Bijlage 1 01_03_B5_Toelichting_Quickscan Wet Natuurbescherming.pdf
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem
Opdrachtgever: Pardal Dhr. R. Harmsen Lengelseweg 70 7041 DS ‘s-Heerenberg
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
202650 29-3-2022 N. Otten N. Otten M. van der Heide Definitief 4
© 2022 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ....................................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie .......................................................................................................................................5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................................10
3
Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 11
3.1
Inleiding ................................................................................................................................................11
3.2
Bescherming van soorten .....................................................................................................................11
3.3
Bescherming van gebieden...................................................................................................................11
3.4
Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................12
3.5
Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................12
4
Methode.................................................................................................................................................... 13
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................13
4.2
Bureauonderzoek .................................................................................................................................13
4.3
Terreinbezoek .......................................................................................................................................13
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 14
5.1
Inleiding ................................................................................................................................................14
5.2
Planten..................................................................................................................................................14
5.3
Zoogdieren ............................................................................................................................................14
5.4
Vogels ...................................................................................................................................................18
5.5
Reptielen...............................................................................................................................................19
5.6
Amfibieën .............................................................................................................................................20
5.7
Vissen....................................................................................................................................................20
5.8
Ongewervelden ....................................................................................................................................20
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 22
6.1
Beschermde soorten.............................................................................................................................22
6.2
Bescherming gebieden .........................................................................................................................23
6.3
Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................23
6.4
Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................23
6.5
Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................23
6.6
Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................23
7
Literatuur .................................................................................................................................................. 24
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 25
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 3
1 Inleiding De initiatiefnemer is voornemens om, in het noorden van Doetinchem, de bestaande activiteiten van Villa Ruimzicht richting het oosten uit te breiden. De uitbreiding bestaat uit stadslandbouw, een horecapaviljoen, lodges voor recreatief verblijf en een woning. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied ter grootte van circa 3 hectare is direct gelegen ten oosten van Villa Ruimzicht in het noorden van Doetinchem (afbeelding 1 & 2). Globaal gezien is het plangebied gelegen aan de buitenrand van de bebouwde kom van Doetinchem, tussen het centrum en het Hagenbos in het buitengebied. Het is direct gelegen ten oosten van de provinciale weg N316 (Haareweg) en ten noorden van de Dominee van Dijkweg en de Ruimzichtlaan. Binnen het plangebied zijn vrij weinig natuurwaardes aanwezig. Binnen het plangebied is namelijk een betonnen voetbalveld aanwezig evenals een grasveld met gazonbeheer (afbeelding 3). Hiernaast is in het noordwesten van het plangebied nog een elektriciteitshuisje/trafo aanwezig. De randen van het plangebied worden begrensd door bomenrijen met een summiere struiklaag. De beplanting langs N316 bestaat voornamelijk uit zomereiken en niet inheemse esdoorns met een ondergroei van hazelaar, hulst, taxus en sneeuwbes. Tussen het plangebied en Villa Ruimzicht staan vooral lindes met veel oude taxussen. De noordkant wordt voornamelijk begrensd door laag struweel van braam en sneeuwbes.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 5
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Doetinchem (ESRI, 2022).
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 6
Afbeelding 2: Luchtfoto van het plangebied (ESRI, 2022).
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 7
Afbeelding 3a: Impressie plangebied, situatie op 27-01-2022.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 8
Afbeelding 3b: Impressie plangebied, situatie op 27-01-2022.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 9
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens om op het perceel stadslandbouw uit te oefenen. Hiervoor zal een groot gedeelte van het plangebied worden ingedeeld in plantvakken met een kas. Hiernaast zal binnen het plangebied één woning, zes lodges voor verblijfsrecreatie en een horecapaviljoen worden ontwikkeld. Deze ruimtelijke ontwikkelingen vinden allen plaats op het grasveld en het betonnen voetbalveld. Om de toegangsweg tot het terrein te realiseren zal maximaal één esdoorn moeten worden gekapt langs de N316, mogelijk moeten naast de westelijk gelegen lindelaan ook drie lindes worden gekapt. Het werkelijke aantal zal waarschijnlijk lager liggen, maar omdat de exacte ontsluiting nog niet bekend is wordt van de slechtste situatie uitgegaan. Zie voor het huidige ontwerp afbeelding 4.
