CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 01_16_Bijlagen toelichting_Bijlage 10 Quick scan natuur .pdf

beeldvormende raad 13 maart 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 2: Bestemmingsplan Vulcaanstraat 1-3 - 202311.358 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quick scan natuur

Gaanderen, Vulcaanstraat 1-3

T2-groep

Datum: 23 mei 2023 Projectnummer: 220287

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

7

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

7 8 8

3

Onderzoeksmethode

10

3.1 3.2 3.3

Deskundigheid Definitie product Werkwijze

10 10 10

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

12

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

12 13 27

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

28

5.1 5.2 5.3

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

28 28 33

6

Conclusie

34

6.1 6.2 6.3 6.4

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden Vervolgstappen

34 34 35 35

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op de percelen aan de Vulcaanstraat 1-3 in Gaanderen bevindt zich het oude postkantoor en een woning. De twee panden staan leeg en het voornemen is om hier 22 appartementen te realiseren. Deze ontwikkeling past niet binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in de kern van Gaanderen (gemeente Doetinchem, provincie Gelderland). In de omgeving van Gaanderen liggen voornamelijk agrarische gronden. Daarnaast zijn ook kleine bossen, de Oude IJssel en de snelweg A18 in de omgeving aanwezig. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en winkels. De westzijde van het plangebied grenst aan de Vulcaanstraat en de woningen van Vulcaanstraat 5 en 7. De zuidzijde grenst aan de Leuverinkstraat en de woningen Leuverinkstraat 3, 3a, 3b en 3c. De oostzijde grenst aan verschillende percelen en de noordzijde grenst aan de Rijksweg. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Luchtfoto met de ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Op 28 februari 2023 is een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een voormalig postkantoor. Dit gedeelte bestaat uit één bouwlaag, opgetrokken uit baksteen, met een plat dak. Hieraan grenzend staat een woning, met een zadeldak. De bebouwing oogt vervallen. Deze staat al meerdere jaren leeg. De rest van het plangebied bestaat uit buitenruimte met enkele bomen, struiken, (verruigd) struweel en lang en kort gemaaid gras. Ook is straatverharding en een fundering aanwezig van een reeds gesloopt gebouw. Aan de oostzijde staat een klein schuurtje. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

4

1.2.2

Het voormalige postkantoor bestaat uit één

Het voormalige postkantoor grenst aan een

bouwlaag.

woning.

De woning is vervallen en staat al geruime

Op het perceel is een fundering aanwezig

tijd leeg.

van een gebouw dat reeds gesloopt is.

Het zuidelijk deel van het plangebied bestaat

Aan de oostrand van het plangebied is een

voornamelijk uit bestrating en gemaaid gras.

kleine schuurtje aanwezig.

Toekomstige situatie Alle aanwezige bebouwing in het plangebied wordt gesloopt. Ook al het aanwezige groen (bomen, struiken, overig struweel) wordt gekapt en gerooid. Hiervoor in de plaats komt een appartementencomplex met 22 woningen in het noordelijke deel van het plangebied. In het zuidelijk deel komt een parkeerplaats en bestrating. In navolgende afbeelding is een tekening op schaal met kadastrale ondergrond weergegeven.

5

Inrichtingstekening (bron: T2Groep)

6

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal.

De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren.

7

De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep.

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.

Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op

8

houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

9

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.

3.3

Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 21 februari 2023, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Ten slotte werd nagegaan of beschermde houtopstanden in het plangebied aanwezig zijn. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 28 februari 2023, bij droog, zonnig weer en een temperatuur van circa 6 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen.

Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie. Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.

10

Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor vervolgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen. De auteur: R. van Gestel Tweede lezer: I. Schuitemaker

11

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.

4.1

Ligging beschermde gebieden

4.1.1

Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). In de wijdere omgeving zijn de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden de Duitse gebieden Klevsche Landwehr, Anholt, Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach; en NSG Hetter-Millinger Bruch, mit erweiterung. Deze gebieden liggen op respectievelijk circa 7,5 en 8,6 kilometer afstand van het plangebied.

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius Calculator.

4.1.2

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 800 meter ten noordoosten van het plangebied en betreft een gedeelte van het GNN.

12

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Bron: Provincie Gelderland.

4.2

Aanwezigheid beschermde soorten

4.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied zijn gebouwen aanwezig en ook is groen aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.

4.2.2

Vogelrichtlijnsoorten

4.2.2.1

Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als houtduif en merel. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het plangebied tot broeden komen.

