B14.25 Bijlage 25 onderbouwing Laborijnlocatie - ecologie aanvullend onderzoek.pdf
Tekst van het document
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Terborgseweg 106 in Doetinchem - Laborijn
Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier
oktober 2024 rapportnummer: 241888
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
Colofon
Titel: Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Terborgseweg 106 in Doetinchem – Laborijn In opdracht van: Laborijn Terborgseweg 106 7005 BC Doetinchem Contactpersoon: Dhr. M van Weelden -Projectis Bouwmanagement Uitgevoerd door: Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Onderzoeksgroepen: Onderzoeksmethodiek:
Vleermuizen Auditieve (batdetector Pettersson D240x, D500x, batlogger M en Anabat Walkabout), visuele inspectie en territoriumkartering
Auteur: Collegiale toetsing:
Bas Voerman Rick Boerboom
Datum: Status: Foto voorzijde:
oktober 2024 definitief huismus, gewone dwergvleermuis gierzwaluw en deel van het plangebied
Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier.
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
INHOUD 1. AANLEIDING EN DOEL
1
2. INVENTARISATIEOPZET
2
2.1 ALGEMEEN 2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK 2.2 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE
2 2 4
3. ONDERZOEKSRESULTATEN
5
3.1 VLEERMUIZEN 3.2 OVERIGE SOORTEN
5 7
4. TOETSING AAN DE OMGEVINGSWET
8
4.1 ALGEMEEN 4.2 EFFECTEN EN TOETSING OMGEVINGSWET 4.2.1 GEWONE DWERGVLEERMUIS 4.2.2 KERKUIL 4.2.4 OVERIGE SOORTGROEPEN
8 8 9 10 10
5. CONCLUSIE
11
GERAADPLEEGDE BRONNEN
12
BIJLAGEN
13
BIJLAGE 1 – VERSPREIDINGSKAART BESCHERMDE SOORTEN BIJLAGE 2 – TOELICHTING OMGEVINGSWET
14 15
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
1. AANLEIDING EN DOEL Laborijn Doetinchem is voornemens een deel van de aanwezige bebouwing aan de Terborgseweg 106, 110 en 112 / Ambachtstraat 3, 9 en 15 te slopen. Op de hierdoor vrijkomende ruimte zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Door de geplande sloopwerkzaamheden is een afweging ten aanzien van beschermde soorten noodzakelijk. De sloopwerkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ingrepen. Op deze definitie is een afweging in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen die is opgenomen in de Omgevingswet, is in januari 2024 een quickscan natuuronderzoek op de locatie uitgevoerd voor het in kaart brengen van mogelijke effecten op flora en fauna1. Middels deze quickscan is een indruk verkregen van de mogelijke waarden van het gebied voor (beschermde) flora en fauna. Uit het quickscan natuuronderzoek is gebleken dat verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand waren uit te sluiten. Hierdoor was aanvullend onderzoek noodzakelijk om na te gaan of de geplande werkzaamheden een negatief effect hebben op vleermuizen. Om de functie van het gebied voor deze soortgroep in kaart te kunnen brengen, is door Ecochore Natuurtechniek nader onderzoek uitgevoerd gedurende het veldseizoen van 2024.
Hierbij zijn verspreid over het zomerhalfjaar verschillende inventarisaties uitgevoerd door deskundigen op het gebied van vleermuizen. Onderliggend rapport is opgesteld als addendum bij het opgestelde quickscan rapport. Voor algemene beschrijvingen en afwegingen van overige soortgroepen wordt naar de betreffende rapportage verwezen. Tijdens het aanvullend ecologische onderzoek in 2024, is als doel gesteld de volgende vragen te kunnen beantwoorden: • • •
Welke vleermuizen maken gebruik van de locatie; Welke functie heeft het gebied voor betreffende soorten; Wordt bij uitvoer van de ingreep de Omgevingswet overtreden.
Deze rapportage beschrijft de bevindingen van het aanvullende vleermuisonderzoek.
1 Zoeter, E., 2024. Rapport quickscan natuurwaarden Terborgseweg 106, 110 en 112 / Ambachtstraat 3,9 en 15, Doetinchem.
Rapportnummer: NB. Econsultancy.
