Bijlage 1 01_12_Bijlagen toelichting_Bijlage 6 Eindrapportage archeologisch bureau- en booronderzoek .pdf
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN GECOMBINEERD VERKENNEND EN KARTEREND BOORONDERZOEK RIJKSWEG - VULCAANSTRAAT TE GAANDEREN GEMEENTE DOETINCHEM
Archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek Rijksweg - Vulcaanstraat te Gaanderen in de gemeente Doetinchem Opdrachtgever
Ten Brinke Vastgoedontwikkelaars Havenstraat 128 7005 AG Doetinchem
Project
DOE.M15.ARC
Rapportnummer
10085956
Status
Eindrapportage
Datum
20 augustus 2014
Vestiging
Doetinchem
Auteur(s)
Drs. G.W.J. Spanjaard
Paraaf
Autorisatie
Drs. A.H. Schutte (Senior KNA-Archeoloog)
Paraaf
© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode en nummer
10085956 DOE.M15.ARC
Toponiem
Rijksweg - Vulcaanstraat
Opdrachtgever
Ten Brinke Vastgoedontwikkelaars
Gemeente
Doetinchem
Plaats
Gaanderen
Provincie
Gelderland
Kadastrale gegevens
gemeente Doetinchem, sectie I, nummers 3545, 3546, 4810, 4072 en 5193
Omvang plangebied
Circa 6.200 m2
Kaartblad
41 A (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 221.000 / Y: 438.180
Bevoegde overheid
Gemeente Doetinchem Mevrouw Y. van Tienen Postbus 9020 7000 AH Doetinchem Tel. 0314 377490 Email y.vantienen@doetinchem.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
De heer M. Kocken, regionaal archeoloog Regio Achterhoek
ARCHIS2
Bureauonderzoek 49.929 n.v.t. 50.573
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Vondstmeldingsnummer Onderzoeksnummer
Booronderzoek 49.930 418.911 50.574
Archeoregio NOaA
Overijssels-Gelders zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Doetinchem/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerders
Econsultancy, drs. G.W.J. Spanjaard
Kwaliteitszorg Econsultancy beschikt over een eigen opgravingsvergunning, afgegeven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De opgravingsvergunning geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Ten Brinke Vastgoedontwikkelaars in december 2011 een archeologisch bureauonderzoek en op 6 januari 2012 een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het plangebied is gelegen aan de Rijksweg - Vulcaanstraat te Gaanderen in de gemeente Doetinchem. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 5). Doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden, om daarmee een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen.
Het IVO dient inzicht te verschaffen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied. Daarnaast is het gericht op het opsporen van eventueel aanwezige archeologische vondsten en/of sporen en het verkrijgen van een eerste indruk van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek en/of planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting Vanwege de ligging op het rivierduin, in de nabijheid van de Holocene riviervlakte, zal het plangebied gedurende het Holoceen een gunstige (tijdelijke) nederzettingslocatie hebben gevormd, met name voor landbouwers. Dit wordt tevens bevestigd door de bekende archeologische waarden in de nabijheid van het plangebied. De kans op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Neolithicum – Nieuwe tijd wordt dan ook hoog geacht. Vanwege het ontbreken van bekende archeologische waarden van jagers/verzamelaars in de omgeving van het plangebied, en de ligging van hogere rivierduinen in de directe nabijheid, wordt de kans op het aantreffen van resten uit de perioden LaatPaleolithicum – Mesolithicum middelhoog geacht. Archeologische resten worden verwacht in de top van de rivierduinzanden.
Indien verstuiving heeft plaatsgevonden ter plaatse van het plangebied, dan zouden archeologische resten jonger dan de verstuiving zich ook in de verstoven zanden kunnen bevinden. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw is grotendeels intact en komt overeen met de verwachtingen op basis van het bureauonderzoek. In het opgeboorde sediment zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van archeologische waarden. Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting kan op basis van de resultaten van het booronderzoek worden bijgesteld tot een lage verwachting voor alle archeologische perioden.
10085956 DOE.M15.ARC
Selectieadvies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Bovenstaand advies vormt een selectieadvies. Econsultancy wil de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag (Gemeente Doetinchem), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 53 van de Monumentenwet uit 1988 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: ARCHIS-meldpunt, telefoon 0334227682), de gemeente Doetinchem of de provincie Gelderland.