Afbeelding 4: Ontwerp van de beoogde situatie op de buitenplaats van Villa Ruimzicht.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 10
3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 10,7 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 11
ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Voor tijdelijke projecten geldt momenteel een vrijstelling van de vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Momenteel is een stikstofberekening middels AERIUS-Calculator (AERIUS, 2022) niet noodzakelijk voor het bouwrijp maken en ontwikkelen van plangebied. Het dagelijkse gebruik is echter geen project van tijdelijke aard. Gezien de geringe omvang van de geplande ontwikkeling en de zeer grote afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden wordt een significante stikstofdepositie niet verwacht. Hier komt bij dat de gebouwen conform wetgeving gasloos worden gebouwd en hierdoor zelf geen stikstof uitstoten.
3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied maximaal één esdoorn en drie lindes gekapt. Omdat dit binnen de bebouwde kom Boswet ligt is het indienen van een kapmelding in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Wel moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij de gemeente Doetinchem. Het betreft een lintbeplanting met een diameter op borsthoogte, groter dan 38 cm (gemeente Doetinchem, 2022).
3.5 Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. Zo gebruikt Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN). De provincie heeft daarnaast de Groene Ontwikkelingszone (GO) vastgesteld. Dit zijn gebieden die over het algemeen rond en tussen het GNN liggen, zoals de ecologische verbindingszones, weidevogelgebieden en rustgebieden voor wintergasten (ganzen). In de GO is ruimte voor economische ontwikkelingen, indien deze samengaan met een substantiële versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. In het GNN en GO geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het GNN of GO denkbaar zijn, is het noodzakelijk een GNN-toetsing uit te voeren. De GNN en de GO worden beide beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten.
Gevolgen plangebied Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het GNN of GO (provincie Gelderland, 2021). In provincie Gelderland is er tevens geen sprake van een externe werking. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. Een toetsing aan het GNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 12
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) (NDFF, 2022); • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database.
4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door N. Otten uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 27 januari 2022 bij 5°C, bewolkt weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
• •
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
•
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, Sovon Vogelonderzoek Nederland, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 13
5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de huidige inrichting van het plangebied (grasveld met gazonbeheer) was dit ook niet de verwachting. Beschermde plantensoorten komen voor in specifieke schaarse biotopen en zijn hierom allemaal zeer zeldzaam. Het gaat hierbij onder andere om kalkgraslanden, hoogvenen en kalkrijke akkers. Van een dergelijk biotoop is binnen het plangebied geen sprake. Hier groeien voornamelijk soorten van voedselrijke graslanden welke zich kunnen handhaven in een gazon. Het betreffen soorten als smalle weegbree, kleine klaver, witte klaver en paardenbloem. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop uitgesloten, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 14
Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis, bosvleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Gebouwen Binnen het plangebied is bebouwing alleen aanwezig in de vorm van een elektriciteitshuisje/trafo in het noordwesten van het plangebied. Dit betreft een gebouw welke door de bouwkundige eigenschappen ongeschikt is voor vleermuizen. Er is geen spouwmuur aanwezig evenals wegkruipmogelijkheden achter de dakrand. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn hierom uitgesloten. Bomen Binnen het plangebied worden maximaal één esdoorn en drie lindes gekapt. Deze bomen bevatten geen holtes in de vorm van ingerotte snoeiwonden, oude spechtengaten of loshangend schors. De aanwezige snoeiwonden zijn niet of zeer ondiep (max. 5 cm) ingerot waardoor potentiële verblijfplaatsen hier niet aanwezig zijn. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied is aan de randen redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Hier zijn luwe zones aanwezig langs de boomkronen, welke gebruikt kunnen worden om rondom te foerageren. De omgeving van het plangebied is ook geschikt door de vele oude boomstructuren in het noorden van Doetinchem. Hiernaast is potentieel geschikt foerageergebied veelvuldig aanwezig in het kleinschalige landschap, in het buitengebied. Naast foerageergebied gebruiken vleermuizen lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes).