Ecochore Natuurtechniek
1
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
2. INVENTARISATIEOPZET 2.1 ALGEMEEN Uit het eerder uitgevoerde quickscan natuuronderzoek is gebleken dat gericht onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied (zie figuur 1) noodzakelijk is. Tijdens verschillende bezoeken in 2024 is het plangebied geïnventariseerd op aanwezigheid van deze soorten. De toegepaste onderzoeksmethoden worden in dit hoofdstuk nader toegelicht.
Figuur 1: Ligging van het plangebied: links de ligging binnen de regio en rechts de begrenzing van het plangebied. Bron luchtfoto’s: Google Earth.
2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK Iedere dier- en plantengroep behoeft een eigen methode van inventarisatie om zo een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soort(groep)en. Hieronder wordt de onderzoeksmethode van de onderzochte groep beschreven zoals uitgevoerd in het plangebied dat is weergegeven in figuur 1. Tijdens het onderzoek en de toetsing aan de Omgevingswet Flora- en fauna-activiteit is beoordeeld of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn en welke consequenties de werkzaamheden hebben op de feitelijke locaties en het duurzaam voortbestaan van de lokale populatie en individuen. Vleermuizen Voor gericht onderzoek naar vleermuizen is het vleermuisprotocol 2021, zoals opgesteld door het Netwerk Groene Bureau, Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging richtinggevend. Voor het vleermuisonderzoek wordt als basis het vleermuisprotocol gehanteerd dat in het voorjaar van 2009 is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en herzien in voorjaar 2021. Op Ecochore Natuurtechniek
2
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
basis van de te verwachten gebouwbewonende soorten (met name gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger en schaarsere soorten als gewone grootoorvleermuis en meervleermuis), zijn conform dit protocol minimaal vijf bezoeken noodzakelijk. Tijdens deze bezoeken is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in relatie tot de aanwezige bebouwing. Tijdens de voorjaar- en zomerbezoeken (mei t/m juli) is specifiek onderzoek verricht naar aanwezige zomer- en kraamverblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten. Conform het vleermuisprotocol zijn hierbij twee avondbezoeken (verdeeld over enkele avonden) en één ochtendbezoek uitgevoerd. Hiervan dient minimaal één ronde in juni plaats te vinden. De najaarsronden (1 augustus- 15 september) zijn specifiek gericht op het in kaart brengen van baltsende dieren en paarplaatsen. Hiervoor zijn twee veldbezoeken uitgevoerd (zie tabel 1). Door de omvang van het plangebied bestond een onderzoeksronde uit meerdere bezoeken of is het onderzoeksgebied met meerdere personen gelijktijdig onderzocht. De bezoeken zijn lopend en postend bij de gebouwen uitgevoerd.
Ronde Ochtendronde zomer- en kraamverblijven Avondronde zomeren kraamverblijven 1 Avondronde zomeren kraamverblijven 1 Avondronde zomeren kraamverblijven 1 Avondronde zomeren kraamverblijven 2 Avondronde zomeren kraamverblijven 2 Avondronde zomeren kraamverblijven 2 Paar- en baltsverblijven en middernachtzwerm ronde 1 Paar- en baltsverblijven en middernachtzwerm ronde 2 Paar- en baltsverblijven ronde 2
Bezoekdata
Starttijd
Weergesteldheid
Ecologen
10-07-2024
02:30-05:30
bewolking 6/8, droog, windkracht 1 Bft ZW, 11°C
2
29-05-2024
21:45-00:30
bewolking 6/8, droog, windkracht 2 Bft ZW, 19°C
2
17-06-2024
22:00-00:30
bewolking 6/8, droog, windkracht 1 Bft ZW, 22°C
3
18-06-2024
22:00-00:30
bewolking 8/8, droog, windkracht 1 Bft NO, 18°C
1
20-06-2024
22:00-00:45
bewolking 8/8, droog, windkracht 1 Bft NO, 22°C
3
09-07-2024
22:50-00:45
bewolking 8/8, droog, windkracht 2 Bft ZO, 29°C
2
11-07-2024
21:50-00:45
bewolking 6/8, droog, windkracht 1 Bft ZW, 21°C
1
08-08-2024
23:00-02:00
bewolking 6/8, droog, windkracht 2 Bft ZW, 18°C
1
01-09-2024
20:25-02:00
bewolking 6/8, droog, windkracht 2 Bft O, 29-19°C
2
15-09-2024
20:00-22:00
bewolking 5/8, droog, windkracht 1 Bft ZW, 19-14°C
2
Tabel 1. Onderzoeksinspanning vleermuizen.
