B12.07 Bijlage 7 onderbouwing - Aanvullend onderzoek kleine marters
Tekst van het document
Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen BatenBrink Oktober 2025 rapportnummer: 252313 Titel: ZZ Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen BatenBrink In opdracht van: BatenBrink Plantsoenstraat 83 7001 AB Doetinchem Uitgevoerd door: Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN Mm omm E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Auteur: Collegiale toetsing: | (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Datum: oktober 2025 Status: definitief Foto voorzijde: steenmarter, bunzing, hermelijn en deel van het plangebied Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Ecochore Natuurtechniek werkt samen met = JIVO-Natuurtechniek aan versterking van natuur Ivo en landschap. oan baarr Ecochore Natuurtechniek is lid van Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor ecologisch advies en onderzoek. (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen INHOUD 1. AANLEIDING EN DOEL 1 2. INVENTARISATIEOPZET 2 2. 1 ALGEMEEN 2. 2 ONDERZOEKSMETHODIEK 2. 3 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE 2 2 4 3. ONDERZOEKSRESULTATEN 5 3. 1 KLEINE MARTERACHTIGEN 3. 2 STEENMARTER 3. 3 EEKHOORN 5 7 7 4. TOETSING AAN DE OMGEVINGSWET 8 4. 1 ALGEMEEN 4.
2 EFFECTEN EN TOETSING OMGEVINGSWET 4. 2. 1 STEENMARTER 4. 2. 2 EEKHOORN 4. 2. 3 OVERIGE SOORT(GROEP)EN 8 8 8 9 9 5. CONCLUSIE 10 GERAADPLEEGDE BRONNEN 11 BIJLAGE 12 BIJLAGE 1 – TOELICHTING OMGEVINGSWET 13 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen 1. AANLEIDING EN DOEL Aan de Hamminkstraat te Gaanderen (kadastraal nummer DTCO1-1-4089), gemeente Doetinchem, is men voornemens 4 woningen te realiseren. Voor de geplande ontwikkelingen is het noodzakelijk een toetsing uit te voeren in het kader van Flora- en Fauna-activiteiten Omgevingswet. De plannen kunnen worden aangemerkt als flora- en fauna activiteit. Op deze definitie is de afweging in het kader van de Omgevingswet (hoofdstuk 4) gebaseerd. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen die is opgenomen in de Omgevingswet, is er op 6 mei 2025 een quickscan natuuronderzoek op de locatie uitgevoerd voor het in kaart brengen van mogelijke effecten op flora en fauna®. Middels deze quickscan is een indruk verkregen van de mogelijke waarden van het gebied voor (beschermde) flora en fauna. Uit het quickscan natuuronderzoek is gebleken dat vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) niet op voorhand zijn uit te sluiten.
Hierdoor is aanvullend onderzoek noodzakelijk om na te gaan of de geplande werkzaamheden een negatief effect hebben op betreffende soortgroep. Om de functie van het gebied voor deze soortgroep in kaart te kunnen brengen, is door Ecochore Natuurtechniek nader onderzoek uitgevoerd gedurende het veldseizoen van 2025 door deskundigen op het gebied van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel). Tijdens het onderzoek in 2025, is als doel gesteld de volgende vragen te kunnen beantwoorden: e Welke (beschermde) soorten maken gebruik van de locatie; e Welke functie heeft het gebied voor betreffende soorten; e Wordt bij uitvoer van de ingreep de Omgevingswet overtreden. Deze rapportage beschrijft de bevindingen van het aanvullend ecologisch onderzoek. 1 S., juni 2025. Quickscan natuuronderzoek Hamminkstraat Gaanderen BatenBrink. Rapportnummer: 252203. Ecochore Natuurtechniek. Ecochore Natuurtechniek il (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen 2. INVENTARISATIEOPZET 2. 1 ALGEMEEN Uit het eerder uitgevoerde quickscan natuuronderzoek is gebleken dat gericht onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van kleine marterachtigen in het plangebied (zie figuur 1) noodzakelijk is.
