CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 03_B1_Toelichting_Ruimtelijke onderbouwing Hulleweg 5 en 7.pdf

gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7.9: Bestemmingsplan Hulleweg 5 en 7 - 202312.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing Voorliggend initiatief maakt de bouw van vier woningen en zes recreatieverblijven mogelijk. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan van deze omvang niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.7 Stikstof Door BJZ is in april 2023 een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd welke als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing zijn gevoegd.

Doel van het onderzoek (referentie: “Aerius berekening Hulleweg 5, Doetinchem” 13 april 2023) is de eventuele negatieve effecten van het plan op Natura 2000- gebieden in kaart te brengen. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van toename van stikstofdepositie. Het onderzoek naar de gebruiksfase alsmede een beschouwing hierop zijn als bijlage bij de onderbouwing opgenomen. Conclusie Het aspect stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

30

4.8

Externe veiligheid

Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Op basis van beoordeling aan de atlasleefomgeving kan worden vastgesteld dat het plangebied niet binnen de invloed van een risicocontour ligt.

Figuur: plangebied op atlasleefomgeving Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb.

250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt 31

aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. Toetsing Transport over water Het plangebied bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van transport over water vormen geen aandachtspunt voor de planvorming. Transport over de weg Voor het plangebied is de rijksweg A18 relevant. Deze ligt op een afstand van 2.200 meter meter van het plangebied. Deze weg is opgenomen in het Basisnet. Gezien de ruimtelijke scheiding is het plaatsgebonden risico van deze weg geen aandachtspunt voor planvorming. Transport over spoor Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een spoorlijn waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Risico’s als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen dienen daarom niet te worden overwogen. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% lethaliteitsafstand van een buisleiding. Op een afstand van 140 meter ligt de aardgasleiding van de Gasunie. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen op deze afstand geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Inrichting Het plangebied bevindt zicht niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving.

Er zijn binnen een afstand van 500 meter geen LPG vulpunten aanwezig. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.9

Water

Beleid Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Het waterbeheerprogramma van waterschap Rijn en IJssel geeft richting aan de plannen van het waterschap tot en met 2027. 32

Toetsing Het Waterbeheerprogramma kent een regeling voor de nabijgelegen Oude IJssel. Deze zien niet toe op het plangebied. Het plangebied is voor het overige ook niet geregeld in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 Watertoetstabel Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als erop een categorie 2 vraag een 'ja' is geantwoord, is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een 'ja' geantwoord, dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met 'nee' is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema's voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toetsvraag met 'ja' is beantwoord).

Thema Veiligheid

Riolering en Afvalwaterketen

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Toetsvraag

Relevant Intensiteit

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?

Nee

2

Nee

2

Nee Nee

2 1

Nee

1

Nee

2

Nee

1

Ja

1

Ja

1

Nee

1

Nee Nee

1 1

1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of

33

andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage?

Nee Nee

1 1

Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Ja

1

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? Nee 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? Nee

Volksgezondheid

Natte natuur

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000gebied?

1 2

Ja

1

Nee

1

Nee

2

Nee

2

Nee

1

Nee

1

Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?

Nee

1

Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Nee

2

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Ja

1

Cultuurhistorie

Algemeen In de huidige situatie is het plangebied planologisch beschouwd grotendeels bebouwd. Het plan maakt onderdeel uit van een plan waarin een parkachtige omgeving verder wordt ontwikkeld. Het beleid van de gemeente Doetinchem is erop gericht dat hemelwater zoveel mogelijk op eigen terrein wordt verwerkt. Dit heeft veel voordelen: • Het plaatselijk infiltreren van regenwater voorkomt verdere verdroging; • piekafvoeren en lozingen van water op oppervlaktewater nemen niet toe, omdat er geen of minder nieuw verharde oppervlakken worden aangesloten op de riolering; • lokale gevolgen van klimaatverandering zijn kleiner. Hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing in de vorm van bergingen en van de verharding wordt vanuit het plangebied afgevoerd. Daarbij wordt het uitgangspunt gehanteerd dat een bui T=10 +10% (40 mm) geborgen moet kunnen worden. Om de waterkwaliteit op peil te houden, zal bij de bouw uitsluitend duurzame (niet-uitlogende) materialen worden toegepast.

