CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B14.0 Onderbouwing Laborijnlocatie, Doetinchem.pdf

gemeenteraad 30 maart 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 4.1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-2G21.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Structuurschets Spoorzone Doetinchem

Op 21 december 2023 heeft de gemeenteraad unaniem het beleidskader Structuurschets Spoorzone Doetinchem vastgesteld. Op basis van dit beleidskader kunnen nieuwe 30

projecten uitgevoerd worden in de Spoorzone. De structuurschets is de verder uitwerking van de opgave in de Spoorzone zoals opgenomen in de omgevingsvisie. In de schets wordt omschreven hoe een bruisende Spoorzone als toegangspoort van Doetinchem moet gaan werken. Een gebied waarin functies worden gemengd en elkaar versterken. Het visitekaartje van de stad en regio, waar wonen, werken, leren én mobiliteit op een goede manier samengaan. Dichtbij het trein- en busstation en op loopafstand van het stadscentrum. Een project van de lange adem dat samen met inwoners en bedrijven wordt vormgegeven. Toetsing aan beleid 5.5.3

Voorliggende ontwikkeling is een rechtstreekse uitwerking in lijn met de Structuurschets Spoorzone Doetinchem. Het maakt een gebied mogelijk waarin functies worden gemengd ten behoeve van wonen, werken, leren en mobiliteit. Geconcludeerd kan worden dat hiermee voldaan wordt aan de uitgangspunten van de structuurschets.Woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036

De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1. Groeien in kwaliteit. Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken. 2. Kwalitatief goed wonen. Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. 3. Een passende woning voor iedereen.

Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk. Totaal: minimaal 2.470 woningen, onderverdeeld in: • 28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000; 31

• • • •

8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000; 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000).

Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. 4. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven. Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2. Bouwen in en aan buurten; 3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5.

Woonmilieus voor ontwikkelingen.

32

De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn. Toetsing aan beleid Voorliggend plan voldoet aan de woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036. Zoals ook onderschreven in paragraaf 5.5.2 wordt met het plan een gevarieerd woningaanbod mogelijk gemaakt waarbij voldaan kan worden aan de afspraken uit de Regionale Woonagenda. Dit komt overeen met de gemeentelijke woonvisie. Het plan wordt gerealiseerd in binnenstedelijk gebied, waardoor sprake is van inbreiding. Dit sluit aan bij de wens uit de visie om voornamelijk in te zetten op binnenstedelijke transformatie en inbreiding. Verder wordt hier een gemengd stedelijk wonen en werken gebied gerealiseerd met een hoge dichtheid. Hiermee wordt een aantrekkelijk woonmilieu gecreëerd met de nodige groene dooradering. De ontsluiting wordt enerzijds aangesloten op bestaande wegen, anderzijds wordt ingezet op de nabijheid bij het treinstation. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande mobiliteitsstructuur in en rondom het gebied. De mate waarin het beoogde woonprogramma voldoet aan de marktvraag komt ter sprake in paragraaf 6.15 Ladder voor duurzame verstedelijking. 5.5.4

Doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023

Op 30 november 2023 heeft de gemeenteraad, in navolging van de vaststelling van de woonvisie, van de gemeente Doetinchem, de doelgroepenverordening betaalbare woningen Doetinchem 2023 vastgesteld. In de betreffende verordening definieert de gemeente de doelgroep voor sociale huur en sociale/betaalbare koopwoningen. Daarnaast 33

moet in deze verordening de instandhoudingstermijn voor deze woningen worden bepaald. Om de Doelgroepenverordening toe te passen moet dit in het betreffende wijzigingsplan vastgelegd worden. Alleen dan kan de Doelgroepenverordening worden toegepast. Het toepassen van de verordening is een keuze die afhankelijk van de afwegingen in elk omgevingsplan moet worden gemaakt. De doelgroepenverordening geeft aan voor welke doelgroep de te bouwen sociale huur- en betaalbare koopwoningen bedoeld zijn. De doelgroep worden bepaald aan de hand van inkomensgrenzen. Ook regelt de verordening dat deze woningen gedurende een bepaalde periode beschikbaar moet blijven voor de daarvoor aangewezen doelgroep. Dit zijn de instandhoudingstermijnen. De aanleiding voor deze uitgangspunten en keuzes in de doelgroepenverordening worden gevormd door de Woonvisie gemeente Doetinchem 2023-2036 “Stadse allure – dorpse gemoedelijkheid”. Het bevorderen van het realiseren van woningen voor starters, senioren en mensen met een laag of middeninkomen is een belangrijk doel van het beleid. Toetsing aan het beleid Voorliggende ontwikkeling borgt momenteel niet in de regels van het omgevingsplan een invulling van de doelgroepenverordening.