Middels de inzet van diverse cameravallen (Struikrover®) is het plangebied geïnventariseerd op aanwezigheid van deze soortgroep. De toegepaste onderzoeksmethode wordt in dit hoofdstuk nader toegelicht. Figuur 1: Ligging van het plangebied: links de ligging binnen de regio en rechts binnen de rode lijnen het globale plangebied en binnen het oranje kader de te slopen bebouwing. Bron luchtfoto’s: Google Earth. Figuur 1: Ligging van het plangebied: links de ligging binnen de regio (groene cirkel) en rechts de ligging in de van het plangebied (rood). Bron luchtfoto’s: https://service. pdok. nl/hwh/luchtfotorgb/wms/v1_0 en kadaster. 2. 2 ONDERZOEKSMETHODIEK Iedere dier- en plantengroep behoeft een eigen methode van inventarisatie om zo een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soort(groep)en. Hieronder wordt de onderzoeksmethode van de onderzochte soortgroep beschreven zoals uitgevoerd in het plangebied dat is weergegeven in figuur 1. In het onderzoek is beoordeeld of vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van kleine marterachtigen aanwezig zijn en welke consequenties de werkzaamheden hebben op de feitelijke locaties en het duurzaam voortbestaan van de lokale populatie en individuen.
Ecochore Natuurtechniek 2 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen In een plangebied als deze , voornamelijk bestaande uit een jonge bosaanplant van diverse soorten inheemse boom- en struiksoorten met grazige randen , is de aanwezigheid van kleine marterachtigen (bunzing , hermelijn en wezel) niet op voorhand uit te sluiten. Op de locatie kunnen daardoor vaste rust- en verblijfplaatsen en mogelijk essentieel leefgebied aanwezig zijn. Door de geplande flora- en fauna activiteit kunnen daardoor vaste rust- en verblijfplaatsen en mogelijk essentieel leefgebied verloren gaan. Hierdoor is nader onderzoek uitgevoerd. Het nader onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing , hermelijn en wezel) bestond uit het gedurende enkele weken plaatsen van een aantal struikrovers®. Aan de voorkant van de struikrovers® is een blikje sardines bevestigd. In het sardineblikje is een klein gaatje geprikt , zodat de sardines als lokstof dienen. De geur moet de kleine marterachtigen aantrekken , waardoor zij in het beeld van de cameraval komen en daardoor worden geregistreerd. Van 21 augustus t/m 17 oktober 2025 (8 weken) hebben er twee struikrovers® in het plangebied gestaan. Van beide struikrovers® zijn na vier weken de batterijen en SD-kaarten weken vervangen.
Omdat de effectiviteit van de sardines na enkele weken afneemt , is bij beide struikrovers® ook een nieuw blikje sardines geplaatst. In figuur 2 zijn de locaties van de beide struikrovers® in het plangebied weergegeven. S2 S1 Figuur 2. Locatie struikrovers®. Plangebied (rood omkaderd). 3 Ecochore Natuurtechniek Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen 2. 3 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE Het onderzoek naar kleine marterachtigen bunzing , hermelijn en wezel is conform het in 2024 door BIJ12 gepubliceerde kennisdocument (Kennisdocument Kleine marterachtigen. Versie 1.1 , juli 2024) uitgevoerd. Gezien de gehanteerde onderzoeksinspanning kan worden gesteld dat er een volledig beeld is gekregen van het gebiedsgebruik door onderzochte soortgroep. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet zijn waargenomen , terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel , de Omgevingswet vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven Artikel 11. 27 uit de Omgevingswet , betreffende de zorgplicht (zie bijlage 2). Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.
Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de houdbaarheid van verspreidingsgegevens aan een maximale periode is gebonden. De Omgevingswet hanteert een maximale bruikbaarheidperiode van 2 jaar voor onderzoeksgegevens van flora en fauna. Na deze periode zijn de gegevens (juridisch) verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch verandert waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld. Ecochore Natuurtechniek 4 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen 3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden de bevindingen van het onderzoek naar kleine marterachtigen weergegeven. In het volgende hoofdstuk (4) worden de wettelijke consequenties en aanbevelingen gegeven. 3. 1 KLEINE MARTERACHTIGEN Op de camerabeelden van de twee struikrovers® zijn in de periode 21 augustus t/m 17 oktober 2025 geen beelden van kleine marterachtigen bunzing , hermelijn en wezel waargenomen. In totaal zijn er op beide struikrovers® acht zoogdiersoorten en tien vogelsoorten vastgelegd: zie tabel 1. Struikrovernr.