34

Overleg Waterschap Rijn en IJssel Op 24 maart en op 22 mei 2023 is de digitale watertoets uitgevoerd. Deze is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Hieruit volgt dat de normale procedure kan worden gevoerd. De gegeven adviezen zijn op de volgende manier verwerkt. De toename in verharding bedraagt 307,8 m2. Een overzicht van verharding en de maatregelen is in de bijlage toegevoegd. Hierop is de toename aan verharding opgenomen welke wordt gecompenseerd en naar het aanliggende bosgebied afvloeit via het reeds aanwezige stelsel voor hemelwater. Het parkeerterrein wordt in dit geval voorzien van enkele straatkolken die middels IT riool verbonden worden met de hemelwaterafvoer naar het bos. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.10

Cultuurhistorie en archeologie

Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Op basis van het geldende bestemmingsplan Parapluherziening Archeologie geldt voor het plangebied de Waarde Archeologische verwachting-3. Op basis hiervan moet bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 en met een bodemverstoring dieper dan 0,4 m een rapport worden overlegd, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Waar het plan uitgaat van realisatie binnen bestaande bebouwing, is deze regeling niet relevant voor het plan. Verder wordt de volgende bouwwerken toegevoegd: • een berging van 52,0 m2 • een locatie voor huisvuil met een oppervlakte van 4,0 m2 De oppervlakte van deze ingrepen bedraagt 56 m2 en is daarmee minder dan 250 m2.

Conclusie Het plan is voor wat betreft archeologie uitvoerbaar. Cultuurhistorie Door de wijziging van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke onderbouwingen. Om die reden is een korte analyse verricht van de ontstaansgeschiedenis en de mogelijk aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied. Op bladzijde 22 is ingegaan op de Erfgoedverordening 2013 van de gemeente Doetinchem. Toetsing 35

Het plan wordt gerealiseerd in voormalig waterpompstation De Pol in Doetinchem en dit is op 3 november 2015 aangewezen als een gemeentelijk monument. Werkzaamheden aan monumenten zijn vergunningsplichtig. Kort voor de Tweede Wereldoorlog is het waterpompstation aan de Hulleweg gebouwd. In 1963 is het gebouw uitgebreid en zijn er andere onderdelen bijgekomen. Zowel het interieur als het exterieur van De Pol zijn aangewezen als gemeentelijk monument, alsook het trafohuisje en de toegangspartij bij de ingang. Het is verboden een monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd gezag. De betekenis hiervan is dat het bouwplan waarvoor en omgevingsvergunning wordt aangevraagd op de monumentale waarden wordt beoordeeld. De Commissie Welstand en Monumenten heeft op 17 juni 2022 advies uitgebracht over het plan. De commissie is positief en heeft de volgende voorwaarden meegegeven, welke in cursief van een beoordeling wordt voorzien: -

-

-

Zorgvuldige inpassing van de te nemen duurzaamheidsmaatregelen is van belang. Zeker ook voor het behoud van het industriële karakter van het interieur. Het plan vindt geheel inpandig plaats. De bouwkundige structuur, de kozijnen, waterbuizen en een aantal generatoren worden opgenomen in het ontwerp. De zonnepanelen worden op een nader te bepalen wijze en plek geplaatst binnen de bestaande structuur van het dak. Dit betekent dat het dakvlak en de dakhelling niet worden veranderd. Het industriële karkater van het monument wordt hiermee geheel gerespecteerd. Geadviseerd wordt om de structuur van de plattegrond meer herkenbaar te houden door te werken volgens het ‘gat-in-de-wand’ principe. Dit principe gaat er vanuit dat oude structuren van de plattegrond herkenbaar blijven. Het plan houdt kolommen en leggers (de horizontale en verticale elementen als vloeren en ruimtescheidingen) zoveel mogelijk in het zicht. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan het advies. Voor wat betreft de terreininrichting wordt opgemerkt dat zeker direct rondom het gebouw sprake is van teveel landschappelijke aanleg. Geadviseerd wordt om hier meer uit te gaan van het industriële karakter van het monument. De landschappelijke aankleding rondom het gebouw is hierop aangepast.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect cultuurhistorie rekening houdend met het voorgaande geen belemmeringen hoeven bestaan ten aanzien van het plan. Een definitieve beoordeling waarin o.a. eventueel gevelopeningen worden opgenomen vindt plaats bij beoordeling van de aanvraag voor omgevingsvergunning. Dit kan mogelijk nog tot (ondergeschikte) wijzigingen leiden in het ontwerp. 4.11 Flora en fauna Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. Toetsing EcoTierra- ecologisch adviesbureau heeft een quickscan flora-fauna uitgevoerd. Hieruit volgt dat nader onderzoek moet worden uitgevoerd waarbij het voorgeschreven protocol voor de betreffende soort/soorten in acht moet worden genomen. Voorafgaand aan de werkzaamheden, ter borging van de mitigatie, moet een ecologisch werkprotocol (EWP) worden opgesteld en goedgekeurd. In dit EWP worden ook de conclusies uit het lopende natuuronderzoek meegewogen, wanneer deze relevant blijken te zijn voor de uitvoering. 36

