CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1_03_Toelichting_Aanvullend onderzoek Flora en Fauna Van Damstraat 19.pdf

beeldvormende raad 16 mei 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 6: Bestemmingsplan Augustinuspark Gaanderen - 2023 en beeldkwaliteitsplan Het Augustinuspark6.442 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend onderzoek Van Damstraat 19 in Gaanderen In opdracht van gemeente Doetinchem

Colofon Rapportnummer Projectnummer

: 1908 : 3270

Opdrachtgever Contactpersoon

: Gemeente Doetinchem : Dhr. T. Gudden

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel 0314 641910 info@staringadvies.nl www.staringadvies.nl IBAN NL87 RABO 03 88 40 73 44 Btw nr. NL8076.79.616.B01 KvK 09100544

Auteur(s) Controle Status

: Dhr. ing. R. Boerboom : Mevr. drs. L.M.A. Witjes : Definitief

Datum

: 26-09-2018

Foto voorblad Wijze van citeren

: Plangebied (foto: R. Boerboom) : Boerboom, R., 2018. Aanvullend onderzoek, Van Damstraat 19 in Gaanderen. Staring Advies, Hoog-Keppel.

Eigendom Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever. Het rapport blijft eigendom van de opdrachtgever. Niets uit dit rapport mag w orden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt w orden d. m. v. druk, fotokopie, microfilm of op w elke andere w ijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming w orden gebruikt voor enig ander w erk dan w aarvoor het is vervaardigd. Betrouw baarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige w ijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurw et- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert daarom op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van eventuele beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek neemt. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade w elke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van w erkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijw aart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.

Kw aliteitszorg Staring Advies is lid van het Netw erk Groene Bureaus (NGB). Het Netw erk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netw erk w erkt aan de kw aliteit van advisering gericht op natuur, landschap, w ater, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netw erk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kw aliteit van hun w erk. w ww.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon .......................................................................................................................................... 1 Samenvatting ................................................................................................................................ 3 1

2

3

4

Inleiding en doel .................................................................................................................... 4 1.1

Inleiding .......................................................................................................................... 4

1.2

Doel ................................................................................................................................ 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden .......................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ................................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied .................................................................................. 5

2.3

Geplande werkzaam heden .......................................................................................... 5

Het ecologisch onderzoek.................................................................................................... 7 3.1

Onderzoeksmethode..................................................................................................... 7

3.2

Resultaten ...................................................................................................................... 9

Wet natuurbescherming ..................................................................................................... 13 4.1

Gierzwaluw .................................................................................................................. 13

4.2

Huismus ....................................................................................................................... 13

4.3

Steenmarter ................................................................................................................. 14

4.4

Vleermuizen ................................................................................................................. 14

5

Conclusie ............................................................................................................................. 16

6

Bijlagen ................................................................................................................................ 17

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek.......................................................................................... 18 Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ................................................................... 23

Samenvatting Uit het gericht onderzoek blijkt dat de geplande sloop van het schoolgebouw geen negatief effect heeft op nestlocaties van de gierzwaluw en huismus en/of vaste verblijfplaatsen van de steenmarter en gebouwbewonende vleermuizen. Het aanvragen van een ontheffing en het opstellen van een compensatieplan voor huismus, gierzwaluw, steenmarter of vleermuizen is niet noodzakelijk aangezien de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Voor overige beschermde soorten zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten of zijn te voorkomen door te werken buiten het broedseizoen (globaal van 1 maart – 15 juli). Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de sloopplannen voor het schoolgebouw aan de Van Damstraat 19 in Gaanderen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de beschermde soort(groep)en gierzwaluw, huismus, steenmarter en vleermuizen. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Doetinchem. Het bureau deed literatuuronderzoek en voerde gericht veldonderzoek op de locatie uit.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Er zijn plannen om het schoolgebouw aan de Van Damstraat 19 in Gaanderen te slopen. Staring Advies is na het bestuderen van het plangebied tot de conclusie gekomen dat gericht onderzoek naar gierzwaluw, huismus, steenmarter en vleermuizen noodzakelijk is. De heer Gudden van de gemeente Doetinchem is betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit natuuronderzoek.