Gelet op het behoud van flexibiliteit voor de ontwikkeling – op dit moment is nog niet duidelijk welke functie exact waar zal landen – wordt daarom gekozen om dit in een andere fase te borgen. Het plangebied komt, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de nieuwbouw van Laborijn, in eigendom van de gemeente. Als grondeigenaar kan de gemeente voorwaarden stellen aan de bouw en invulling van het gebied. Hierbij wordt aangesloten bij geldend beleid en de visie voor de Spoorzone. Zoals in paragraaf 5.3.2 Regionale Woonagenda reeds is aangegeven, worden met het plan de afspraken ten aanzien van de regionale woonagenda nageleefd. Deze sluiten aan op de uitgangspunten van de doelgroepenverordening. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de doelgroepenverordening. 5.5.5

Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 vormt de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Het GRP moest om de 5 jaar worden vastgesteld. Met de komst van de Omgevingswet is deze verplichting komen te vervalen. Een vervanger van het GRP is in de maak. Vooralsnog is het huidige GRP als richtlijn aangehouden. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: • het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; • water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); • met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; • een goede communicatie opzetten (intern en extern); • water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; • samenwerken en afstemmen; • balans in watersysteem en waterketen. In het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt het algemene streefbeeld per functie en thema nader uitgewerkt. Toetsing aan het beleid 34

In paragraaf 6.10 Duurzaamheid wordt nader op het aspect water ingegaan. In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling aansluit op de uitgangspunten zoals benoemd in het Gemeentelijke rioleringsplan 2016-2020. 5.5.6

Inspiratiebundel Omgevingskwaliteit Doetinchem

Het plangebied ligt niet in een welstandszone volgens de welstandsnota van de gemeente Doetinchem. Derhalve wordt nader ingegaan om de inspiratiebundel omgevingskwaliteit. De gemeente Doetinchem heeft een inspiratiebundel Omgevingskwaliteit Doetinchem. In deze bundel staan voorbeelden hoe initiatiefnemers in hun planvoornemen rekening kunnen houden met de volgende thema’s: 1. woonmilieus; 2. klimaatadaptatie; 3. biodiversiteit en natuurinclusief bouwen; 4. circulariteit; 5. energie; 6. mobiliteit; 7. leefbaarheid. Toetsing aan het beleid Voor voorliggende ontwikkeling wordt een masterplan (gebiedsprogramma) inclusief beeldkwaliteitsplan opgesteld. Met het opstellen hiervan wordt rekening gehouden met de uitgangspunten die benoemd zijn in de inspiratiebundel. 5.5.7

Doetinchem Natuurlijk Duurzaam

Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen.

In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Toetsing aan het beleid 35

De nieuw te bouwen woningen worden, conform geldende wet- en regelgeving, aardgasloos gerealiseerd. Als alternatief voor de verwarming worden andere oplossingen toegepast. Tot dusver zijn er geen plannen om een collectieve voorziening aan te leggen. Naar verwachting wordt de verwarming derhalve per gebouw afzonderlijk geregeld. 5.5.8

Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem

Op 7 juli 2022 heeft de gemeenteraad de Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem vastgesteld. Deze strategie beschrijft hoe de Gemeente Doetinchem in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust wil zijn. Door klimaatverandering neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. Het klimaatadaptatiebeleid beschrijft twee stappen: 1. De verwachte klimaateffecten in onze gemeente (zie Klimaateffectatlas Doetinchem: Klimaatatlas - Weet van Water); 2. De visie en ambities voor een klimaatbestendige inrichting (de Klimaatadaptatiestrategie). De klimaatadaptatiestrategie beschrijft de ambities voor 2050 aan de hand van vijf pijlers: • Stad en dorp gezond en groen; • Adaptief landelijk beleid; • Robuuste vitale infrastructuur; • Ontwikkelingen klimaatbestendig; • Betrokken en actieve mensen. Om onze ambities en doelen voor 2050 te bereiken heeft de gemeente een eerste uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie 2022-2026 vastgesteld. Hierin staan per pijler uitvoeringsacties om ons doel te bereiken. In 2026 volgt een nieuwe stresstest en uitvoeringsagenda. Het klimaat verandert en we moeten ons voorbereiden op extremer weer in 2050.

Zo willen we bij de Gemeente Doetinchem buiten aan de slag: • Neerslag vasthouden waar het valt (bodem als ‘spons’ gebruiken); • Meer schaduw en minder verharding door meer groen en bomen; • Bebouwing en vitale infra en objecten hoog en droog. De onderstaande opgaven hebben de hoogste prioriteit gekregen.

Opgaven per gebied uit de Klimaatadaptatiestrategie Doetinchem 36

Toetsing aan het beleid Risico's als gevolg van klimaatverandering en klimaatadaptieve maatregelen in het plangebied moeten zoveel mogelijk voorkomen en beperkt worden. Op basis van de Klimaatatlas van Doetinchem is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen als gevolg van klimaatverandering. Dit in beschreven in paragraaf 6.10 Duurzaamheid. 5.5.9

Bomenverordening gemeente Doetinchem 2024

Vanaf 1 januari 2024 geldt de Bodemverordening gemeente Doetinchem 2024. In deze verordening zijn regels opgenomen over het vellen van houtopstanden in de gemeente Doetinchem. Toetsing aan het beleid In het plangebied zijn geen waardevolle bomen aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling zullen wel bomen geveld worden. Voordat deze werkzaamheden van start gaan, wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vellen van de houtopstanden in het plangebied. Dit is pas aan de orde zodra de bouwwerkzaamheden van start gaan. Teneinde van de kwaliteit van de bomen en de mogelijkheid tot behoud dan wel verplaatsing, is een boom effect analyse (BEA) uitgevoerd. Deze wordt behandeld in paragraaf 6.8 Natuur.

