CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 03_B1_Toelichting_Ruimtelijke onderbouwing Hulleweg 5 en 7.pdf

beeldvormende raad 14 maart 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 4: Bestemmingsplan Hulleweg 5 en 7 - 202312.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Wonen en recreatie Hulleweg 5, Doetinchem

Versie: 22 mei 2023

Opsteller:

Inhoud 1

INLEIDING.............................................................................................................................. 3

2

HET PLAN .............................................................................................................................. 6

3

BELEIDSKADER..................................................................................................................... 12

4

HAALBAARHEID ................................................................................................................... 25

5

ECONOMISCHE- EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .............................................. 39

Bijlagen ........................................................................................................................................ 40

2

1

INLEIDING

1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om op een bebouwd terrein aan de Hulleweg 5 in Doetinchem in bestaande bebouwing vier woningen, zes recreatieverblijven en 21 parkeervoorzieningen te realiseren. Daarbij wordt een bestaande bedrijfswoning bestemd tot reguliere woning. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken vraagt de initiatiefnemer een herziening van het bestemmingsplan. De geldende Beheersverordening Landelijk gebied 2022, reparatie 2022 geeft aan de gronden de bestemming `Bedrijf’ en dit staat deze ontwikkeling’ niet toe. 1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen op de voormalige Vitenslocatie aan de Hulleweg 5 in Doetinchem waarop een pompstation was gevestigd. Op hierna volgende afbeeldingen zijn globaal de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

Ligging plangebied

3

Begrenzing plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt de Beheersverordening Landelijk gebied 2020, reparatie 2022. Daarnaast gelden de volgende bestemmingsplannen als parapluherziening: • • •

Parapluherziening Archeologie Parapluherziening Externe Veiligheid: Parapluherziening parkeren

Beheersverordening Landelijk gebied 2020, reparatie 2022 Op basis hiervan geldt de bestemming Bedrijf. Hierin zijn uitsluitend bedrijven in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten uit de bijlage bij de Beheersverordening toegestaan. Het plan is hiermee niet in overeenstemming. Er bestaat op grond van de Beheersverordening geen mogelijkheid om van deze regel af te wijken. Om de ontwikkeling toch mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

4

Uitsnede van de verbeelding Beheersverordening Landelijk gebied 2020, reparatie 2022 Parapluherziening Archeologie-2020 Op basis hiervan geldt voor het plangebied de Waarde Archeologische verwachting-3. Op basis hiervan moet bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 en met een bodemverstoring dieper dan 0,4 m een rapport te worden overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Het plan gaat voor een oppervlakte van minder dan 250 m2 uit van het oprichten van een bouwwerk. Hierop wordt in paragraaf 3.5 nader ingegaan. Parapluherziening Externe Veiligheid Hierin is voor het plangebied de aanduiding 'overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten' aangegeven. Op basis hiervan is het verboden om nieuwe risicobronnen te vestigen of deze uit te breiden. Omdat het plan geen risicobron toevoegt, is deze regeling niet relevant voor het plan.

Parapluherziening parkeren Dit regelt dat in geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem', zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017, met dien verstande dat wanneer deze parkeerregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging. Deze norm is leidend voor het plan en hierop wordt onder 3.2.4 ingegaan. 1.4 Leeswijzer Deze onderbouwing is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk beschrijft het plan en gaat in op de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen en bevat de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 4 wordt tot slot de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan behandeld. 5

2

HET PLAN

2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom van Doetinchem en betreft een bebouwd voormalig pompstation van Vitens. Het plangebied is bereikbaar via de Hulleweg. Aansluitend terrein bestaat uit verharding en onderhouden tuin in de vorm van gazon. Rondom staan bomen die onderdeel uitmaken van omliggend bos. Aanliggend grondgebruik is bos, wegen, wonen, agrarisch en bedrijf.

Impressies situatie in het plangebied bij start planontwikkeling 6

2.2 Nieuwe situatie Het plan betreft de realisatie van vier woningen en zes recreatieverblijven binnen de bestaande bouwmassa. Eén van de recreatieverblijven wordt gerealiseerd in het transformatorhuisje dat oostelijk in het plangebied staat. Daarbij wordt een bedrijfswoning tot reguliere woning bestemd en worden er 21 parkeerplekken gerealiseerd. In de recreatieverblijven is ruimte voor twee tot drie personen. Permanente bewoning van deze verblijven is uitgesloten. Initiatiefnemer heeft in het kader van natuur-inclusief bouwen besloten om de zolders waar de vleermuizen (en sporen) zijn aangetroffen uit de planontwikkeling te halen en te behouden (en eventueel in te richten) voor de aanwezige vleermuizen (zie hiervoor ook paragraaf 4.11) In de bijlage is een overzicht van de nieuwe situatie met maatvoeringen opgenomen. Om te voldoen aan de eisen voor lichtinval worden op enkele plekken wijzigingen in de gevel aangebracht. Verduurzaming vindt geheel inpandig plaats. Ook worden zonnecollectoren aan de achterzijde in het dakvlak aangebracht. Hiervoor zal te zijner tijd een vergunning worden aangevraagd. Bezoekers en gebruikers zullen aan de achterzijde parkeren. Hiervoor bestaat gelegenheid in de vorm van 21 parkeerplekken.

In deze omgeving worden ook de voorzieningen voor het ophalen van huisvuil van 4 m2 en een fietsenberging voor 24 fietsen en met een oppervlakte van 52 m2 gesitueerd

Doorsnedes van het plan (bron Plan architecten)

7

Plattegrond openbaar gebied met 21 parkeerplekken (aanwezige (bedrijfs-) woning met haag wordt reguliere woning) Bron: landschapspark Op de Pol (studio Nico Wissing)

8

Plattegrond plangebied met o.a. de berging en locatie huisvuil, roze lijn is plangrens (Bron: landschapspark Op de Pol (studio Nico Wissing) Aan de achterzijde van het gebouw (Noord-Oost) komen de gemeenschappelijke parkeerplaatsen, fietsenberging, ontsluiting en de locatie voor huisvuil. In de splitsingsakte van de VvE wordt ook beschreven dat inwoners geen veranderingen mogen aanbrengen aan het uiterlijk van het gebouw. Ook de afscheiding en de terrasverharding wordt allemaal beschreven zodat er eenheid en rust blijft op en om het monument.

