CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B13.1 Bijlagen bij onderbouwing Kilderseweg naast 39 Doetinchem.pdf

beeldvormende raad 12 maart 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-2G16.376 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden.

32

Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn:

1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA;

2. Bouwen in en aan buurten;

3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen.

De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge

dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn.

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van vijf woningen in het dure koopsegment.

Omdat het een ontwikkeling van minder dan 20 woningen betreft gaat het om

maatwerk. Verwacht wordt dat dit een positief effect op de woningmarkt teweeg

brengt, vanwege een treintje van verhuisbewegingen wat in gang wordt gezet. Hiermee wordt ook weer ruimte gecreëerd in andere segmenten van de markt.

Verder kan worden gesteld dat niet kan worden voldaan aan het principe van

inbreiding voor uitbreiding. Wel wordt ingespeeld op het uitgangspunt dat, waar

mogelijk, ontwikkelingen kunnen plaatsvinden aan de stads- en dorpsranden. De

ontwikkeling aan de zuidrand van de kern Doetinchem is passend bij de

kernkwaliteiten van het landschap en voldoet aan het bijbehorende woonmilieu. In

voorliggend geval gaat het om het woonmilieu ‘Wonen in het groen (lage dichtheid)’. In 33

voorliggend plan wordt 4639 m²aan woonperceel toegevoegd, met daaromheen 3929

m² openbaar groen. Er wordt hiermee voldaan aan de voorwaarde voor minstens 45%

openbaar groen. 5.5.3

Groenstructuurplan 2017

Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene

bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27

juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat

daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van

uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: •

vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren;

• •

verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties;

handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen;

• •

functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.

Groenstructuurkaart, Kaart Doetinchem.

34

De groenstructuur in en rondom voorliggend besluitgebied is vastgelegd met de

bestemmingen 'Groen', 'Natuur' en 'Bos'. De waterlopen en waterpartijen hebben hierbij de bestemming 'Water' gekregen. Voorliggende motivering is hiermee in overeenstemming met het groenstructuurplan.

5.5.4

Maatschappelijke behoefte

In Nederland en ook in de gemeente Doetinchem is sprake van een woningtekort in verscheidene prijsklassen en typologieën. Dit maakt dat het realiseren van nieuwe woningen de komende jaren hard nodig is. Uit de woonvisie van de gemeente Doetinchem blijkt dat tot 2030 circa 2.470 woningen benodigd zijn. 5.5.5

Conclusie gemeentelijk beleid

Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de activiteit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem.

5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde

bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.

35

6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is

gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige

toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.

6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze

veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels

gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen,

spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige

gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 6.1.1

(Wettelijk) kader

De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een

decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de

gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid

voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit

geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en

het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van

(spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe

geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •

Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in

•

Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en

geluidsgevoelige gebouwen en locaties;

locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;

•

Het bevorderen van bronmaatregelen;

•

Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

•

Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;

36

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De

geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op

kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen

zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen.

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden.

Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader

van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.

6.1.2

Onderzoek

Geluid door wegen

In het kader van de beoogde ontwikkeling is onderzoek noodzakelijk naar de

geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer. Daarom is een akoestisch onderzoek

geluid wegverkeer 4 uitgevoerd. Hieruit volgt dat als gevolg van de omliggende rijkswegen en provinciale wegen de standaardwaarde van 50 dB Lden wordt overschreden voor alle woningen. Dit wordt geheel door de autosnelweg

A18 veroorzaakt. De hoogste overschrijdingen vinden plaats voor de zuidgevels van de meest zuidelijke woningen. Voor alle woningen zijn echter ook

gevelgeluidbelastingen waarneembaar die de standaardwaarde niet overschrijden en de grenswaarde wordt geheel niet overschreden.

Uit het onderzoek kan verder worden geconcludeerd dat als gevolg van de omliggende

gemeente- en waterschapswegen tezamen de standaardwaarde van 53 dB Lden wordt

overschreden voor drie van de 5 woningen. De hoogste geluidbelasting bedraagt 52 dB Lden. Dit wordt geheel door de Kilderseweg veroorzaakt. De hoogste overschrijdingen

vinden plaats voor de oostgevels van de westelijke woningen en de westgevel van de oostelijke woning. Voor alle woningen zijn echter ook gevelgeluidbelastingen

waarneembaar die de standaardwaarde niet overschrijden en de grenswaarde wordt geheel niet overschreden. Er wordt voldaan aan de waarden uit het Bkl. Geluid door wegverkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Maatregelen zijn niet mogelijk of wenselijk, of zijn door de afstand tot de weg niet

effectief. Een hogere gezamenlijke waarde dient in het omgevingsplan opgenomen te

4

SAB (2025). Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer. Doetinchem, Kilderseweg.