Ecochore Natuurtechniek
3
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
Voor het in kaart brengen van vleermuizen is zowel visueel als auditief geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x, D500x, Batlogger M en Anabat Walkabout) is de echolocatie die vleermuizen uitzenden, voor ons hoorbaar gemaakt. Wanneer op basis van frequentie, klank en ritme niet met 100% zekerheid de soort bepaald kon worden, is een opname gemaakt. Door middel van de computerprogramma’s Batsound, Batexplorer en Kaleidoscoop, is een nadere analyse uitgevoerd. Door de dieren ook zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld.
2.2 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE Het onderzoek is conform de genoemde protocollen uitgevoerd, onder gunstige weersomstandigheden. Gezien de gehanteerde onderzoeksinspanning kan worden gesteld dat er een volledig beeld is gekregen van het gebiedsgebruik door vleermuizen. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet zijn waargenomen, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Omgevingswet vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven Artikel 11.27 uit de Omgevingswet, betreffende de zorgplicht (zie bijlage 3). Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de houdbaarheid van verspreidingsgegevens aan een maximale periode is gebonden. De Omgevingswet hanteert een maximale bruikbaarheidperiode van 3 jaar voor onderzoeksgegevens van flora en fauna. Na deze periode zijn de gegevens (juridisch) verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch verandert waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan.
Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld.
Ecochore Natuurtechniek
4
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het onderzoek naar vleermuizen weergegeven. De verspreidingskaarten van de aangetroffen soorten en gebiedsfuncties zijn opgenomen in bijlage 1 en 2. In het volgende hoofdstuk (4) worden de wettelijke consequenties en aanbevelingen gegeven.
3.1 VLEERMUIZEN Tijdens het onderzoek zijn in het plangebied verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Verder zijn waarnemingen verricht van laatvlieger en rosse vleermuis. Overige vleermuissoorten zijn niet waargenomen in het plangebied en de directe omgeving. Hieronder wordt per soort kort het gebiedsgebruik beschreven. Gewone dwergvleermuis – Pipistrellus pipistrellus In de te slopen bebouwing zijn 2 verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens het eerste bezoek op 29 mei werden 2 vleermuizen in rechte lijn vliegend over het gebouw richting oost aangetroffen. Doordat die avond niet aan de westzijde van het gebouw werd gepost kon niet worden bevestigend of deze dieren vanuit het gebouw afkomstig waren. Tijdens het vervolgonderzoek werd bevestigd dat twee dieren uit een open stootvoeg uit het gebouw kwamen. Tijdens de ochtendronde werden hier wederom twee zwermende en inkruipende dieren waargenomen – zie figuur 1. Tijdens de ochtendronde werd eveneens een zwermende gewone dwergvleermuis bij een hoger deel van het gebouw waargenomen. Na enige tijd kroop het dier onder de daktrim – zie figuur 2. De verblijfplaats zit vermoedelijk in de spouw of alleen onder de daktrim. Beide verblijfplaatsen zijn aan te merken als zomerverblijf.
Tijdens het baltsonderzoek is aan de westzijde van het gebouw, nabij de beide verblijfplaatsen, een intensief baltsend mannetje waargenomen. Omdat mannelijke gewone dwergvleermuizen baltsen vanuit vlucht en niet vanuit de verblijfplaats zelf, kon de exacte locatie van een balts- en paarverblijf niet worden vastgesteld. Gezien het gedrag en de baltsvlucht is het zeer aannemelijk dat minimaal een van beide zomerverblijven eveneens in gebruik is als paarlocatie. Langs de randen van het plangebied zijn tijdens de onderzoeksmomenten enkele op-route zijnde of langs de laanbomen foeragerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Deze dieren hadden echter geen binding met het plangebied. Het aantal waargenomen individuen is echter laag en betreft een geschat aantal van 5-10 dieren.
Ecochore Natuurtechniek
5
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
1
2
Figuur 1. Foto 1: opname met warmtebeeldcamera van een zwermende gewone dwergvleermuis bij het verblijf. Foto 2: locaties van de open stootvoegen als invliegopeningen met toegang tot de spouw.