Transformatorhuisje recreatieverblijf

9

rans ormatorge o

V

AA AB 36 3

133

3

3

133

oms hri ving bouwwerk aamheden

voor

na

bebouwde terreinoppervlakte

2 ,1 m²

2 ,1 m²

bruto vloeroppervlakte

2 ,1 m²

2 ,1 m²

bruto inhoud

12 , m

12 , m

fun tie

industriefun tie

logiesfun tie

1 , m²

13, m²

over i ht gebruiksoppervlakte en verbli fsgebied logiesfun tie re reatieverbli f aangenomen peil peil re reatieverbli f ongewi igd

ENT EE

- tevens worden de spouwen opgevuld met spouwisolatie

1 76

B.03 badkamer 5,1m²

7

111

B.04 m.k. 1,0m²

3

3

- i onis he groene metalen deuren worden behouden en er wordt n nieuwe deur + ko i nen 3 Re naers a hter geplaatst om de thermis he s hil te kunnen waarborgen.

6

3

16

B.02 slaapkamer 7,3m²

7

71

R

66

111

3

6

1

B.01 zitkamer 6,3m²

0

AB AA

oor

e e

nieuwe situatie 1:50

3

plattegro

nieuwe situatie 1:50

R

vloer- en wandafwerking d.m.v. tegels, hoogte t.p.v. badruimte min. 2100 + vloer, e.e.a. vlgs. BB 2012 art 3.23, kleur en afm. i.o.m. opdra htgever

1m

2m

5m 1:50

Plattegrond en doorsnede transformatorhuisje

10

Kadastrale percelen

11

3

BELEIDSKADER

3.1 Inleiding Ten behoeve van de ruimtelijke onderbouwing moet de uitvoerbaarheid van het plan worden aangetoond. Hierbij moet worden gedacht aan onder meer het ruimtelijke beleid van de hogere overheden en de gemeente zelf, milieuaspecten als geluid, bodem en hinder van bedrijven, water, externe veiligheid, archeologie, cultuurhistorie en economische haalbaarheid. De beoogde ontwikkeling is op deze aspecten getoetst. 3.2

Rijksbeleid

NOVI Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving: • Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; • De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; • Afwentelen wordt voorkomen. Barro De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing De Novi en het Barro zijn niet regelend voor het plan. Ladder duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2). De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand 12

stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Per 1 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan. Toetsing Met voorliggend plan wordt het hergebruik en de instandhouding van een monument door het inpandig realiseren van vier woningen, zes recreatieverblijven en het tot woning bestemmen van een bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Behoefte

Tijdens het uitwerken van het plan is op diverse momenten het animo gepolst. Initiatiefnemer heeft op dit moment een lijst met potentiele kopers die de woningen kunnen afnemen. Uit het Achterhoeks Woonwensen- en Leefbaarheidsonderzoek 2021 blijkt dat de bevolkingsontwikkeling van de Achterhoek is omgeslagen naar groei. De druk op de woningmarkt is hoog. Er is nauwelijks keuze in de koopsector en de prijzen zijn gestegen. Door de stijging van de huizenprijzen raakt een deel van de woningvoorraad buiten bereik van huishoudens met een laag inkomen of een middeninkomen. Doorstroming zou hierin verandering moeten brengen. Ook ouderen zeggen te willen verhuizen, maar stellen de stap vaak uit. Levensloopgeschikte woningen zijn er onvoldoende. De gemeenteraad van Doetinchem heeft de regionale woonagenda Achterhoek in maart 2023 vastgesteld. Hiermee samenhangt de Woondeal op basis waarvan worden tot 2030 2.470 woningen in Doetinchem worden gerealiseerd. De toe te kennen aantallen woningen zullen vanaf dat moment als vraag kunnen worden toegewezen naar deelgebieden. Hiermee kan de vraag naar woningen onderbouwd. Op beide wordt in paragraaf 3.3 verder ingegaan. De vraag naar een bijzondere en extensieve vorm van recreatief verblijf op deze plek en in deze omgeving is door initiatiefnemer onderzocht. Bestaand stedelijk gebied

Naast de woonbehoefte dient gemotiveerd te worden of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen het bestaand stedelijk gebied. Als motivatiegronden gelden het 'invullen' van lege plekken, het geven van een andere bestemming aan een gebied, het herstructureren van bestaande terreinen of het transformeren van bestaande gebouwen of gebieden. Kan de ruimtevraag volledig worden opgevangen binnen bestaand gebied, dan is hiermee de Ladder succesvol doorlopen en is de motivering klaar. Als de woningbouwontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro gemotiveerd worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

13

Het plan betreft het transformeren van bestaande bebouwing in het buitengebied. Het zorgt voor duurzame instandhouding van een aangewezen gemeentelijk monument. De voorziene planontwikkeling kan hiermee niet worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Binnen het plangebied worden ook andere functies dan wonen beoogd. Dit betreft een extensieve vorm van verblijfsrecreatie. Het gebruik geldt als aanvullende voorziening die nodig is voor het instandhouden van het monument. De ontwikkeling haakt aan op omliggende bestaande natuur- en landschapskwaliteiten en op de aanwezigheid van befietsbare routes. De Hulleweg is opgenomen in de Lange Afstands Wandeling Pieterpad. Gebruikers van deze vorm van recreatie zijn rustzoekers, zijn daarmee gericht op het buitengebied en maken niet gebruik van stedelijke netwerken en hun specifiek stedelijke voorzieningen. De rondom aanwezige groene zone is uniek in het omliggende, verkavelde landschap en biedt een kans om wonen, ontspanning en recreatie in het groen in en om het gemeentelijk monument te combineren. Om die reden kan de woningbouwontwikkeling gemotiveerd buiten bestaand stedelijk gebied gerealiseerd worden. Geconcludeerd wordt dat het plan op passende wijze invulling geeft aan de Ladder van Duurzame Verstedelijking. 3.3

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan: • energietransitie; • klimaatadaptatie; • circulaire economie; • biodiversiteit; • bereikbaarheid; • economisch vestigingsklimaat; • woon- en leefklimaat. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is de ambitie voor het woon- en leefklimaat van toepassing. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Zo worden de economische kracht en kwaliteit van leven in Gelderland versterkt, nu en in de toekomst. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang.

Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.

14

Toetsing Het plan ziet toe op de transformatie van een bestaande bedrijfsbestemming en instandhouding van het gemeentelijk monument. De bestaande bebouwing wordt niet uitgebreid en blijft/wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande landschappelijke structuren. Het plan is daarmee in overeenstemming met de provinciale Omgevingsvisie. Omgevingsverordening De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem.

De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Voor het plan zijn de volgende regels uit de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing. a. Instructiegel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda (artikel 2.2) b. Instructieregel klimaatadaptatie (2.65b) ad. 1 Wonen In de verordening wordt aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. De regionale woonagenda draagt bij aan een passende en goede woningvoorraad in de provincie. In het vervolg wordt het initiatief aan de betreffende woonagenda getoetst. Toetsing Het initiatief past binnen het provinciale beleid. Hoewel de woningen niet binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd, worden deze wel in bestaande bebouwing met een monumenstatus gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling sluit bovendien aan bij de doelstellingen om voldoende passend en duurzaam woningaanbod in de provincie te garanderen. Ook worden de woningen aardgasvrij gebouwd en wordt instandhouding van de bestaande groene waarden beoogd. Dit sluit aan bij de provinciale doelstellingen voor energieneutrale en klimaatbestendige woningen.

Daarnaast sluit het plan aan bij de doelstelling voor het bouwen toekomstbestendige en duurzame woningen. Ad. 2 Klimaatadaptatie Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn normen vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Deze normen zijn vastgelegd in de provinciale waterverordeningen voor de waterschappen (Waterverordening Waterschap Rivierenland, Waterverordening Waterschap Vallei en Veluwe en Waterverordening Waterschap Rijn en IJssel). Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het 15

waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. De verordening verplicht om bestemmingsplannen die nieuwe activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maken om bij de toelichting maatregelen of voorzieningen te beschrijven over in ieder geval de volgende thema's: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte Voor het plan is de watertoets (paragraaf 4.9) uitgevoerd en zijn maatregelen getroffen. De klimaatadaptieve kwaliteiten bestaan uit instandhouden van bestaande volgroeide bomen, behoud van sterke infiltratiezones en veel schaduw in en om het plan. Deze voldoen in ruime mate aan de normen voor klimaatadaptief ontwikkelen. GO / GNN Het plangebied ligt buiten GO en GNN op een oude rivierduin, genaamd de Rozenpas welke van Gaanderen tot aan Keppel loopt. Dit gebied kenmerkt zich door de schrale zandgronden en de grote hoogteverschillen.

Plangebied buiten GNN (Felgroen is GO Donkergroen is GNN) Toetsing Het plan ligt buiten GO en GNN. Het plan ziet daarbij ook hooguit toe op bestaande bebouwing, verharding en de gronden die als tuin bij de bedrijfsbestemming in gebruik waren. Het plan is voor wat betreft het provinciaal beleid uitvoerbaar. Ontwerp Actualisatieplan 9 Omgevingsverordening ASV

Actualisatieplan 9 is een aanvulling op de omgevingsverordening. De aanvulling gaat over het aanwijzen van Aanvullende Strategische Voorraden (ASV) voor de drinkwatervoorziening. Hoewel nog niet formeel in werking, is met dit plan al wel voorgesorteerd op het in werking treden van deze regeling. Naar verwachting wordt deze regeling op 1 januari 2024, met het in werking treden van de Omgevingswet, daadwerkelijk van kracht.

16

Door bevolkingsgroei en economische groei kan de vraag naar drinkwater in Nederland in de komende jaren flink stijgen. Daarnaast verandert het klimaat en wordt de bodem steeds intensiever gebruikt. Met dit actualisatieplan wordt beoogd dat er ook in de toekomst voldoende drinkwater is. Toetsing Het plan betreft het hergebruiken van bestaande bebouwing. Er worden geen stoffen op de bodem geloosd en er worden voor het overige ook geen grondwaterbedreigende activiteiten uitgevoerd. In het overleg met Vitens is aan de orde gekomen dat de waterwinvergunning waarschijnlijk van dit gebied zal af gaan. Het plan is niet in strijd met de regeling uit de ASV. 3.4

Regionaal beleid

Regionale woonagenda Achterhoek In de geactualiseerde regionale woonagenda voor 2023 tot en met 2030 leggen Achterhoekse woningcorporaties, marktpartijen, maatschappelijke organisaties, gemeenten en de provincie Gelderland Achterhoekse woonambities en -doelen voor de komende jaren vast. Wonen in de Achterhoek is goed wonen. In 2021 beoordeelden de Achterhoekers de leefbaarheid in hun omgeving met gemiddeld een 8. Ingezet wordt op een toegankelijke, kwalitatief hoogwaardige en betaalbare woningvoorraad voor iedereen. In de regionale woonagenda is aandacht voor de verschillen in woonkwaliteiten en woonmilieus in de gemeenten. Immers, de Achterhoekse steden, dorpen en buurtschappen hebben veel gemeen, maar zijn allen ook uniek en worden daarom ook zo behandeld. De woonopgaven die in de regio bestaan worden niet los gezien van andere opgaven zoals leefbaarheidsvraagstukken, duurzaamheidsopgave, bereikbaarheid, economie, klimaatuitdagingen en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. In februari 2022 zijn de samenwerkende partijen het proces gestart om te komen tot een nieuwe regionale woonagenda.