5.5.10 Groenstructuurplan Doetinchem 2017 Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene functies in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: 1. vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groenen bomenstructuren; 2. verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; 3. handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; 4. functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; - mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud. Toetsing aan het beleid Het plangebied grenst aan een hoofdstructuur bomen langs de Terborgseweg en aan een nevenstructuur bomen langs de Ambachtstraat.

De hoofd- en nevenstructuur bomen blijven behouden, en de groene inrichting van het plangebied draagt bij aan de versterking van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de omgeving. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het Groenstructuurplan Doetinchem 2017.

37

5.5.11 Mobiliteitsplan, parkeervisie en parkeernota Het Mobiliteitsplan Doetinchem 2036 geeft een beeld waar de gemeente Doetinchem in 2036 wil staan als het gaat om verkeer en mobiliteit. Het mobiliteitsplan bestaat uit drie delen: 1. Visiedeel: met mobiliteitsambities en wensbeelden over mobiliteit. 2. Uitvoeringsprogramma: maatregelen hoe we de ambities en de wensbeelden kunnen realiseren. 3. Bijlagen: ter onderbouwing van het visiedeel en het uitvoeringsprogramma. Visiedeel In het visiedeel wordt beschreven dat wordt ingezet op duurzame mobiliteit en het zo goed mogelijk benutten van het bestaande netwerk. Het verkeer dat niet in gemeente Doetinchem hoeft te zijn, wil de gemeente zoveel mogelijk laten rijden over de provinciale en rijkswegen rond Doetinchem. In de stad Doetinchem wil de gemeente het gemotoriseerd verkeer zoveel mogelijk laten rijden via een ringstructuur ruim om het centrum. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor fietsers. En wordt het aantrekkelijker en fijner om te leven en te wonen in de stad. Er zijn vier hoofdambities beschreven: 1. Bruisende binnenstad. Hierbij gaat het om het aantrekkelijker maken van de binnenstad, het beperken van gemotoriseerd verkeer en het parkeren aan de randen. Zorgen voor een goede en aantrekkelijke bereikbaarheid van het centrum en de binnenstad voor fietsers, voetgangers en met het openbaar vervoer. 2.

Het fijner maken om te leven en wonen in wijken en kernen. Hierbij wordt uitgegaan van het zoveel mogelijk terugbrengen van de maximale snelheid van wegen naar 30 km/h. Ook kijken we naar het aanpakken van bestaande knelpunten en risicolocaties. 3. Aanmoedigen actieve mobiliteit en openbaar vervoer. Hierbij wordt uitgegaan van het zo makkelijk mogelijk maken voor fietsers en voetgangers, daar waar het kan. Bijvoorbeeld door het bieden van goede en logische loop- en fietsroutes. Het openbaar vervoer wordt aantrekkelijker gemaakt, onder andere door haltes van goede kwaliteit op logische locaties. Onderzoek en realisatie van hubs kan zorgen voor minder (overlast van zwaar) verkeer en biedt meer opties voor een verplaatsing. Het delen van fietsen en/of auto’s kan ook zorgen voor minder verkeer en daardoor fijner wonen en leven. 4. Zo goed mogelijk sturen verkeer. Naast het afwaarderen van wegen, worden ook een aantal wegen aangewezen om de doorstroomfunctie voor gemotoriseerd verkeer te verbeteren. Naast fysieke maatregelen speelt het gebruik van data en andere nieuwe technologieën een rol. Uitvoeringsprogramma mobiliteitsplan In het uitvoeringsprogramma wordt beschreven hoe de ambities en wensen uit het visiedeel worden doorgevoerd. Hiervoor is een pakket van maatregelen opgesteld.

Deze maatregelen gaan bijvoorbeeld over: • het verbeteren en aanleggen van schakels in het fietsnetwerk. • het verbeteren van bestaande wegen voor een betere doorstroming. • het aanpakken van bestaande knelpunten en risicolocaties. Parkeervisie De Parkeervisie is in nauwe samenhang met het Mobiliteitsplan opgesteld. In de parkeervisie wordt ingespeeld op de ruimtelijke ontwikkelingen die zich de komende jaren gaan voordoen nu Doetinchem de wens heeft uitgesproken om te willen groeien 38

naar 70.000 inwoners. Het parkeren in Doetinchem bevindt zich nog altijd in een lastig vaarwater. Dit omdat de parkeerinkomsten minder groeien dan de kosten. De landelijke trend van het kopen via internet is niet gewijzigd. Dit betekent dat minder mensen voor de inkopen naar de binnenstad komen. Daar staat tegenover dat er steeds meer winkelpanden omgebouwd worden tot woningen. Dit alles maakt dat er een heldere visie en concrete maatregelen noodzakelijk zijn. In de Parkeernota 2024 staan verschillende voorstellen om de inkomsten te verhogen maar ook om het parkeren in de binnenstad de komende jaren mogelijk te houden. Onderdeel van de parkeervisie is de nieuwe Nota Parkeernormen Doetinchem 2024. Het doel van de Nota Parkeernormen 2024 is om een kader te scheppen waaraan toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen de hele gemeente ten aanzien van parkeren getoetst kunnen worden. Het is een maatschappelijk belang dat woonruimte wordt gerealiseerd, zowel door transformaties, als door bouwprojecten en gebiedsontwikkelingen. Voor de transformaties geldt dat de realisatie van parkeerplaatsen vaak niet mogelijk is door ruimtegebrek. Deze nota parkeernormen zorgt ervoor om op een verantwoorde wijze ruimtelijke ontwikkelingen met minder parkeerplaatsen toch mogelijk gemaakt kunnen worden.