3 Figuur 2. Foto 3: invliegopening onder daktrim.
Laatvlieger – Eptesicus serotinus Deze soort is alleen buiten het plangebied waargenomen. Tijdens het posten bij de AmbachtstraatIndustriestraat is enkele malen een foeragerende laatvlieger vastgesteld. Mogelijk betrof het alle waarneming hetzelfde exemplaar. Dit dier had echter met zekerheid geen binding met het projectgebouw. Tijdens het baltsonderzoek is de soort niet baltsend aangetroffen. Rosse vleermuis – Nyctalus noctula Er zijn geen verblijfplaatsen van deze (boombewonende) soort vastgesteld in het plangebied. Tijdens enkele avondronden zijn individuen overvliegend boven het plangebied waargenomen (zie bijlage 2). De dieren vertoonden geen binding met het plangebied.
Ecochore Natuurtechniek
6
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
3.2 OVERIGE SOORTEN Tijdens het onderzoek is in de loods op het terrein een kerkuil waargenomen. In de loods zijn tussen de trekkers en machines van het hier gevestigde hoveniersbedrijf, braakballen en uitwerpselen aangetroffen. De loods is echter ongeschikt als broedlocatie. Er zijn geen zolders, nissen of andere locaties die hiervoor gebruikt zouden kunnen worden. De vrij weinige sporen (zie figuur 3) laat ook zien dat de loods niet intensief in gebruik is. De loods kan dus worden aangemerkt als rustplaats - niet zijnde broedlocatie.
4 Figuur 3. Foto 4: sporen van kerkuil – uitwerpselen en braakballen
Ecochore Natuurtechniek
7
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
4. TOETSING AAN DE OMGEVINGSWET In dit hoofdstuk worden de resultaten van het aanvullend onderzoek getoetst aan het wettelijk kader van de Omgevingswet met betrekking tot beschermde diersoorten.
4.1 ALGEMEEN Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Wet natuurbescherming uit 2017. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: • • •
Artikel 11.37 Bal; Artikel 11.46 Bal; Artikel 11.54 Bal.
Artikel 11.37 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten, zoals gierzwaluw en huismus, die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts een omgevingsvergunning mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 11.46 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. De mogelijkheid voor omgevingsvergunning wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten.
4.2 EFFECTEN EN TOETSING OMGEVINGSWET Het voornemen is de bebouwing aan de Terborgseweg 106 e.o. te slopen. In figuur 4 is een slooptekening met fasering opgenomen. De sloop vindt plaats in 2 fasen – Fase 1: Roze. Fase 2: blauw. Deze sloopactiviteiten zullen een negatief effect hebben op de vastgestelde verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en kerkuil. Hierdoor zijn aanvullende maatregelen voor beide soorten noodzakelijk. Van de waargenomen laatvlieger en rosse vleermuis zijn geen beschermde functies aanwezig in het plangebied. Deze soorten worden daardoor verder niet behandeld.
Ecochore Natuurtechniek
8
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
Figuur 4. Slooptekening
4.2.1 GEWONE DWERGVLEERMUIS In de te slopen bebouwing fase 1 zijn 2 zomer-/paarverblijven van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. De verblijfplaatsen van deze soort zijn jaarrond beschermd. De verblijfplaatsen bevinden zich beide in de gevel- of dakconstructie van het gebouw. Door de geplande sloop van de gebouwen zal er sprake zijn van het verwijderen van deze verblijfplaatsen en kan schade ontstaan aan individuen. Door de jaarrond beschermde status van beide verblijfplaatsen conform artikel 11.46 Bal, leiden de handelingen daardoor tot een overtreding van de Omgevingswet. Hierdoor is het aanvragen van een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit en het treffen van mitigerende maatregelen noodzakelijk voor de gewone dwergvleermuis. De basis voor een dergelijke vergunningsaanvraag is een projectplan, waarin tijdelijke en permanente mitigerende maatregelen worden beschreven. De maatregelen moeten zijn gericht op het minimaliseren van de negatieve effecten en het aanbieden van zowel tijdelijke als permanente alternatieven voor de aanwezige verblijfplaatsen die negatieve effecten ondervinden van de geplande werkzaamheden. Compenserende en mitigerende maatregelen Doordat het aantal verblijfplaatsen tijdens en na de sloop en nieuwbouw niet mag afnemen, is het noodzakelijk om vooraf te zoeken naar mogelijkheden voor alternatieve verblijfplaatsen.