10085956 DOE.M15.ARC
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1
3
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 4.1 4.2 4.3
5
Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 3 Huidige situatie ................................................................................................................. 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 5 Archeologische waarden .................................................................................................. 8 Relatie aardwetenschappelijke informatie met archeologische waarden....................... 12 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek .................................................... 13
Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 14 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek ........................................................ 15
CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES ....................................................................................... 16 5.1 5.2
Conclusie ........................................................................................................................ 16 Selectieadvies................................................................................................................. 16
10085956 DOE.M15.ARC
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-waarnemingen Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Situering van het plangebied binnen Minuutplan uit 1822 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit de periode 18301850 Situering van het plangebied binnen de historische kaart uit 1888 Situering van het plangebied binnen de historische kaart uit 1927 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1954 Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van gemeente Doetinchem Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Archeologische Beleidsadvieskaart Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Literatuur Bronnen Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
10085956 DOE.M15.ARC
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Ten Brinke Vastgoedontwikkelaars een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Rijksweg - Vulcaanstraat te Gaanderen in de gemeente Doetinchem (zie figuur 1 en figuur 2). In het plangebied zal de bestaande bebouwing worden gesloopt, waarna nieuwbouw zal worden gerealiseerd. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Daarom is het binnen het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg uit 2007 (WAMZ), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, verplicht voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren (zie bijlage 5). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, gecombineerd verkennende en karterende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 5).
Dit advies dient te worden getoetst door het bevoegd gezag, de gemeente Doetinchem, waarna een besluit zal worden genomen of het plangebied kan worden vrijgegeven of dat vervolgstappen nodig zijn.
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN
Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de archeologische waarden van het plangebied. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel van het plangebied op te stellen. Het verwachtingsmodel is gebaseerd op bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden in en om het plangebied. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:
Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid, die vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of -rug, nabij een veengebied, een beekdal)? Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied?
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied en het inventariseren van eventueel aanwezige archeologische vondsten en/of sporen om een eerste indruk te vormen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Het veldonderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen:
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring?
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 1 van 17
Zijn, daar waar het bodemprofiel intact is, archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats? Zo ja, wat is de aard en diepteligging ervan? Zijn er archeologische lagen aangetroffen (cultuur- en afvallagen cq. ophogingslagen)? Zo ja, wat is de aard, diepteligging en minimale en maximale dikte ervan? In welke mate stemmen de resultaten overeen met de verwachtingen? Indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen van de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats?
Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 19 en 20 december 2011 door drs. G.W.J. Spanjaard (fysisch geograaf). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 6 januari 2012. Meegewerkt hebben: drs. G.W.J. Spanjaard (fysisch geograaf) en ir. E.M. ten Broeke (prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/kwaliteitscontroleur).
3 3.1
BUREAUONDERZOEK Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.2, maart 2010), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 1 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 1
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); de Wateratlas van de provincie Gelderland; literatuur en historisch kaartmateriaal; de Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie (KICH); de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Doetinchem; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
Beschikbaar via www.sikb.nl.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 2 van 17
3.2
Afbakening van het plangebied
Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied. Het plangebied heeft oppervlakte van circa 6.200 m² en ligt op de hoek van de Rijksweg - Vulcaanstraat, binnen de bebouwde kom van Gaanderen in de gemeente Doetinchem (zie figuur 1 en figuur 2). Op het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) heeft het maaiveld een hoogte van circa 15 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Doetinchem, sectie I, nummers 3545, 3546, 4810, 4072 en 5193. 3.3
Huidige situatie
Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Het noordwestelijke deel van het plangebied (Rijksweg 148) is in gebruik als bedrijfsterrein van "Profile: de fietsspecialist" en is bebouwd met een winkel/woonhuis, een werkplaats/magazijn en een rijwielberging. Het perceel Rijksweg 150 is bebouwd met een woonhuis. Op de oostelijke en zuidelijke delen van het plangebied (Rijksweg 152 en 154) bevindt zich een woonhuis en een voormalige metaalwarenfabriek. Van 1930 tot 1998 was Fa. Senten Metaalwaren op dit deel gevestigd. Van 1998 tot 2000 werd het bedrijfspand verhuurd aan Metaalwarenfabriek Ebbers bv. In de huidige situatie is het terrein in gebruik als opslag van een antiekzaak. Op het noordoostelijke deel van de onderzoekslocatie (Vulcaanstraat 1-3) bevindt zich een kantoor en een woonhuis. Het bodemgebruik van de omliggende percelen is als volgt:
aan de noordzijde bevindt zich de Rijksweg, met aan de noordzijde daarvan woonpercelen; aan de oostzijde bevinden zich een antiekzaak en enkele woonpercelen; aan de zuidzijde bevinden zich woonpercelen; aan de westzijde bevinden zich enkele woonpercelen en de vulcaanstraat. 2
Bodemloket Met het bodemloket wil de overheid inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Uit de gegevens van het Bodemloket blijkt dat het plangebied ernstig verontreinigd is, maar dat het geen spoedlocatie betreft. Uit de Bodematlas van provincie Gelderland blijkt verder dat ter plaats van het terrein van Profil een autoreparatiebedrijf gevestigd is geweest welke mogelijk een ernstige verontreiniging heeft veroorzaakt. Ter plaatse van het voormalige metaalbedrijf staat een blikslagerij geregistreerd, welke oorzaak van een ernstige verontreiniging zou kunnen zijn.