1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door het slopen van de aanwezige bebouwing sprake is van aantasting van nestlocaties van gierzwaluw en huismus en vaste verblijfplaatsen van steenmarter en gebouwbewonende vleermuizen. Voor overige beschermde soorten zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten of zijn middels het treffen van mitigerende maatregelen, zoals het werken buiten het broedseizoen, eenvoudig te voorkomen.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Van Damstraat 19 Gaanderen Doetinchem Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied betreft een voormalig schoolgebouw aan de Van Damstraat 19 in de bebouwde kom van Gaanderen (zie figuur 1). Momenteel is het gebouw (tijdelijk) bewoond via een anti-kraak regeling. Het plangebied, bestaande uit het schoolgebouw met bijbehorend schoolplein, grenst aan de noordzijde aan de Mosterdweg, aan de oostzijde aan de Van Damstraat, aan de westzijde aan een groenstrook met enkele boomgroepen en aan de zuidzijde aan verharding met daarnaast een kerkgebouw (zie figuur 2). Het plangebied bestaat uit een schoolgebouw met bijbehorend schoolterrein (zie figuur 2). Het gebouw beschikt over gemetselde muren, voorzien van een spouw, en een pannendak. Het schoolterrein bestaat uit (deels verruigd) verhard oppervlak met een fietsenstalling, speeltoestellen en straatmeubilair, gazonstroken, enkele bomen en overige beplantingen. De natuurlijke vegetatie bestaat uit algemene grassen en kruiden langs de gevels van het gebouw, tussen de verharding en in de onverharde terreindelen. De directe omgeving van het plangebied bestaat deels uit de bebouwde kom van Gaanderen, met huizenblokken, een kerkgebouw, verhardingen en openbare groenstroken en deels uit het buitengebied met agrarische percelen, bossen, onverharde wegen en verspreid liggende (boeren)erven. Ten noorden van het plangebied loopt de spoorlijn Arnhem – Winterswijk.

2.3 Geplande werkzaamheden Het plan is om het schoolgebouw te slopen en op de vrijgekomen ruim te van het gebouw en het schoolplein woningen te bouwen.

Pagina 5

Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2018).

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2018).

Pagina 6

3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en de resultaten van het veldonderzoek besproken.

3.1

Onderzoeksmethode

Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald. Voor het onderzoek naar huismus en gierzwaluw zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland en de soortenstandaards van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland richtinggevend. Voor het vleermuisonderzoek is het Vleermuisprotocol, opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, richtinggevend. Gierzwaluw De nesten van de gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Er zijn 3 bezoeken met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen uitgevoerd van 18.00 uur tot zonsondergang in de periode 1 juni t/m 15 juli (zie tabel 1). Dit onderzoek is zoveel mogelijk gecombineerd met het vleermuisonderzoek in de avonduren. Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door gierzwaluwen. Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

R. Boerboom

1

6-6-2018

21.00 uur

Bewolkt, droog, 28°C, wind 0 Bft

R. Boerboom

2

21-6-2018

21.30 uur

Licht bewolkt, droog, 13°C, wind 2-3 Bft

R. Boerboom

3

11-7-2018

21.30 uur

Half bewolkt, droog, 18°C, wind 1-2 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek gierzwaluw.