S1 S2 Zoogdieren Bosmuis (gewone) Eekhoorn Egel Hond Huiskat Rosse woelmuis Spitsmuis onbekend Steenmarter Vogels Gaai Groene specht Houtduif Koolmees Merel Pimpelmees Roek Roodborst Vink Zanglijster ++ 1 + + ++ 2 + + + + 1 1 + + + + + ++ + + + + + + + 1-2 = maximaal aantal waarnemingen / momentopnamen + = een enkele keer waargenomen: maximaal 10 waarnemingen / momentopnamen ++ = regelmatig waargenomen: meer dan 10 waarnemingen / momentopnamen Tabel 1. Waargenomen soorten zoogdieren en vogels in periode 21 augustus t/m 17 oktober 2025. 5 Ecochore Natuurtechniek Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen 1 2 3 4 5 6 Foto 1. Steenmarter (struikrover 1). Foto 2. Eekhoorn (struikrover 1). Foto 3. Egel (struikrover 1). Foto 4. Gewone bosmuis (struikrover 2). Foto 5. Steenmarter (struikrover 2). Foto 6. Eekhoorn (struikrover 2). Ecochore Natuurtechniek 6 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen 3. 2 STEENMARTER Van de steenmarter is bij beide struikrovers® éénmalig een individu op beeld vastgelegd. 3. 3 EEKHOORN Van de eekhoorn is bij één van de struikrovers® (nummer S2: zie tabel 1) maximaal twee keer een individu op beeld vastgelegd. 7 Ecochore Natuurtechniek Aanvullend | onderzoek | kleine | marters | Hamminkstraat | Gaanderen 4.
| TOETSING | AAN | DE | OMGEVINGSWET In dit hoofdstuk | worden | de | resultaten | van | het | aanvullend | onderzoek | getoetst | aan | het | wettelijk kader | van | de | Omgevingswet | met | betrekking | tot | beschermde | diersoorten. 4. 1 | ALGEMEEN Sinds | 1 januari | 2024 | is de | Omgevingswet | van | kracht. | De | soortenbescherming | zoals | in deze wetgeving | is | opgenomen | , is de | opvolger | van | de | Wet | natuurbescherming | uit | 2017. | In deze wetgeving | is de | bescherming | van | soorten | opgenomen | in drie | artikelen: • | Artikel | 11. 37 | Bal ; • | Artikel | 11. 46 | Bal ; • | Artikel | 11. 54 | Bal. Artikel | 11. 37 | beschrijft | de | vogelsoorten | zoals | opgenomen | in de | Europese | Vogelrichtlijn. | Deze | lijst omvat | alle | inheemse | vogelsoorten. | Verstoring | of opzettelijke | verontrusting | van | broedende | vogels is niet | toegestaan. | Daarnaast | zijn | er enkele | soorten | , zoals | gierzwaluw | en | huismus | , die jaarrond gebruik | maken | van | dezelfde | broedlocaties | of | die | afhankelijk | zijn | van | specifieke | locaties | ; deze locaties | zijn jaarrond | beschermd. | Voor | vogels | is slechts | een | omgevingsvergunning | mogelijk | voor belangen | die | betrekking | hebben | op | bescherming | van | flora | en | fauna | , veiligheid | voor | het vliegverkeer | of volksgezondheid.
Soorten | die | vermeld | staan | in artikel | 11. 46 | betreffen | soorten | die | zijn opgenomen | in bijlage | VI van de | Europese | Habitatrichtlijn | , bijlage | II van | het | Verdrag | van | Bern | en | bijlage | I en | het | Verdrag | van Bonn. | Afhankelijk | van | de | ingreep | en | het | effect | op | beschermde | soorten | , kunnen | nadere onderzoeken | met | toetsing | aan | de | wetgeving | noodzakelijk | zijn. | Bij eventuele | negatieve | effecten kan | een | omgevingsvergunning | noodzakelijk | zijn. | De | mogelijkheid | voor | omgevingsvergunning wordt | getoetst | aan | de | belangen | zoals | opgenomen | in de | Europese | richtlijnen. | Onder | dit Artikel vallen | bijvoorbeeld | alle | soorten | vleermuizen | die door | de vermelding | op bijlage | IV van | de Europese Habitatrichtlijn | , Europese | bescherming | genieten. 4. 2 | EFFECTEN | EN | TOETSING | OMGEVINGSWET Tijdens | het | aanvullend | onderzoek | zijn geen | waarnemingen | van | kleine | marterachtigen | bunzing | , hermelijn | en | wezel | bekend | geworden. | Wel | is er | een | enkele | waarneming | van | eekhoorn | en steenmarter | vastgesteld. 4. 2.