Projectnummer: 230421. 28 januari 2025.

37

worden en bij de indeling van de woningen dienen de geluidgevoelige ruimtes zo veel mogelijk aan de noordgevels gesitueerd te worden.

Gecumuleerd en gezamenlijk geluid door wegen

Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde en gezamenlijke geluidbelasting

waarneembaar van 57 dB Lden. Deze zijn dezelfde waarde omdat er enkel wegen nabij de ontwikkeling liggen. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de

activiteit bouwen dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch

onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt gehaald voor de nieuwe woningen. Bij de indeling van de

woningen dienen de geluidgevoelige ruimtes zo veel mogelijk aan de noordgevels

gesitueerd te worden. Maatregelen aan de gevel zoals serres, vliesgevels of loggia’s kunnen de geluidbelastingen nog verder verlagen. Alle woningen met hogere

gezamenlijke waarden moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. De tabel met

de hogere gezamenlijke waarden is opgenomen in het akoestisch onderzoek geluid wegverkeer.

Geluid door activiteiten

Het besluitgebied maakt onderdeel uit van een gebied dat hoofdzakelijk bestaat uit

agrarische gronden en enkele woonpercelen. In de omgeving zijn geen activiteiten

aanwezig die mogelijk geluidhinder op de beoogde woningen kunnen veroorzaken. Dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 6.1.3

Conclusie

In het kader van voorliggende ontwikkeling zal een hogere waardenbesluit genomen

moeten worden. Ook zal in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen een bouwakoestisch onderzoek uitgevoerd moeten worden. Mits rekening wordt

gehouden met voorgaande is het project in lijn met de kaders voor wat betreft het aspect geluid.

6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 6.2.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de

instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor 38

het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een

•

Het plan leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

•

grenswaarde;

Het plan draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen

toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit

artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2

ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er

zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een plan binnen de NIBM-grens blijft:

Motiveren dat het plan binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen

van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde

grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden;

Op een andere manier aannemelijk maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt.

Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een plan in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke

agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De

rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.

Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties

moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

39

6.2.2

Onderzoek

De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-

grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet

overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

Met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is

beoordeeld of er ter hoogte van het besluitgebied (meetpunt Kilderseweg) sprake is

van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende

tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven.

Stoffen

EU-Grenswaarde

2023

2030

NO2 concentratie

40 µg/m3

11,8 µg/m3

10,4 µg/m3

PM10 concentratie

40 µg/m3

15,7 µg/m3

14,0 µg/m3

PM2,5 concentratie

25 µg/m3

8,3 µg/m3

7,0 µg/m3

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren

woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. 6.2.3

Conclusie

Het plan is in lijn met de kaders voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit.

6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 6.3.1

(Wettelijk) kader

De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en

landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de

aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht

worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de 40

gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.

Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die

geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het

bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 6.3.2

Onderzoek

In de omgeving van het besluitgebied zijn meerdere veehouderijen aanwezig. Daarom

dient op basis van paragraaf 5.1.4. van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en met name subparagraaf 5.1.4.6.3 (houden landbouwdieren) en subparagraaf 5.1.4.6.4 (andere agrarische bedrijvigheid bijvoorbeeld mest) onderzocht te worden of

veehouderijen door het plan niet in hun rechten worden geschaad en of er ter plaatse van de nieuw te realiseren geurgevoelige gebouwen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om dit aan te kunnen tonen is een onderzoek geurhinder 5 uitgevoerd. Hierin is ingegaan op mogelijk hinder van Va-dieren, Ou-dieren

(voorgrond- en achtergrondbelasting). Eerst is beoordeeld dat voorliggend plan

gerekend kan worden tot een locatie buiten de bebouwde kom. Dit is zo beoordeeld

omdat de woningen een erfinrichting krijgen en niet als afronding van de bebouwde kom kunnen worden gezien. Daarnaast is in de verleende vergunning voor de

veehouderij aan de Kilderseweg 41(d.d. 31 maart 2009 en de melding uit 2018) de

woning op het adres Oud Kilderseweg 47 als woning in het buitengebied beoordeeld. Deze woning ligt dichter bij de bebouwde kom dan voorliggend plan, waardoor

aangenomen wordt dat deze ook buiten de bebouwde kom zijn gelegen. Navolgend volgt de beoordeling van de ontwikkeling.