2
www.bodemloket.nl.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 3 van 17
3.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De manier waarop het plangebied wordt ingericht kan tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden (deels of geheel) onverstoord (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting zo aan te passen dat archeologische waarden alsnog onverstoord kunnen blijven liggen. In het plangebied is de sloop van de bestaande bebouwing gepland. Na de sloop zal de nieuwbouw van verschillende appartementengebouwen en commerciële ruimtes worden gerealiseerd (zie bijlage 6). 3.5
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal3
Tabel I.
3
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Kadastrale minuut
1822
Ambt Doetinchem, Sectie I, Blad 01
1:2.500
Onbebouwd. Verschillende percelen; malle stroken in zuidelijke deel, brede stroken in noordelijke deel.
Voorloper Rijksweg reeds aanwezig, perceelsgrens ter plaatse van huidige Vulcaanstraat. Bebouwing ten zuidwesten.
Militaire topografische kaart (nettekening)
1830-1850
41_1rd
1:50.000
Onbebouwd en in agrarisch gebruik (akkerland).
Voorlopers Rijksweg en Vulcaanstraat reeds aanwezig. Bebouwing ten zuidwesten. Ongecultiveerd terrein ten noorden van Rijksweg.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1888
515
1:50.000
Onbebouwd en in agrarisch gebruik (akkerland).
Voorlopers Rijksweg en Vulcaanstraat reeds aanwezig. Stoomtram en telegraaf langs Rijksweg. Bebouwing ten zuidwesten, westen, noordwesten en direct ten noordoosten. Ongecultiveerd terrein ten noorden van Rijksweg.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1927
515
1:50.000
Bebouwing langs Rijksweg. Overige delen agrarisch gebruik.
Voorlopers Rijksweg en Vulcaanstraat reeds aanwezig. Sterke toename bebouwing langs Rijksweg. Terrein ten noorden van Rijksweg in cultuur gebracht.
Topografische kaart
1954
1:25.000
Bebouwing langs Rijksweg en Vulcaanstraat, waaronder ijzerfabriek.
Verdere toename bebouwing, met name ten noorden van plangebied en langs de Rijksweg.
www.watwaswaar.nl.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 4 van 17
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het plangebied vanaf het e e begin van de 19 eeuw tot aan het begin van de 20 eeuw onbebouwd en in agrarisch gebruik geweest (zie figuur 3 - 5). Het plangebied lag binnen een uitgestrekt akkergebied, met ten zuiden daarvan de weidegebieden langs de Akkermanbeek of Lovinksche Beek. Voorlopers van de Rijksweg en de Vulcaanstrat waren reeds aanwezig. Ten zuidwesten van het plangebied, direct aan de overzijde van de voorloper van de Vulcaanstraat, was een bebouwd erf aanwezig. e
Aan het begin van de 20 eeuw werd aan de Rijksweg de eerste bebouwing binnen het plangebied gerealiseerd (zie figuur 6) en breide de bebouwing langs de Rijksweg en ten noorden van het plangee bied zich verder uit. Halverwege de 20 eeuw werd ook het plangebied verder bebouwd met onder e andere de ijzerfabriek. Gedurende de tweede helft van de 20 eeuw nam de bebouwing binnen en rondom het plangebied verder toe. 4
KICH Het KennisInfrastructuur CultuurHistorie (KICH) heeft alle bekende archeologische en bouwkundige monumenten en historisch-geografische informatie samengebracht in een digitale kaart. Via deze kaart zijn cultuurhistorische waarden per gebied te bekijken. Het raadplegen van KICH heeft voor het plangebied geen aanvullende informatie opgeleverd met betrekking tot archeologie. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Doetinchem is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd (contactpersoon mevrouw Y. van Tienen), Dit heeft voor het plangebied geen aanvullende gegevens opgeleverd. 3.6
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon van de mens. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel II.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens Geologie
Gegevensomschrijving
5
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen
Geomorfologie6 Bodemkunde
Niet gekarteerd vanwege ligging binnen bebouwde kom van Gaanderen
7
Geologische en geomorfologische kaart van de Rijn-Maas Delta
Niet gekarteerd vanwege ligging binnen bebouwde kom van Gaanderen 8
Jonge Dryas rivierduinen
4
www.kich.nl. De Mulder et al., 2003. 6 Van Oosterhout, 2009. 7 Stichting voor Bodemkartering, 1983. 8 Berendsen & Stouthamer, 2001. 5
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 5 van 17
9
Geologie De ondergrond van de omgeving van Gaanderen maakt deel uit van een groot preglaciaal bekken. Dit bekken is in eerste instantie gevormd door een voorloper van de Rijn, waarna het subglaciaal verder is geërodeerd door het landijs tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ca. 250.000 - 130.000 jaar geleden, zie bijlage 1). Het bekken is tijdens het terugtrekken en daarmee het afsmelten van het landijs gedeeltelijk opgevuld met een dunne laag keileem met daarop glaciofluviale afzettingen van de Formatie van Drente. Nadat het landijs zich had terug getrokken hervatten de voorlopers van de Rijn hun loop door het glaciale bekken in het huidige IJsseldal, waardoor fluviatiel materiaal van de Formatie van Kreftenheye is afgezet. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 120.000 - 10.000 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Toentertijd heerste er in Nederland wel een continentaal periglaciaal klimaat. Dit houdt in dat de omstandigheden erg koud en droog waren. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. Onder periglaciale omstandigheden was de Rijn een vlechtende rivier, waarbij in brede geulen vooral grof zand en grind werden afgezet. Vanuit de riviervlakte van de Rijn werd, vooral tijdens het Laat-Glaciaal, ook zand opgewaaid, waardoor er langs de rivierlopen rivierduinen werden gevormd.
