CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B6.0 Onderbouwing Oude Terborgseweg 313, Doetinchem.pdf

gemeenteraad 30 maart 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 4.1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-2G15.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Afbeelding 11 Ligging plangebied t.o.v. naastgelegen melkveebedrijf

Op grond van het Omgevingsplan gemeente Doetinchem (artikel 22.100) geldt een minimale afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom, tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig object (woning). Artikel 22.103 schrijft voor dat de afstand tussen de gevels buiten de bebouwde kom minimaal 25 meter dient te zijn. Zoals reeds geconcludeerd ligt de beoogde woning op minimaal 60 meter afstand. Derhalve wordt het naastgelegen melkveebedrijf niet in haar rechten c.q. ontwikkelingspotentieel geschaad omdat wordt voldaan aan de gestelde afstanden in artikel 22.100 en 22.103. 4. Als sprake is van splitsing van een bedrijfswoning, dan moet worden aangetoond dat dit bijdraagt aan een toekomstbestendige bedrijfsvoering.

Deze voorwaarden is niet van toepassing. 5. Als sprake is van splitsing van een monumentaal pand of cultuurhistorisch waardevol pand, dan moet worden aangetoond dat de splitsing bijdraagt aan de instandhouding van c.q. geen afbreuk doet aan het monument of de cultuurhistorische waarden.

Zoals reeds beschreven is het pand opgenomen in de rapportage ‘Inventarisatie cultuurhistorische waarde in de gemeente Doetinchem 2010’. Het voornemen is reeds voor besproken met gemeente Doetinchem en akkoord bevonden (zie ook paragraaf 6.8). 36

Het bouwwerk zoals beschreven in het inventarisatieverslag wordt in de beoogde situatie niet gesloopt. Het gebouw zal worden verbouwd tot twee zelfstandige woningen. De voorgestelde veranderingen doen geen afbreuk aan de aanwezige cultuurhistorische waarden van de boerderij. Voor de verbouwing zal bovendien een aanvraag voor een omgevingsvergunning onderdeel “bouw” worden ingediend, waar bij deze voorwaarde nogmaals kan worden beoordeeld. 6. De twee zelfstandige woningen hebben na splitsing een gezamenlijke maximale inhoud van 750 m³. Is de toegestane inhoud van de bestaande woning kleiner dan 750 m3, dan mag ten behoeve van de gewenste splitsing: a. Eerst de deel (of een gedeelte daarvan) middels inpandige uitbreiding worden gebruikt om te wonen tot een totale inhoud van 750 m3 (bestaande woning en gebruik deel tezamen). Eventueel resterende gedeelte van de deel wordt gebruikt als (inpandig) bijgebouw; b. Is geen deel aanwezig of is de omvang ontoereikend om te komen tot een gezamenlijke inhoud van 750 m3, dan mag (vervolgens) vergroting van bestaande legale bebouwing plaatsvinden tot 750 m3; c. Is sprake is van een cultuurhistorische waardevol pand, dan mag de volledige deel benut worden ten behoeve van de woningsplitsing als dat bijdraagt aan de instandhouding van het cultuurhistorisch waardevolle pand.

Als de (bij vergunning) legaal aanwezige inhoud van het bestaande woonhuis dat gesplitst wordt groter is dan 750 m³, geldt deze grotere inhoud als gezamenlijke maximale inhoud na splitsing.

Het gehele (woon)gebouw is opgenomen als cultuurhistorisch waardevol pand. Door het gehele deel in te zetten ten behoeve van de woningsplitsing zal ook het achterhuis van het pand (en het onderhoud hiervan) bijdragen aan de uiteindelijke instandhouding van het pand. Wellicht ten overvloede wordt benoemd dat het oppervlakte/ de inhoud (2.059,66 m3) van het gebouw an sich ongewijzigd blijft. De bestaande woning heeft een inhoud van 1.027,89 m3, het te splitsen deel heeft een inhoud van 1.001,77 m3. 7. Voldaan wordt aan in ieder geval de van toepassing zijnde voorschriften uit het Bouwbesluit.

Voor de verbouwing van de deel zal een aanvraag voor een omgevingsvergunning onderdeel “bouw” worden ingediend, waar bij deze voorwaarde kan worden beoordeeld.

37

8. De splitsing van het pand in twee zelfstandige woningen wordt benut om het gehele pand (bestaande woning en nieuwe woning door splitsing tezamen) te verduurzamen naar bij voorkeur minimaal energielabel B.