1 STEENMARTER Door | afwezigheid | van | (geschikte) | bebouwing | , grote | takkenhopen | en | dichte | struikgewas | is de aanwezigheid | van | een | vaste | rust- | en | verblijfplaats | uit te sluiten | (bron: | Quickscan | natuuronderzoek Hamminkstraat | Gaanderen | BatenBrink. | Rapportnummer: | 252203). | Steenmarters | hebben | binnen hun | leefgebied | meerdere | dagrustplaatsen | , die afwisselend | gebruikt | worden. | Deze | verblijfplaatsen zijn | in | aangrenzende | bosschages | (dagrustplaats) | , waaronder | op | het | terrein | van | Scouting Gaanderen | en | op | het | erf | van | Bethlehemstraat | 25 , niet | uit te sluiten. | Deze | locaties | bevinden | zich buiten | het | plangebied | en | worden | niet | door | de | geplande | flora- | en | fauna | activiteit | aangetast. Daarnaast | biedt | de | omgeving | voldoende | alternatieve | locaties | , welke | potentieel | als dagrustplaats gebruikt | kunnen | worden | , zoals | openbaar | groenstroken | en | grote | tuinen. Ecochore | Natuurtechniek | 8 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen De geplande flora- en fauna activiteit heeft derhalve geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige vaste rust- en verblijfplaats(en). Er is verder geen sprake van intensief gebruik van het plangebied door de steenmarter.
Gebruik van het plangebied beperkt zich hooguit tot een incidenteel foeragerend of passerend exemplaar. De directe omgeving voorziet , in de vorm van diverse (grote) tuinen , openbaar groenstroken en het buitengebied van Gaanderen ruim voldoende in geschikt (essentieel) leefgebied. De geplande flora- en fauna activiteit heeft geen negatief effect op de functionele leefomgeving. 4. 2. 2 EEKHOORN Op basis van het beperkt aantal beelden/waarnemingen is aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats in het plangebied uit te sluiten. Door afwezigheid van (geschikte) beplanting van enige hoogte en het ontbreken van potentiële verblijfplaatsen (boomnesten) is de aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats uit te sluiten. Een enkele verblijfplaats voor eekhoorn is in een aangrenzende of nabijgelegen bosschage , waaronder op het terrein van Scouting Gaanderen , niet volledig uit te sluiten. De geplande flora- en fauna activiteit heeft geen negatief effect op de in de omgeving aanwezige vaste rust- en verblijfplaats(en). Er is verder geen sprake van intensief gebruik van het plangebied door de eekhoorn. Gebruik van het plangebied beperkt zich hooguit tot een incidenteel foeragerend of passerend exemplaar.
De directe omgeving voorziet , in de vorm van diverse (grote) tuinen , openbaar groenstroken en het buitengebied van Gaanderen ruim voldoende in geschikt (essentieel) leefgebied. De geplande flora- en fauna activiteit heeft geen negatief effect op het leefgebied van de eekhoorn. 4. 2. 3 OVERIGE SOORT(GROEP)EN Voor overige soort(groep)en zijn ook geen specifieke maatregelen of Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. 9 Ecochore Natuurtechniek Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen 5. CONCLUSIE Tijdens het aanvullende onderzoek verricht naar de functie(s) van het plangebied voor kleine marterachtigen zijn geen waarnemingen van bunzing , hermelijn en wezel verricht. Van de aangetroffen steenmarter en eekhoorn zijn ook geen vaste rust- en verblijfplaatsen in het plangebied vastgesteld. Het plangebied maakt ook geen essentieel onderdeel uit van de functionele leefomgeving van steenmarter en eekhoorn. De geplande flora- en fauna activiteit heeft geen negatief effect op vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van kleine marterachtigen , steenmarter en eekhoorn. Uitvoering van compenserende en mitigerende maatregelen en het aanvragen van een Omgevingsvergunning is niet noodzakelijk. Ecochore Natuurtechniek 10 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur Bekker J.P , P. Twisk & A.