Dit rivierduinzand wordt aangeduid als het Laagpakket van Delwijnen, dat behoort tot de Formatie van Boxtel. Over een groot deel van Nederland, buiten de invloedsfeer van de Rijn, werd tevens een pakket dekzand afgezet. Het dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke tevens behoort tot de Formatie van Boxtel (voorheen de Formatie van Twente). Gedurende het Midden-Weichselien brak de Rijn door de stuwwallen van Montferland heen en kreeg zijn huidige loop naar het westen. Uit het voorkomen van rivierduinen ter plaatse van het plangebied, daterend uit de Jonge Dryas, blijkt echter de aanwezigheid van een noordoostelijk gelegen Rijntak in het huidige IJsseldal tot aan het einde van het Weichselien. Het ontbreken van duidelijk ontwikkelde kenmerken van een meanderend systeem uit het begin van het Holoceen wijst erop dat de noordoostelijk gelegen Rijntak kort na het einde van het Weichselien is verlaten. Door de verlegging naar de huidige westelijke loop is ter plaatse van het rivierenlandschap van de Gelderse IJssel en Oude IJssel een vlechtend geulenstelsel bewaard gebleven. Tijdens het Holoceen zijn de rivierduinen plaatselijk verstoven, veelal onder invloed van antropogene ingrepen in de vegetatie. De verstuivingen hebben deels echter ook een natuurlijke oorzaak gehad. De stuifzanden worden gerekend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Kootwijk. 10
Zandbanenkaart Volgens de zandbanenkaart bevindt het Pleistoceen zand zich op een diepte van 0-1,0 m -mv. Aan het maaiveld is een meer dan 2 m dik pakket eolisch zand aanwezig. 11
DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO.
9
Berendsen 2005 / 2008. Cohen et al., 2009. www.dinoloket.nl.
10 11
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 6 van 17
In het Dinoloket is een boring boringen bestudeerd, gelegen op een afstand van circa 250 m ten zuid12 oosten van het plangebied. Ter plaatse van deze boring bestaat de ondergrond tot een diepte van circa 2,3 m –mv uit matig fijn zand. De top van dit pakket is matig humeus. Onder deze zanden ligt een 10 cm dikke laag leem, met daaronder matig fijn tot matig grof zand. De in de boring aangetroffen leemlaag betreft vermoedelijk de Laag van Wijchen, welke de scheiding vormt tussen de onderliggende fluviatiele zanden van de Formatie van Kreftenheye en de boven de leemlaag gelegen rivierduinzanden. De matig humeuze top van het zandpakket wordt vermoedelijk gevormd door een plaggendek. Ter plaatse van de beschreven boring ligt het maaiveld circa 0,5 m hoger dan binnen het plangebied. Verwacht wordt dan ook dat het pakket rivierduinzand binnen het plangebied 1,5 – 2,0 m dik is. Geomorfologie De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Doetinchem bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd. Op basis van de geologische gegevens kan echter gesteld worden dat het plangebied op een rivierduin ligt. 13
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. In het AHN is duidelijk de noordwest-zuidoost gerichte hoogte van het rivierduincomplex te herkennen (zie figuur 9). Het plangebied ligt hierbinnen op een middelhoog niveau. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Gaanderen bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie figuur 10). Direct ten westen van het plangebied komen vorstvaaggronden voor, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel III geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen.
De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.
12 13
DINO boornummer B41A0501. www.ahn.nl.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 7 van 17
Tabel III.