Voor de realisatie van het ‘achterhuis’ zal een aanvraag voor een omgevingsvergunning onderdeel “bouw” worden ingediend. Hieruit volgt dat de beoogde woning voldoet aan energielabel B. Uit de toelichting op de voorwaarde volgt dat het met name de wens is om het gehele pand bij voorkeur te laten voldoen aan minimaal energielabel B. Voor het bestaande woonhuis geldt dat er reeds maatregelen zijn genomen om het energieverbruik te drukken. Zo worden alleen leefgedeelten verwarmd, is het woonhuis voorzien van dubbelglas en dak- & vloerisolatie. Derhalve wordt tegemoet gekomen aan de wens van de gemeente. 9. Tenminste éen van de twee zelfstandige woningen die na splitsing ontstaat is levensloopbestendig. Indien uit een bouwtechnische onderbouwing blijkt dat geen van beide woningen levensloopbestendig kan worden uitgevoerd, kan ontheffing van deze voorwaarde worden verleend.

Het beoogde ‘achterhuis’ wordt levensloopbestendig uitgevoerd. Voor de uitvoering hiervan wordt wederom verwezen naar het later aan te vragen onderdeel ‘bouw’. 10. A. Elke zelfstandige woning heeft na splitsing recht op maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken of maximaal 150 m2 als voldaan wordt aan de (landelijke) regels voor vergunningsvrij bouwen. Als op het erf op het moment van splitsing meer dan 200 of 300 m2 aan bijbehorende bouwwerken legaal aanwezig is, dan mag dit blijven bestaan en in gebruik worden genomen als bijbehorend bouwwerk. Niet legaal aanwezige bijbehorende bouwwerken moeten worden gesloopt. B. Voor het meerdere boven de toegestane aantal m2 bijbehorende bouwwerken (zie a) geldt een saneringsregeling: voor elke 1 m2 nieuw of her te bouwen bijbehorend bouwwerk moet 2 m2 bestaand bijbehorend bouwwerk worden gesloopt. Tot het toegestane aantal m2 bijbehorende bouwwerken aanwezig is, is de saneringsregeling van toepassing.

38

Ten behoeve van de woning nr. 313 zal een bijgebouw van 100 m2 (nr. II) worden opgericht op het achtererf gebied. Ten behoeve van de woning nr. 313a blijft het bestaande bijgebouw nr. I (120 m2) intact. Het gebouw is legaal opgericht en staat op het zgn. achtererfgebied. De nok van het gebouw is lager dan 5 meter. Derhalve wordt voldaan aan de landelijke regels inz. vergunningsvrij bouwen. Hetgeen is verbeeld in onderstaande afbeelding (ter duiding, zie bijlage 2 voor grootformaat).

Figuur 2 Achtererfgebied Oude Terborgseweg 313

11. De woningsplitsing draagt bij aan de versterking van het omliggende landschap. Dit moet blijken uit een door de gemeente goedgekeurd (samenhangend) erf- en landschappelijk inrichtingsplan dat aansluit op de kenmerken van het omliggende landschap conform bijlage 1, 2 en 3. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan een natuurinclusieve ontwikkeling van erf en bebouwing, de ontsluiting van het erf en positie en verdeling van bijbehorende bouwwerken. Het erf- en landschappelijk inrichtingsplan moet gerealiseerd zijn binnen 1 jaar nadat de extra woning door middel van woningsplitsing is gerealiseerd en moet nadien ook in stand worden gehouden.

39

Op grond van de ‘Landschapstypen-kaart’ opgenomen in bijlage 3 van de beheersverordening is het plangebied net gelegen in het type ‘bos- en landgoederen’. In paragraaf 3.1 (en bijlage 4) is de landschappelijke inpassing van het perceel reeds omschreven/ opgenomen.

5.5.3

Koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam

Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om de duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen.

In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief.

Toetsing In het geldende bestemmingsplan heeft de gemeente waar mogelijk al rekening gehouden met de energieneutraliteitsambitie. Zo is het in alle bestemmingen toegestaan om op daken van gebouwen zonnepanelen en -collectoren te plaatsen. Dit kan vergunningsvrij als rekening wordt gehouden met de bijbehorende randvoorwaarden. Het gesplitste woondeel wordt gerealiseerd zonder gasaansluiting.

40

5.5.4

Conclusie gemeentelijk beleid

Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. De uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 6.9.4

5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.