Op basis van onderzoeken zoals het Achterhoekse Woonwensen- en Leefbaarheidsonderzoek (AWLO), de Achterhoekse Woon- en Vastgoedmonitor en werkateliers met gemeenten, corporaties, marktpartijen, maatschappelijke organisaties en de provincie is stapsgewijs gewerkt aan deze ambitieuze en integrale woonagenda. De ambitie is om deze regionale woonagenda samen verder uit te werken in concrete werkafspraken. Hieronder vallen de prestatieafspraken tussen gemeenten, de provincie en het Rijk in het kader van de Nationale Woon- en Bouwagenda. Het opstellen van deze regionale woonagenda viel samen met de publicatie van de Nationale Woon- en Bouwagenda van het kabinet en het vormgeven aan het regionale bod hierop. Regionale woondeal 2022-2030 De colleges van burgemeester en wethouders, het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bevestigen in de regionale woondeal dat ze gezamenlijk alle inspanningen zullen verrichten ter uitvoering van de afspraken in deze regionale woondeal. Woningbouwopgave: van nationale naar lokale opgave 1.1 Er is een gezamenlijke opgave. Om het huidige woningtekort aan te pakken, is het noodzakelijk de komende jaren versneld meer woningen te bouwen. Met het programma Woningbouw zet de minister voor VRO nationaal in op de bouw van in totaal 900.000 woningen 17

tot en met 2030. Het streven is dat ten minste tweederde van deze nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Voor die betaalbaarheidsdoelstelling is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment nodig. Met gemeenten, provincies en Rijk bestaan afspraken over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen. 1.2 Met de provincie Gelderland zijn op basis van het provinciaal bod van 29 september 2022 afspraken gemaakt over het Gelderse aandeel in de nationale opgaven. Deze afspraken zijn ondertekend op 13 oktober 2022. Het gaat daarbij om de realisatie van totaal 100.000 woningen in de periode tot en met 2030, waarvan minimaal 60% betaalbaar inclusief minimaal 28% sociale huurwoningen. Aan deze aantallen zijn randvoorwaarden verbonden op het vlak van investeringen in bereikbaarheid, dekking van onrendabele toppen, ambtelijke capaciteit en stikstofruimte. 1.3 In deze woondeal zijn afspraken gemaakt over de bouw van 8.390 woningen. De regio Achterhoek heeft voor de lange termijn een achterliggend geambieerd doel van 11.500 woningen. De 3.110 woningen die leiden tot het geambieerde doel zullen worden ontwikkeld middels adaptieve programmering en met vergelijkbare aandelen betaalbare woningen.

Bij goede vordering van afspraken in deze deal en gebleken behoefte aan deze extra woningen in de regio zal het gesprek over het adaptieve deel gevoerd worden, onder meer tijdens de jaarlijkse gesprekken in het kader van monitoring. 1.4 In deze regionale woondeal wordt een doorvertaling naar gemeenten gemaakt van deze afspraken tussen Rijk en provincie. De gemeenten zetten zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van een opgave. Het gaat in de Achterhoek om de realisatie van in totaal 8.390 huizen, in de periode tot en met 2030 als bijdrage aan de provinciale en nationale opgave, waarvan minimaal 60% betaalbaar en inclusief minimaal 28% sociale huurwoningen. Toetsing Als gevolg van de woondeal worden tot 2030 2.470 woningen in Doetinchem gerealiseerd. Het plan voorziet in de realisatie van 4 woningen die eveneens nodig zijn voor het in stand kunnen houden van een gemeentelijk monument. Het plan voldoet qua woningaantal aan de regionale Woonagenda en de Woondeal. 3.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Doetinchem 2035 Op 26 september 2013 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Structuurvisie Doetinchem 2035 vastgesteld. Deze structuurvisie schetst een beeld van de huidige ruimtelijke situatie en gaat zowel in op de kwaliteiten als op onderdelen waar verbeteringen denkbaar zijn.

Er worden ruimtelijke kaders geschetst waarbinnen de gemeente Doetinchem de komende jaren wil werken. Daarbij gelden vier thema's, waarvan de eerste drie voor het plan van belang zijn. Dit zijn: • beherend ontwikkelen van stad en land; • kwaliteit en beleving; • economische kansen; • Doetinchem en haar omgeving. Beherend ontwikkelen van stad en land Het accent verschuift van ontwikkeling naar beheer als gevolg van de te verwachten vergrijzing van de bevolking en daling van het aantal inwoners. De focus komt te liggen op het verbeteren van 18

bestaande gebieden en functies. Wat goed is vraagt om goed beheer en behoud. Wat niet langer voldoet vraagt om aanpassing of, in het uiterste geval, om vervanging door iets anders. Denkbaar is de sloop van bebouwing en het transformeren van stukken stad naar natuur of stadspark. Kwaliteit en beleving De verschuiving van het accent naar beheer biedt kansen voor kwalitatieve ontwikkeling. Doetinchem moet aantrekkelijk zijn voor bewoners, bezoekers en bedrijven. In de structuurvisie ligt de focus op de beleving en ruimtelijke kwaliteit. De structuurvisie streeft een hoge ruimtelijke kwaliteit na. De kwaliteit zal er overal weer anders uitzien en is op verschillende manieren te realiseren. Economische kansen De gemeente Doetinchem wil aantrekkelijk blijven door bestaande kwaliteiten te versterken en nieuwe kwaliteiten aan te boren. Inzet is het behoud van werkgelegenheid en het redden van de traditioneel sterke sectoren, zoals de maakindustrie en de zorg. Daarnaast zet de gemeente in op onverwachte kansen die zich voordoen en het anticiperen daarop. De stad moet vernieuwend zijn zonder de bestaande kwaliteiten te verwaarlozen. Toetsing Het plan draagt bij aan het instandhouden van een bestaand gemeentelijk monument en voorziet in een onderzochte vraag naar wonen en recreatie die past bij de kwaliteiten van het buitengebied van Doetinchem.

