 7). Tijdens de avondrondes zijn geen uitvliegende dieren vastgesteld. Er zijn tijdens de avondrondes minimaal vier overvliegende laatvliegers over het plangebied waargenomen. De kerk wordt waarschijnlijk door minimaal vier laatvliegers als verblijfplaats gebruik.

Het maximale aantal is op basis van onze waarnemingen niet te bepalen.

Afbeelding 7. In de witte cirkel de locatie in de gevel van de kerk waar de laatvlieger invloog.

Foerageergebied Er zijn op een aantal momenten foeragerende laatvliegers in het plangebied aangetroffen. Meestal slechts voor een korte periode. Er werd (nest als bij de gewone dwergvleermuizen) het meest gebruik gemaakt van de beplanting in het noordwestelijke deel van het plangebied. Van essentieel foerageergebied is geen sprake.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 17

Vliegroutes Er is één vliegroute van laatvlieger vastgesteld. Deze werd gebruikt door minimaal vier dieren. Zij vlogen uit de richting van de kerk, langs de westelijke zijde van het plangebied, in de richting van de Mosterdweg. Over laatvliegers en hun gebruik van vliegroutes is weinig informatie bekend. De meeste informatie is anekdotisch en gebaseerd op ervaringen van veldecologen. De laatvlieger is een relatief grote vleermuis. In tegenstelling tot de kleinere gewone dwergvleermuis zijn laatvliegers veel minder afhankelijk van de luwte en dekking die houtwallen, bomenrijen of bosranden bieden. Het plangebied ligt op de route vanuit de kerk richting het buitengebied en is relatief donker ten opzichte van de andere routes richting buitengebied (over woonwijk of over zorgcomplex). Vliegroutes zijn beschermd als door het verdwijnen daarvan een verblijfplaats ongeschikt wordt. De alternatieve vliegroutes zijn door de aanwezigheid van meer verlichting iets minder geschikt, maar het betreffen slechts korte afstanden die overbrugd moeten worden voordat het buitengebied wordt bereikt (100-200 meter). Laatvliegers zijn niet lichtschuw, zij worden regelmatig overvliegend en foeragerend aangetroffen in bebouwde (en dus verlichtte) omgeving, ook de verblijfplaatsen hebben ze in bebouwde omgeving. De vliegroute wordt daarom niet als essentiële vliegroute aangemerkt.

Rosse vleermuis Soortbeschrijving De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Onder andere solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen en dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en ook wel rondom straatverlichting. Verblijfplaatsen Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat rosse vleermuizen van het plangebied gebruik maken als verblijfplaats. Foerageergebied en vliegroutes Het aantal waarnemingen van rosse vleermuizen is beperkt. Het betreft vooral overvliegende dieren en éénmaal een foeragerend dier. Van essentiële vliegroutes en foerageergebieden van rosse vleermuizen is geen sprake.

5.2.2 Effecten en ontheffing Bescherming Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen In het plangebied zijn uitsluitend (vermoedelijke) verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aangetroffen en geen verblijfplaatsen van andere soorten. Het betreft één vermoedelijke verblijfplaats, één zomerverblijfplaats en twee paar-/baltsverblijfplaatsen. Bij sloop of grootschalige renovatie gaan deze verblijfplaatsen verloren. Het vernielen van verblijfplaatsen is niet toegestaan tenzij de provincie Gelderland

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 18

toestemming geeft voor het overtreden van de verbodsbepaling. Het is daarom noodzakelijk om bij de provincie Gelderland een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming, aan te vragen. Foerageergebieden Het plangebied wordt met name door gewone dwergvleermuizen gebruikt om te foerageren, ook enkele laatvliegers en bij uitzondering een rosse vleermuis foerageren in het gebied. Het betreft geen essentiële foerageergebieden. Een ontheffing voor foerageergebied is dan ook niet noodzakelijk. Vliegroutes In het plangebied is een vliegroute van minimaal vier laatvliegers vastgesteld. Zij vliegen rond uitvliegtijdstip vanuit de richting van de kerk via de beplanting in het westelijke deel van het plangebied richting de Mosterdweg. Het betreft geen essentiële vliegroute. Als de vliegroute verhinderd wordt zijn er alternatieve vliegroutes die gebruikt kunnen worden. De verblijfplaats kan bij verhindering van de vliegroute door het plangebied nog steeds gebruikt worden. Een ontheffing voor vliegroutes is dan ook niet noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd om vanuit de zorgplicht de vliegroute over het terrein in stand te houden door de verlichting te beperken (zie Kader – Verlichting) of vleermuisvriendelijke verlichting te plaatsen en door beplanting te handhaven/aanplanten waarlangs de laatvliegers heen en terug naar het buitengebied kunnen vliegen.