Voor wat betreft Va-dieren geldt dat vanuit de planologische situatie (toetsing op

bouwvlakken) bezien geldt dat de afstand tussen de veehouderijen met va-dieren en de beoogde woningen in het besluitgebied voldoende groot is om aan de

afstandsnormen van 50 meter te kunnen voldoen. Van belemmering is geen sprake. Voor wat betreft de voorgrondbelasting van Ou-dieren geldt dat de veehouderij aan de Kilderseweg 41 relevant is. Uit de berekeningen blijkt dat er op alle beoogde woningen

wordt voldaan aan de norm van 14 ouE/m3. Dit blijkt uit zowel de vergunde als de

planologische rechten van de veehouderij. De hoogste geurbelasting op de plaats van

5

SAB (2025). Onderzoek geurhinder Doetinchem, Kilderseweg. Projectnummer 230421. 7

maart 2025.

41

de ontwikkellocatie is op woning 5 met 4,7 ouE/m3. De beoogde ontwikkeling zal

derhalve geen inbreuk maken op de vergunde en planologische rechten van de

veehouderij en de veehouderij vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van

het plan.

Voor wat betreft de achtergrondbelasting van Ou-dieren geldt dat geen wettelijke

normen ten aanzien van cumulatieve geurbelasting gelden. De berekening laat zien de dat de geurbelasting op de plaats van de ontwikkellocatie lager is dan omliggende

bestaande woningen. Aan de hand van geurklasses uit de Handreiking die bij de

voormalige Wet geur en veehouderij hoorde, is de cumulatieve geurbelasting ten

hoogste als ‘matig’ te beschouwen. Dit is veel beter dan bij enkele omliggende huidige woningen waar de geurbelasting ‘tamelijk slecht’ wordt waargenomen. De cumulatieve

geurbelasting vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 6.3.3

Conclusie

Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geurhinder.

6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang

om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de

bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 6.4.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het

Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de

gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •

Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; 42

•

Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de

•

Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische

6.4.2

kwaliteiten van de bodem;

verontreinigingen en -aantastingen. Onderzoek

Ter plaatse van het besluitgebied is een verkennend bodemonderzoek 6 uitgevoerd.

Hieruit volgt dat de bodem in de bovengrond plaatselijk sporen baksteen bevat. Verder zijn in de bovengrond geen verhoogde concentraties aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met arseen en barium. Op basis van het onderzoek wordt

geconcludeerd dat het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. 6.4.3

Conclusie

Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect bodem.

6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 6.5.1

(Wettelijk) kader

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving,

waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 6.5.2

Onderzoek

Verkeer

Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt

gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 7 kencijfers voor wat

6

De Klinker (2025). Verkennend bodemonderzoek Doetinchem, Kilderseweg.

Rapportnummer: K2420346. 18 februari 2025. 7

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen.

43

betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een

gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. De gemeente Doetinchem wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van

stedelijkheid gezien als een ‘matig stedelijk’ gebied. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘buitengebied’. Onderstaande tabel geeft de worst-case

verkeersgeneratie weer van de huidige situatie en beoogde nieuwbouw. Kenmerk

aantal

kencijfer

per

verkeersgeneratie gemiddeld

Koop, vrijstaand

3

8,6

woning

25,8

Koop, twee-onder-een-kap

2

8,2

woning

16,4

totaal afgerond

5

42,2

Als uit wordt gegaan van het worst-case scenario zullen er gemiddeld gezien circa 43

extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De

verwachting is dat dit extra verkeer zonder problemen afgewikkeld kan worden op de Kilderseweg.

Parkeren

De gemeente Doetinchem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Nota

parkeernormen 2024. Dit resulteert in de volgende parkeerbehoefte voor voorliggende

ontwikkeling.

Kenmerk

aantal

kencijfer

per

Parkeerbehoefte

Koop, vrijstaand

3

2,4

woning

7,2

Koop, twee-onder-een-kap

2

2,2

woning

4,4

totaal afgerond

5

11,6

Dit maakt dat in totaal zal moeten worden voorzien in 12 parkeerplaatsen. Met

voorliggende ontwikkeling wordt bij de woningen in ieder geval voldoende ruimte

gereserveerd om twee parkeerplaatsen per woning kwijt te kunnen. Daarnaast is er

voldoende ruimte op eigen terrein om te voorzien in de overige 2 benodigde

parkeerplaatsen. Dit maakt dat geacht wordt dat voldoende parkeergelegenheid in het plan is opgenomen. 6.5.3

Conclusie

Het plan is in lijn met de kaders voor wat betreft het aspect mobiliteit en parkeren.

