CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B8.0 Onderbouwing Heijendaalseweg 3, Wehl.pdf

gemeenteraad 30 maart 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 4.1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-2G12.264 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.2.2

Onderzoek

De uitstoot van stoffen als stikstof (ammoniak) en fijnstof zal door het beëindigen van de varkenshouderij aanzienlijk verminderen omdat er geen dieren meer gehouden worden. Zo blijkt uit bijgevoegde Aeriusberekening dat het bedrijf geen depositie van stikstof meer veroorzaakt op natuurgebieden. Daarnaast heeft de nieuwe activiteit geen toename van verkeersbewegingen tot gevolg. De toename van stofemissie als gevolg van het nieuwe project kan als NIBM worden beschouwd.

6.2.3

Conclusie

Het project heeft een positieve invloed op het aspect luchtkwaliteit.

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er 30

moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

6.3.2

Onderzoek

Door het verdwijnen van de varkenshouderij, en het doorzetten van de bedrijfstak akkerbouw met fouragehandel en hoveniersactiviteiten zal de uitstoot van geur aanzienlijk verminderen. En is het aannemelijk dat de geur van deze activiteiten op bestaande geurgevoelige gebouwen in de omgeving aanvaardbaar is.

6.3.3

Conclusie

Het project heeft een positieve invloed op het aspect geur.

6.4 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. Trillingen spelen bij dit project geen rol omdat er geen gebruik gemaakt wordt van zware machines die trillingen veroorzaken.

6.5 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

6.5.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

31

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

6.5.2

Onderzoek

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is in beginsel het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Gelet op de zeer beperkte verblijfstijd van personen in het bedrijfsgebouw (minder dan 2 uur/dag; hoofdtaak is het telen van gewassen in de open lucht) is een verkennend bodemonderzoek niet benodigd, tenzij er aanwijzingen zijn dat bij de nieuwbouw (graafwerkzaamheden) in verontreinigde bodem gewerkt zal worden. Ten behoeve van de sloopactiviteiten is onder andere het maaiveld (visueel) onderzocht op de aanwezigheid van asbest. De asbestsanering van de gebouwen heeft inmiddels plaatsgevonden, zowel op de daken, als het onder betonvloeren verwerkte asbesthoudende materiaal. Uit het vooronderzoek is onder andere gebleken dat een druppelzone-onderzoek ter plaatse van de bodem onder het dak niet nodig is omdat de (inmiddels) gesloopte gebouwen waren voorzien van regengoten en hemelwaterafvoerleidingen. Hierdoor wordt de kans op bodemverontreiniging met asbestvezels als gevolg van eroderende daken nihil geacht. Eventuele andere bodemverontreinigingen, bijvoorbeeld als gevolg van ondergrondse tanks, worden ter plaatse (ook) niet verwacht.

6.5.3

Conclusie

Het aspect bodem is voldoende beoordeeld en in dit stadium verder niet van invloed op het project. Mocht tijdens de nieuwbouwwerkzaamheden onverwacht bodemverontreiniging worden aangetroffen (bijvoorbeeld stortgaten van asbestplaten), dan dient deze gesaneerd te worden.

6.6 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

6.6.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 32

6.6.2

Onderzoek

In de nieuwe situatie zullen de nieuwe activiteiten ertoe leiden, dat het aantal verkeersbewegingen niet zal toenemen. Er is hooguit sprake van een geringe toename van het aantal bewegingen met personenauto’s, de verkeersbewegingen met middelzwaar blijven gelijk en het zwaar verkeer zal afnemen. De verkeersbewegingen vinden gespreid over de dag plaats, en kunnen via de openbare weg vlot afgewikkeld worden. Op het erf wordt een ruime verharding aangelegd, zodat er minimaal 5 auto’s kunnen parkeren op het eigen erf. Dit is ruimer dan bv 2,8 parkeerplaatsen per 100 m2 voor een kleine kwekerij (Parkeervisie 2024 gemeente Doetinchem)

6.6.3

Conclusie

Mobiliteit en parkeren zullen in de nieuwe situatie geen belemmering vormen.