De parkeernorm is een vast gegeven, gebaseerd op de functie die wordt gerealiseerd en de omvang ervan. De parkeereis is het aantal parkeerplaatsen dat uiteindelijk aangelegd dient te worden, nadat de stappen van de berekening in de parkeerbalans doorlopen zijn, zoals de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende functies en de mogelijkheid van het afkopen van een reductie. Toetsing aan het beleid Voor de ontwikkeling geldt een parkeernorm van gemiddeld 1,1 per woning. Met voorliggende ontwikkeling worden maximaal 472 woningen mogelijk gemaakt en dus worden er maximaal 130 parkeerplaatsen aangelegd. Dit wordt nader beschreven bij 6.6 mobiliteit en parkeren. Daarnaast wordt in het plangebied voldoende rekening gehouden met fietsparkeren, zodat toekomstige bewoners hun fiets kunnen stallen zonder dat dit leidt tot (visuele)overlast. 5.5.12 Gebiedsprogramma – Spoorzone Doetinchem Het initiatief past binnen het vastgestelde ‘Gebiedsprogramma – Spoorzone Doetinchem’. In dit gebiedsprogramma is de Spoorzone aangewezen als een sleutelgebied voor binnenstedelijke transformatie, waarbij wordt ingezet op een hoogstedelijk, gemengd milieu met een combinatie van wonen, werken, voorzieningen en mobiliteit. Het gebiedsprogramma vormt de programmatische en inhoudelijke uitwerking van de ambities uit de omgevingsvisie en de Structuurschets Spoorzone Doetinchem.

Toetsing aan het beleid De ontwikkeling van de Laborijnlocatie is in overeenstemming met de doelstellingen van het gebiedsprogramma, doordat wordt bijgedragen aan verdichting binnen bestaand stedelijk gebied, functiemenging en een betere benutting van het nabijgelegen station. De nadere uitwerking van bebouwing en openbare ruimte zal plaatsvinden binnen de kaders van het gebiedsprogramma en het daarop gebaseerde stedenbouwkundig masterplan.

39

5.5.13 Omgevingsprogramma Economie 2036 De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het ‘Omgevingsprogramma Economie 2036’. Dit programma vormt de uitwerking van de economische ambities uit de omgevingsvisie. In het programma wordt nadrukkelijk ingezet op een integrale benadering van wonen en werken, waarbij binnenstedelijke herontwikkeling en functiemenging worden gezien als belangrijke randvoorwaarden voor een vitale economie. De spoorzone wordt hierin genoemd als cruciale locatie waar economische ontwikkeling, woningbouw en voorzieningen samenkomen. Toetsing aan het beleid De ontwikkeling van de Laborijnlocatie sluit direct aan op het programma door ruimte te bieden aan een gemengd stedelijk milieu waarin werken, wonen en voorzieningen worden gecombineerd. Hiermee wordt bijgedragen aan meerdere strategische doelen uit het programma. 5.5.14 Maatschappelijke behoefte Het plan is niet in strijd met het gemeentelijke beleid. De ontwikkeling voorziet in het planologisch toestaan om maximaal 472 woningen te realiseren in (hoog)stedelijk gebied. Hierbij vindt ook menging van andere functies plaats. Het voorziene programma sluit aan bij de behoefte zoals beschreven in het gemeentelijke beleid. 5.5.15 Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem.

5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.

40

6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1

(Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. 41

6.1.2

Onderzoek

Het akoestisch onderzoek Spoorzone Doetinchem (bijlage 5) is uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van de Laborijnlocatie, waar een gemengd stedelijk programma wordt ontwikkeld met ruimte voor wonen, werken en maatschappelijke functies. De belangrijkste resultaten voor de Laborijnlocatie zijn hieronder samengevat. Wegverkeerslawaai Uit het onderzoek blijkt dat bij de Laborijnlocatie de geluidbelasting door het wegverkeer op enkele gevels de standaardwaarde overschrijdt. De hoogste waarden treden op aan de gevels die zijn gericht op de Ambachtsweg, de Oostelijke Randweg en de Terborgseweg. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 64 dB (Lden) ten gevolge van de Terborgseweg. Daarmee wordt de standaardwaarde met 11 dB overschreden, maar blijft de belasting onder de grenswaarde van 70 dB (Lden). In het Mobiliteitsplan Doetinchem 2036 is reeds voorzien in de afwaardering van diverse wegen binnen de stad, waaronder de Ambachtsstraat en de Hamburgerbroeklaan, van 50 km/uur naar 30 km/uur. Deze maatregel maakt onderdeel uit van de gemeentelijke ambitie om de verkeersveiligheid te vergroten en de leefkwaliteit te verbeteren. De verlaging van de snelheid zal in de praktijk leiden tot een aanzienlijke vermindering van de geluidbelasting op de Laborijnlocatie.