Huismus De huismus is een gebouwbewonende soort waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze soort kan het beste tijdens de ochtend geïnventariseerd worden. Dan is de zangactiviteit van mannetjes het hoogst. Er is geïnventariseerd op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal etc. Zo zijn de nestlocaties vastgesteld. Conform de richtlijnen zijn hiervoor 2 ochtendbezoeken uitgevoerd in de periode 1 april t/m 15 mei (zie tabel 2). Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door huismussen. Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

R. Boerboom

1

8-5-2018

R. Boerboom

2

31-5-2018 10.15 uur Licht bewolkt, droog, 25°C, wind 0-1 Bft

08.30 uur Onbewolkt, droog, 17°C, wind 1 Bft

Tabel 2. Veldonderzoek huismus.

Pagina 7

Steenmarter De steenmarter is een zoogdiersoort waarvan de vaste verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. De soort is erg trouw aan deze locaties. Deze soort kan overdag geïnventariseerd worden. Dit onderzoek is gecombineerd met het huismusonderzoek (zie tabel 2). Tijdens de overige veldbezoeken is gelet op sporen en aanwezigheid van de steenmarter in het plangebied. Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door steenmarters. Vleermuizen De aanwezige bebouwing is potentieel geschikt als kraam- en zomerverblijfplaats en/of als balts- en paarverblijfplaats voor gebouwbewonende soorten, met name de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis en in mindere mate voor de laatvlieger. Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op verblijfplaatsen in gebouwen van de te verwachten soorten gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 3 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 mei - 15 juli en 2 bezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober. Dit onderzoek is gedurende het veldseizoen van 2018 uitgevoerd. In combinatie met het gierzwaluwonderzoek is een extra vleermuisronde uitgevoerd in juni (zie tabel 3). Door de onderzoeksintensiteit is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door vleermuizen. Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

R. Boerboom

1

16-5-2018

04.40 uur

Onbewolkt, droog, 14,5°C, wind 0 Bft

R. Boerboom

2

6-6-2018

21.00 uur

Bewolkt, droog, 28°C, wind 0 Bft

R. Boerboom

3

21-6-2018

21.30 uur

Licht bewolkt, droog, 13°C, wind 2-3 Bft

R. Boerboom

4

11-7-2018

21.30 uur

Half bewolkt, droog, 18°C, wind 1-2 Bft

S. Klein Brinke

5

17-8-2018

20.55 uur

Licht bewolkt, droog, 17°C, wind 2 Bft

R. Boerboom

6

17-9-2018

21.15 uur

Onbewolkt, droog, 16,5°C, wind 0 Bft

Tabel 3. Veldonderzoek vleermuizen.

Pagina 8

3.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek naar de gierzwaluw, huismus, steenmarter en vleermuizen besproken.

3.2.1 Gierzwaluw Er zijn geen nestlocaties van de gierzwaluw aangetroffen in het plangebied. Er zijn geen inof uitvliegende gierzwaluwen, roepende vogels vanuit het gebouw of andere gedragingen waargenomen die wijzen op een nestlocatie. Tijdens de verschillende veldbezoeken zijn enkele (hoog) overvliegende gierzwaluwen boven het plangebied, de omgeving van het plangebied en de bebouwde kom van Gaanderen. Deze gierzwaluwen vertoonden geen binding met het plangebied en broeden elders in de bebouwde kom van Gaanderen. Vermoedelijk broeden er enkele gierzwaluwen in de woonwijk ten oosten van het plangebied. In bijlage 1 is een kaart opgenomen met de veldwaarnemingen van de gierzwaluw.

3.2.2 Huismus Er zijn geen nestlocaties van de huismus aangetroffen in het plangebied. Er zijn geen in- of uitvliegende huismussen, transport van nestmateriaal, roepende mannetjes vanaf de dakgoot of andere gedragingen waargenomen die wijzen op een nestlocatie. Bij enkele woningen in de omgeving van het plangebied zijn territoriale huismussen waargenomen. De mussen broeden hier waarschijnlijk onder de dakpannen van de woningen. Het gaat onder andere om woningen aan de Van Damstraat en Van Roggenstraat. Deze mussen vertoonden tijdens het veldonderzoek geen binding met het plangebied. Het plangebied is geen functioneel leefgebied voor deze huismussen. In bijlage 1 is een kaart opgenomen met de veldwaarnemingen van de huismus.