6.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

6.7.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). 33

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

6.7.2

Onderzoek

Dit project omvat geen risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteiten, gevaarlijke stoffen of windturbines.

6.7.3

Conclusie

Ten aanzien van dit project is de omgevingsveiligheid niet in het geding.

6.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

6.8.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6.8.2

Onderzoek

Voor het project zijn alle stikstofuitstoot- gerelateerde activiteiten in beeld gebracht en uitgewerkt in een Aerius berekening. Uit deze berekening (zie bijlage) blijkt dat er door de activiteiten geen stikstofdepositie meer plaats vindt op beschermde Natura 2000 gebieden. 34

Dit staat in groot contrast met de situatie tot heden, waarbij het bedrijf als piekbelaster werd aangemerkt op Natura2000 gebieden. Ten aanzien van de aanwezigheid van beschermde soorten is voorafgaand aan de sloop een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Daaruit bleek dat er geen beschermde soorten aanwezig waren, zie bijlage. Met de voorwaarden en aandachtspunten die in de Quickscan zijn opgenomen, is rekening gehouden bij de uitvoering van de sloop- en renovatiewerkzaamheden.

6.8.3

Conclusie

Ten aanzien van Natuur is dit project zeer positief door het vervallen van de stikstofuitstoot (en depositie op natuurgebieden). De moderne varkensstallen maken plaats voor een nieuwe berging die met extra aan te brengen beplanting de lokale natuurwaarden zal versterken.

6.9 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Het gemeentelijk beleid voor cultureel erfgoed in Doetinchem is vastgelegd in de Cultuurvisie Doetinchem 2024-2036 en de bijbehorende Uitvoeringsagenda Cultuur, die doelen en acties bevat voor de periode 2025-2027. De gemeente streeft naar een rijke, vitale en toekomstbestendige culturele infrastructuur, waarin kunst en cultuur een centrale rol spelen, ook op het gebied van talentontwikkeling, innovatie en economie.

35

6.9.2

Onderzoek

De projectlocatie heeft de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachting 3 (WR-A3). De herbouw van de loods vindt plaats op de plek waar de gebouwen (varkensstallen) hebben gestaan, en de grond al in een vroeger stadium geroerd is geweest tot ca 1,20 m diepte. Ten aanzien van de bouw van de nieuwe reeds vergunde loods speelt het bewaren of karteren van archeologische waarden geen rol omdat de loods een veel beperktere funderingsdiepte heeft (ca 60 cm-mv). Tevens rust op een deel van het perceel cultuurhistorische waarde. De gesloopte gebouwen zijn relatief modern, en in elk geval niet van monumentale waarde. Ondanks de cultuurhistorische waarde (geen monument) van de oude schuur naast de boerderij is deze schuur gesloopt in het kader van de LBV+ regeling. De schuur geniet geen monumentale status om behouden te kunnen blijven.

6.9.3

Conclusie

Ten aanzien van dit project speelt Cultureel erfgoed wel een rol, maar vormt dit geen belemmering voor de nieuwe ontwikkeling omdat het pand niet is aangemerkt als monument. Vanwege het bouwen met een geringere funderingsdiepte op de plaats waar varkensstallen hebben gestaan heeft de dubbelbestemming Archeologie geen gevolgen voor de bouwwerkzaamheden.

6.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. Gemeente Doetinchem refereert in haar beleid ten aanzien van duurzaamheid aan de definitie die de VN-commissie Brundtland in 1987 formuleerde : “een duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden, zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen.” Daarom wil de gemeente Doetinchem zorgen dat het leefklimaat in Doetinchem van hoge kwaliteit is. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de 36

luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Doetinchem staat aan de vooravond van een grote omslag in haar energiegebruik en – opwekking. We hebben de ambitie uitgesproken om in 2030 energieneutraal te zijn. Waar we nu nog vooral gebruik maken van fossiele brandstoffen, maken we in 2030 alleen nog gebruik van duurzame energiebronnen zoals zon, wind en biomassa.