Hierbij kan gedacht worden aan tijdelijke vleermuiskasten in de directe omgeving. In verband met gewenning dienen deze tijdelijke verblijfplaatsen circa 3 maanden in het actieve seizoen (apriloktober) aanwezig te zijn, voordat de bestaande verblijfplaatsen kunnen worden verwijderd. Tijdens de nieuwbouw zullen nieuwe, permanente verblijfplaatsen moeten worden gecreëerd in de bebouwing. Voor zowel de tijdelijke als de permanent vervangende verblijfplaatsen dient een factor 4 te worden gehanteerd. Ook zullen voorafgaande aan de daadwerkelijke sloop werende maatregelen getroffen moeten worden om eventueel aanwezige vleermuizen passief te verjagen. Bovenstaande maatregelen zijn afhankelijk van de exacte methode van uitvoering en mogelijkheden bij de gebouwen. De uit te voeren stappen dienen te worden uitgewerkt in het projectplan ten behoeve van de vergunningsaanvraag. Ecochore Natuurtechniek
9
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
4.2.2 KERKUIL In de loods met materieel is een vaste rustplaats van kerkuil aangetroffen. Zowel de broedlocaties als de vaste rustlocaties van deze soort zijn jaarrond beschermd conform artikel 11.37 Bal. Door de geplande sloop van de gebouwen zal er sprake zijn van het verwijderen van deze verblijfplaats. Door de jaarrond beschermde status van de rustlocatie, leiden de handelingen tot een overtreding van de Omgevingswet. Hierdoor is het aanvragen van een Omgevingsvergunning Flora- en faunaactiviteit en het treffen van mitigerende maatregelen voor de kerkuil noodzakelijk. De basis voor een dergelijke vergunningsaanvraag is een projectplan, waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. De maatregelen moeten zijn gericht op het minimaliseren van de negatieve effecten en het aanbieden van tijdelijke of direct permanente alternatieven voor de aanwezige verblijfplaats. Compenserende en mitigerende maatregelen Doordat het aantal verblijfplaatsen tijdens en na de sloop en nieuwbouw niet mag afnemen, is het noodzakelijk om vooraf te zoeken naar mogelijkheden voor alternatieve verblijfplaatsen. Hierbij kan gedacht worden aan kerkuilkasten in de omgeving, bij voorkeur binnen het territorium.
In verband met de gewenning dienen deze tijdelijke verblijfplaatsen minimaal 3 maanden voorafgaande aan de sloop aanwezig te zijn voordat de bestaande verblijfplaats kan worden verwijderd. Indien voor direct permanente voorzieningen wordt gekozen, is het aanbrengen van permanente voorzieningen in de nieuwbouw niet noodzakelijk. Voor vervangende verblijfplaatsen dient een factor 2 te worden gehanteerd. Ook zullen voorafgaande aan de daadwerkelijke sloop maatregelen moeten worden getroffen om schade aan de uilen te voorkomen. Bovenstaande maatregelen zijn afhankelijk van de exacte methode van uitvoering en mogelijkheden voor alternatieve locaties. De uit te voeren stappen dienen te worden uitgewerkt in het projectplan ten behoeve van de vergunningsaanvraag.
4.2.4 OVERIGE SOORTGROEPEN Indien de fysieke werkzaamheden binnen een broedseizoen worden uitgevoerd (globaal genomen binnen de periode maart-juli), kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord of nesten worden vernield doordat enkele soorten als broedvogel in de directe omgeving en binnen de invloedssfeer niet zijn uit te sluiten. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld.