Kader- Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in -en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijk te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden: -

Verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;

-

Verlichting alleen aan op het moment wanneer het nodig is (dynamische verlichting)

-

Verlaag de hoogtes van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;

-

Beperk verstrooiing van het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;

-

Geen verlichting plaatsen bij in-en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.2.3 Te nemen maatregelen In het kader van de ontheffing zijn een aantal maatregelen noodzakelijk. Te nemen maatregelen op hoofdlijnen:  plaatsen van kasten voor gewone dwergvleermuis voorafgaand aan de werkzaamheden (doorgaans wordt per verblijfplaats compensatiefactor 4 gerekend);

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 19

   

gebouw ongeschikt maken buiten de kwetsbare perioden van de gewone dwergvleermuis. In deze situatie betreft dit de kraamperiode en winterperiode. nieuwe verblijfplaatsen creëren in de toekomstige situatie (doorgaans wordt per verblijfplaats compensatiefactor 4 gerekend); ecologisch werkprotocol opstellen; begeleiding tijdens de werkzaamheden.

Conclusie: Bij de werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vernield. Tevens vindt mogelijk verstoring van gewone dwergvleermuizen plaats. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden. In het kader van de ontheffing is het treffen van maatregelen noodzakelijk. Mogelijk wordt ook een vliegroute van laatvlieger negatief beïnvloed. Hiervoor wordt een ontheffing niet noodzakelijk geacht. Wel wordt geadviseerd om in het kader van de zorgplicht maatregelen te treffen waardoor het plangebied geschikt blijft als onderdeel van de vliegroute.

5.3 Vogels 5.3.1 Voorkomen en functie Aangetroffen soorten Tijdens het vogelonderzoek is in het gebied is één soort vastgesteld waarvan de verblijfplaatsen jaarrond zijn beschermd; de huismus. Daarnaast zijn zogenaamde ‘categorie 5 soorten’ aangetroffen. Van gierzwaluw zijn geen nestindicerende waarnemingen gedaan. Hieronder wordt per soort ingegaan op hoe zij het gebied gebruiken, daarnaast worden deze waarnemingen in de bijlagen op kaart weergegeven. Huismus Soortbeschrijving Huismussen (Afbeelding 8) zijn bijzonder vindingrijk als het gaat om het vinden van een nestplaats. Ze nestelen meestal in holtes, bij voorkeur in huizen. De huismus is een jaarrond-soort, wat inhoudt dat de soort gedurende het hele jaar gebruik maakt van de verblijfplaatsen. De huismus is een echte cultuurvolger en bovendien uitermate veelzijdig, wel is het een veeleisende soort. Het ontbreken van één van de onderstaande elementen kan betekenen dat ondanks de aanwezigheid van veel geschikte nestplaatsen toch geen huismussen aanwezig zijn. Al deze elementen liggen dichtbij elkaar, bij voorkeur in een straal van een paar honderd meter. Geschikt huismussenhabitat bestaat uit de volgende elementen:  Ruim voldoende nestgelegenheid.  Continu voedsel in de directe omgeving van dekking.  Voldoende inheems groen als leverancier van eiwitrijk voedsel (o.a. rupsen) voor de jongen.

 Evergreens (bladhoudende of groenblijvende plant) in hagen of gevelbegroeiing.  Zandbad.  Water. Gebruik van het plangebied In het plangebied zijn twee territoria vastgesteld. Deze maken deel uit van een kolonie die in de wijk aan de overzijde van de straat broedt. De exacte locaties van de verblijfplaatsen zijn niet vastgesteld, zij bevinden zich mogelijk in opening onder het dak aan de oostelijke zijde van het gebouw, of langs raamkozijnen aan de noordoostelijke zijde van het gebouw.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 20

Afbeelding 8. Huismus op dakrand geeft aanwijzing voor territorium.