Het is hiermee in overeenstemming met de Structuurvisie. Doetinchem Natuurlijk Duurzaam Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om de duurzaamheidsambities te behalen. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. Natuurinclusiviteit Het plan vaart wat betreft natuurinclusiviteit op basis van de NL Greenlabel methodiek. • Sociale verbodenheid • Biodiversiteit • Klimaatbestendigheid • Duurzaam De sociale verbondenheid is eenvoudig aan te tonen door het gemeenschappelijke karakter van het terrein. Er zijn verschillende functies aanwezig voor de verschillende gebruikers.

Denk aan de gemeenschappelijke tuin voor de bewoners welke ook een privé terras hebben. Er zijn toeristen die gebruik maken van de recreatieve verblijven. Daarnaast ook het ‘openbaar’ gemaakte wandelpad 19

voor aanwezigen in het bos. Al deze doelgroepen kunnen genieten van dezelfde prachtige plek en dat maakt de sociale verbondenheid wel heel erg strek. Een aantal voorbeelden voor een toename van biodiversiteit zijn terug te vinden in het ontwerp van het landschapspark. Op dit moment zijn er al nieuwe bomen aangeplant. Dit zijn voornamelijk vogelvriendelijke en voedsel producerende bomen zoals de wilde lijsterbes, krentenboom en sleedoorn. In plaats van het grote grasveld komt er een inheemse bloemenweide welke maar 2 keer per jaar gemaaid hoeft te worden. Een perfecte plek voor het nesten van vogels. Ook is er een plan opgezet waarbij het ZONE College uit Doetinchem een mega insectenhotel gaat bouwen voor het terrein bij het pompstation. Dit zijn initiatieven die bijdragen aan de biodiversiteit en daarmee een onderdeel van de natuurinclusiviteit. Klimaatbestendigheid is een onderwerp wat steeds actueler wordt. Wat betreft het park en de nieuwe aanplant wordt hier met grote aandacht naar gekeken. Klimaatbestendigheid voor het pompstation is in deze een interessant punt. Een groot deel van het pand bestaat uit zeer dikke betonnen wanden. Deze kunnen de energie van binnen erg goed vasthouden. Bij extremere weersomstandigheden blijft het pompstation juist langer warm in de winter en langer koel in de zomer.

Bij duurzaamheid en duurzaam bouwen is het goed isoleren om de energievraag zoveel mogelijk naar beneden te krijgen een belangrijk onderdeel. Dit plan baseert haar duurzaamheidsstrategie op het Trias Energetica model. Dit model bestaat uit 3 stappen. Stap 1. Beperk de energievraag - door te isoleren. Stap 2. Gebruik energie uit hernieuwbare (duurzame) bronnen - met zonnepanelen op het Noordelijke gebouw. Stap 3. Gebruik eindige (fossiele) energiebronnen efficiënt - het gas verbruik haalbaar reduceren. Toetsing Voor het bouwplan dat voor het plan wordt overlegd gelden de eisen uit het Bouwbesluit. In de bestaande bebouwing is een gasaansluiting aanwezig. Initiatiefnemer zal desondanks inzetten op het verwarmen middels warmtepomp. Daarbij wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen en is in het ontwerp voor energieopwekking gebruik gemaakt van zonnepanelen. Groenstructuurplan Doetinchem 2017 Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035 waarin ook het Inrichtingsplan Oude IJssel is opgenomen. De belangrijkste doelen van het plan zijn: • • • • •

vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren; verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete planen en acties; handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

20

Toetsing Het plan gaat uit van het behoud van alle aanwezige houtopstanden. Hiermee tast het de onderscheiden waarden uit het Groenstructuurplan niet aan. Bomenbeleid en Bomenverordening De bescherming, de herplant en het kappen van bomen is geregeld in de gemeentelijke bomenverordening. De beleidsregels voor toepassing van deze regelgeving zijn opgenomen in de Bomenverordening 2015. Deze verordening bevat regels ten aanzien van de beoordeling kapaanvragen en belangenafweging, bijzondere bomen en de duurzame instandhouding en bescherming van bomen. Het bomenbeleid is in essentie gericht op het behoud van (toekomstig) waardevolle bomen en boomstructuren. Bomen dragen in belangrijke mate bij aan de structuur, identiteit, belevingswaarde, ecologische waarde en gebruikswaarde van de (woon)omgeving en worden dan ook beschouwd als de belangrijkste groenelementen in de stedelijke omgeving. Hierbij geldt dat naarmate bomen ouder zijn de waarde voor de omgeving toeneemt. Om deze reden is het van belang in de bestaande situatie en bij nieuwe ontwikkelingen met zorg om te gaan met aspecten van beheer en inrichting van de boom en zijn groeiplaats. Toetsing Het plan gaat uit van het behoud van alle aanwezige houtopstanden. Er is geen sprake van herplantplicht.

Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017 – 2020 Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-2020' en de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. De gemeente biedt voor haar eigen inwoners en bezoekers een aantrekkelijke binnenstad waarbij bereikbaarheid en parkeren belangrijke pijlers zijn. Het parkeren biedt in en rond de binnenstad van Doetinchem ondersteuning aan de daar aanwezige functies (zoals: wonen, winkelen, werken en recreëren). De parkeervisie is voor zover relevant voor het plan opgedeeld in het volgende: • parkeerlocatie en kwaliteit: alle openbare parkeerplaatsen moeten sociaal veilig, beschikbaar, vindbaar en te financieren zijn; • doelgroep gericht: per locatie hebben specifieke parkeerdersgroepen prioriteit. • binnenstad - personeel en publiek; • exploiteerbaarheid: de parkeerexploitatie dient te voldoen aan de financiële taakstelling. Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen voor te schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag. Dat aantal voorkomt dat door de aanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat. Ook voorkomt het toepassen van de normen dat er teveel plaatsen komen, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed.