44

6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de

omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen

en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. 6.6.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen

in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten

aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

• •

milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een

aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register

Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze

aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra

maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In

een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

45

•

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);

•

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling

•

6.6.2

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

5.1.2.5 Bkl); 5.1.2.5 Bkl). Onderzoek

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Wel worden er met dit plan nieuwe kwetsbare gebouwen toegevoegd en dient gekeken te worden of dit eventueel van invloed is op nabijgelegen risicovolle activiteiten. Raadpleging van de digitale risicokaart van Atlas Leefomgeving laat zien dat in de directe omgeving twee

risicobronnen aanwezig zijn. Het betreft de Rijksweg A18 waarover gevaarlijke stoffen

worden vervoerd en het LPG tankstation aan de Europaweg. Voorliggend besluitgebied

ligt ruim buiten het invloedsgebied van deze risicobronnen. Dit maakt dat het aspect omgevingsveiligheid niet van invloed is op voorliggend plan.

Uitsnede kaart omgevingsveiligheid van AtlasLeefomgeving met daarop het besluitgebied globaal rood omlijnd.

46

6.6.3

Conclusie

Het plan is in lijn met de kaders voor wat betreft het aspect omgevingsveiligheid.

6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie. 6.7.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet

natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de

gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de

soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven).

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit

twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6.7.2

Biodiversiteit

Biodiversiteit is een term die gebruikt wordt om de rijkdom van de natuur aan te

geven. Het gaat om de grote verscheidenheid in soorten van dieren, planten,

leefgebieden en genen. De biodiversiteit staat wereldwijd onder druk. Er is in

Nederland nog maar 15 procent over van de natuurlijke biodiversiteit. Het Europese

gemiddelde is 40 procent. Er is een grote inspanning nodig om te zorgen voor herstel van de biodiversiteit. De gemeente Doetinchem heeft evenals de Provincie Gelderland

de ambitie om het natuur inclusief bouwen en ontwerpen toe te passen. Biodiversiteit

wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. Bijdragen aan herstel kan plaatsvinden op allerlei

schaalniveaus. Door het inpassen van de juiste ecologisch maatregelen kan elk plan of ontwikkeling bijdragen en ontstaan ecologische verbindingen en schakels waarmee overlevingskansen voor soorten worden vergroot.

47

Wilde bijen

In Nederland leven bijvoorbeeld ongeveer 350 soorten wilde bijen. Veel soorten wilde

bijen zijn in de afgelopen decennia sterk achteruitgegaan door een gebrek aan voedsel en nestgelegenheid. Wilde bijen hebben een beperkte vliegafstand en verplaatsen zich meestal over korte afstanden van max. circa 150 meter, tussen hun nest en de

aanwezige voedselbronnen. Het is om deze reden belangrijk dat in de vliegperiode van wilde bijen (maart-oktober) voldoende inheemse bloeiende planten aanwezig zijn,

maar zeker ook voor andere insecten in het algemeen. Belangrijk is het woord

"inheems”, dit zijn planten die van nature hier thuishoren. Met exotische bloemen of

grassen bijvoorbeeld uit Amerika of China kunnen onze insecten weini (bloemen zijn te groot, of het stuifmeel is onbereikbaar of niet geschikt). Zij zijn aangepast aan onze natuurlijke begroeiing. Om hier gehoor aan te geven wordt minimaal één van de

assortimenten voor een bijenbosje danwel bijenhaag, zoals de gemeente dit voorschrijft, gerealiseerd.

Kleine zoogdiersoorten: egel

In meer dan de helft van de landen waar de West-Europese egel voorkomt, is hij in aantal afgenomen. Daarom wordt hij op de rode lijst van

natuurbeschermingsorganisatie IUCN geclassificeerd als “bijna met uitsterven

bedreigd”. De intensieve landbouw en verstedelijking zorgt ervoor dat de egel ook bij ons minder leefruimte heeft. 6.7.3

Onderzoek

Voor voorliggend plan is een quick scan natuur 8 uitgevoerd. Er is onderzocht of er

beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of

afwezig zijn in het besluitgebied. Naast beschermde natuurwaarden in het besluitgebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet.