Diepenbeek (2010). Veldgids Europese zoogdieren. KNNV uitgeverij. BIJ12 (2014). Kennisdocument Kleine marterachtigen. Versie 1.1 , juli 2024. BIJ12. H. Limpens et al. (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie ; KNNV-uitgeverij. Internetbronnen Informatiepunt Leefomgeving - Internationale regelgeving voor soorten- en gebiedsbescherming , via https://iplo. nl/thema/natuur/bescherming-soorten/internationale-regelgeving-soorten/ Ministerie van Landbouw , Natuur en Voedselkwaliteit , pagina over beschermde soorten binnen de Vogelrichtlijn , via https://minez. nederlandsesoorten. nl/content/vogelrichtlijn. Ministerie van Landbouw , Natuur en Voedselkwaliteit , pagina over beschermde soorten binnen de Habitatrichtlijn , via https://minez. nederlandsesoorten. nl/content/habitatrichtlijn. 11 Ecochore Natuurtechniek Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen BIJLAGE Bijlage 1: Toelichting Omgevingswet Ecochore Natuurtechniek 12 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen BIJLAGE 1 – TOELICHTING OMGEVINGSWET Omgevingswet AFDELING 2. 6 BIJZONDERE TAKEN EN BEVOEGDHEDEN § 2. 6. 3 Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap Artikel 2. 44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen) 1.
Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. 3. Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen. 4. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. 5. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden , met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid , worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. AFDELING 5. 1 DE OMGEVINGSVERGUNNING § 5. 1. 1 Verbodsbepalingen Artikel 5. 1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) (In de Wet natuurbescherming artikel 2. 7) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een afwijkomgevingsplanactiviteit , b. een rijksmonumentenactiviteit , een ontgrondingsactiviteit , c. d. een stortingsactiviteit op zee , e. een Natura 2000-activiteit , f. g. een jachtgeweeractiviteit , een valkeniersactiviteit , tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. 2.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit , b. een milieubelastende activiteit , een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam , 2°. een zuiveringtechnisch werk , d. een wateronttrekkingsactiviteit , e. een mijnbouwlocatieactiviteit , f. c. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg , 2°. een waterstaatswerk , 3°. een luchthaven , 4°. een hoofdspoorweg , lokale spoorweg of bijzondere spoorweg , 5°. een installatie in een waterstaatswerk , 13 Ecochore Natuurtechniek Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen g. een flora- en fauna-activiteit , voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. § 5. 1. 2 Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5. 7 (aanvraag los of gelijktijdig) 1. Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. 2. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten , in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen , los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5. 1 en 5. 4. 3.
Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is , wordt , in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen , los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. 4. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit , met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit , worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie , of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. 5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning. Besluit kwaliteit leefomgeving AFDELING 7. 3 INSTRUCTIEREGELS MET HET OOG OP NATUURBESCHERMING § 7. 3. 1 Natuurnetwerk Nederland Artikel 7. 6 (aanwijzing en begrenzing natuurnetwerk Nederland) 1. Bij omgevingsverordening worden de gebieden die het natuurnetwerk Nederland , bedoeld in artikel 2.44 , vierde lid , van de wet , vormen , aangewezen en wordt de geometrische begrenzing daarvan vastgelegd. 2.
De militaire terreinen OT De Haar , OT De Vlasakkers , OT Havelte West , OT Leusderheide , OT Marnewaard en OT Oirschotse Heide , genoemd in bijlage XIV , onder A , waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd , maken geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland. Artikel 7. 8 (beschermingsregime) 1. Bij omgevingsverordening worden in het belang van de bescherming , instandhouding , verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland regels gesteld over: a. regels in omgevingsplannen als bedoeld in artikel 4.2 , eerste lid , van de wet ; en b. projectbesluiten als bedoeld in artikel 2.23 , eerste lid , aanhef en onder a , onder 4° , van de wet. 2. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan , dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat , als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk , deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd , zodanig dat de kwaliteit , oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Ecochore Natuurtechniek 14 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen 3.