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. In 2050 wil gemeente Doetinchem helemaal circulair zijn. Dat betekent dat we dan bijna geen nieuwe grondstoffen meer nodig hebben. In 2030 willen we al 50% minder nieuwe materialen gebruiken. Samen met inwoners, ondernemers en andere lokale en regionale partners hebben we een Plan van Aanpak Circulaire Economie 2024-2030 gemaakt.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5).

6.10.2 Onderzoek energietransitie Voor de bouw van de nieuwe werktuigenberging/akkerbouwschuur is de omgevingsvergunning reeds verleend en getoetst aan de duurzaamheidsaspecten. Er wordt gebruik gemaakt van geïsoleerde daken en wanden, zodat het verwarmen of koelen van de ruimte tot een minimum beperkt wordt. Op het dak van de bestaande werktuigenberging liggen zonnepanelen, die de energiebehoefte van het bedrijf ruimschoots overschrijden, zodat er energie geleverd wordt op het net.

6.10.3 Onderzoek circulariteit Het gebouw heeft geen functie als woon of kantoorgebouw, of daaraan verwant, dus is een onderzoek naar circulariteit niet relevant. Wel wordt het gebouw geheel als systeembouw opgericht. Mocht het gebouw ooit moeten verdwijnen of aangepast worden, dan zijn alle materialen herbruikbaar of recyclebaar. Op een deel van de daken liggen zonnepanelen, die de energiebehoefte van het bedrijf ruimschoots overschrijden, zodat er energie geleverd wordt op het net.

37

6.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het landelijk gebied. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als mijlpaal bepaald dat in 2050 sprake moet zijn van een klimaatbestendige inrichting van de omgeving. Hierin hebben overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Voor een goede klimaatadaptieve omgeving is onderstaande overzichtstabel opgesteld:

Figuur 7 overzichtstabel klimaatadaptieve omgeving Provincie Gelderland heeft de ambitie om in 2050 klimaatbestendig te zijn, door goed voorbereid en toegerust te zijn op de gevolgen van klimaatverandering: Wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. Deze aspecten worden ook genoemd in de klimaateffectatlas van de gemeente Doetinchem. De atlas toont de gevolgen van klimaatverandering voor de gemeente, en laat voor de projectlocatie met name effecten zien als gevolg van droogte, wateroverlast en hitte. 38

Het project voorziet er in, dat een grote varkenshouderij wordt gesloopt, en er een loods met een gereduceerde oppervlakte teruggeplaatst wordt. Deze omschakeling past ook al binnen het huidige omgevingsplan. De hoeveelheid hemelwater die in de nieuwe situatie geborgen en afgevoerd moet worden daalt hierdoor, hetgeen positief is in relatie tot het beleid van het waterschap (zie ook paragraaf 6.10.4. Gelet de lage grondwaterstand in dit gebied zal het hemelwater op maaiveldhoogte geloosd worden en kunnen infiltreren in de bodem op eigen terrein. Wateroverlast wordt op de projectlocatie voorkomen door het peil van de gebouwen ruim boven het omliggende maaiveld aan te leggen. De activiteiten op de locatie; het stallen van werktuigen, het opslaan van hooi en stro, en de nevenactiviteiten kenmerken zich door een zeer beperkte waterbehoefte. Het aanbrengen van een groenstrook zal zowel voor wateroverlast als droogte positief werken door de bufferende werking van de beplanting. Hierdoor zal geen sprake zijn van wateroverlast, invloed van droogte en / of overstroming. Hoge temperaturen zijn niet van invloed op het gebruik van het gebouw omdat de materialen die er in ondergebracht worden, niet gevoelig zijn voor temperaturen.

Door het toevoegen van de groenstrook en de fruitboomgaard bij de bebouwing wordt de buitenruimte als gevolg van schaduwwerking gekoeld, hetgeen positief is voor het beperken van de hitte. De donkerrode plek waarmee de locatie nu wordt aangemerkt in de Klimaatatlas van Doetinchem zal door de wijziging van de bedrijfssituatie verdwijnen.