3.2.3 Steenmarter Ondanks gericht onderzoek naar sporen die duiden op een verblijfplaats, zoals prooiresten, pootafdrukken, krabsporen, uitwerpselen/latrines en knaagsporen zijn deze niet aangetroffen aan en rond het schoolgebouw in het plangebied. Tijdens de verschillende veldbezoeken zijn geen steenmarters waargenomen op of rond het plangebied. In de avond- en ochtendschemer zijn tijdens het vleermuisonderzoek geen steenmarters in de directe omgeving van het plangebied waargenomen. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen aanwijzingen gevonden dat het te slopen schoolgebouw in gebruik is als vaste rusten verblijfplaats door de steenmarter.

Pagina 9

3.2.4 Vleermuizen Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in het plangebied. Er zijn geen in- of uitvliegende vleermuizen bij het te slopen schoolgebouw waargenomen. Er zijn geen andere aanwijzingen gevonden die duiden op een verblijfplaats, zoals zwermgedrag, meststrepen, prooiresten of uitwerpselen langs de gevels. Tijdens het veldonderzoek zijn in het plangebied en de directe omgeving drie vleermuissoorten aangetroffen: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Het gebiedsgebruik wordt hieronder beschreven. Gewone dwergvleermuis Voorjaar/zomer Tijdens de verschillende veldbezoeken zijn enkele foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen bij de opgaande beplantingen in en rond het plangebied. Er zijn maximaal 5 foeragerende exemplaren waargenomen bij de forse bomen aan de westzijde van het plangebied (zie bijlage 1). Daarnaast zijn verspreid rond het schoolgebouw nog enkele foeragerende of passerende exemplaren waargenomen tijdens de verschillende veldbezoeken. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van een verblijfplaats van deze soort in het plangebied. De verblijfplaatsen van deze gebouwbewonende vleermuissoort bevinden zich buiten het plangebied, vermoedelijk bij woningen in de omgeving.

Het openbare groengebied aan de westzijde van het plangebied en de groenstrook langs de Mosterdweg ten noorden van het plangebied kan als essentieel foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis beschouwd worden door het intensieve gebruik. In het plangebied is geen sprake van een vliegroute of essentieel foerageergebied. Najaar Tijdens de 2 najaarsronden zijn geen baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen in het plangebied. Er zijn geen indicaties dat er een paarverblijfplaats in de te slopen bebouwing aanwezig is. Ook is er geen zwermgedrag bij het te slopen schoolgebouw waargenomen, dat zou kunnen duiden op een winterverblijfplaats. Bij de verschillende bomen in en rond het plangebied zijn wederom foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. In de directe omgeving van het plangebied zijn wel enkele baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Net buiten het plangebied, tussen het schoolgebouw en de naastgelegen kerk is één baltsend mannetje aangetroffen. Dit exemplaar vertoonde een binding met het kerkgebouw, wat een aanwijzing is dat de verblijfplaats zich in dit gebouw bevindt en niet in het schoolgebouw binnen het plangebied. Overige baltsende gewone dwergvleermuizen zijn onder andere bij woningen aan de Van Roggenstraat en Van Damstraat aangetroffen (zie bijlage 1).