Het is mogelijk dat de oude lindelaan en de lintbeplanting langs de N316 dusdanig worden gebruikt. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 15
Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Door het ontbreken van potentieel geschikte verblijfplaatsen in het elektriciteitshuisje (welke tevens behouden blijft) en de mogelijk te kappen bomen kunnen verblijfplaatsen worden uitgesloten binnen het plangebied. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is hierom niet aan de orde. Foerageergebieden en vliegroutes Mogelijk wordt het plangebied gebruikt als onderdeel van het foerageergebied van diverse vleermuissoorten. Dit betreft geen essentieel foerageergebied gezien de ligging in een groene omgeving met voldoende alternatieven, zowel binnen als buiten de bebouwde kom van Doetinchem. Hiernaast blijven vrijwel alle bomen gehandhaafd en het plangebied blijft hierom in potentie geschikt voor vleermuizen. Ditzelfde geldt voor het mogelijk gebruik van het plangebied als vliegroute.
Door de omliggende bebouwing en bomen zijn voldoende alternatieve vliegroutes aanwezig om zich langs te verplaatsen. Hiernaast blijven de bestaande vliegroutes binnen het plangebied behouden (indien aanwezig), het kappen van maximaal zes bomen zorgt hierbij niet voor een onderbreking van meer dan 50 meter welke invloed zou kunnen hebben op de functionaliteit van een vliegroute. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is hierom ook niet aan de orde voor foerageergebied en vliegroutes. Eelerwoude adviseert om vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken door geen uitstralende armaturen te gebruiken en hierbij de boomkronen niet te verlichten (zie Kader – Verlichting). Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 16
Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:
• • • • •
verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur; geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: vos, egel, haas, konijn en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Binnen en rondom het plangebied komen mogelijk ook enkele soorten voor zonder provinciale vrijstelling als steenmarter en eekhoorn. Deze soorten komen veelvuldig voor binnen een stedelijke omgeving, hiernaast zijn beide soorten bekend vanuit de omgeving (NDFF, 2022). Van beide soorten zijn geen (potentiële) verblijfplaatsen in de vorm van holtes of nesten (eekhoorn) vastgesteld. De randen van het plangebied worden mogelijk wel gebruikt als onderdeel van het leef- en foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied gezien de ligging in een groene omgeving, hiernaast betreft dit een beperkte oppervlakte. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van sommige, genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”.
Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 17
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor steenmarter en eekhoorn geldt dat verblijfplaatsen en essentieel leef- en foerageergebied niet zijn aangetroffen. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soorten. Dit leefgebied wat aanwezig is in de randzone van het plangebied blijft behouden bij de geplande ruimtelijke ontwikkeling. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken, zijn niet aangetroffen binnen of rondom het plangebied. Er zijn geen horsten, oude kraaiennesten of holtes in bomen aangetroffen. Hiernaast is het elektriciteitshuisje niet toegankelijk voor gebouwbewonende soorten. De taxussen rondom Villa Ruimzicht zijn ook gecontroleerd op roestplaatsen van ransuil.
Deze bevinden zich geregeld in stedelijke omgevingen maar zijn hier niet aangetroffen. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als koolmees, pimpelmees, grote bonte specht, groene specht, spreeuw en boomkruiper. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; houtduif, Turkse tortel, zanglijster, grasmus, braamsluiper, tuinfluiter, tjiftjaf, merel, roodborst en winterkoning. Binnen het plangebied zijn verschillende nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hier is binnen het plangebied geen sprake van doordat nestlocaties en/of deze functionele leefomgeving ontbreken.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 18
Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van het plangebied en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten (randzone), gaat het maximaal om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing zijn om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1.
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Nesten zijn mogelijk in de randzone van het plangebied, specifiek de ondergroei onder de esdoorns aan de N316 en het braamstruweel in het noorden van het plangebied. Kap en snoei werkzaamheden zijn hierom alleen mogelijk buiten het broedseizoen tenzij door middel van een broedvogelcheck is aangetoond dat hierin geen nesten aanwezig zijn. Overige werkzaamheden kunnen wel plaatsvinden zolang de omliggende beplantingen gehandhaafd blijven. Conclusie: bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels door kap en snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
5.5 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2022). Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 19
5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander, boomkikker of poelkikker, worden niet verwacht in het plangebied vanwege het aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken waterelementen in het plangebied, evenals geschikt landbiotoop. Er zijn ook alleen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën buiten de bebouwde komen, in en rondom het Hagenbos (NDFF, 2022). Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt en tijdelijk verlies van het landbiotoop van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van het aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten.
Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.
5.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Effecten op beschermde vissen zijn daarom uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) komen grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en grote vos voor in en rondom het Hagenbos (NDFF, 2022). Binnen het plangebied ontbreekt geschikt biotoop in de vorm van (natte)bosranden evenals de benodigde waardplanten. Respectievelijk betreffen dit boswilg, wilde kamperfoelie en zoete kers/iep.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 20
Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 21
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Door het ontbreken van potentieel geschikte verblijfplaatsen in het elektriciteitshuisje (welke tevens behouden blijft) en de mogelijk te kappen bomen kunnen verblijfplaatsen worden uitgesloten binnen het plangebied. Mogelijk wordt het plangebied gebruikt als onderdeel van het foerageergebied van diverse vleermuissoorten. Dit betreft geen essentieel foerageergebied gezien de ligging in een groene omgeving met voldoende alternatieven, zowel binnen als buiten de bebouwde kom van Doetinchem. Hiernaast blijven vrijwel alle bomen gehandhaafd en het plangebied is hierom in potentie geschikt voor vleermuizen. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is hierom ook niet aan de orde voor foerageergebied en vliegroutes. Eelerwoude adviseert om vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken door geen uitstralende armaturen te gebruiken en hierbij de boomkronen niet te verlichten. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels.
Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen 2 uit te voeren. Nesten van algemene broedvogels zijn mogelijk in de randzone van het plangebied, specifiek de ondergroei onder de esdoorns aan de N316 en het braamstruweel in het noorden van het plangebied. Kap en snoei werkzaamheden zijn hierom alleen mogelijk buiten het broedseizoen tenzij door middel van een broedvogelcheck is aangetoond dat hierin geen nesten aanwezig zijn. Overige werkzaamheden kunnen wel plaatsvinden zolang de omliggende beplantingen gehandhaafd blijven.
6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, 2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 22
dus ook niet-beschermde soorten en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Voor tijdelijke projecten geldt momenteel een vrijstelling van de vergunningsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Momenteel is een stikstofberekening middels AERIUS-Calculator niet noodzakelijk voor het bouwrijp maken en ontwikkelen van plangebied. Het in gebruik nemen is echter geen project van tijdelijke aard. Gezien de geringe omvang van de geplande ontwikkeling en de zeer grote afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden wordt een significante stikstofdepositie niet verwacht. Hier komt bij dat de gebouwen conform wetgeving gasloos worden gebouwd en hierdoor zelf geen stikstof uitstoten.
6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied maximaal één esdoorn en drie lindes gekapt. Omdat dit binnen de bebouwde kom boswet ligt is het indienen van een kapmelding, in het kader van de Wet natuurbescherming, niet aan de orde. Wel moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij de gemeente Doetinchem. Het betreft een lintbeplanting met een diameter op borsthoogte, groter dan 38 cm.
6.4 Gelders Natuurnetwerk Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het GNN of GO. In de provincie Gelderland is er geen sprake van een externe werking. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. Een toetsing aan het GNNbeleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 23
7 Literatuur • • • • •
AERIUS. (2022). AERIUS-Calculator. Opgehaald van aerius.nl: www.aerius.nl ESRI. (2022). ESRI Nederland. Opgehaald van esri.nl. Gemeente Doetinchem. (2022). Bomen kappen, omgevingsvergunning. Opgehaald van doetinchem.nl: https://www.doetinchem.nl/bomen-kappen-omgevingsvergunning NDFF. (2022). uitvoerportaal. Opgehaald van ndff-ecogrid.nl: https://www.ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul Provincie Gelderland. (2021). Kernkwaliteiten GNN GO. Opgehaald van gelderland.maps.arcgis.com: http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=92d4c54aed8147ae8aa704c312f71 9bc
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 24
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).
De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 25
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 26
Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 27
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.
Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Herontwikkeling buitenplaats Villa Ruimzicht, Doetinchem | Eelerwoude | 28
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;