Bij de beoordeling van de omgevingsplanwijziging wordt echter uitgegaan van de huidige verkeerssituatie, waarin deze afwaardering nog niet is gerealiseerd. Hierdoor wordt in het akoestisch onderzoek gerekend met de bestaande snelheid van 50 km/uur. Dit leidt ertoe dat de geluidbelasting op sommige gevels de standaardwaarde overschrijdt, waardoor sprake is van een afwijking van de standaardwaarde. Voor de Terborgseweg en de Oostelijke Randweg, die onderdeel uitmaken van het hoofdwegennet, is een snelheidsverlaging niet wenselijk. Het toepassen van stil asfalt is op deze wegen niet effectief vanwege slijtage door wringend verkeer bij kruispunten. Ook het realiseren van geluidschermen is stedenbouwkundig onwenselijk en ruimtelijk niet inpasbaar. Spoorlawaai Het geluid van de spoorlijn Arnhem-Winterswijk blijft ter plaatse van de Laborijnlocatie onder de standaardwaarde van 55 dB (Lden). Er is derhalve geen sprake van een akoestische belemmering vanuit deze bron. Industrielawaai De Laborijnlocatie ligt binnen de invloedssfeer van de gezoneerde industrieterreinen Verheulsweide en Hamburgerbroek. Voor Verheulsweide bedraagt de berekende geluidbelasting maximaal 54 dB(A). Hiermee wordt de standaardwaarde overschreden, maar wordt voldaan aan de grenswaarde. Voor Hamburgerbroek is een maximale geluidbelasting berekend van 57 dB(A), waarmee de grenswaarde beperkt wordt overschreden.

Omdat deze berekeningen uitgaan van de maximale planologische mogelijkheden van de industrieterreinen, kunnen bronmaatregelen niet worden verlangd zonder de bedrijfsvoering onevenredig te beperken. Het plaatsen van geluidschermen is evenmin een geschikte maatregel, omdat de geluidsuitstraling afkomstig is van meerdere bronnen op verschillende hoogten. 42

Geluid van het emplacement Ten zuiden van de spoorlijn bevindt zich het emplacement van Doetinchem. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de Laborijnlocatie onder de standaardwaarde blijft. Er is derhalve geen sprake van een akoestische belemmering vanuit deze bron. Wijziging Ambachtsweg De herontwikkeling van de Laborijnlocatie brengt een aanpassing van de aansluiting van de Ambachtsweg op de Hamburgerbroeklaan met zich mee. Uit de berekeningen blijkt dat deze wijziging niet leidt tot een toename van de geluidbelasting op bestaande woningen in de omgeving. Indirecte akoestische effecten De toename van het verkeer als gevolg van de planontwikkeling is eveneens beoordeeld. Slechts bij één bestaande woning aan de Ambachtsstraat is sprake van een toename van meer dan 1,5 dB. Deze toename kan volledig worden weggenomen door de snelheid op deze weg te verlagen naar 30 km/uur, zoals al voorzien in het Mobiliteitsplan. Bedrijfsactiviteiten Om de ontwikkeling in het plangebied mogelijk te maken wordt de bedrijfsfunctie gewijzigd naar een gemengde functie, waarin begrepen de functie wonen. Naast het plangebied bevinden zich een aantal bedrijven. Om inzicht te krijgen welke invloed het geluid van deze bedrijven heeft op de (nieuwe) omgeving, zijn er akoestische onderzoeken uitgevoerd.

Het gaat hierbij om onderzoek naar drie bedrijven, te weten: - Betwice, Fabriekstraat 16, sociaal-maatschappelijk gericht assemblage- en montagebedrijf (bijlage 6); - Schoot Natuursteen, Fabriekstraat 18, gespecialiseerd bedrijf op het gebied van natuursteen voor gedenkstenen en bouwelementen (bijlage 7); - Calisthenics Center, Terborgseweg 112-A, sportschool met sportfaciliteiten zowel binnen als buiten (bijlage 8). Per bedrijf zijn twee onderzoeksvragen onderzocht: • Wordt door de komst van nieuwe woningen de bedrijfsvoering van het bedrijf belemmerd? En hoe kan dit voorkomen worden? • Is wonen in het te ontwikkelen plangebied mogelijk met een aanvaardbaar woonen leefklimaat? Welke maatregelen zijn daarvoor eventueel nodig? Voor BeTwice en Schoot Natuursteen geldt dat de bedrijfsvoering niet wordt belemmerd en voldaan kan worden aan de standaardwaarden voor geluid. Voor beide bedrijven kan gesteld worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor het plan. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan gewaarborgd worden bij de nieuwe woningen. Calisthenics Center zorgt door haar bedrijfsactiviteiten voor een overschrijding van de standaardwaarden voor geluid. Onder de bedrijfsactiviteiten die het bedrijf nu ontplooit hoort ook het aanbieden van sport in de buitenlucht vergezeld door een luidspreker.