41

6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1

(Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •

Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;

•

Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;

•

Het bevorderen van bronmaatregelen;

•

Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;

•

Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

42

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 6.1.2

Onderzoek

In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ en daarmee samenhangend de realisatie van een goed c.q. acceptabel woon‐ en leefklimaat zijn de geluidniveaus vanwege het bedrijf getoetst aan de richt‐ en grenswaarden uit de VNG‐brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de “Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai” 1999 met behulp van het rekenprogramma industrielawaai Geomilieu versie 2021. 6.1.3

Conclusie

In het kader van de beoogde woningsplitsing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage ‘Geluidbelasting wegverkeer op woning Oude Terborgseweg 313 te

Doetinchem, Versie 9 september 2024’ is als bijlage 7 opgenomen. Navolgende conclusies zijn integraal uit de rapportage overgenomen:

“Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de geluidwering van gebouwen. De hoogste waarde van het gezamenlijke geluid bedraagt 54 dB op de gevels van de te verbouwen woning (rekenpunt 1) De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 21 dB. Voor de geluidbelaste gevel van de ontwikkeling zijn mogelijk aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Indien de verbouwing naar oordeel van het bevoegd gezag kan worden gezien als een bestaande situatie dan geldt het rechtens verkregen niveau en zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig”.

43

6.2Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

•

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

44

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2

Onderzoek

Het planvoornemen betreft woningsplitsing. In de regeling NIBM wordt deze ontwikkeling aangemerkt als een plan dat niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging (uit jurisprudentie volgde al eerder dat dit bij ontwikkelingen <10 woningen het geval was), hetgeen betekent dat in principe geen nader onderzoek noodzakelijk is. In het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied in beeld gebracht.

Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2022 (gegevens 2022) ter plaatse minder dan 10 μg/m3. De concentratie PM10 in 2022 (gegevens 2022) is ter plaatse minder dan 18 μg/m3. De concentratie NO2 in 2022 (gegevens 2022) is ter plaatse gelegen onder de 10 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. 6.2.3

Conclusie

Resumé, het aspect kwaliteit van de buitenlucht vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

45

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2

Onderzoek

In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over respectievelijk geurnormen in het omgevingsplan, rekenen, afstandeisen en randvoorwaarden.

46

Toetsing Aan de ‘Oude Terborgseweg 309’ is een melkveehouderij gevestigd (op basis van de vigerende milieu vergunde situatie). De afstand tussen het beoogde ‘achterhuis’ en het dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierenverblijf/ gevel bedraagt minimaal 60 meter (zie ook navolgende afbeelding).

Afbeelding 12 Afstand emissiepunt vs. te splitsen woning

Op grond van het Omgevingsplan gemeente Doetinchem (artikel 22.100) geldt een minimale afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom, tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en een geurgevoelig object (woning). Artikel 22.103 schrijft voor dat de afstand tussen de gevels buiten de bebouwde kom minimaal 25 meter dient te zijn. Zoals reeds geconcludeerd ligt de beoogde woning op minimaal 60 meter afstand en wordt voldaan aan beide afstanden. 6.3.3

Conclusie

Resumé, vanuit het aspect geur bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen planontwikkeling.

47

6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •

Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

6.4.2

Onderzoek

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

48

6.4.3

Conclusie

In het kader van de beoogde woningsplitsing is een verkennend bodemonderzoek door het adviesbureau ‘De Klinker B.V’ uitgevoerd. De rapportage ‘Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek NEN 5740 en NEN 5897, d.d. 5 november 2024’ is als bijlage 8 opgenomen. Navolgende conclusies zijn integraal uit de rapportage overgenomen: 

De bodem is plaatselijk verhard met en puinverharding. Een deel hiervan is gecertificeerd puin.

Een onder deel betreft puin van onbekende afkomst. Het puin van onbekende afkomst is niet asbesthoudend;

in zowel de bodem- de ondergrond van het gehele terrein zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen;

het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en naftaleen;

de hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden.

Uit de rapportage volgt dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling van woningsplitsing.

6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.5.2

Onderzoek

De planlocatie is ontsloten via een erftoegangswet, uitkomend op de Oude Terborgseweg. De Oude Terborgseweg is een parallelweg aan de N317, en mondt hier uiteindelijk middels een kruispunt met stoplichten ook op uit.