Gekraagde roodstaart en andere categorie 5 soorten

Afbeelding 9. Links een overzichtsfoto van de invliegopening van de gekraagde roodstaart. Rechts een detailfoto.

In de bebouwing is één verblijfplaats van gekraagde roodstaart vastgesteld. Ook andere categorie 5 soorten, waaronder boomkruiper, boomklever, ekster, koolmees en pimpelmees, zijn waargenomen of te verwachten en kunnen verblijfplaatsen hebben in het plangebied.

5.3.2 Effecten en ontheffing Huismus Verblijfplaatsen van huismus zijn jaarrond beschermd. Er zijn in het plangebied twee territoria vastgesteld. Het is verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden nesten vernield. Daarom is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen voor huismus. Gekraagde roodstaart en andere categorie 5 soorten De gekraagde roodstaart is in de provincie Gelderland aangemerkt als categorie 5 soort. Deze categorie wordt toegekend aan soorten waarvan de nesten als permanente verblijfplaats kunnen kwalificeren indien geen c.q. onvoldoende alternatieve locaties aanwezig zijn (mogelijk jaarrond beschermde nesten). In de te slopen bebouwing is één verblijfplaats van gekraagde roodstaart aangetroffen. Verder kunnen ook van andere soorten (boomkruiper, boomklever, ekster, koolmees, pimpelmees, etc.) verblijfplaatsen op het terrein aanwezig zijn. Hier is tijdens het onderzoek niet specifiek op gelet. Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 21

genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen vanuit de Wet natuurbescherming dan ook niet aan de orde. Er wordt wel in overweging gegeven om een nestkast voor gekraagde roodstaart op te hangen. De staat van instandhouding van deze soort is ongunstig (Sovon, 2021) en het ophangen van een nestkast is een eenvoudige en goedkope maatregel om deze soort te helpen.

5.3.3 Te nemen maatregelen In het kader van de ontheffing zijn een aantal maatregelen noodzakelijk. Te nemen maatregelen op hoofdlijnen: huismuskasten ophangen als alternatieve verblijfplaats voorafgaand aan de werkzaamheden (compensatiefactor 2 per verblijfplaats); werken buiten de kwetsbare periode van de huismus. In deze situatie betreft dit de broedperiode. De broedperiode van huismus loopt globaal van 1 maart tot eind augustus; ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen; nieuwe duurzame verblijfplaatsen aanbieden (compensatiefactor 2 per verblijfplaats); ecologisch werkprotocol opstellen; begeleiding tijdens de werkzaamheden. Conclusie: Bij de werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen van de huismus vernield. Tevens vindt mogelijk opzettelijke verstoring van huismus plaats. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden. In het kader van de ontheffing is het treffen van maatregelen noodzakelijk. Vanuit de zorgplicht wordt voor alle broedvogels geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken of vooraf een broedvogelcheck te (laten) doen. Tevens wordt in overweging gegeven om een nestkast voor gekraagde roodstaart op te hangen.

5.4 Overige beschermde soorten 5.4.1 Voorkomen en functie Tijdens het veldonderzoek is ook gelet op de aanwezigheid van andere (niet-vrijgestelde) beschermde soorten dan hierboven beschreven. Steenmarters of sporen daarvan zijn niet aangetroffen. Wel is een verblijfplaats van egel vastgesteld. Deze bevindt zich onder de takkenril aan de westelijke zijde van het terrein (zie bijlage voor de exacte locatie). Tijdens vrijwel alle nachtelijke veldonderzoeken is de egel ook foeragerend vastgesteld in het plangebied.

5.4.2 Effecten en ontheffing De egel is in de provincie Gelderland bij ontwikkelingen vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Voor het verwijderen van de takkenril of het uitvoeren van andere werkzaamheden aan het leefgebied is dan ook geen ontheffing noodzakelijk. Wel wordt vanuit de zorgplicht het volgende geadviseerd: Takkenril bij voorkeur behouden. Verwijderen mag, maar alleen buiten de kwetsbare periode. De kwetsbare periode is weergegeven in Afbeelding 10. Bij verwijderen van takkenril werken met licht materieel en vanaf één kant, zodat eventueel aanwezige egels de kans hebben om te ontsnappen. Nieuwe verblijfplaatsen aanbieden.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 22

Afbeelding 10. Kwetsbare periode van egel (Provincie Overijssel, 2021).