Dit onderzoek kan lopende de procedure voor omgevingsvergunning worden uitgevoerd. Over haalbaarheid van het plan voor wat betreft flora en fauna geeft EcoTierra in notitie d.d. 20 februari 2023 het volgende aan: In het kader van de voorliggende Wro-procedure ter vaststelling van het bestemmingsplan is de ecologische uitvoerbaarheid van dit plan getoetst. Als eerste is een inventarisatie van natuurwaarden in de vorm van een quickscan Flora & Fauna uitgevoerd met als doel om na te gaan of toestemmingen op grond van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk zijn. Uit de quickscan is naar voren gekomen dat er voor vleermuizen en gierzwaluwen een nader onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit nader onderzoek is gestart in augustus 2022 en wordt afgerond in juli 2023. In zowel de quickscan als in het nader onderzoek zijn er reeds vleermuisverblijven aangetoond. Op één van de zolders zijn twee gewone grootoorvleermuizen aangetoond en in het paarverblijfonderzoek zijn twee uitvliegende en baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Het gierzwaluwonderzoek wordt uitgevoerd in de periode 15 mei tot en met 15 juli.

Aangezien het aannemelijk moet zijn dat een vergunning of ontheffing van de bij of krachtens de Wnb geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt heeft er een overleg met de initiatiefnemer en de gemeente Doetinchem plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit overleg heeft de initiatiefnemer besloten om de zolders waar de vleermuizen (en sporen) zijn aangetroffen uit de planontwikkeling te halen en te behouden (en eventueel in te richten) voor de aanwezige vleermuizen. Aan EcoTierra – ecologisch adviesbureau de vraag wat de verwachting is betreft de uitvoerbaarheid/ haalbaarheid van het plan ten aanzien van het nog lopende ecologische onderzoek. EcoTierra verwacht dat met het behoud van deze zolders de huidige vleermuisverblijven en eventueel negatieve effecten (zoals verandering van invliegplekken, lichte verandering microklimaat en dergelijke) op deze plekken voldoende kunnen worden gemitigeerd. Daarnaast is de verwachting dat ook een belangrijke functie als kraamverblijf van de genoemde soorten kan worden behouden door de beschikbare ruimtes te behouden, eventueel met mitigerende maatregelen. Mocht er een grotere vleermuisfunctie in het na te isoleren dak aanwezig zijn kan hier, door bijvoorbeeld een aanpassing in de wijze van isoleren, ook voldoende gemitigeerd worden.

Op basis van de quickscan en de potentie van de opstal wordt een grote kolonie gierzwaluwen niet verwacht. Indien er gierzwaluwnesten worden aangetroffen kunnen ook deze voldoende ingepast/ gemitigeerd worden. Hier zijn diverse bewezen maatregelen van bekend. Op een dergelijke locatie bestaat er altijd een geringe kans dat er een zeldzame vleermuissoort wordt aangetroffen (bijvoorbeeld een kraamkolonie meervleermuis op een aan te pakken locatie). Dan kan het zijn dat mitigatie zeer lastig kan worden. Er kan dan altijd voor gekozen worden die locatie volledig te ontzien. Wij achten de kans echter klein dat een dergelijk geval zich voordoet. De gemaakte stap om twee zolders buiten het plan te houden lijkt ons voldoende om de verwachting uit te spreken dat er geen onoverkomelijke problemen zijn wat betreft de uitvoerbaarheid van het plan en de daarmee samenhangende bestemmingsplanwijziging. Ook wordt verwacht dat een ontheffing Wnb bij de provincie kansrijk is. In onze ogen dient wel geborgd te worden dat de zolders nu en in de toekomst niet fysiek of indirect zullen worden aangetast en dat deze derhalve voor vleermuizen beschikbaar blijven. Conclusie