Grondwatertrappenindeling14
Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
GHG (cm -mv)
-
-
<40
>40
<40
40-80
>80
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Het plangebied heeft grondwatertrap VII*. Hierdoor zullen metalen en organische archeologische resten slecht geconserveerd zijn. 3.7
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden staan afgebeeld op figuur 11, een kaart met daarop, binnen een straal van 1 km rondom het plangebied, de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen. 15
Archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Doetinchem Sinds 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg van kracht (WAMZ). Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De Archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Doetinchem is de archeologische verwachtingswaarde niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom van Gaanderen (zie figuur 12). De rivierduinen buiten de bebouwde kom van Gaanderen zijn over het algemeen gekarteerd met een hoge archeologische verwachting. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische terreinen in Nederland, welke ook wel worden aangeduid als monumenten. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).
Op grond daarvan zijn de terreinen ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. 14 15
Locher & De Bakker, 1990. Van Oosterhout, 2008.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 8 van 17
Binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 11). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 18 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken en archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden (zie Tabel IV en figuur 11). Tabel IV.
Overzicht onderzoeksmeldingen
Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
8.592
160 m ten noordoosten
RAAP
2003
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Bureau- en booronderzoek: in een oude akkerlaag zijn archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een nederzettingsterrein uit de late IJzertijd t/m de Middeleeuwen. Indien bij de geplande nieuwbouw het terrein opgehoogd zou worden en de nieuwbouw gefundeerd op schroefpalen, dan is geadviseerd geen vervolgonderzoek plaats te laten vinden. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
8.743
300 m ten zuidoosten
RAAP
2004
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: aanbevolen is ter plaatse van de aangetroffen vindplaats bodemingrepen dieper dan 0,4 m -mv te voorkomen. Indien dit niet mogelijk zou zijn, is proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Voor de overige delen zijn geen aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
12.422
300 m ten zuidoosten
ADC
2005
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Proefsleuvenonderzoek: De locatie is gelegen binnen een reliëfrijk rivierduinlandschap. De aangetroffen sporen en het vondstmateriaal duiden op bewoning, en mogelijk ook begravingen, in de Steentijd en Bronstijd. De verwachting is dat op de hoge delen van de oude rivierduin zich de meeste sporen en vondsten bevinden. Daarnaast is een vindplaats uit de Late IJzertijd of de Vroege Middeleeuwen aangetroffen. Beide vindplaatsen scoren hoog en zijn behoudenswaardig. Geadviseerd is een volledige opgraving uit te voeren voor de te verstoren oppervlaktes. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
13.028
750 m ten noordwesten
Synthegra
2005
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: Binnen een groot deel van de locatie is het bodemprofiel tot grote diepte verstoord. Ook zijn geen/weinig archeologische indicatoren aangetroffen. Geadviseerd is de locatie vrij te geven. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
13.910
650 m ten noorden
Arcadis
2004
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: op basis van de aangetroffen bodemverstoringen is geadviseerd de locatie vrij te geven. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
16.989
350 m ten zuidoosten
RAAP
2006
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Aanvullend booronderzoek: Aangetroffen zijn vindplaatsen/nederzettingen uit de perioden IJzertijd tot Vroege Middeleeuwen en een grotendeels overstoven nederzetting uit de periode Laat Neolithicum - Vroege Bronstijd. Indien deze niet behouden kunnen worden is geadviseerd deze op te graven.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 9 van 17
Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
16.990
300 m ten zuidoosten
RAAP
2006
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: Op de locatie zijn twee vondstniveaus aangetroffen. Indien behoud niet mogelijk zou zijn, werd een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
16.992
200 m ten noordoosten
RAAP
2005
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: In het rivierduin is een oude akkerlaag aangetroffen. De top van deze laag bevindt zich op een gemiddelde diepte van 1,3 m mv. Mogelijk is ter plaatse een nederzettingsterrein uit de periode IJzertijd – Late Middeleeuwen aanwezig. Bij grootschalige bodemingrepen dieper dan 1,3 m –mv is geadviseerd een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
17.271
700 m ten oosten
RAAP
2006
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: In het westelijk deel van de locatie zijn in 2 boringen fragmenten houtskool aangetroffen in een overstoven laag. Gezien het kleine oppervlak en het ontbreken van duidelijk antropogene resten is geen vervolgonderzoek aanbevolen. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