Gebiedsbescherming

Uit de quick scan blijkt dat de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe het dichtst in de buurt van het besluitgebied liggen. Deze liggen op, respectievelijk, ongeveer 10

en 15 kilometer afstand. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de

kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen, met uitzondering van een

toename van verzuring en vermesting van het Natura 2000-gebied, op voorhand

8

SAB (2025). Quick scan natuur. Doetinchem, Kilderseweg. Projectnummer: 230421. 16

januari 2025.

48

uitgesloten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie 9 uitgevoerd. Uit het onderzoek

volgt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol stikstof/hectare/jaar. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000gebieden. Vervolgacties, zoals een vergunning Natura 2000-activiteit, zijn dan ook niet noodzakelijk.

Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het besluitgebied geen

Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De

provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van de ontwikkeling dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.

Soortenbescherming

In en rondom het besluitgebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan blijkt verder dat in en rondom het besluitgebied

vogels kunnen broeden. Om schadelijke handelingen te voorkomen, wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze

manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Nestplaatsen van vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd worden niet verwacht. Nader

onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.

Verder wordt in de quickscan aangegeven dat het aanwezige struweel aan de randen van het besluitgebied behouden dienen te blijven en dat in dit gebied niet gewerkt wordt of materieel wordt opgeslagen. Daarnaast dient lichtuitstraling richting de bomen en de omgeving voorkomen te worden. Dit wordt in voorliggend plan

bewerkstelligd door hier geen verlichting of anderszins hinder veroorzakende lichtbronnen te realiseren.

Mogelijk is essentieel leefgebied aanwezig van de steenuil. Daarom is er nader

onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van de steenuil 10. Hieruit volgt dat als

gevolg van de geplande werkzaamheden geen essentiële elementen van de steenuil

verloren gaan. Voor de werkzaamheden is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-

activiteit nodig. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht. Het advies is om werkzaamheden buiten de broedperiode te

starten, zodat er vanwege de dan aanwezige verstoring geen vogels in de buurt gaan broeden. 9

SAB (2024). Onderzoek stikstofdepositie. Doetinchem, Kilderseweg. Projectnummer: 230421.

23 december 2024.

10 SAB (2025). Nader onderzoek Omgevingswet, Doetinchem Kilderseweg, projectnummer

230421, 28 mei 2025.

49

6.7.4

Conclusie

Mits voorgenoemde voorwaarden in acht worden genomen, vormt het aspect natuur geen belemmering voor voorliggend plan.

6.8 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het

behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten

archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier

gezamenlijk besproken. 6.8.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

• • • •

6.8.2

Verplaatsing van beschermde monumenten;

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Onderzoek

In of direct rondom het besluitgebied zijn geen monumenten aanwezig. Dit maakt dat enkel nog de archeologische waarden binnen het besluitgebied onderzocht dienen te worden. Het besluitgebied bevindt zich voor het overgrote deel in een zone met een

middelmatige archeologische verwachting (archeologische verwachtingswaarden 2, 5

en 6). Voor de archeologische verwachtingswaarde 2geldt dat bij ingrepen groter dan 100 m2 én dieper dan 0,30 m onder maaiveld een archeologisch onderzoek

noodzakelijk is. De beoogde nieuwbouw heeft een totale oppervlakte van circa 625 m2, maar de realisering van de nieuwbouw zal niet ter plaatse van het gebied met

archeologische verwachtingswaarde 2 plaatsvinden De gronden met archeologische

verwachtingswaarde 2 zullen niet in gebruik genomen worden voor nieuwbouw. Voor

de andere archeologische verwachtingswaarden, die zich bevinden op het gebied waar daadwerkelijk gebouwd zal worden, geldt dat bij bodemingrepen groter dan 1000 m2

50

(verwachtingswaarde 5) en 5000 m2 (verwachtingswaarde 6) een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Ook met de aanleg van kabels en leidingen zal de

oppervlakte van de ingrepen onder de onderzoeksplichtige grens van 1.000 m2 blijven.

Geacht wordt dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet aan de orde is en dat mogelijk aanwezige archeologische resten in de bodem in voldoende mate zijn beschermd. 6.8.3

Conclusie

De ontwikkeling voldoet aan de kaders voor het aspect cultureel erfgoed.