De nota wil ook de toepassing van de normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken. Toetsing In de bestaande situatie is de bestemming bedrijf bereikbaar via de Hulleweg. Dit is een overwegend onverharde weg die in eigendom is van- en in beheer is bij de gemeente Doetinchem. De gemeente heeft zelf geen plannen deze te verharden. Het plangebied is hierop met een eigen ontsluiting aangesloten. Parkeren gebeurt in het plangebied. Voor het plan gebeurt parkeren achter de woningen. 21

Verkeersgeneratie Het te realiseren voornemen brengt een bepaald aantal verkeersbewegingen met zich mee. Om het aantal verkeersbewegingen te bepalen is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van CROW. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: • Verstedelijkingsgraad: matig stedelijk / gemeente Doetinchem (Bron: CBS Statline) • Stedelijke zone: buitengebied In de CROW publicatie is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet met een minimum en een maximaal aantal verkeersbewegingen. In voorliggend geval is uitgegaan van het gemiddeld aantal verkeersbewegingen. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld:

De totale verkeersgeneratie voor de te realiseren woningen komt neer op 40 verkeersbewegingen per etmaal. Naast de hiervoor genoemde verkeersbewegingen is er tevens sprake van het vervoer van goederen en diensten. Omdat onbekend is hoeveel vrachtwagens voor de recreatieverblijven aan- en afrijden, zijn deze gerekend als woning. Voor woningen geldt dat per etmaal 0,02 vrachtbewegingen (tabel A6, CROW) het projectgebied bereiken en verlaten. In totaal zijn dit 0,12 bewegingen per etmaal. Voor de verkeersafwikkeling kan net als in de bestaande situatie goed gebruik blijven worden gemaakt van de bestaande infrastructuur op en om het plangebied die in eigendom en beheer is van de gemeente Doetinchem. Deze is voldoende gedimensioneerd en voldoende overzichtelijk voor de afwikkeling van verkeer per auto en fiets en mensen die zich te voet voort verplaatsen. Parkeernorm De parkeernorm voor rijwoningen in het buitengebied is 2 parkeerplekken per woning. Voor de zes recreatieverblijven geldt dat deze telkens door hooguit 1 bezoeker per auto wordt bezocht. Dit levert een parkeervraag op van 14 hele parkeerplekken. Het plan voorziet in 21 parkeerplaatsen en voldoet hiermee aan de parkeernorm. Continuïteit in Karakter, Cultuurhistorie Doetinchem Op 21 september 2017 heeft de gemeenteraad de nieuwe nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' vastgesteld.

In de nota is aandacht voor het verhaal van Doetinchem en het zichtbaar maken van cultuurhistorie in de openbare ruimte. Mede hierdoor wordt de kennis over en waardering voor cultuurhistorie vergroot, en kan cultuurhistorie als inspiratiebron dienen bij ruimtelijke planvorming. De nota kent een brede insteek en beschrijft ambities op een aantal maatschappelijke thema's. Daarnaast beschrijft de nota ook de beleidskaders en de manier waarop cultuurhistorie in de ruimtelijke planvorming geborgd wordt. Hiervoor zijn vijf belangrijke thema's onderscheiden, dit zijn: • krimp, leegstand en herbestemmen; • duurzaamheid en innovatie; 22

• • •

instandhouding; kennis vergroting en uitwisseling; leefomgeving en participatie.

1. Krimp, leegstand en herbestemmen Bij leegstand van monumenten is herbestemming het uitgangspunt. Bij andere gebouwen met een cultuurhistorische waardeis de keuze of herbestemming of (gedeeltelijke) sloop. Naast cultuurhistorische waarde wordt het oordeel ook gebaseerd op de omgevingswaarde, de maatschappelijke waarde en de bouwtechnische waarde van het leegstaande gebouw. 2. Duurzaamheid en innovatie In 2030 wil Doetinchem energieneutraal zijn. Bij erfgoed wordt energiebesparing en het gebruik van alternatieve energiebronnen met rekening houdend met de cultuurhistorische waarde van de gebouwen gestimuleerd. De gemeente Doetinchem werkt aan een actueel overzicht van mogelijkheden voor eigenaren van historische gebouwen. 3. Instandhouding Het is de ambitie waardevol cultuurhistorisch erfgoed blijvend te beschermen, in stand te houden en verval te voorkomen. De gemeente monitort actief de bouwkundige staat van monumenten en handhaaft de monumentensubsidieverordening. 4. Kennis vergroting en uitwisseling De gemeente streeft er naar de aanwezige kennis over de cultuurhistorie van Doetinchem te vergroten, te delen en inzichtelijk te maken voor een groot publiek. Hiervoor wordt onderzoek gedaan naar cultuurhistorische waarden, waarbij in het bijzonder ook het funerair erfgoed (begraafplaatsen en kerkhoven) wordt genoemd.

Ook wordt nader onderzoek gedaan naar potentiële monumenten en wordt de monumentenlijst geactualiseerd. De gemeente blijft actief in gesprek met in- en externe deskundigen, en onderzoekt de wenselijkheid van een cultuurhistorische waardenkaart voor haar inwoners. 5. Leefomgeving en participatie De gemeente wil cultuurhistorie zo goed mogelijk zichtbaar en beleefbaar maken voor haar inwoners om op deze manier het besef en de waardering voor cultuurhistorie te vergroten. Particulier initiatief wordt gestimuleerd en de gemeente levert jaarlijks een bijdrage aan de Open Monumentendag. Het plan betreft het hergebruik van een voormalig pompgebouw en het bestemmen van de vervallen bedrijfswoning tot woning. Het pompgebouw is gemeentelijk monument. Door hier wonen en recreatieverblijven toe te staan, kan het gemeentelijk monument in stand blijven. Het plan sluit hiermee aan op thema 1. uit de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' en is ook voor het overige niet in strijd met de thema’s uit deze nota. Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). In het plangebied is het voormalig pompgebouw aangewezen als gemeentelijk monument.