Conclusie: Op het terrein is een verblijfplaats van egel vastgesteld. Vanuit de zorgplicht wordt geadviseerd om maatregelen te treffen om de negatieve effecten van de ontwikkeling op egel te voorkomen, beperken en herstellen.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 23

6 Conclusie 6.1 Soortenbescherming 6.1.1 Vleermuizen Bij de werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vernield. Tevens vindt mogelijk verstoring van gewone dwergvleermuizen plaats. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden. In het kader van de ontheffing is het treffen van maatregelen noodzakelijk. Mogelijk wordt ook een vliegroute van laatvlieger negatief beïnvloed. Hiervoor wordt een ontheffing niet noodzakelijk geacht. Wel wordt geadviseerd om in het kader van de zorgplicht maatregelen te treffen waardoor het plangebied geschikt blijft als onderdeel van de vliegroute.

6.1.2 Vogels Bij de werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen van de huismus vernield. Tevens vindt mogelijk opzettelijke verstoring van huismus plaats. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden. In het kader van de ontheffing is het treffen van maatregelen noodzakelijk. Vanuit de zorgplicht wordt voor alle broedvogels geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken of vooraf een broedvogelcheck te (laten) doen. Tevens wordt in overweging gegeven om een nestkast voor gekraagde roodstaart op te hangen.

6.1.3 Egel Op het terrein is een verblijfplaats van egel vastgesteld. Vanuit de zorgplicht wordt geadviseerd om maatregelen te treffen om de negatieve effecten van de ontwikkeling op egel te voorkomen, beperken en herstellen.

6.2 Ontheffing noodzakelijk Voor de gewone dwergvleermuis en de huismus dient een ontheffing aangevraagd te worden. Deze soorten kunnen gezamenlijk in een aanvraag ingediend worden. Om een ontheffing Wet natuurbescherming te verkrijgen voor deze twee soorten moet:  de gunstige staat van instandhouding gegarandeerd blijven;  invulling gegeven worden aan de zorgplicht;  voldaan worden aan een bij de wet genoemd belang;  er mogen geen alternatieven zijn. Deze gegevens moeten worden uitgewerkt in een projectplan. In het projectplan staat concreet welke werkzaamheden, wanneer, en op welke wijze worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met een onderbouwing van de noodzaak van het project. Een ontheffingsaanvraag moet worden ingediend bij de provincie Gelderland. Maximaal twintig weken na het indienen van de aanvraag wordt er een besluit genomen. Op dat besluit kunnen belanghebbenden nog bezwaar maken. Deze termijnen zijn terug te vinden op de website van de provincie. Concrete maatregelen die genomen moeten worden tijdens de werkzaamheden dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Hierin dienen eveneens de aanvullende voorwaarden verwerkt te worden die voortvloeien uit de ontheffingsaanvraag.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 24

6.3 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 25

Literatuurlijst      

Eelerwoude (2021). Boom effect analyse Augustinuslocatie te Gaanderen. Projectnummer: 201855. Datum: 21-05-2021. ESRI Nederland (2021). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Sovon (2021). https://stats.sovon.nl/stats/soort/11220. Datum van raadplegen: 09-11-2021. Staring Advies (2018). Aanvullend onderzoek Van Damstraat 19 in Gaanderen. Rapportnummer 1908. Projectnummer: 3270. Datum: 26-09-2018. Provincie Overijssel (2021). Ontheffing Wet natuurbescherming. Zaaknummer: Z-HZ-WNB-2021-002070. https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2021-50008/1/bijlage/exb-202150008.pdf Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021). Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 26

Bijlage 1 Vleermuizen - gedrag

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 27

Bijlage 2 Vleermuizen – vliegroutes en verblijfplaatsen

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 28

Bijlage 3 Vogels

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 29

Bijlage 4 Egel

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 30

Bijlage 5 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en):  een vrijstelling geldt;  er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing);  een ontheffing is verkregen.

1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern 1

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 31

Figuur 1: Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 32

Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Zie kader – Staat van instandhouding). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding 

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Augustinuslocatie, Gaanderen | Eelerwoude | 33

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8153/documents/46731