25.103
160 m ten oosten
Synthegra
2007
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: Het oorspronkelijke bodemprofiel bleek nergens meer intact. In een groot deel van het plangebied is de bodem tot op grote diepte verstoord (tot 100-120 cm –mv). Waarschijnlijk is hier de bodem, net als in de rest van het plangebied, tot op grote diepte afgegraven, waarna puinhoudende zandpakketten zijn aangebracht ten behoeve van de huidige bebouwing. Ook zijn tijdens het booronderzoek geen archeologische resten of indicatoren gevonden die wijzen op een archeologische vindplaats. Op basis van deze resultaten is voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
29.247
650 m ten noorden
Synthegra
2008
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: geadviseerd is een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te laten voeren. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
17.073
650 m ten zuidoosten
RAAP
2006
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: Tijdens het veldonderzoek zijn in het zuiden van het plangebied in drie boringen archeologische indicatoren aangetroffen. Bij bodemingrepen dieper dan 60 cm –mv is geadviseerd om een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
33.727
550 m ten zuidoosten
RAAP
2009
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: binnen het noordelijke deel van de locatie is een vindplaats aangetroffen, betreffende een overstoven cultuurlaag met houtskool en handgevormd aardewerk. Geadviseerd is een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te laten voeren. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
35.811
100 m ten westen
ADC
2009
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 10 van 17
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: Alleen binnen de noordzijde was nog een intacte bodem aanwezig. Geadviseerd is de locatie vrij te geven. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
36.892
450 m ten oosten
Synthegra
2009
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Booronderzoek: In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Geadviseerd is de locatie vrij te geven. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
37.868
250 m ten oosten
RAAP
2009
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Bureauonderzoek: bij bodemverstoringen dieper dan 0,9 m -mv is vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
38.226
350 m ten westen
ARC
2009
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Bureauonderzoek: geadviseerd is een verkennend booronderzoek uit te voeren. Onderzoeksmeldingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Uitvoerder
Datum
42.974
550 m ten zuidoosten
RAAP
2009
Aard, resultaten van het onderzoek en literatuur (indien vermeld in ARCHIS) Begeleiding: Het onderzoek leverde slechts enkele losse vondsten op in een beekdal. De vondsten zijn zeer waarschijnlijk afkomstig van een aangrenzend rivierduin met nederzettingsterreinen. Geadviseerd is de locatie vrij te geven.
Waarnemingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische waarnemingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan, buiten de hierboven beschreven onderzoeksmeldingen, 3 waarnemingen geregistreerd (zie Tabel V en figuur 11). Tabel V.
Overzicht ARCHIS-waarnemingen
Waarnemingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Datering
133.834
600 m ten noordwesten
Late Bronstijd – Romeinse tijd
Aard van de melding Omstreeks 1929 werd aan de Rijksweg te Gaanderen, tegenover de ijzersmelterij van Vulcaansoord, een deel van een rivierduin ontgrond. Hierbij zijn de resten van een crematiegrafveld gevonden. Omdat op een bodemkaart uit 1956 het aangegeven terrein als ontgrond staat aangegeven, is het waarschijnlijk dat de vondsten hier zijn gedaan. Waarnemingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Datering
22.254
1200 m ten oosten
Midden Neolithicum – Laat Neolithicum
Aard van de melding Betreft de vondst van een vuurstenen bijl in 1945. Waarnemingsnr.
Situering t.o.v. plangebied
Datering
402.146
750 m ten noordoosten
Late Bronstijd – Late Middeleeuwen B
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 11 van 17
Aard van de melding Betreft een metaaldetectorvondst van een bronzen fibula.
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan vondstmeldingen geregistreerd. Nadat deze zijn gecontroleerd worden het waarnemingen. Tot die tijd staan ze als vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan geen vondstmeldingen geregistreerd (zie figuur 11). NUMIS NUMIS, oftewel het NUMismatisch InformatieSysteem, is een database waarin beschrijvingen zijn te vinden van in Nederland gevonden munten, penningen en andere numismatische voorwerpen. In NUMIS zijn alle bij het Geldmuseum bekende schatvondsten beschreven. Van de losse vondsten is 16 met name materiaal van vóór het jaar 1600 na Christus opgenomen. Aangezien de accuratesse van de gegevens in NUMIS niet toereikend is voor dit onderzoek, is NUMIS niet geraadpleegd. 3.8
Relatie aardwetenschappelijke informatie met archeologische waarden
Het plangebied is gelegen op een relatief laag deel van een rivierduincomplex uit de Jonge Dryas. De rivierduinen hebben over het algemeen een hoge archeologische verwachting, waarbij resten van jagers/verzamelaars op de hogere delen worden verwacht, terwijl resten van landbouwers op de middelhoge en lagere terrreindelen worden verwacht. Rondom het plangebied zijn verschillende archeologische waarden bekend uit de periode Bronstijd – Middeleeuwen. Het merendeel van deze resten is aangetroffen op een niveau dat iets hoger ligt dan het plangebied, maar ook op vergelijkbare en lagere niveaus zijn resten aangetroffen. 3.9