6.9 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’. 6.9.1

(Wettelijk) kader

Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit 51

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling zal zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van natuurlijke, duurzame materialen. Het streven is waar mogelijk biobased isolatie en gevelbekleding, keramische stenen en dakpannen en/of riet, houten kozijnen en spanten in te zetten voor de realisatie van de woningen. Waar mogelijk zal hiervoor gebruik worden gemaakt van duurzaam geproduceerd of gerecyclede materialen.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). 6.9.2

Onderzoek energietransitie

De beoogde woningen in voorliggend plan worden aardgasloos ontwikkeld. Daarnaast

zullen de woningen beschikken over zonnepanelen. Uiteraard zullen de woningen ook voldoen aan in ieder geval de minimale BENG-vereisten. Tevens worden er nabij de

woningen luchtwarmtepompen geplaatst. De buitenunits van de luchtwarmtepompen zijn beoogd aan de achterzijde van de terrassen van de woningen.

6.9.3

Onderzoek klimaatadaptatie en water

In de ‘Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ zijn de belangrijkste aspecten voor het creëren van een robuuste, klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgenomen. De aspecten worden navolgend besproken en langs voorliggende ontwikkeling gelegd.

Biodiversiteit en natuurinclusiviteit Het plan wordt landschappelijk ingepast. Ongeveer de helft van het gebied zal gebruikt worden als openbaar groen. Dit heeft een positief effect op de biodiversiteit en natuurinclusiviteit van het gebied. Daarnaast zijn in het kader van voorliggend plan de huidige natuurwaarden in het gebied in kaart gebracht. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 6.7.

Droogte 52

Als gevolg van voorliggend plan wordt meer groen en reliëf in het besluitgebied aangelegd. Dit zorgt ervoor dat water langer binnen het besluitgebied blijft en droogte kan worden verminderd.

Bodemdaling Hoe sterk de bodem in de toekomst daalt, hangt vooral af van hoe sterk het klimaat opwarmt én van het peilbeleid. Peilbeleid en klimaatverandering zijn verwerkt in bodemdalingskaarten met een laag en een hoog scenario: deze twee scenario’s geven twee uitersten weer die goed de bandbreedte afdekken waarbinnen bodemdaling waarschijnlijk gaat plaatsvinden. Om te bepalen in hoeverre sprake is van bodemdaling binnen het onderzoeksgebied, is de kaart ‘Bodemdaling 2020 – 2050 Hoogscenario’ van de Klimaateffectatlas geraadpleegd. Daaruit volgt dat ter plaatse van het onderzoeksgebied en in de omgeving daarvan geen bodemdaling verwacht hoeft te worden. Dit maakt dat volgens de beslisboom geen sprake is van een (grote) systeemopgave.

Hitte Eén van de uitgangspunten van het landschappelijk inpassingsplan dat in het kader van voorliggende ontwikkeling is gemaakt is dat het besluitgebied een lommerrijk karakter krijgt. Door de vele bomen ontstaan veel plekken met schaduw. Daarnaast zorgt het groen in combinatie met het tot een minimum beperken van verharding voor een verkoelende werking. Dit maakt dat geacht wordt dat bij de planvorming voldoende aandacht is besteed aan het aspect hitte.

Gevolgenbescherming overstromingen Om te kunnen bepalen of een locatie een opgave heeft vanuit het watersysteem wordt gekeken naar de overstromingskans van meer dan 20 cm per 100 jaar en de overstromingskans van meer dan 20 cm per 10.000 jaar. De overstromingsdieptekaarten uit het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) geven aan hoe diep een gebied kan overstromen. De overstromingsdiepte is van grote invloed op de omvang van de schade en het aantal slachtoffers. Uit deze kaarten blijkt dat het besluitgebied niet zal overstromen bij overstromingen die tot ongeveer eens in de honderd jaar of eens in de tienduizend jaar kunnen voorkomen.

Wateroverlast Op basis van de kaart ‘Waterdiepte bij hevige bui | 140 mm/2 uur’ geldt dat enkel langs de Stroombroekweg sprake kan zijn van lichte wateroverlast. Echter, omdat de 53

verharding in het besluitgebied toe zal nemen zal voldoende waterberging in het gebied gerealiseerd dienen te worden. De verharding neemt als gevolg van de ontwikkeling aan de westzijde van de Kilderseweg met maximaal 1130 m2 toe. Dit zorgt voor een waterbergingsopgave van 158 m3. Het landschappelijk groen wordt verlaagd aangelegd. Met een hoogte van 0,30 m kan zo 200 m3 berging worden gerealiseerd. Hierbij zijn de poel en de infiltratiecapaciteit van de bodem zelfs nog buiten beschouwing gelaten. De verharding neemt als gevolg van de ontwikkeling aan de oostzijde van de Kilderseweg met maximaal 230 m2 toe. Dit zorgt voor een waterbergingsopgave van 18 m3. Deze waterbergingsopgave zal volledig worden voorzien op de eigen kavel. Dit kan door middel van een verlaging in de tuin en/of infiltratiekratten. Dit tezamen maakt dat geacht wordt voldoende aandacht is besteed aan het aspect wateroverlast. 6.9.4

Conclusie

Het plan is in lijn met de kaders voor wat betreft het aspect duurzaamheid.