Ecochore Natuurtechniek
10
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
5. CONCLUSIE Laborijn Doetinchem is voornemens een deel van de aanwezige bebouwing aan de Terborgseweg 106, 110 en 112 / Ambachtstraat 3, 9 en 15 te slopen. Op de hierdoor vrijkomende ruimte zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Door de geplande sloopwerkzaamheden was een afweging ten aanzien van beschermde soorten noodzakelijk. Onderliggende rapportage van het aanvullend ecologisch onderzoek is opgesteld als aanvulling op een quickscan onderzoek zoals in de inleiding is aangegeven. Tijdens het aanvullende ecologisch onderzoek is onderzoek verricht naar de functie van het plangebied voor vleermuizen. Gewone dwergvleermuis In het te slopen gebouw zijn twee zomer-/paarverblijven van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Door de geplande sloop zullen de verblijfplaatsen verdwijnen en kan schade ontstaan aan individuen. Hierdoor is het aanvragen van een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit en het treffen van tijdelijke en permanente mitigerende maatregelen noodzakelijk vóórdat de sloop kan worden uitgevoerd. Kerkuil In de te slopen loods is een vaste rustplaats van kerkuil aangetroffen. Door de geplande sloop zal de verblijfplaats verdwijnen. Hierdoor is het aanvragen van een Omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit en het treffen van tijdelijke danwel permanente mitigerende maatregelen noodzakelijk vóórdat de sloop kan worden uitgevoerd.
Ecochore Natuurtechniek
11
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur Bekker J.P, P. Twisk & A. Diepenbeek (2010). Veldgids Europese zoogdieren. KNNV uitgeverij. H. Limpens et al. (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Geraadpleegd van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. BIJ12. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd via https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Kerkuil.pdf. BIJ12. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 2.0, april 2024. Geraadpleegd via https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/04/KennisdocumentGewone-dwergvleermuis-versie-2.0.pdf.
Internetbronnen Informatiepunt Leefomgeving - Internationale regelgeving voor soorten- en gebiedsbescherming, via https://iplo.nl/thema/natuur/bescherming-soorten/internationale-regelgeving-soorten/ Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, pagina over beschermde soorten binnen de Vogelrichtlijn, via https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/vogelrichtlijn. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, pagina over beschermde soorten binnen de Habitatrichtlijn, via https://minez.nederlandsesoorten.nl/content/habitatrichtlijn.
Ecochore Natuurtechniek
12
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2:
Verspreidingskaart beschermde soorten Toelichting Omgevingswet
Ecochore Natuurtechniek
13
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
BIJLAGE 1 – VERSPREIDINGSKAART BESCHERMDE SOORTEN
Verspreidingskaart waargenomen beschermde soorten. Het rode kader betreft het onderzochte plangebied.
Legenda: - gewone dwergvleermuis - laatvlieger - rosse vleermuis - kerkuil Stippen
- losse waarnemingen (indicatief: de stippen geven een indruk van de dichtheid en verspreiding (samenvatting van alle bezoeken)
Ster
- zomerverblijf
Stippenlijn
- baltsvlucht
Bliksemschicht
- werfroepend mannetje (balts) – paarverblijf
Driehoek
- rustlocatie kerkuil
Ecochore Natuurtechniek
14
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
BIJLAGE 2 – TOELICHTING OMGEVINGSWET Omgevingswet AFDELING 2.6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2.6.3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap Artikel 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. AFDELING 5.1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5.1.1 Verbodsbepalingen Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) (In de Wet natuurbescherming artikel 2.7) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een afwijkomgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d.
een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f. een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk,
Ecochore Natuurtechniek
15
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
g. een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. § 5.1.2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5.7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. 3. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.
Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7.3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7.3.1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7.6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet, vormen, aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2. De militaire terreinen OT De Haar, OT De Vlasakkers, OT Havelte West, OT Leusderheide, OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide, genoemd in bijlage XIV, onder A, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd, maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 7.8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de wet; en b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, aanhef en onder a, onder 4°, van de wet. 2.
De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Ecochore Natuurtechniek
16
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
3. Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen. Besluit activiteiten leefomgeving AFDELING 11.1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11.1.1 Algemeen Artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1, eerste lid, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang, bedoeld in artikel 11.2, is verplicht: a. a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat: a.
voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000- gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f.
het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Ecochore Natuurtechniek
17
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
AFDELING 11.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD § 11.2.1 Algemeen Artikel 11.27 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1˚. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2˚.
van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3˚. dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4˚. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. 3.
Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt. Artikel 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren) Een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt, voorkomt dat het dier onnodig lijdt. § 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn
Ecochore Natuurtechniek
18
Addendum: aanvullend ecologisch Terborgseweg 106
Artikel 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) (In de Wet natuurbescherming artikel 3.5) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚.
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. § 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten Artikel 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen) (In de Wet natuurbescherming artikel 3.10) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a.
het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Ecochore Natuurtechniek
19