49

De beoogde activiteit brengt (het splitsen van woning/ toevoegen een wooneenheid), ten opzichte van de bestaande situatie een kleine toename van verkeersbewegingen met zich mee. Voor de verkeersgeneratie van de beoogde afgesplitste woning wordt aangesloten bij de CROW publicatie – 317. Op basis van deze uitgave geldt voor vrijstaande woningen in het buitengebied een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 mvt/ etmaal en maximaal 8,6 mvt/ etmaal. De maximaal bijkomende verkeersgeneratie bij het per saldo mogelijk maken van een extra wooneenheid is zodoende maximaal 8,6 mvt/ etmaal. Deze verkeersbewegingen hebben geen substantiële invloed op het heersende verkeersbeeld en passen bij het karakter van het gebied. Bovendien heeft de N317 voldoende capaciteit om de zeer geringe toename te verwerken. Wat betreft het aspect parkeren geldt dat dit zal plaatsvinden naast de te splitsen woning binnen het bestaande bestemmingsvlak. Het parkeren vindt daarmee plaats op eigen terrein. 6.5.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect mobiliteit en parkeren geen bezwaren bestaan ten aanzien van de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.6.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

50

•

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

51

6.6.2

Onderzoek

Uit navolgende afbeelding volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen de branden explosiecontour van naastgelegen snelweg A18. Rondom het plangebied bevinden zich verder geen mobiele bronnen. Het plangebied (aangegeven met oranje pijl) ligt buiten alle risicocontouren.

Afbeelding 13 Kaartuitsnede risicokaart.nl (bron: Atlas leefomgeving)

6.6.3

Conclusie

Wat betreft het aspect omgevingsveiligheid kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied geen knelpunten aanwezig zijn. Het aspect vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde planactiviteit.

6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.7.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de 52

soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.7.2

Onderzoek

Het project kent in relatie tot de Wet natuurbescherming (onderdeel: gebiedsbescherming) een aanleg- en gebruiksfase. In de aanlegfase wordt de boerderij gesplitst. De activiteiten in de aanlegfase zijn van tijdelijke aard en omvatten bijvoorbeeld de stikstofemissie van mobiele werktuigen en voertuigen voor de aan- en afvoer van mensen en materieel. In de gebruiksfase worden de woningen bewoond, en zal er sprake zijn van vervoersbewegingen. In bijlage 9 is een stikstofmemo opgenomen t.b.v. de aanleg- en gebruiksfase. Uit de berekening volgt dat negatieve significante effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanlegfase zijn uitgesloten. In het kader van de beoogde woningsplitsing is een Quick scan (natuurtoets) flora & fauna uitgevoerd. Het volledige rapport ‘Quickscan natuurwaardenonderzoek Oude Terborgseweg 313, versie 1, d.d. 23-10-2024’ is bijgevoegd als bijlage 10. Uit deze Quickscan volgt dat de voorgenomen activiteiten niet leiden tot consequenties met betrekking tot provinciaal beschermde of natura 2000-gebieden. Er wordt momenteel nader onderzoek uitgevoerd naar verschillende vleermuissoorten en hun verblijfplaatsen in de bestaande bebouwing. Hiervoor heeft recentelijk in de

najaarsronde (augustus '25) een schouw plaatsgevonden, hieruit volgt dat er geen vleermuizen aanwezig zijn. Voor de volledigheid wordt vermeld dat dit tevens de conclusie was van het uitgevoerde Edna- onderzoek (zie bijlage 10). Indien er na het afronden van het vleermuizenonderzoek (juli '26) toch blijkt dat er verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen, dan is het plan uitvoerbaar door het aanvragen van een vergunning flora- en fauna-activiteit, provincie Gelderland is hiervoor het bevoegd gezag. Indien er sprake is van aanwezigheid van verblijfplaatsen en het aanvragen van een vergunning dan zullen mitigerende maatregelen moeten worden getroffen. Mitigerende maatregelen voor vleermuisverblijfplaatsen zijn bedoeld om negatieve effecten van bouw- en sloopwerkzaamheden op vleermuizen te voorkomen of te beperken en de functionaliteit van verblijfplaatsen duurzaam te behouden in de toekomstige situatie. Mogelijke mitigerende maatregelen zijn het ongeschikt maken van verblijfplaatsen waarbij men rekening houdt met kwetsbare periodes als kraamtijd en overwintering, het aanbieden van tijdelijke en duurzame permanente alternatieve verblijfplaatsen in de bouw, hetgeen op de planlocatie goed mogelijk is. 53

6.7.3

Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Een voorwaarde daarbij is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met de voorwaarden uit de QuickScan Flora & fauna en de resultaten van het nog af te ronden nader onderzoek en de daaruit mogelijk voortvloeiende maatregelen.