Hiermee wordt echter ook in de huidige situatie bij bestaande woningen al niet voldaan aan de standaardwaarden voor geluid. Om de bedrijfsvoering niet te belemmeren door de nieuwe woningen is het noodzakelijk om bij enkele woningen aanvullende maatregelen rond de gevelgeluidwering toe te passen om een goed binnengeluidniveau bij de nieuwe woningen te waarborgen. Hierbij wordt gerekend met het gezamenlijke geluid van alle geluidbronnen in de omgeving van de nieuwe woningen. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan dan gewaarborgd worden bij de nieuwe woningen. 43

Cumulatie van geluid In het onderzoek is ook de cumulatie van geluid van alle relevante bronnen beoordeeld. Daarbij is gebruik gemaakt van de methode Miedema, die de akoestische kwaliteit van de leefomgeving classificeert. De gecumuleerde geluidbelasting varieert per gevel van goed tot matig, met enkele gevels in de klasse ‘slecht’. Na toepassing van de geadviseerde maatregelen, waaronder gevelisolatie en de toekomstige snelheidsverlaging zoals voorzien in het Mobiliteitsplan, wordt het gecumuleerde geluidniveau als aanvaardbaar beschouwd, mede gezien het stedelijke karakter van de locatie en de wens om woningbouw binnen de Spoorzone mogelijk te maken. 6.1.3

Conclusie

Op basis van het akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting op de Laborijnlocatie grotendeels binnen aanvaardbare grenzen blijft. Voor wegverkeers- en industrielawaai worden overschrijdingen vastgesteld die kunnen worden gecompenseerd door bouwkundige maatregelen of door bepaalde gevels als niet-geluidgevoelig uit te voeren. Na uitvoering van de genoemde maatregelen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en vormt het aspect geluid geen belemmering voor de omgevingsplanwijziging van de Laborijnlocatie.

6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang 44

blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 6.2.2

Onderzoek

Voor het aspect is bovendien de luchtkwaliteit ter plaatse beoordeeld (bijlage 9). Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot is voldoende duidelijk dat het woon- en leefklimaat voor het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor realisatie van voorgenomen ontwikkeling 6.2.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het 45

bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2

Onderzoek

Met de ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt en dit zijn geurgevoelige gebouwen. In de omgeving zijn bedrijfsmatige activiteiten aanwezig die geur emitteren. Er is een milieukundige analyse uitgevoerd ten aanzien van omliggende bedrijven. Deze is opgenomen in bijlage 10 Voor het aspect geur vanuit bestaande bedrijven is slechts een aandachtspunt bij twee bedrijven: een diervoederfabriek en de Intersnack (voedingsmiddelen productie). Bij beide bedrijven zijn echter eisen gesteld in de vergunning, waardoor dit niet leidt tot beperkingen in het plangebied. 6.3.3

Conclusie

Het aspect geur is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.4 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. 6.4.1

(Wettelijk) kader

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. Verder bestaat er in Nederland geen wettelijk kader voor de beoordeling van trillingshinder door spoorverkeer in gebouwen. Net als onder de vroegere Wro zijn hulpmiddelen als de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen en de SBR-richtlijn van toepassing om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen respectievelijk te beoordelen. Als zodanig is er voor trillingshinder ten gevolge van spoorverkeer niets veranderd onder de Ow. 6.4.2

Onderzoek

Voor het aspect trillingen is een quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 11 toegevoegd. Uit de quickscan volgt dat de trillingen in het gehele plangebied voldoen aan het beoordelingskader. De combinatie van lichte treinen, een lage rijsnelheid, grote 46

afstand tot het spoor en relatief grote, zware gebouwen zorgt voor lage trillingen. Er is daarom geen nader onderzoek naar trillingen nodig. 6.4.3

Conclusie

Het aspect trillingen is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels en/of het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.5 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.5.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. 6.5.2

Onderzoek

Ten aanzien van de ontwikkeling is in eerste instantie verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) uitgevoerd. Dit is gedaan in twee onderzoeken. Eén onderzoek betrof alleen de locatie Terborgseweg 108. Het andere onderzoek de overige gronden van het plangebied. Beide verkennende onderzoeken zijn als bijlagen 12 en 13 toegevoegd. In beide gevallen is er een nader onderzoek opgestart. De nadere onderzoeken voor beide locaties zijn eveneens als bijlagen 14 en 15 toegevoegd. De conclusies worden hier kort samengevat. Voor de locatie aan de Terborgseweg 108 geldt dat het hier in het kader van de Wet Bodembescherming géén geval(len) van ernstige bodemverontreiniging betreft. Daarbij 47

uitgaande van de mate en het volume van de geconstateerde grondverontreinigingen op de onderzoekslocatie (minder dan 25 m³ sterk verontreinigde grond). Het uitvoeren van een risicobeoordeling is derhalve niet noodzakelijk. Gelet op mogelijke herontwikkeling/gebruikswijziging van de locatie moet rekening worden gehouden met bijkomende kosten voor bodemsanering. Voor de overige gronden geldt dat er middels het onderzoek de verontreinigingssituatie voldoende is vastgesteld met het oog op een eventuele herontwikkeling van het terrein. In dat kader zal een bodemsanering noodzakelijk zijn. Een deel met sterke verontreiniging van circa 1.500 m³ is hierbij voornamelijk aangewezen. Daarnaast dient een significante hoeveelheid puin geruimd te worden in verschillende delen van het onderzoeksgebied. Wanneer er (op termijn) tot bodemsanering wordt overgegaan dan dient hiertoe, uiterlijk 4 weken voor aanvang, een melding bij het Omgevingsloket te worden gedaan. Geadviseerd wordt in dat kader op voorhand een plan van aanpak op te stellen, waarin de bodemsanering wordt uitgewerkt. 6.5.3