Conclusie De aangetroffen gewone dwergvleermuizen hebben buiten de onderzoekslocatie hun verblijfplaatsen. De groenstructuren rondom het schoolgebouw, en dan met name het park

Pagina 10

aan de westzijde, worden wel als foerageergebied gebruikt door deze vleermuissoort. Er is geen sprake van een vliegroute of essentieel foerageergebied binnen het plangebied. Het is echter wel wenselijk om de bomen rond en op het schoolplein te behouden als jachtplek voor de gewone dwergvleermuis. Gewone grootoorvleermuis Voorjaar/zomer Tijdens de ochtendronde van 16 mei is éénmalig een foeragerende gewone grootoorvleermuis waargenomen. De gewone grootoorvleerm uis jaagde rond de zuid- en oostgevel van het schoolgebouw en bij enkele bomen rond het schoolgebouw (zie bijlage 1). Tijdens de overige veldbezoeken zijn geen grootoorvleerm uizen meer waargenomen in of rond het plangebied. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van een verblijfplaats van deze soort in het plangebied. De verblijfplaatsen van deze vleermuissoort bevinden zich buiten het plangebied, vermoedelijk bij een woning of het naastgelegen kerkgebouw. In het plangebied is geen sprake van een vliegroute of essentieel foerageergebied. Najaar Tijdens de 2 najaarsronden zijn geen baltsende gewone grootoorvleerm uizen waargenomen. Er zijn geen indicaties dat er een paarverblijfplaats in de te slopen bebouwing aanwezig is. De soort is niet meer waargenomen in of rond het plangebied. Conclusie De aangetroffen gewone grootoorvleermuis heeft buiten de onderzoekslocatie de verblijfplaats.

Er is geen sprake van een vliegroute of essentieel foerageergebied. Laatvlieger Voorjaar/zomer Tijdens de verschillende veldbezoeken zijn enkele foeragerende en passerende laatvliegers aangetroffen bij de bomen in en rond het plangebied. Het betreft maximaal twee exemplaren (zie bijlage 1). Deze laatvliegers jagen bij de bomen ten oosten en zuiden van het plangebied. De verblijfplaatsen van deze gebouwbewonende vleermuissoort bevinden zich buiten het plangebied, vermoedelijk bij een woning in de omgeving. In het plangebied is ook geen sprake van een vliegroute of essentieel foerageergebied. Najaar Laatvliegers laten geen baltsgedrag zien. Tijdens de 2 najaarsronden zijn dan ook geen indicaties gevonden dat er een paarverblijfplaats in de te slopen bebouwing aanwezig is. Ook is er geen zwermgedrag bij het te slopen schoolgebouw waargenomen, dat zou kunnen duiden op een winterverblijfplaats. Bij de verschillende bomen in en rond het plangebied zijn wederom enkele foeragerende laatvliegers waargenomen (zie bijlage 1). Conclusie De aangetroffen laatvliegers hebben buiten de onderzoekslocatie hun verblijfplaatsen. De groenstructuren rondom het schoolgebouw worden wel als foerageergebied gebruikt door

Pagina 11

deze vleermuissoort. Er is echter geen sprake van een vliegroute of essentieel foerageergebied.

Pagina 12

4 Wet natuurbescherming De effecten op aangetroffen beschermde soorten en de wettelijke consequenties zijn bepaald aan de hand van de geplande werkzaamheden (zie bijlage 2).

4.1 Gierzwaluw 4.1.1 Beschermde status De gierzwaluw is strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Hij staat ook vermeld in de Europese Vogelrichtlijn. De nesten van de gierzwaluw zijn het gehele jaar beschermd. Bij werkzaamheden aan gebouwen is er vaak sprake van dat er voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van de gierzwaluw worden weggenomen of dat de functionaliteit daarvan niet behouden kan blijven. Door het toepassen van zorgplicht maatregelen en activiteit specifieke maatregelen is het wellicht mogelijk om negatieve effecten teniet te doen. Wanneer dit het geval is, is er geen sprake van een overtreding en behoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wanneer dit niet of in onvoldoende mate het geval is, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan wel sprake is van een overtreding van artikel 11: Voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren.

4.1.2 Gebruik van het plangebied Er bevindt zich geen nestlocaties van de gierzwaluw in het plangebied. De geplande sloop van het schoolgebouw heeft geen negatief effect op nestlocaties van de gierzwaluw. Het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort.