6.8 Cultureel erfgoed

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.8.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: 

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

Verplaatsing van beschermde monumenten;

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

6.8.2

Onderzoek

Cultuur De bescherming van monumenten is geregeld in de Monumentenwet. In het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Voor de te beschermen cultuurhistorische waardevolle gebouwen in het buitengebied heeft gemeente Doetinchem de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ aan de boerderij toegekend.

54

De rapportage ‘inventarisatie cultuurhistorische waarde in de gemeente Doetinchem 2010’ maakt onderdeel uit van de beheersverordening. Hierin is het onderstaande opgenomen inzake het plangebied.

Figuur 3 Uitsnede rapportage cultuurhistorische waarden (bron: rapportage, 2010)

Het bouwwerk zoals beschreven in het inventarisatieverslag (zie fig. 3) wordt in de beoogde situatie niet volledig gesloopt, wel wordt het dak vervangen. Echter geldt hiervoor de sloopregeling niet. In het schetsplan (bijlage 2) is het ontwerp (versie 2) zo aangepast dat de soberheid van het huidige achterhuis meer behouden wordt. De bouwkundig ontwerper maakt hierbij de volgende opmerking: “Het bestaande

bijgebouw achter op het erf (gebouw I op bijgaande inpassing) blijft ongewijzigd. T.b.v. de woning in het voorhuis zal een losstaand bijgebouw (max. 100m2) worden gebouwd op gepaste afstand en verschijningsvorm van de huidige boerderij. In onderstaande afbeelding ook een foto van de huidige achtergevel.

Afbeelding 14 Foto huidige achtergevel

55

Deze heeft door de veelheid van gevelopeningen niet de gewenste sobere en rustige uitstraling. Het dichtmetselen van de gevelopeningen is niet wenselijk i.v.m. kleurverschillen in stenen. Ook is op de foto te zien dat het metselwerk van de huidige achtergevel gescheurd is. Het bestaande dak van het achterhuis zal worden vervangen door een nieuw geïsoleerd dak. De verwachting is dat bij verwijderen van het dak de bestaande achtergevel deels zal wegvallen door de huidige staat. Door de huidige achtergevel opnieuw op te trekken is het mogelijk een sobere achtergevel te creëren passend bij het overige ontwerp van het achterhuis, tevens zal er voorkomen worden dat er kleurverschillen in de gevel optreden.” De beoogde planontwikkeling is reeds voor besproken met gemeente Doetinchem en akkoord bevonden. De voorgestelde veranderingen doen geen afbreuk aan de aanwezige cultuurhistorische waarden van boerderij ‘De Huuthorst’. Archeologie Het plangebied is gelegen op gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. Op grond van de geldende beheersverordening (Omgevingsplan) dient bij bodemingrepen met een oppervlakte van respectievelijk meer dan 250 m2 een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het exacte plangebied bevindt zich in onderhavige situatie op het deel van de boerderij. Derhalve worden er geen bodemingrepen uitgevoerd.

Voor wat betreft het nieuw op te richten bijgebouw (100 m2) geldt dat deze niet onder de norm (> 250 m2) voor onderzoek verplichting valt. Gelet op voornoemde behoeft niet te worden gevreesd voor een aantasting van archeologische waarden en is ten behoeve van het voornemen geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. 6.8.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect cultureel erfgoed geen belemmeringen ontstaan.

6.9Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid 56

uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). 6.9.2

Onderzoek energietransitie

Met de woningsplitsing wordt aangesloten bij de vereisten uit het Bbl. Een verdere toetsing en onderzoek zal plaatsvinden op het moment dat een omgevingsvergunning onderdeel bouw wordt aangevraagd. 6.9.3

Onderzoek circulariteit

57

Vaststaat dat het project als circulair te betitelen valt, daar waar een bestaand woongebouw wordt gebruikt voor het creëren van een extra wooneenheid, zonder dat hiervoor nieuwbouw hoeft plaats te vinden. 6.9.4

Onderzoek klimaatadaptatie en water

Voor de uitwerking van klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar respectievelijk paragraaf 5.2.2 en 5.4.