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VI.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum Mesolithicum
Middelhoog
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen/ in de stuifzanden
Neolithicum
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen/ in de stuifzanden
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen/ in de stuifzanden
IJzertijd – Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen/ in de stuifzanden
Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de rivierduinafzettingen/ in de stuifzanden
16
www.geldmuseum.nl/museum/content/zoeken-numis.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 12 van 17
Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied gelegen is op een relatief laag deel van een rivierduincomplex uit de Jonge Dryas. Hierdoor kunnen binnen het plangebied archeologische resten voor komen uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Vanwege de ligging op het rivierduin, in de nabijheid van de Holocene riviervlakte, zal het plangebied gedurende het Holoceen een gunstige (tijdelijke) nederzettingslocatie hebben gevormd, met name voor landbouwers. Dit wordt tevens bevestigd door de bekende archeologische waarden in de nabijheid van het plangebied. De kans op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Neolithicum – Nieuwe tijd wordt dan ook hoog geacht. Vanwege het ontbreken van bekende archeologische waarden van jagers/verzamelaars in de omgeving van het plangebied, en de ligging van hogere rivierduinen in de directe nabijheid, wordt de kans op het aantreffen van resten uit de perioden LaatPaleolithicum – Mesolithicum middelhoog geacht. Archeologische resten worden verwacht in de top van de rivierduinzanden. Indien verstuiving heeft plaatsgevonden ter plaatse van het plangebied, dan zouden archeologische resten jonger dan de verstuiving zich ook in de verstoven zanden kunnen bevinden.
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, hoeft niet te betekenen dat de eventueel aanwezige archeologische resten ook behoudenswaardig zijn. Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn. Het plangebied is in het verleden deels in gebruik geweest als metaalfabriek. Door de bijbehorende bebouwing en bedrijfsactiviteiten zal het bodemprofiel plaatselijk verstoord zijn geraakt. Verder zijn woon- en winkelpanden aanwezig ter plaatse waarvan het bodemprofiel deels verstoord zal zijn. 3.10 Beantwoording onderzoeksvragen bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is een drietal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het bureauonderzoek de daarvoor benodigde gegevens hebben opgeleverd.
Wat is er bekend over bodemverstorende ingrepen binnen het plangebied uit het verleden? Is er bijvoorbeeld informatie bekend over vroegere ontgrondingen, bodemsaneringen, egalisaties, diepploegen of landinrichting? Het plangebied is in het verleden deels in gebruik geweest als metaalfabriek. Door de bijbehorende bebouwing en bedrijfsactiviteiten zal het bodemprofiel plaatselijk verstoord zijn geraakt. Verder zijn woon- en winkelpanden aanwezig ter plaatse waarvan verwacht wordt dat het bodemprofiel deels verstoor is.
Ligt het plangebied binnen een landschappelijke eenheid, welke vanuit archeologisch oogpunt een specifieke aandachtslocatie kan betreffen (zoals een relatief hoge dekzandkop of rug, nabij een veengebied, een beekdal)? Het plangebied is relatief laag gelegen op een rivierduin uit de Jonge Dryas, in de nabijheid van de Holocene riviervlakte van de Oude IJssel.
Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Het plangebied heeft een middelhoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum en een hoge verwachting voor resten uit de periode Neolithicum – Nieuwe tijd.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 13 van 17
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
4.1
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, conform de eisen van de KNA, versie 3.2, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 3 januari 2012 door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. In totaal zijn er 12 boringen gezet met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm, tot een maximale diepte van 1,5 m -mv (zie figuur 13). Er is in 5 raaien geboord met een afstand van 20 m tussen de raaien en een afstand van 25 m tussen de boringen. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. De boringen 17 zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.
Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel is de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu is geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Vanwege het gebruik van het plangebied (begroeid, verhard en bebouwd) was het niet mogelijk een oppervlaktekartering uit te voeren. 4.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven: Tabel VII. Diepte
17
Hoofdlijn bodemopbouw Samenstelling
Interpretatie
0 – 0,4
Matig grof, siltarm, matig humeus, grindhoudend zand. Baksteenfragmenten en sintels. Donkerbruingrijs tot donkergrijsbruin.
Ap-horizont
0,4 – 0,9
Matig fijn tot matig grof, siltarm, donkerbruin zand.
B-horizont
0,9 – 1,1
Matig fijn tot matig grof, siltarm, geelbruin zand.
BC-horizont
1,1 – 1,5
Matig fijn tot matig grof, siltarm,licht bruingeel zand. Lichte tot matige gley-verschijnselen.