4.2.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2022).

13

De woning in het plangebied bevat golvende dakpannen, waardoor voor een huismus voldoende ruimte is om onder de dakpannen te kruipen. Ook bevat de woning een dakbeschot onder deze dakpannen. Op veel plekken zijn kieren en openingen aanwezig die groot genoeg zijn voor de huismus om onder het dak te kruipen. Al met al zijn voor de huismus veel geschikte broedmogelijkheden in het plangebied aanwezig. In de buitenruimte binnen het plangebied zijn veel struiken aanwezig, ook groenblijvende struiken, zoals laurierkers en hulst. Dit biedt huismussen geschikte beschutting. Ook is vanwege het verruigde gras zaden aanwezig, die als voedsel dienen voor volwassen huismussen. Al met al biedt het plangebied uitermate geschikt leefgebied voor de huismus. De aanwezigheid van de huismus in het plangebied kan op voorhand niet uitgesloten worden.

Dichtbij de bebouwing in het plangebied is veel groenblijvend en stekelig struweel aanwezig. Dit biedt beschutting en voedsel voor de huismus. Daarnaast is ook verruigd gras aanwezig. Dit biedt voedsel voor de huismus.

Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben (BIJ12 2017a).

14

Het gebouw is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van kieren in muren of onder dakpannen die een geschikte nestlocatie van de gierzwaluw kunnen zijn. Met name de voormalige woning biedt verschillende mogelijkheden voor de gierzwaluw, om onder het dak te broeden. Zie navolgende afbeeldingen voor enkele voorbeelden. De bebouwing in het plangebied vormt hiermee een geschikt broedbiotoop voor de gierzwaluw. Aanwezigheid van nestplaatsen van de gierzwaluw in het plangebied kan derhalve niet op voorhand worden uitgesloten.

Wijkende windveerpannen bieden gierzwaluwen voldoende ruimte om onder het dak te kruipen.

15

Dakranden van een dakkapel zonder dakgoot bieden de gierzwaluwen een goede mogelijkheid om onder het dak in te kunnen vliegen en een nest te bouwen.

Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. 4.2.3

Grondgebonden zoogdieren

4.2.3.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.2.3.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor 16

hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bever, bunzing, eekhoorn, hermelijn, otter en steenmarter in de omgeving van het plangebied voor. Ook de boommarter, das en wezel kunnen in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Bever Bevers zijn knaagdieren die leven in en nabij het water, waar ze hun voedsel zoeken en hun schuilplaatsen maken. De bever komt voor in bossen langs beken en rivieren, in beddingen van meren en in meer open landschap en moerassen. Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water. Open of rotsige oevers worden vermeden. In het plangebied is geen open water aanwezig en het leefgebied van de bever ontbreekt volledig in het plangebied. De aanwezigheid van deze soort kan derhalve op voorhand in het plangebied worden uitgesloten. Kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid.

De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017). De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten. De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017). In het plangebied zijn dekkingsmogelijkheden voor deze soorten aanwezig. Echter, het plangebied ligt geïsoleerd van andere potentieel geschikte leefgebieden voor deze soorten. Ook is het plangebied zelf te klein om kleine marters te huisvesten.

Al met al kan de aanwezigheid van deze drie martersoorten in het plangebied op voorhand worden uitgesloten. Eekhoorn

17

De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal vijf meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl). In het plangebied zijn enkele bomen aanwezig. Deze zijn tijdens het veldbezoek gecontroleerd op de aanwezigheid van eekhoornnesten. Deze waren niet aanwezig. Verblijfplaatsen van de eekhoorn zijn derhalve in het plangebied niet aanwezig. Daarnaast vormt het plangebied geen geschikt leefgebied voor de eekhoorn, omdat het te verstedelijkt is. Aanwezigheid van de eekhoorn en essentiële elementen ervan kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Otter De otter leeft in oeverzones met voldoende dekking en rust van allerlei soorten stromende wateren, zoals meren, plassen, rivieren, kanalen, beken en moerassen. Ze rusten overdag in holten, holle bomen en dichte vegetatie langs de oever. Ze leven in schoon en zoet water, waar voldoende voedsel, dekking en rust is. In brakke en zoute wateren komen ze alleen voor als er zoet water in de omgeving is dat ze nodig hebben als drinkwater.