6.9.5

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect duurzaamheid op voorhand geen belemmeringen ontstaan.

6.10

M.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.10.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: 

Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of projectm.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;

Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het 58

plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.10.2 Onderzoek Voor het voorliggende initiatief is geen m.e.r.-beoordeling aan de orde. In lijst in bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt onder activiteiten gesproken over 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. In het kader van onderhavig project kan niet worden gesproken van een stedelijk ontwikkelingsproject. Hiernaast vindt de activiteit ver buiten Natura-2000 gebieden plaats. 6.10.3 Conclusie Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er bestaat daarom geen aanleiding/ noodzaak voor een m.e.r-beoordeling of het opstellen van een M.E.R.

6.11 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.11.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke 59

ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een

bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.11.2 Onderzoek De beoogde splitsing van de boerderij wordt niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling (maakt slechts één wooneenheid meer mogelijk). 6.11.3 Conclusie Omdat er bij onderhavig plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is een motivering van het plan volgens de Ladder niet nodig. De duurzaamheidsladder vormt om die reden dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

6.12 Milieubelastende activiteiten

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: 

Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja;

Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten;

Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan

veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een 60

lozingsactiviteit op een zuivering technisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld. 6.12.2 Onderzoek In het beoogde planvoornemen is louter sprake van de activiteit wonen. Er vinden geen mba’s plaats. 6.12.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect milieubelastende activiteiten geen belemmeringen ontstaan.

6.13

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);

•

Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

61

6.13.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. 6.13.2 Onderzoek (intern) Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In voorgaande paragrafen is gemotiveerd op welke wijze wordt voldaan aan de instructieregels. Gelet op de aard en schaal van het initiatief zullen er geen overige aspecten worden geraakt die rondom het thema gezondheid belangrijk zijn. Gelet op de overige omgevingsaspecten is er sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. 6.13.3 Onderzoek (extern) Aan de westzijde van het projectgebied is agrarische grond gelegen (kadastraaal bekend als gem. Doetinchem, sectie L, nummer 3753). Deze grond behoord bij de melkveehouderij gevestigd op het perceel Oude Terborgseweg 309.

Het direct aan het projectgebied grenzende perceel wordt op basis van gegevens van Boer & Bunder, niet aangewend voor de teelt van gewassen, bloementeelt of fruitteelt. Sinds het teeltjaar 2009 tot vandaag de dag is het perceel onafgebroken ingezet voor de teelt van 'blijvend grasland', aldus de gegevens via Boer & Bunder. Daar waar de grond behoord tot een melkveehouderij is het onwaarschijnlijk dat desbetreffend perceel zal worden ingezet bijvoorbeeld voor de teelt van bloembollen of fruitteelt, deze gewassen zijn niet passend binnen de gewasrotatie behorend bij een melkveehouderijbedrijf. Gezien de teelthistorie i.c.m. het type agrarisch bedrijf is het aannemelijk dat het perceel (in de nabije toekomst) 'blijvend grasland' blijft. Bijkomend is dat de afgelopen jaren het perceel is gebruikt t.b.v. het beweiden van de dieren.

62

Op 'blijvend grasland' wordt niet tot nauwelijks gewasbeschermingsmiddelen gebruikt: - Grasland vereist normaal geen chemische gewasbescherming, omdat ziekten en plagen nauwelijks een rol spelen in graslandproductie; - Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is ongewenst vanwege voederveiligheid en gezondheid van het vee; - Het grasland wordt overwegend extensief beheerd en richt zich op maaien en beweiden; - Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op grasland is niet noodzakelijk voor het agrarisch rendement. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de gronden in de overige windrichtingen zijn in eigendom van initiatiefnemer (er hierop worden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast). Met in achtneming van het voorgaande, wordt aanvullend onderzoek naar de mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen niet noodzakelijk geacht.

6.13.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect gezondheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het projectgebied.

63

7. Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1

Financieel economische haalbaarheid

In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal de omgevingsplanwijziging een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Volgens de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij de omgevingsplanwijziging passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal.1 7.1.2

Kostenverhaal

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op privaat initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

7.2Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1

Participatie

Het participatieproces met omwonenden en belanghebbenden is al besproken in het hoofdstuk ‘voorbereiding en participatie’. Onder deze paragraaf wordt het formele participatietraject dat hierop volgt behandeld. De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.

1 Zie TK 2013-2014, 33 962, nr. 3, p. 153.

64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8376/documents/51861