Voor het gebouw en het voormalig transformatorhuisje zal de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' op de verbeelding van het bestemmingsplan worden opgenomen. Aan deze aanduiding 23

wordt een sloopvergunningstelsel gekoppeld. Dit houdt in dat zonder vergunning van de gemeente geen sloopwerkzaamheden mogen plaatsvinden. De voornaamste doelen van de sloopvergunning zijn bescherming tegen ernstige aantasting en voorkomen van sloop van de cultuurhistorisch waardevolle panden. Een sloopvergunning is geen sloopverbod. Er kunnen redenen zijn dat er toch tot geheel of gedeeltelijk sloop moet worden overgegaan. In dat geval moet die eventuele sloop in goede orde gebeuren met behoud van de cultuurhistorische waarden. Een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige zal bij een aanvraag om een sloopvergunning eerst nagaan of de gewenste aanpassing aan het pand geen afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde. Met het beschermingsregime en een regeling voor toegestaan gebruik worden de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan voldoende beschermd. 3.5 Conclusie Het plan is in overeenstemming met het beleid van Rijk, Provincie Gelderland en de gemeente Doetinchem

24

4

HAALBAARHEID

4.1

Bodem

Algemeen In het kader van een ruimtelijke onderbouwingprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. Toetsing Door Econsultancy is op 22 september 2021 een actualiserend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd dat als bijlage bij deze onderbouwing is gevoegd. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: • •

•

In de bodem zijn ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond. Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor nader onderzoek. In 2016 is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd (Antea group, 23 december 2016, plan- nummer 245683.36). Hierbij is zowel visueel, als analytisch geen asbest waargenomen, dan wel aangetoond. Opgemerkt dient te worden dat de asbestinspectiegaten destijds zijn uitgevoerd buiten de puinpaden en toegangsweg. De resultaten van dit onderzoek worden derhalve niet als representatief beschouwd voor de kwaliteit van de puinpaden en puinfundatie onder de toegangsweg. Deze puinlagen worden derhalve als asbestverdacht aangemerkt. Aanbevolen wordt een verkennend onderzoek asbest in puin uit te voeren conform NEN 5897 om vast te stellen of de verdenking van een verontreiniging met asbest in puin terecht is. Ten zuidwesten van de onderzoekslocatie bevindt zich een grondwaterverontreiniging met VOCl (chloorkoolwaterstoffen), afkomstig van de locatie Rijksweg 58 Gaanderen. Door (voormalige) grondwateronttrekking heeft de pluim zich richting de onderzoekslocatie verplaatst. Er zijn diverse onderzoeken uitgevoerd en er is een saneringsplan opgesteld (Monitoringsplan grondwaterkwaliteit waterwinning De Pol Doetinchem, Sweco, 14-11-2017, referentienummer: SWNL0216035).

De saneringsdoelstelling betreft het aantonen van een stabiele eindsituatie middels grondwatermonitoring. Dat betekent dat de sterke verontreiniging in het grondwater na saneren niet meer in omvang toeneemt. De grondwatervlek kan zich wel verplaatsen, maar leidt op de locatie en bij verdere verplaatsing niet tot risico's (er worden geen kwetsbare objecten bereikt). Controle van de verontreiniging is na saneren niet meer nodig (passieve nazorg). De provincie heeft ingestemd met het saneringsplan (Besluit instemming saneringsplan van Gedeputeerde Staten van Gelderland: 9 april 2018, zaaknummer 2018- 000114, GE022200105). In het Besluit is de volgende passage opgenomen: "De waterwinning De Pol heeft op dit moment de status 'Niet Operationele Reserve'. Mocht in de toekomst de winning weer op operationeel worden gesteld zal, in overleg met het bevoegd gezag, worden bepaald welke extra maatregelen eventueel noodzakelijk zijn". Ter beoordeling van de effecten van de grondwaterverontreiniging als gevolg van het stoppen van de grondwateronttrekking is, conform het bovengenoemde beschikte saneringsplan, een periodieke grondwatermonitoring uitgevoerd. De resultaten van de 25

meest recente monitoringsronde zijn beschreven en beoordeeld in het rapport 'Notitie monitoring grondwaterverontreiniging De Pol Doetinchem' (Sweco Nederland B.V., SWNL0242397, d.d. 16-04-2019). Hieruit blijkt dat over het algemeen sprake is van een verbeterende kwaliteit van het grondwater. De kwaliteit in de benedenstroomse peilbuizen is stabiel. In onderstaande figuur is de verontreinigingssituatie weergegeven. De VOClpluim zal zich naar verwachting in westelijke richting verspreiden (stroomafwaarts van onderzoekslocatie). Door Rouwmaat is op 6 juli 2022 een verkennend Asbest in bodemonderzoek uitgevoerd (rapport MT-220169) dat als bijlage bij deze onderbouwing is gevoegd. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: ▪ Bij het asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als in de fijne fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. ▪ De hypothese voor het asbestonderzoek “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd” wordt verworpen. Nader asbestonderzoek is niet noodzakelijk aangezien het gewogen gehalte aan asbest kleiner is dan de helft van de interventiewaarde (100 mg/kg). Het is hierdoor statistisch aannemelijk dat de interventiewaarde bij een nader onderzoekstraject niet zal worden overschreden.

Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt. Conclusie Het aspect bodem vormt wanneer bij uitvoering rekening wordt gehouden met het hiervoor gestelde, geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.2 Geluid Algemeen De mate waarin het geluid nieuwe bestemmingen mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In de ruimtelijke onderbouwing moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting.