Overdag gebruiken otters een rustplaats in oude holen van konijnen, bevers of muskusratten in dichte oevervegetaties, struwelen of bosschages. Ook nissen onder bruggen en betonpijpen worden gebruikt (www.zoogdiervereniging.nl). Het leefgebied van de otter ontbreekt volledig in het plangebied. De aanwezigheid van deze soort kan derhalve op voorhand in het plangebied worden uitgesloten. Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Op de zolder van de voormalige woning zijn sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van een steenmarter, zie navolgende afbeeldingen. Het betreft voornamelijk poepsporen en afgebeten veren. Er is ook één verse drol aangetroffen die circa een dag oud is. De zolder is ook vanwege grote kieren en gaten in het dak bereikbaar voor een steenmarter. Dergelijke verlaten en beschutte ruimtes vormen ideale verblijfplaatsen voor een steenmarter.

Met de combinatie van de aanwezige sporen en een geschikte locatie, moeten we derhalve concluderen dat een verblijfplaats van een steenmarter aanwezig is. Gezien de geschiktheid, kan dit potentieel ook een locatie zijn waar jongen worden grootgebracht.

18

Afgebeten veren

Op de zolder waren veel poepsporen aanwezig. Dit duidt op gebruik door een steenmarter.

19

Een verse drol van circa een dag oud.

Boommarter De boommarter heeft een voorkeur voor oud (loof-)bos, maar is ook in andere typen bos te vinden. De soort komt soms ook in meer open terreinen voor, mits er voldoende bosjes en lijnvormige elementen in de omgeving zijn, zoals heggen en houtwallen. De boommarter komt slechts incidenteel voor in de nabijheid van gebouwen. Boommarters kiezen een rustplaats in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten worden vaak in oude spechtenof eekhoornholen of inrottingsholen gemaakt (www.zoogdiervereniging.nl). Het leefgebied van de boommarter ontbreekt volledig in het plangebied. De aanwezigheid van deze soort kan derhalve op voorhand in het plangebied worden uitgesloten. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen en heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap, met akkers, bosjes, weiland en houtwallen. Leefgebied van de das moet voldoende dekking bieden, met weinig verstoring, een groot voedselaanbod, een bodem waarin ze goed kunnen graven en met een grondwaterstand lager dan 1,5m onder het maaiveld. De das is een omnivoor. Het belangrijkste voedsel voor de das zijn regenwormen. Daarnaast eten ze vruchten, noten, granen, paddenstoelen, knaagdieren, egels, slakken en insecten. Binnen de verruigde delen van de buitenruimte van het plangebied zou de das in theorie voedsel kunnen zoeken en een vluchtpijp kunnen graven.

Echter, gezien de ligging in stedelijk gebied, heeft de das geen mogelijkheid om het plangebied te bereiken. Aanwezigheid van de das in het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.

20

4.2.4

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger in de buurt van het plangebied voor. Daarnaast kan de meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).

4.2.4.1

Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017b, Dietz et al. 2011). De bebouwing in het plangebied is tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte kieren, spleten en open stootvoegen. Deze zijn op verschillende plekken aanwezig bij zowel het voormalige postkantoor als de voormalige woning (zie navolgende afbeeldingen). Daarnaast zijn in het plangebied ook verschillende bomen en struiken aanwezig, die als foerageermogelijkheden voor vleermuizen kunnen dienen. Foerageergebied in de directe omgeving van een potentiele verblijfplaats vergroot de kans dat deze ook daadwerkelijk door vleermuizen in gebruik is. Vanwege de mogelijk geschikte verblijfplaatsen en de foerageerplekken in de nabijheid, kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied niet op voorhand worden uitgesloten.

21

In het voormalige postkantoor zijn meerdere mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen.

In de voormalige woning zijn meerdere mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen.

4.2.4.2

Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. 22

Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan twee bomen. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. De boom op de westgrens bevat een spechtenhol. Echter voor dit hol zijn meerdere takken aanwezig. Hierdoor is het voor vleermuizen niet goed mogelijk om deze holte te bereiken. Daarnaast oogt het hol ook nog relatief vers, waardoor het waarschijnlijker is dat deze nog door een specht in gebruik is. De noordelijke boom bevat geen holen of kieren. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel.