6.10

M.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan

met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die

mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten

behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving

een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is

bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 6.10.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de

Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: •

Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-

m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;

•

Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. 54

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke

milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin

genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.

Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op

lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het

plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van

toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-

(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

6.10.2 Onderzoek Onderhavig plan betreft de realisatie van maximaal vijf woningen aan de zuidrand van de kern Doetinchem. Gezien de zeer beperkte toename in het aantal woningen zijn er niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten. Dit maakt, gelet op de aard en

omvang (vijf woningen), dat gesteld wordt dat er geen sprake is van een ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’ zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het

Omgevingsbesluit. Het doorlopen van een m.e.r.-beoordeling is zodoende niet nodig. 6.10.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapport is niet nodig.

6.11

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een

evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale

benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte

programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe

stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende

55

ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de

bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

6.11.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat

onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een

bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit

jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of

bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden

beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 6.11.2 Onderzoek

Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een

stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een

bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit

jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of

bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden

beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal vijf nieuwe woningen aan de rand van de kern Doetinchem. Een woningbouwontwikkeling van minder dan 12

woningen hoeft niet aangemerkt te worden als een stedelijke ontwikkeling. In lijn met

jurisprudentie is daarom geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet voor dit plan te worden doorlopen. De behoefte van de ontwikkeling staat echter niet ter discussie.

56

6.11.3 Conclusie Met onderhavig plan is er sprake van een toename van slechts vijf woning. De Ladder van duurzame verstedelijking hoeft zodoende niet doorlopen te worden.

6.12

Milieubelastende activiteiten

6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan

veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”.

Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten).

Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen

worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de

inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld

‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat

in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De

Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee

‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld. 6.12.2 Onderzoek

Het besluitgebied maakt onderdeel uit van een gebied dat hoofdzakelijk bestaat uit

agrarische gronden en enkele woonpercelen. In de omgeving zijn geen activiteiten aanwezig die mogelijk hinder op de beoogde woningen kunnen veroorzaken.

Uitzondering hierop is de pluimveehouderij op het adres Kilderseweg 41. In het onderzoek naar geurhinder, besproken in paragraaf 6.3, is beoordeeld dat de

voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder zal ondervinden van deze pluimveehouderij.

57

6.12.3 Conclusie Het plan is in lijn met de kaders voor wat betreft het aspect milieubelastende activiteiten.

6.13

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle

relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te

betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

•

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden

waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);

Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

6.13.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een

belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een

belangrijk doel is van de Omgevingswet heeft het Rijk een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur,

trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze instructieregels dienen op grond van de Omgevingswet door de decentrale overheid goed te worden opgevolgd bij het

gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming over verlening van de

buitenplanse omgevingsvergunningen van het omgevingsplan is meegenomen. Dit sluit aan omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke

leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar

logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak

geïnteresseerd in gezondheidsstudies die ten gevolge van de activiteit optreden.

58

6.13.2 Onderzoek In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur,

milieubelastende activiteiten, en geluid is geconcludeerd dat in het besluitgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: -

-

-

-

-

In het besluitgebied is geen geluidhinder te verwachten van activiteiten;

In of rondom het besluitgebied zijn geen milieubelastende activiteiten aanwezig die mogelijk hinder kunnen veroorzaken op de gevoelige functies in het besluitgebied;

In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit;

In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten;

Als gevolg van de omliggende Rijks-, gemeente- en waterschapswegen wordt

de standaardwaarde plaatselijk overschreden binnen het besluitgebied. Echter

zijn er ook genoeg geluidluwe gevels, waardoor dit als acceptabel wordt geacht.