Conclusie

Het aspect bodem is niet in strijd met de geldende instructieregels. De uitgevoerde onderzoeken geven een volledig en actueel beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Uit de resultaten blijkt dat de bodem op onderdelen weliswaar ernstig, maar niet spoedeisend verontreinigd is. De noodzakelijke saneringsmaatregelen zullen worden uitgevoerd voorafgaand aan of tijdens de herontwikkeling van het terrein. Daarmee is geborgd dat de bodem bij de toekomstige uitvoering geschikt of geschikt te maken is voor het voorgenomen gebruik. De bodemkwaliteit is daarmee voldoende verzekerd en vormt het aspect bodem geen belemmering voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging.

6.6 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.6.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.6.2

Onderzoek

Verkeersgeneratie De ontwikkeling van de Laborijnlocatie voorziet in maximaal 472 woningen en aanvullende functies zoals werken en maatschappelijke voorzieningen. De locatie ligt direct naast station Doetinchem en binnen het stedelijk gebied van de Spoorzone, wat uitstekende ontsluiting met het openbaar vervoer, fiets en voetgangersverkeer biedt. Op basis van de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren) wordt de verkeersgeneratie van stedelijke woonprojecten in OV-rijk gebied relatief laag ingeschat. Verwacht wordt dat de verkeersbewegingen grotendeels via de Terborgseweg en 48

Ambachtstraat worden afgewikkeld, beide wegen met voldoende capaciteit. Er worden geen negatieve effecten verwacht op de verkeersveiligheid of doorstroming. Parkeren Volgens de Nota Parkeernormen 2024 geldt voor stedelijke woningbouw in gemengd gebied een gemiddelde norm van 1,1 parkeerplaats per woning (inclusief bezoekersparkeren). Voor de maximaal 472 woningen komt dat neer op circa 520 parkeerplaatsen. Dit parkeren wordt in de nieuwe parkeervoorziening (parkeergarage) binnen het plangebied opgelost. Bewoners krijgen dan het recht om hier te parkeren. Ook is er de mogelijkheid gebruik te maken van de nieuwe stationshub om het bezoekersparkeren op te lossen. Daarnaast wordt dubbel gebruik mogelijk tussen de functies werken en wonen Er wordt tevens gezorgd voor voldoende fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte, zodat fietsen op een veilige en ordelijke manier gestald kunnen worden zonder visuele overlast. 6.6.3

Conclusie

Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

6.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.7.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te 49

geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). 6.7.2

Onderzoek

Niet-gesprongen explosieven Volgens de explosievenkaart Nederland zijn in het plangebied mogelijk nog niet-ontplofte explosieven aanwezig afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van niet ontplofte explosieven is daarom een onderzoek verricht. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 18 bij deze motivering. Op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties en contra-indicaties is vastgesteld dat het plangebied getroffen is door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waardoor ontplofbare oorlogsresten in de (water)bodem kunnen zijn achtergebleven. Het onderzoeksgebied is derhalve verdacht op dergelijke oorglogsresten. In de gebieden die verdacht zijn op ontplofbare oorlogsresten wordt geadviseerd om voorafgaand aan de voorgenomen (grond-)werkzaamheden vervolgstappen te ondernemen in de opsporing van ontplofbare oorlogsresten. Aangezien er veel naoorlogse ontwikkelingen hebben plaatsgevonden in het onderzoeksgebied wordt er geadviseerd om een nader onderzoek uit te laten voeren. Met dit nader onderzoek kan in kaart gebracht worden in hoeverre de grond in het verdachte gebied sinds de Tweede Wereldoorlog geroerd is en of de verdachte laag in de bodem nog wel of niet aanwezig is. Overige risicobronnen Voor het aspect omgevingsveiligheid is de veiligheidskaart geraadpleegd van de Atlas Leefomgeving.

In de nabije omgeving zijn geen risicovolle objecten aangetroffen. Een uitsnede van de risicokaart is te zien in onderstaande afbeelding. Het midden van het plangebied is aangegeven met een blauwe pin.

50

Uitsnede risicokaart Atlas Leefomgeving

6.7.3

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid is niet in strijd met de instructieregels. Met betrekking tot het onderzoek naar niet-gesprongen explosieven geldt dat het uitgevoerde vooronderzoek voldoende is om de omgevingsplanwijziging te onderbouwen. Er hoeven geen specifieke regels over ontplofbare oorlogsresten in het omgevingsplan te worden opgenomen. Wél moet het nader onderzoek plaatsvinden vóór aanvang van bodemroerende werkzaamheden binnen de als verdacht aangemerkte delen van het terrein. Daarmee kan gesteld worden dat het aspect omgevingsveiligheid verder geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

6.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.8.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 51

6.8.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in een Natura2000 netwerk, het Geldersnatuurnetwerk of ander aangewezen natuurgebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied betreft 'Rijntakken' en dit gebied ligt op circa 12,8 km afstand tot aan het plangebied, zie onderstaande afbeelding.