6.10.5 Conclusie Ten aanzien van het aspect duurzaamheid wordt er in het project goed ingespeeld op de eisen van de tijd en de komende tijd.

6.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of; • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

39

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

6.11.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is niet te categoriseren als een activiteit als genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit waarvoor een mer(-beoordeling) benodigd is.

6.11.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het project wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Derhalve is de ladder niet van toepassing.

6.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

40

6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook nietplaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bklregels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld.

6.13.2 Onderzoek Door het stoppen van de varkenshouderij zullen diverse geluidsbronnen, zoals ventilatoren en het laden van varkens vervallen. Transportbewegingen voor voeders en mest worden verruild voor vervoersbewegingen met tractoren en lichtere voertuigen. Het geluid op het erf is beperkt; de nieuwe bebouwing is voorzien van roldeuren waardoor het geluid van eventuele binnenactiviteiten beperkt is. Het geluid als gevolg van de verkeer aantrekkende werking van de fourage zal zeer beperkt zijn omdat dit vooral personenauto’s zal betreffen. Voor de beoogde activiteiten zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aangeleverd de volgende mba’s gemeld bij de gemeente Doetinchem: a. verzoek nummer 20250213 00811 000: informatie over het telen van gewassen in de openlucht, § 3.6.3, artikel 3.208 Bal; b. verzoek nummer 2025021300809 000: melding composteren en opslaan van groenafval, § 4.89, artikel 4.880 Bal. In de beantwoording van de melding op 4 maart 2025 wordt bevestigd dat voldoende informatie is aangeleverd en dat het bedrijf omgeschakeld kan worden.

6.13.3 Conclusie Voor de beoogde ontwikkelingen zijn de milieubelastende activiteiten geen beperking voor het wijzigen van het omgevingsplan. Verwacht wordt dat aan de landelijke geluidsnormen voor het landelijk gebied voldaan kan worden.

41

6.14 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

6.14.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

6.14.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in het voorgoed beëindigen van een varkenshouderij en het doorontwikkelen tot een akkerbouwbedrijf met hoveniersactiviteiten. Door deze ontwikkeling zal de kwaliteit van de leefomgeving (geur, ammoniak, fijnstof) verbeteren.

6.14.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft positieve effecten op de leefomgeving, en dus positief voor de wijziging van het omgevingsplan.

7. Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones.

42

7.1 Onderzoek In de directe omgeving van de projectlocatie bevindt zicht de vrijwaringszone molenbiotoop van de Bernadette aan de Kerkhofweg 12 te Wehl. Bij het oprichten van bouwwerken moet bij de bouwhoogte rekening gehouden worden met de aanwezigheid van de molen. In de omgevingsvergunning voor de werktuigenberging / akkerbouwschuur heeft de toetsing aan de rekenregels voor de molenbiotoop plaatsgevonden.

Figuur 8 Molenbiotoop

7.2 Conclusie De aanwezigheid van de vrijwaringszone molenbiotoop heeft geen beperkende gevolgen voor het project omdat aan de maximale bouwhoogtes wordt voldaan.

43

8. Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.1.1

Financieel economische haalbaarheid

De economische haalbaarheid is geen item voor de gemeente. De gehele exploitatie van het project komt voor rekening van initiatiefnemer.

8.1.2

Kostenverhaal

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van en voor rekening en risico van initiatiefnemers. Het initiatief wordt gerealiseerd op het eigen perceel van de initiatiefnemers, dat zij in eigendom hebben. Er is geen sprake van kosten die voor verhaal in aanmerking komen, anders dan de kosten in verband met nadeelcompensatie (zie hierna onder 8.1.2). Het verplichte kostenverhaal wordt verzekerd met een verhaalsovereenkomst nadeelcompensatie.

8.1.3

Nadeelcompensatie

In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. Naar verwachting van initiatiefnemer zal geen sprake zal zijn van voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie. Ondanks deze verwachting heeft de gemeente met initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow gesloten ter zake van een mogelijke nadeelcompensatie die voor vergoeding in aanmerking komt. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1

Participatie

De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als 44

mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8376/documents/51884