37

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het opstarten van de procedure met ter inzageleggen van het ontwerpbesluit. Hierin kunnen voorwaarden voor uitkomst van onderzoek worden opgenomen. 4.12 Besluit m.e.r. Op 1 april 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in werking getreden. Eén van de wijzigingen in dit Besluit is dat voor elk plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten) van het Besluit m.e.r., ook als de genoemde indicatieve drempelwaarden niet worden overschreden, het bevoegd gezag dient te beoordelen of er een m.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Dit besluit dient expliciet te zijn genomen voordat de ruimtelijke onderbouwingprocedure wordt voortgezet. In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsplan, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of wanneer het een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen betreft.

Het planvoornemen ligt ruim onder de plandrempels waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.- beoordelingsprocedure noodzakelijk is. Het initiatief betreft de realisering van vier woningen en zes recreatieverblijven in een bestaand bedrijfsgebouw waarvan het gebruik is beëindigd. Dit betekent dus dat de bovengenoemde (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. niet overschreden worden, waardoor kan worden volstaan met het uitvoeren een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. In het kader van voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft een beoordeling aan verschillende ruimtelijke thema’s plaatsgevonden en hieruit blijkt dat het plan slechts beperkte milieueffecten heeft. Het bevoegd gezag kan op basis hiervan worden voorgesteld om te besluiten dat een verdere m.e.r.-procedure niet aan de orde is.

38

5

ECONOMISCHE- EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

5.1 Economische uitvoerbaarheid In artikel 6.12 van de Wro is opgenomen dat een gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Uitzondering daarop vormt de situatie waarin het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd. De gronden die het plangebied vormen komen in eigendom bij initiatiefnemer. De kosten voor de planontwikkeling zijn voor rekening van initiatiefnemer. Met hem wordt een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten. Initiatiefnemer is in staat het plan te realiseren. Voor het plan bestaat voor de gemeente Doetinchem geen risico. Er is geen noodzaak een exploitatieplan vast te stellen. 5.2 Omgevingsdialoog Initiatiefnemers heeft aanliggende grondeigenaren en gebruikers van zijn plannen op de hoogte gebracht. Hiertoe behoort ook de voormalig grondeigenaar Vitens die nog eigenaar is van noordelijk gelegen gronden waarop een bedrijfsbestemming rust. Vitens heeft aangegeven voor deze gronden geen plannen te hebben die beperkt zouden kunnen worden door het plan en waar vanuit (andersom) geen beperking volgt voor het wonen als beoogd met dit plan. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Het ontwerp besluit ligt gedurende zes weken voor eenieder ter inzage. Hierna wordt het bevoegd gezag in de gelegenheid gesteld een beslissing te nemen op de aanvraag.

39

Bijlagen 1. Actualiserend verkennend bodemonderzoek Hulleweg 3, 5, 7 2. Doetinchem, Hulleweg 5 Asbestinventarisatierapport 3. Aerius-berekening Hulleweg 5 Doetinchem 4. Rapport Quickscan flora en fauna Doetinchem V4.0 5. Ecotierra Notitie uitvoerbaarheid Wnb V2.0 6. Watertoets 7. B&W besluit compleet (aanwijzing gemeentelijk monument) 8. Buurtparticipatie en omgevingsdialoog 9. InrichtingsplanLandschapspark Op de Pol-VO7 10. InrichtingsplanLandschapspark Op de Pol-VO7 (Detail parkeren) 11. Pompstation 2023 REVISIE 02-02 PLANARCHITECT 12. Advies welstand 13. 25-01-2023 Landschapspark Op de Pol-VO-7--HWA compensatie-A3L

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/7971/documents/46257