Toetsing De nieuwe woningen liggen aan de onverharde Hulleweg en de onverharde Woudlaan. De verkeersintensiteit op de onverharde wegen is dusdanig laag dat bij de woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. 26

De afstand tot de Gaanderenseweg en tot de spoorlijn is dusdanig groot dat de nieuwe woningen buiten de zone van 250 meter tot verkeerswegen respectievelijk 100 meter tot spoorwegen liggen Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voor wat betreft geluid zondermeer uitvoerbaar is. 4.3 Trilling Van railverkeer kunnen trillingen uitgaan die invloed hebben op het woon- en leefklimaat in woningen. De onderzoekzone voor spoor is 100 meter. De spoorlijn ligt op een afstand van circa 200 meter vanaf het plangebied. Het plan ligt verder dan 100 meter van het spoor. Plan ligt wel binnen 250 meter van spoor, maar klachten, bodemopbouw of treinbeeld geven geen aanleiding tot nader onderzoek trillingshinder. Het aspect trillingen is niet relevant voor het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voor wat betreft trillingen zondermeer uitvoerbaar is. 4.4

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen Hinderveroorzakende functies in het plangebied Binnen het plangebied worden geen hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Vanuit milieuoogpunt kan een bepaalde afstand tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelig object noodzakelijk zijn. Deze afstand wordt een milieuzonering genoemd. Een milieuzonering vormt het indirecte ruimtegebruik van een milieubelastende activiteit. Milieuzoneringen zijn wederkerig. Dit betekent dat bij de beoordeling van een vergunning een vrije afstand moet worden aangehouden. Deze afstand is dan dezelfde afstand die van toepassing is wanneer objecten, zoals woningbouw, in de directe nabijheid worden geplaneerd. Ook in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn verschillende normen en richtafstanden voor zoneringen opgenomen. Op grond van diverse normstellingen valt het indirect ruimtegebruik van milieubelastende activiteiten af te leiden. Milieuzoneringen kunnen direct vastgelegd worden in bestemmingsplannen. In bestemmingsplannen kunnen ook meer globale zoneringen worden opgenomen welke gekoppeld zijn aan een ‘staat van bedrijfsactiviteiten’. Met deze globale zonering kunnen naar gelang de afstand tot gevoelige objecten toeneemt, activiteiten met een hogere/zwaardere ‘hindercategorie’ worden toegelaten.

De afstand, die voor die activiteiten moeten worden aangehouden, staat omschreven in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. De VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) (hierna: VNG-brochure) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. De VNG-brochure is geen wet in formele zin, maar een gangbare manier om milieuzonering toe te passen. In de VNG-brochure worden per bedrijfssoort en per milieuaspect indicatieve afstanden gegeven (hierna: VNG-afstanden) tot gevoelige objecten. Indien aan de VNG-afstand wordt voldaan, kan gesteld worden dat hinder niet te verwachten is. 27

De VNG-brochure bevat specifieke regelingen voor "gemengde gebieden". Dit zijn gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Hier worden verschillende functies, zoals wonen, winkels, horeca en kleine bedrijven, met elkaar gemengd. Voor deze gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht. Voor de toepassing van de afstanden is daarom van belang te bepalen onder welk gebiedstype het plangebied valt. De planlocatie bevindt zich in het buitengebied bestaande uit de functies wonen, bedrijf, bos, horeca, agrarisch met waarden, verkeer, water. Daarmee is het gebied op basis van de VNG-publicatie aan te merken als ‘gemengd gebied’. In tabel 1 zijn de richtafstanden opgenomen die gelden ten opzichte van het omgevingstype rustig woongebied en gemengd gebied. Omdat het gebied is aan te merken als gemengd gebied kunnen de richtafstanden, zoals uit de tabel valt af te lezen, met 1 stap worden verlaagd. In de regels van de vigerende Beheersverordening Landelijk Gebied 2020, reparatie 2022 is aangegeven dat de bestemming bedrijf bedoeld is voor categorie 1 en 2 bedrijven en voor nutsvoorzieningen. Nutsvoorzieningen zijn daarmee toegestaan zolang dit categorie 1 en 2 bedrijven betreft. In het algemeen zijn dit bedrijven die zich goed verhouden tot een woonomgeving.

Overzicht bedrijfscategorieën en grootste afstand Het plangebied beslaat een deel van deze bestemming Bedrijf met aanduiding ‘nutsvoorziening’. Vanwege de nabijheid van de spoorlijn, de Gaanderenseweg en de bestemmingen Bedrijf en Bos, is de omgeving aan te merken als ‘gemengd gebied’ waarmee de bovengenoemde richtafstanden met een stap mogen worden verlaagd tot 10 meter. De planologische verandering bestaat voor een deel uit het toestaan van wonen binnen de bestemming Bedrijf met de aanduiding nutsvoorziening. De afstand van de gevel van de woningen in het plangebied, dat de bestemming wonen krijgt, tot aan de eigendomsgrens bedraagt tenminste 14 meter. Het huidig gebruik van de bestemming geeft naar aard en omvang geen aanleiding te veronderstellen dat deze bedrijfsactiviteit een grotere hindercontour heeft dan die voor de hiervoor gegeven richtafstanden geldt. Eigenaar van deze gronden heeft verder bevestigd dat hij geen plannen heeft om op kortere afstand tot de woningen gebruik te maken van eventuele rechten die voortvloeien uit de geldende beheersverordening. Hiermee kan aantasting van het woon- en leefklimaat als gevolg van de bestemde bedrijfsactiviteiten binnen deze bestemming worden uitgesloten. Op het perceel is nu een opjager aanwezig op Hulleweg 7a.

De opjager met bouwjaar 2019 heeft als functie om door middel van pompen het water afkomstig van pompstation Zeddam verder op te pompen naar Doetinchem en omgeving. De nabijgelegen opjager is voor het aspect geluid 28

vergelijkbaar zijn met een rioolgemaal (SBI-2008: 381-A). Een rioolgemaal heeft een richtafstand van 10 meter. Daar wordt met het plan (ruim) aan voldaan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied. 4.5

Geur

Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geplaneerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing Het plan betreft het realiseren van vier woningen. Dit is een geurgevoelig object. Binnen een afstand van meer dan 170 meter ten zuiden van het plangebied is aan de Gaanderensweg een agrarisch bedrijf gesitueerd. Hiermee wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 50 meter tussen veehouderij en de nieuwe woningen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied. 4.6

Luchtkwaliteit

Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere 29

lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 øg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7964/documents/46033