Plangebied in relatie tot dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (‘Rijntakken’)

Het dichtstbijzijnde Gelders natuurnetwerk is op circa 460 meter gelegen van het plangebied, zie onderstaande afbeelding.

Plangebied in relatie tot dichtstbijzijnde Gelders Natuurnetwerk

Ongeacht de afstand kan de beoogde ontwikkeling leiden tot stikstofdepositie op beschermd Natura2000-gebied. Derhalve is een stikstofberekening uitgevoerd. Deze is toegevoegd als bijlage 19 tot en met 23 bij deze motivering. Het projecteffect op Natura2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal de beoogde ontwikkeling niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen. Negatieve effecten kunnen dus worden uitgesloten. Soortenbescherming 52

Ten aanzien van soortenbescherming is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd voor het plangebied. De quickscan is als bijlage 24 bij deze motivering gevoegd. Op basis hiervan is geconstateerd dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is voor vleermuizen. Een aanvullend onderzoek is daarom ook uitgevoerd. Deze is tevens als bijlage 25 bij deze motivering gevoegd. Er is geconstateerd dat het aanvragen van een omgevingsvergunning Flora- en faunaactiviteit en het treffen van tijdelijke en permanente mitigerende maatregelen noodzakelijk is vóórdat gesloopt kan worden in het plangebied. Dit geldt voor de gewone dwergvleermuis, alsook voor de kerkuil (waarvan een vaste rustplaats is aangetroffen in een te slopen loods van Laborijn). Deze acties zijn inmiddels in gang gezet door Laborijn voor de sloop en nieuwbouw. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden gegeven uit de onderzoeken, gebaseerd op de regels uit het Bkl. Bomen effect analyse Voor het plangebied is een bomen effect analyse (BEA) uitgevoerd. De volledige analyse is opgenomen als bijlagen 26 tot en met 31 bij deze motivering. Het doel van een BEA is om inzichtelijk te krijgen welke invloeden de (civiele) werkzaamheden hebben op aanwezige bomen. Tevens wordt bepaald hoe om te gaan met de bomen zodat deze (zoveel mogelijk) gehandhaafd kunnen blijven. Er zijn geen bijzondere bomen aanwezig in het gebied.

Bij het realiseren van de bouwplannen is er nauwelijks ruimte voor behoud van de aanwezige bomen. Daarom is gelijktijdig gekeken welke bomen potentieel verplantbaar zijn. Uit het onderzoek blijkt dat 40 van de 116 bomen als potentieel verplantbaar zijn aangemerkt. Deze bomen kunnen worden opgenomen en naar een tijdelijke of vaste nieuwe plantplaats worden gebracht. Het gaat hier in alle 40 gevallen om een mogelijke verplanting met de verplantmachine. Wanneer een boom wel behouden kan blijven, geeft de BEA een lijst met algemene maatregelen welke getroffen kunnen worden bij het werken rondom bomen. Zo wordt de kans vergroot dat de bomen ongeschaad blijven en daarmee duurzaam in stand kunnen worden gehouden. Voor het kappen van een boom (niet-openbare houtopstand), met een stamdiameter van meer dan 38 cm en 1,30 meter hoogte geldt dat het aanvragen van een omgevingsvergunning bij de gemeente Doetinchem noodzakelijk is. Voor meerdere bomen is deze aanvraag noodzakelijk. 6.8.3

Conclusie

Het aspect natuur is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van regels is niet noodzakelijk. Er moeten maatregelen getroffen worden en er dient een omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Voor de kap van bomen met een stamdiameter van meer dan 38 cm en 1,30 meter hoogte geldt dat het aanvragen van een omgevingsvergunning bij de gemeente noodzakelijk is. Het aspect natuur vormt verder geen belemmering voor het planvoornemen.

6.9 Cultureel erfgoed 53

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 6.9.2

Onderzoek

Monumenten en karakteristieke gebouwen Op de diverse kaarten van de gemeentelijke website is te zien dat het gebied geen beschermde cultuurhistorische elementen bevat. Ook in het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied 2021' en het parapluplan 'Parapluherziening Cultuurhistorie - 2023', die per 1 januari 2024 onderdeel uitmaken van het omgevingsplan Doetinchem, heeft het plangebied geen cultuurhistorische aanduidingen. Om toch de historie en ruimtelijke gelaagdheid van de Spoorzone te waarborgen is er een cultuurhistorische quickscan uitgevoerd. Deze is als bijlage 32 toegevoegd bij deze motivering. Per gebouw en object (nieuwbouw uitgesloten) is er gekeken naar de architectuur, historische context en stedenbouwkundige ligging. Op basis van deze criteria is er een grove en voorlopige waarde gelegd op een gebouw of object inclusief een korte beschrijving ervan. Gemeentelijke monumenten zijn ook meegenomen in deze waardestelling. De gebouwen in dit document zijn onderverdeeld in verschillende categorieën, namelijk: Gemeentelijk monument, karaktermaker, potentieel karaktermaker en eventuele waardevolle elementen. Voor het plangebied Laborijnlocatie is één karaktermaker aangewezen, namelijk het gebouw aan de Terborgseweg 108 (zie afbeelding).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8376/documents/51903