23

Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

4.2.4.3

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

x

x

x

x

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

x

Laatvlieger

x

x

x

x

Meervleermuis

-

-

-

-

Gewone grootoorvleermuis

-

-

-

-

Rosse vleermuis

-

-

-

-

Watervleermuis

-

-

-

-

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. In het plangebied zijn foerageermogelijkheden voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomen, struiken en overig struweel. Echter, het betreft hier een geringe oppervlakte waar mogelijk hoogstens enkele vleermuizen tegelijkertijd gebruik van zullen maken. Van een foerageergebied waar een groot aantal vleermuizen van afhankelijk is, is geen sprake. Wel bevinden verblijfplaatsen zich vrijwel altijd in de buurt van groen, waardoor ook kleine oppervlaktes groen essentieel kunnen zijn voor mogelijk aanwezige verblijfplaatsen.

4.2.4.4

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Het plangebied bevat geen doorlopend lijnvormig element. Van een essentiële vliegroute in het plangebied is derhalve geen sprake.

24

4.2.5

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Het plangebied en de omgeving eromheen is dermate verstedelijkt dat in zijn geheel niet voldaan kan worden aan de habitateisen van Nederlandse reptielsoorten. Aanwezigheid van deze soortgroep in het plangebied is derhalve op voorhand uit te sluiten.

4.2.6

Amfibieën

4.2.6.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.2.6.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Het plangebied en de omgeving eromheen is dermate verstedelijkt dat in zijn geheel niet voldaan kan worden aan de habitateisen van beschermde amfibiesoorten, of dat het plangebied niet door deze soorten bereikt kan worden. Aanwezigheid van deze soorten in het plangebied is derhalve op voorhand uit te sluiten.

4.2.7

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten.

4.2.8

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in

25

kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de grote vos, kleine ijsvogelvlinder, beekrombout en teunisbloempijlstaart in de omgeving van het plangebied voor. Grote vos, kleine ijsvogelvlinder, beekrombout De grote vos is een zeldzame vlinder. Hij werd acuut met uitsterven bedreigd maar hij wordt de laatste tijd vaker gezien. Er wordt sinds 2019 ook voortplanting vastgesteld. Het lijkt erop dat ze zich weer vestigen in ons land. De grote vos is een zeer mobiele vlinder die veel zwerft.

De exacte afstanden die deze vlinder kan afleggen zijn niet bekend. De waardplanten van deze soort zijn voornamelijk iep, maar ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Het habitat is vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout (vlinderstichting.nl). De kleine ijsvogelvlinder leeft in vochtige gemengde bossen of loofbossen. Wilde kamperfoelie vormt de waardplant voor de soort. De soort leeft vooral hoog in bomen maar komt ’s morgens ook naar beneden om te drinken. Vrouwtjes van deze vlindersoort zetten in de zomer eitjes af op wilde kamperfoelie-planten. Ze kiest hiervoor vooral planten die in de halfschaduw groeien. De rupsen beginnen nog dezelfde zomer te eten van het kamperfoelieblad, waarbij ze een kenmerkend vraatbeeld hebben. De middennerf van het blad wordt namelijk intact gelaten. Vanaf de herfst overwintert de rups in een half afgebeten blad aan de kamperfoelie. In het voorjaar, vanaf april, eet de rups weer verder van de kamperfoelie, waarna deze in de maand juni verpopt op de kamperfoelie. In de zomer vliegt dan weer een nieuwe generatie vlinders (vlinderstichting.nl).

De beekrombout wordt in uiteenlopende typen stromende wateren aangetroffen. De soort wordt meestal met traag stromende laagland, beken geassocieerd. Dat deze beken vaak genormaliseerd zijn hoeft geen belemmering te vormen. Belangrijk is de aanwezigheid van zuurstofrijk water en onbegroeide zandige substraten en niet te rijk zijn aan nitraten en fosfaten. De soort wordt echter ook in vrij meanderende, relatief snel stromende terrasbeken en -riviertjes aangetroffen die grote peilfluctuaties kennen. Door de meandering zijn er voldoende stromingsluwe plaatsen binnen het stroombed aanwezig. Hier kunnen de larven zich handhaven tijdens piekafvoeren. Vaak zijn grote delen van de oever rijkbegroeid en is het landschap in de omgeving