C-horizont
Bosch, 2005.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 14 van 17
De natuurlijke afzettingen bestaan binnen het plangebied uit matig fijne tot matig grove, siltarme zanden, welke rivierduinafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen betreffen. In deze afzettingen is oorspronkelijk een vorstvaaggrond tot ontwikkeling gekomen. Dit bodemprofiel bestaat binnen het plangebied uit een A-horizont met daaronder een circa 0,5 m dikke B-horizont, een circa 20 cm dikke BC-horizont en vervolgens de C-horizont. De top van het profiel is binnen het gehele profiel verstoord en heeft veelal een bijmenging van grof zand en grind. In de verstoorde top, maar ook in de daaronder liggende B-horizont zijn baksteenresten, sintels, industrieel glas en aardewerk en kolengruis waargenomen in het opgeboorde materiaal. Hieruit blijkt dat ook de (top van) de B-horizont verstoord is. De verschillende horizonten bleken over het algemeen nog wel goed te onderscheiden in de boringen, waaruit blijkt dat de recente verstoringen niet al te ingrijpend zijn geweest. Vanwege het karakter van de aangetroffen B-horizont (enigszins humeus), de ligging binnen een gebied waar op het historisch kaartmateriaal in het verleden al lange tijd akkerbouw werd bedreven en resultaten van onderzoeken in de omgeving, dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat de hierboven beschreven B-horizont in werkelijkheid een oude akkerlaag betreft.
Hierover kon op basis van het booronderzoek geen uitsluitsel worden gegeven. Het aangetroffen bodemprofiel komt overeen met het bodemtype zoals verwacht op basis van de gegevens op de Bodemkaart van Nederland (zie § 3.6). Archeologische indicatoren Van alle boringen zijn zeefmonsters genomen vanaf het maaiveld (of, indien aanwezig, van onder de verhardings- en stabilisatielaag). Het opgeboorde materiaal is gezeefd over een zeef met maaswijdte 4 mm. De meest opvallende indicatoren zijn hieronder opgenomen in Tabel VIII. Tabel VIII. Boring nr.
Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren Diepte (cm –mv)
Datering
Indicator
104
35-100
Nieuwe tijd C
3 fragmenten roodbakkend geglazuurd aardewerk
107
0-50
-Nieuwe tijd C -Late Middeleeuwen – recent
-1 fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk -1 klein aardewerkfragment, mogelijk ook baksteen
Bovenstaande indicatoren zijn aangetroffen in een verstoorde context waar ook recent materiaal in aawezig is. De indicatoren vormen geen directe aanwijzing voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. 4.3
Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
Voor het veldonderzoek is een aantal onderzoeksvragen opgesteld. Hieronder worden deze vragen beantwoord voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd;
Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? De natuurlijke afzettingen bestaan uit rivierduinzand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen. Hierin is oorspronkelijk een vorstvaaggrond ontwikkeld, waarvan de top recentelijk verstoord is geraakt.
Is het bodemprofiel binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring? De top van het bodemprofiel is verstoord. Deze verstoring reikt in ieder geval tot in de Bhorizont. De verschillende bodemhorizonten zijn nog wel duidelijk herkenbaar, waardoor verwacht mag worden dat de bodem niet al te intensief verstoord is geraakt.
10085956 DOE.M15.ARC
Pagina 15 van 17
Zijn, daar waar het bodemprofiel intact is, archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats? Zo ja, wat is de aard en diepteligging ervan? De aangetroffen indicatoren zijn over het algemeen recent. In twee boringen zijn aardewerkfragmenten aangetroffen die dateren uit respectievelijk de Nieuwe tijd C en de periode Late Middeleeuwen – recent. De indicatoren komen echter uit een enigszins verstoorde laag, waar ook recente resten in zijn aangetroffen. De indicatoren vormen geen directe indicatie voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.
Zijn er archeologische lagen aangetroffen (cultuur- en afvallagen cq. ophogingslagen)? Zo ja, wat is de aard, diepteligging en minimale en maximale dikte ervan? Binnen het plangebied is een geroerde B-horizont aangetroffen, waarbij rekening gehouden dient te worden met de mogelijkheid dat het een oude akkerlaag betreft. Deze laag bevindt zich onder de bouwvoor en heeft een dikte van circa 0,5 m.
In welke mate stemmen de resultaten overeen met de verwachtingen? Op basis van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, dient de verwachting bijgesteld te worden tot een lage verwachting voor alle archeologische perioden.
Indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen van de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Binnen het plangebied wordt geen vindplaats verwacht.
5 5.1
CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES Conclusie
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder de ligging op een rivierduin en de nabijheid van bekende archeologische waarden verhoogde de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is grotendeels intact en komt overeen met de verwachtingen op basis van het bureauonderzoek. In het opgeboorde sediment zijn echter geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van archeologische waarden. De gespecificeerde archeologische verwachting kan op basis van deze resultaten worden bijgesteld tot een lage verwachting voor alle archeologische perioden. 5.2