4.2 Huismus 4.2.1 Beschermde status De huismus is strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Hij staat ook vermeld in de Europese Vogelrichtlijn. De nesten van de huismus en het daarbij behorend functioneel leefgebied zijn het gehele jaar beschermd. Bij werkzaamheden aan gebouwen is er vaak sprake van dat er voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus worden weggenomen of dat de functionaliteit daarvan niet behouden kan blijven. Door het toepassen van zorgplicht maatregelen en activiteit specifieke maatregelen is het wellicht mogelijk om negatieve effecten teniet te doen. Wanneer dit het geval is, is er geen sprake van een overtreding en behoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wanneer dit niet of in onvoldoende mate het geval is, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan wel sprake is van een overtreding van artikel 11: Voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren.

Pagina 13

4.2.2 Gebruik van het plangebied Er bevindt zich geen nestlocaties van de huismus in het plangebied. De geplande sloop van het schoolgebouw heeft geen negatief effect op nestlocaties of het functioneel leefgebied van deze soort. Het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort.

4.3 Steenmarter 4.3.1 Beschermde status De steenmarter is strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Dat wil zeggen dat alleen de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Wanneer een vaste rusten verblijfplaats verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden. De compensatie dient in de omgeving van de bestaande verblijfplaats getroffen te worden, zodat deze binnen het territorium van de steenmarter valt.

4.3.2 Gebruik van het plangebied Er is geen verblijfplaats aangetroffen tijdens het onderzoek. De geplande sloop van het schoolgebouw heeft geen negatief effect op vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter. Het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort.

4.4 Vleermuizen 4.4.1 Beschermde status Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Ze staan ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dat wil zeggen dat de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes ook strikt beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of essentieel foerageergebied verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

4.4.2 Gebruik van het plangebied Door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen verdwijnen er geen vaste rust- en verblijfplaatsen, vliegroutes en/of essentiële foerageergebieden van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger of overige vleermuissoorten. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor deze soort. Er hoeven geen mitigerende of compenserende maatregelen getroffen te worden.

Pagina 14

Aanbeveling gewone dwergvleermuis en laatvlieger Het wordt aanbevolen om de bomen in het plangebied te behouden, zodat deze als foerageergebied door de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en eventueel andere vleermuissoorten gebruikt kunnen worden.

Pagina 15

5 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Er zijn tijdens het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid voor nestlocaties van de gierzwaluw of huismus en/of verblijfplaatsen van de steenmarter of gebouwbewonende vleermuizen in het te slopen schoolgebouw. Op basis van de resultaten van de huidige onderzoeksinspanning kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat deze bebouwing geen functie heeft als nestlocatie of vaste rust- en verblijfplaats voor deze soort(groep)en. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Aanbeveling behouden groen Het wordt aanbevolen om de forse bomen in het plangebied te behouden, zodat deze als foerageergebied door vleermuizen gebruikt kunnen worden.

Pagina 16

6 Bijlagen 1 2

Resultaten veldonderzoek Wettelijk kader

Pagina 17

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek Gierzwaluw

Gierzwaluw (overvliegend)

\

Plangebied

Pagina 18

Huismus

Huismus (territorium indicerend)

\ \

Plangebied

Pagina 19

Gewone dwergvleermuis

Gewone dwergvleermuis (foeragerend/overvliegend) Gewone dwergvleermuis (baltsend)

\ \

Plangebied

Pagina 20

Gewone grootoorvleermuis

Gewone grootoorvleermuis (foeragerend)

\ \

Plangebied

Pagina 21

Laatvlieger

Laatvlieger (foeragerend/overvliegend)

\ \

Plangebied

Pagina 22

Bijlage 2 W ettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:     

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 23

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist). Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes  

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 24

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 25

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig:      

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 26

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig:   

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 27

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 28

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor:   

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 29

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat:  

dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of

c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.

Pagina 30

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl

Pagina 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8153/documents/46725