26

kleinschalig met bosjes, houtwallen, hooilanden, heidevelden en ruigten (vlinderstichting.nl). De genoemde biotopen van de drie soorten ontbreken in het plangebied volledig. De aanwezigheid van deze soorten in het plangebied kan derhalve op voorhand uitgesloten worden. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is een warmteminnende nachtvlinder die te vinden is op open plekken in vochtige bossen, bosranden en andere warme plaatsen waar de waardplanten groeien, zoals uiterwaarden en ruderale, braakliggende terreinen. Met het opwarmen van het klimaat wordt de soort steeds algemener in ons land. De vlinders van deze soort vliegen in mei en juni, waarbij eitjes worden afgezet op waardplanten. Dit zijn vooral teunisbloemen, maar ook (harig-) wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart zijn waardplanten voor deze soort. De rupsen eten in de periode juni tot september van de waardplant, waarna ze in de strooisellaag verpoppen en overwinteren (Vlinderstichting.nl, Van Dijk 2018, 2021). In de tuin van het plangebied komen hier en daar ruderale delen voor. Het is derhalve niet op voorhand uit te sluiten dat hier waardplanten, zoals de teunisbloem, groeien. Aanwezigheid van een leefgebied (voortplantingsplaats) van deze soort kan derhalve op voorhand niet uitgesloten worden. Nader onderzoek hiernaar is noodzakelijk. 4.2.9

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). In het plangebied is sprake van voedselrijke en verstoorde grond in een stedelijke omgeving. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht.

4.3

Aanwezigheid houtopstanden Binnen het plangebied is geen houtopstand aanwezig. In het plangebied zijn wel bomen en struiken aanwezig. Maar deze bomen en struiken zijn geen onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter en zijn ook geen onderdeel van een rijbeplanting van bomen die groter is dan 20 bomen.

27

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

5.1

Mogelijke effecten op beschermde gebieden

5.1.1

Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Klevsche Landwehr, Anholt, Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach ligt op 7,5 kilometer afstand. Met het plan wordt een relatief kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand het Natura 2000-gebied kan verstoren. Derhalve zijn directe negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door de ontwikkeling uitgesloten. Van de ontwikkeling is geen sterke toename van stikstofemissie te verwachten. Toch kan sprake zijn van een kleine toename in stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige habitattypen. Derhalve dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden.

5.1.2

Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op ongeveer 800 meter van het plangebied. De bescherming van het NNN kent in de provincie Gelderland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in de GNN of GO ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Gelders Natuurnetwerk hebben. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.2

Mogelijke effecten op beschermde soorten

5.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

28

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

5.2.2

Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het plangebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen.

5.2.2.1

Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield bij de start. Ook zullen, als de werkzaamheden doorlopen in de broedperiode, vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.

5.2.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast soorten waarvan het nest alleen in de broedtijd beschermd is, zijn mogelijk ook soorten aanwezig waarvan het nest jaarrond is beschermd. Dit betreft de soorten huismus en gierzwaluw. Nesten van deze vogelsoorten bevinden zich in gebouwen en kunnen derhalve mogelijk in de in het plangebied aanwezige bebouwing aanwezig zijn. Met de geplande werkzaamheden wordt de bebouwing gesloopt. Indien dergelijke nesten aanwezig zijn, gaan deze dan met de sloop verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van vogels. Voor de huismus is in het plangebied daarnaast ook potentieel geschikt foerageergebied aanwezig. Dit kan essentieel zijn voor het functioneren van omliggende nestplaatsen Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling wordt al het aanwezige groen verwijderd. Indien het foerageergebied essentieel is

29

voor de omliggende nestplaatsen, is de kans reëel dat de huismussen hun nestplaatsen in het plangebied of in de directe omgeving moeten verlaten. In al deze gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Overige vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zijn niet in het plangebied of de omgeving aanwezig. 5.2.3

Overige beschermde soorten

5.2.3.1

Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht.

5.2.3.2

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) en steenmarter. Habitatrichtlijnsoorten Vleermuissoorten en de teunisbloempijlstaart zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen aanwezig zijn in de bebouwing binnen het plangebied. De vleermuizen kunnen kort voor het invliegen dan nog rond het in het plangebied aanwezige groen foerageren. Met de geplande werkzaamheden wordt alle bebouwing gesloopt en al het groen verwijderd. Daarmee gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen verloren. Ook is het mogelijk dat foerageergebied dat essentieel is voor de verblijfplaatsen in het plangebied verloren gaat. Tenslotte is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren bij de sloop. Mogelijk zijn waardplanten van de teunisbloempijlstaart in het plangebied aanwezig. Indien dit het geval is, vindt mogelijk voortplanting van deze soort in het gebied plaats.