Verder is in ontwerp ruimte gereserveerd voor (openbaar) groen en een voetpad die het zuidelijk gelegen grasveld met de Kilderseweg verbindt. Dit zorgt ervoor dat de

toekomstige bewoners, maar ook huidige omwonenden, kunnen verblijven in een

groene omgeving. Een veilig en toegankelijk voetpad stimuleert om op een prettige en gezonde manier te bewegen. Hiermee wordt gezond gedrag bevordert. In meer

algemene zin zijn er in de directe omgeving voldoende voorzieningen om sport- en

bewegen te stimuleren. Er zijn onder andere fiets- en wandelpaden, een speeltuin en

een voetbalvereniging aanwezig.

Daarnaast is aandacht besteed aan het op een veilige wijze ontsluiten van de beoogde

woningen. De woning aan het oostelijk deel van het besluitgebied zal worden ontsloten op de Kilderseweg via de bestaande Stroombroekweg. Voor de vier woningen op het westelijk deel van het besluitgebied wordt een nieuwe uitrit op de Kilderseweg

gerealiseerd. Hierbij is extra aandacht besteed aan veiligheid en gezondheid. Zo is de uitrit overzichtelijk en zijn fietsers en gemotoriseerd van ver zichtbaar.

Ook kunnen in de land- en tuinbouw kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden

toegepast. Er gelden op dit moment geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen woongebieden en agrarische gebieden. Er wordt vanuit jurisprudentie gekeken naar spuitzones om vast te stellen of sprake is van een

evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van jurisprudentie is een

vuistregel ontstaan om 50 meter aan te houden tussen agrarische gronden gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid. De Afdeling heeft in uitspraken erkend dat hier

59

onderbouwt van kan worden afgeweken. Voor voorliggend initiatief geldt dat de

gronden aan de Oude Kilderseweg 43 en 47 worden gebruikt als hobbymatige

schapenweides. Het betreft geen agrarische bedrijfsvoering waarbij teelt plaatsvindt

waarvoor gewasbeschermingsmiddelen worden ingezet. Het gebruik van deze gronden is feitelijk en functioneel beperkt tot extensieve beweiding. Door de aanwezige

omheining, die geen doorgang biedt voor agrarisch materieel, is het gebruik van een tractor met veldspuit uitgesloten. Gelet hierop is het toepassen van

gewasbeschermingsmiddelen op deze gronden niet aan de orde. Daarmee speelt spuitzonering ten opzichte van gevoelige functies in deze situatie geen rol.

Op het perceel ten zuiden van de Stroombroekweg vindt agrarisch gebruik plaats in de vorm van maïsteelt. Voor deze teelt wordt eenmaal per jaar een herbicide toegepast met een veldspuit. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een lage dosering,

driftreducerende spuitdoppen en een lage spuithoogte. Deze wijze van toepassing is gericht op het beperken van drift. Gezien de beperkte frequentie van toepassing, de getroffen driftbeperkende maatregelen en de afstand tot gevoelige functies is geen sprake van een onevenredige aantasting van de gezondheid of van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect

gewasbeschermingsmiddelen in deze situatie niet in de weg staat aan het verlenen van de buitenplanse omgevingsvergunning en dat wordt voldaan aan het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. 6.13.3 Conclusie Het plan is in lijn met de kaders voor wat betreft het aspect gezondheid.

60

7. Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1

Financieel economische haalbaarheid

Bij een wijziging omgevingsplan zal eerst moeten worden beoordeeld of een

ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang

van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Ten tweede zal worden beoordeeld of deze ontwikkeling binnen die redelijke termijn

financieel haalbaar is, en zo ja, hoe de gemeenteraad dat inzichtelijk heeft gemaakt. 7.1.2

Kostenverhaal

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een

projectontwikkelaar. De gemeente en de projectontwikkelaar hebben een anterieure

overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de

gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het

kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van dit plan is hiermee voldoende aangetoond.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1

Participatie

De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke

voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke

publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch

in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden.

Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende

een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn

heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.

61

7.2.2

Advies en instemming

In het kader van voorliggend initiatief is het voornemen ter beoordeling voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel. Zij zijn akkoord met het plan. Ook is de

Veligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) benaderd om het plan te

beoordelen. De VNOG is onder de voorwaarden akkoord. De voorwaarden zijn dat de toegangsweg voldoende breed moet zijn, extra bluswatervoorzieningen getroffen

moeten worden voor vier woningen en de bouw van de woningen moet voldoen aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hier zal in voorliggend plan aan worden voldaan door de realisatie van een brede inrit van circa 3 meter en een aan te leggen bluswatervoorziening.

62

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8364/documents/51600