Bijlage 01_10_Toelichting bijlage 1.pdf
Tekst van het document
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van een ‘gemengd gebied’. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. De locatie bevindt zich in het buitengebied en is daarom het best te typeren als ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl 5.5.3
Situatie projectgebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het bedrijf zelf blijft onveranderd qua bedrijfsvoering. Het gaat puur om de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving en is daarom niet opgenomen in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling hinder ondervindt van de bestaande functies in de omgeving. Woningen worden in dit kader aangemerkt als milieugevoelige functies. In dit geval liggen er in de directe omgeving een aantal agrarische bedrijven. Bij agrarische bedrijven zijn niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Het aspect geur hoeft dan ook niet te worden getoetst onder milieuzonering. Met uitzondering van het aspect ‘geur’ geldt een grootste richtafstand van 50 m voor het aspect geluid..
Het dichtstbijzijnde veebedrijf ligt op circa 180 meter ten noordoosten van het projectgebied waardoor ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan. 5.5.4
Conclusie
Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. In afwijking van het vorenstaande bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl 5.6.2
Situatie projectgebied
Omliggende agrarische bedrijven zijn gelegen op een afstand groter dan 50 meter en zijn aangeduid als grondgebonden. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstandseis en is ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. 5.6.3
Conclusie
De Wet geurhinden en veehouderij (Wgv) vormt geen belemmering voor voorliggend project.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Stikstofdepositie Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het projectgebied bevindt zich op circa 4,3 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (Rijntakken). Door BJZ.nu is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten behoeve van de stikstofdepositie. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 3. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in de provinciale structuurvisie uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen op circa 750 meter ten zuidoosten van het projectgebied.
Gezien het feit dat er sprake is van een ontwikkeling buiten de NNN en de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Daarnaast valt het projectgebied binnen de contouren van de Groene Ontwikkelingszone zoals genoemd in de Omgevingsverordening Gelderland. Hiervoor geldt op basis van de Omgevingsverordening dat een kleinschalige ontwikkeling binnen de GO mogelijk kan worden gemaakt mits de kernkwaliteiten van het betreffende gebied per saldo substantieel worden versterkt en deze versterking planologisch verankerd is. Het projectgebied wordt landschappelijk ingepast waardoor de kernkwaliteit van het GO versterkt worden. Hier is bij de toetsing aan het provinciaal beleid reeds op ingegaan. 5.7.3
Soortenbescherming
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden (flora en fauna). Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl De huidige inrichting en het beheer maken het projectgebied tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. De beoogde locatie is onbebouwd en bestaat volledig uit grasland. Daarnaast wordt dit grasland tot op heden intensief onderhouden en gebruikt voor agrarische doeleinden/grasland, zoals te zien is in afbeelding 5.2.
Afbeelding 5.2
5.7.4
Situatie projectgebied (Bron: Initiatiefnemer)
Conclusie
Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl 5.8.1.2 Situatie projectgebied Het voornemen is getoetst aan de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Doetinchem. Hieruit volgt dat de beoogde locatie van de vervangende bedrijfswoning ligt binnen een gebied met ‘hoge verwachting, waarschijnlijk goede conservering’. Binnen dit gebied is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien ingrepen dieper dan 40 cm plaatsvinden met een oppervlakte gelijk of groter dan 250 m2. Aangezien het toe te voegen bouwvlak groter is dan de betreffende oppervlaktegrens is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In voorliggend geval is door Laagland een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Tijdens het onderzoek zijn geen archeologische sporen aangetroffen, maar alleen recente verstoringen. De bevindingen van het huidige onderzoek komen overeen met de bevindingen van het voorgaande onderzoek dat in 2016 op het perceel is uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie projectgebied De voormalige karakteristieke bedrijfswoning wordt behouden, en wordt gebruikt ten dienste van het bedrijf. De karakteristieke waarden van het pand blijven daardoor behouden. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend project. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.9
Verkeer & parkeren
5.9.1
Algemeen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de extra verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381, december 2018) van het CROW kan de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van de ontwikkeling berekend worden. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis op onder andere het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Toekomstbestendig parkeren' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl 5.9.2
Parkeren
De gemeente Doetinchem hanteert haar eigen parkeerbeleid. De gemeente heeft in de ‘Nota Parkeernormen Auto en Fiets’ parkeernormen opgesteld. Hierin is de parkeernorm per gebied weergegeven. Voorliggend projectgebied bevindt zich in een gebied aangewezen als ‘Buitengebied’. In een dergelijk gebied wordt voor vrijstaande woningen een parkeernorm van 2.4 parkeerplaatsen per woning aangehouden. Er is geen sprake van het toevoegen van een woning aangezien de oude bedrijfswoning voor bedrijfsmatige activiteit gebruikt gaat worden. Het erf is van ruimvoldoende omvang om te kunnen voorzien in deze parkeerbehoefte. 5.9.3
Verkeer
Van een toename van verkeersbewegingen is geen sprake aangezien de huidige bedrijfswoning voor bedrijfsmatige activiteiten gebruikt gaat worden. 5.9.4
Conclusie
Gelet op vorenstaande zijn vanuit het aspect verkeer & parkeren geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling te verwachten.
5.10
Waterhuishouding
5.10.1 Algemeen In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico’s op wateroverlast of watertekorten. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.10.2 Watertoets Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De watertoets is bijgevoegd als bijlage 5. In de nieuwe situatie wordt hemelwater opgevangen op eigen perceel. Het hemelwater verdwijnt hierbij voornamelijk in de onbetegelde onverharde bodem.
Gezien de locatie zich in het (agrarisch) buitengebied is, is er genoeg onverharde bodem voor de infiltratie van hemelwater. Het hemelwater wordt niet samen met afvalwater afgevoerd. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Rijn en IJssel geeft een positief wateradvies. De resultaat van de watertoets is als bijlage toegevoegd.
5.11
Besluit milieueffectrapportage
5.11.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl • •
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd.
5.11.2 Beoordeling 5.11.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 4,3 kilometer afstand van het plangebied. Door BJZ.nu is een stikstofberekening uitgevoerd ten behoeve van het meten van de stikstofdepositie. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk. 5.11.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk.
Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de realisatie van één woning. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat voorliggende ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.11.3 Conclusie Dit plan is niet m.e.r.-plichtig omdat het geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de voorliggend plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl
HOOFDSTUK 6
CONCLUSIE
De voorgenomen ontwikkeling; het realiseren van een vervangende bedrijfswoning, past binnen de relevante beleidskaders en loopt gelet op de milieu- en omgevingsaspecten niet tegen onoverkomelijke belemmeringen aan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Ruimtelijke onderbouwing Monseigneur Hendriksenstraat 29, Wehl
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
Bijlage 2
Bodemonderzoek
Bijlage 3
AERIUS-berekening
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek
Bijlage 5
Watertoets
Bijlage 6
Versterkingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33