In dat geval gaan met de geplande ruimtelijke ontwikkeling (verwijderen van al het groen) deze voortplantingsplaatsen verloren. Daarbij is kans op het doden van de individuen (ei, rups, pop). In bovengenoemde gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient

30

nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Andere soorten De steenmarter valt onder het beschermingsregime Andere soorten. De soorten onder dit beschermingsregime zijn wat minder streng beschermd dan soorten die vallen onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn, maar ook hiervoor is het verboden individuen te doden en verblijfplaatsen te vernielen. Met het uitgevoerde veldbezoek is al voldoende bewijs verzameld dat in de huidige situatie een steenmarter een verblijfplaats op de zolder van de voormalige woning heeft. Onzes inziens is nader onderzoek hiernaar dan ook niet nodig. Met de geplande sloop van de bebouwing gaat de verblijfplaats verloren. Daarnaast is mogelijk ook kans op het verwonden of doden van een steenmarter tijdens de sloop. In dat geval is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om de werkzaamheden toch door te laten gaan is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig in combinatie met het treffen van mitigerende maatregelen. 5.2.4

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen.

5.2.4.1

Gierzwaluwen Het nader onderzoek gierzwaluwen dient volgens het kennisdocument gierzwaluw (BIJ12 2017a) plaats te vinden door middel van drie inventarisaties met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. Dit dient te gebeuren in de periode 1 juni tot en met 15 juli, waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli, tussen twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang, tijdens goede inventarisatieomstandigheden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van gierzwaluwen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

5.2.4.2

Huismussen Het nader onderzoek naar de huismus dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het kennisdocument van de huismus (BIJ12 2022). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni, waarbij één veldbezoek in de periode 1 april tot en met 15 mei plaatsvindt. De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, vanaf minimaal één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.

5.2.4.3

Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vijf

31

veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Drie daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden, ook met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vijf veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. 5.2.4.4

Teunisbloempijlstaart Voor deze soort bestaat geen onderzoeksprotocol. Het onderzoek kan worden opgezet volgens de aanwijzingen voor de monitoring van deze soort (Van Dijk, 2021). Daarbij wordt gezocht naar voorplantingsplaatsen van deze soort, door het zoeken naar rupsen op de waardplant. Deze rupsen zijn aanwezig in de periode juni – september, waarbij de grootste kans om rupsen waar te nemen ligt in de periode eind juni tot eind juli. Jonge groene rupsen hebben een goede schutkleur, maar zijn toch te vinden door hun vraat en uitwerpselen (Van Dijk, 2021). Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer. Soortgroep

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Huismus

Vleermuizen

Gierzwaluw

Teunisbloempijlstaart

5.2.5

Ontheffing aanvragen Het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten (zoals de steenmarter) worden verstoord is wettelijk gezien mogelijk als men in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming. Een dergelijke ontheffing dient voor dit project aangevraagd te worden bij de provincie Gelderland. Bij het indienen van een aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming dient een projectplan te worden opgesteld. In dit plan wordt onder andere de verspreiding van de betreffende beschermde soort in het plangebied verwoord alsmede het (wettelijk) belang van de ingreep onderbouwd. Daarnaast dient een uitgebreide alternatievenafweging plaats te vinden over waarom de verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen niet is te voorkomen.

32

Een ontheffing wordt enkel verleend als voldoende mitigerende maatregelen worden getroffen om zoveel mogelijk schade aan de steenmarter te voorkomen. 5.2.6

Mitigerende maatregelen Mitigerende maatregelen voor een verblijfplaats van de steenmarter bestaan over het algemeen uit het aanbieden van alternatieve geschikte verblijfsvoorzieningen. Hierbij kan in dit geval gedacht worden aan het plaatsen van marterkasten op geschikte plekken in of direct rond het plangebied. Geschikte plekken zijn voornamelijk rustige plekken in groene structuren, zoals een houtsingel.

5.3

Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden In het plangebied is geen houtopstand aanwezig. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

33

6

Conclusie Op de percelen aan de Vulcaanstraat 1-3 in Gaanderen bevindt zich het oude postkantoor en een woning. De twee panden staan leeg en het voornemen is om hier 22 appartementen te realiseren. Deze ontwikkeling past niet binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied.

6.1

Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat het Duitse Natura 2000-gebied Klevsche Landwehr, Anholt, Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach in de wijdere omgeving van het plangebied ligt. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn directe verstoringen op voorhand uitgesloten. Van de ontwikkeling is geen sterke toename van stikstofemissie te verwachten. Toch kan sprake zijn van een kleine toename in stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige habitattypen. Derhalve dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.

6.2

Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8091/documents/45824