Over militaire terreinen en terreinen met een militair object als bedoeld in artikel 5.150 , eerste lid , binnen het natuurnetwerk Nederland worden bij omgevingsverordening alleen regels gesteld die verzekeren dat tijdige compensatie plaatsvindt van de nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk door terreinverharding en bouwactiviteiten op die terreinen. Besluit activiteiten leefomgeving AFDELING 11. 1 ACTIVITEITEN MET MOGELIJKE GEVOLGEN VOOR NATURA 2000-GEBIEDEN OF BIJZONDERE NATIONALE NATUURGEBIEDEN § 11. 1. 1 Algemeen Artikel 11. 6 (specifieke zorgplicht) 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 11.1 , eerste lid , verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang , bedoeld in artikel 11.2 , is verplicht: a. a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen ; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken ; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. De plicht , bedoeld in het eerste lid , houdt in ieder geval in dat: a.
voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in , of in de directe nabijheid van een Natura 2000- gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten , natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen ; b. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten ; als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden , natuurlijke habitats en habitats van soorten , gelet op de instandhoudingsdoelstellingen ; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen , gelet op de instandhoudingsdoelstellingen , voor het betrokken gebied te voorkomen ; e.
tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben ; en het verrichten van de activiteit wordt gestaakt , of , als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is , passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich , ondanks de getroffen maatregelen , verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden , natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. c. c. f. AFDELING 11. 2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT DIEREN OF PLANTEN IN HET WILD § 11. 2. 1 Algemeen Artikel 11. 27 (specifieke zorgplicht) 15 Ecochore Natuurtechniek Aanvullend | onderzoek | kleine | marters | Hamminkstraat | Gaanderen 1. Degene | die | een | flora- | en | fauna-activiteit | of een | activiteit | als bedoeld | in | artikel | 11.22 | , eerste | lid , onder | b tot | en | met | g , verricht | en | weet | of redelijkerwijs | kan | vermoeden | dat | die | activiteit | nadelige gevolgen | kan | hebben | voor | de | belangen | , bedoeld | in artikel | 11.23 | , is verplicht: a. | alle | maatregelen | te | nemen | die | redelijkerwijs | van | diegene | kunnen | worden | gevraagd | om die | gevolgen | te | voorkomen | ; b.
| voor | zover | die | gevolgen | niet | kunnen | worden | voorkomen: | die | gevolgen | zoveel | mogelijk | te beperken | of ongedaan | te | maken | ; en c. | als | die | gevolgen | onvoldoende | kunnen | worden | beperkt: | die | activiteit | achterwege | te laten voor | zover | dat | redelijkerwijs | van | diegene | kan | worden | gevraagd. 2. Voor | flora- | en | fauna-activiteiten | houdt | deze | plicht | in ieder | geval | in dat: a. | voorafgaand | aan | het | verrichten | van | de | activiteit | wordt | nagegaan | of er | aanwijzingen | zijn van | de | aanwezigheid | op | de | locatie | waar | de | activiteit | wordt | verricht | of | in | de | directe nabijheid | van | die | locatie | van: 1˚. | van | nature | in Nederland | in | het | wild | levende | vogels | van | soorten | , genoemd | in bijlage | I bij de | vogelrichtlijn | , en | niet | in die | bijlage | genoemde | , geregeld | in Nederland | voorkomende trekvogelsoorten | als bedoeld | in artikel | 4 , tweede | lid , van | die | richtlijn | ; 2˚. | van | nature | in Nederland | in | het | wild | levende | dieren | of | planten | van | soorten | , genoemd in de | bijlagen | II , IV en | V | bij de | habitatrichtlijn | ; 3˚.
| dieren | of | planten | van | soorten | , genoemd | in bijlage | IX of | in de | rode | lijsten | , bedoeld | in artikel | 2.19 | , vijfde | lid , onder | a , onder | 3˚ , van | de | wet | ; en 4˚. | voor | die | soorten | belangrijke | leefgebieden | of natuurlijke | habitats | ; b. | als | deze | aanwijzingen | er | zijn: | wordt | vastgesteld | of | op | voorhand | op | grond | van | objectieve gegevens | nadelige | gevolgen | kunnen | worden | uitgesloten | voor | dieren | van | die | soorten | , hun nesten | , hun | foerageerplaatsen | , hun | voortplantingsplaatsen | , hun | rustplaatsen | en | hun eieren | , of | voor | planten | van | die | soorten | ; c. | als | die | gevolgen | niet | kunnen | worden | uitgesloten: | wordt | nagegaan | welke | gevolgen | de activiteit | kan | hebben | voor | dieren | van | die | soorten | , hun | nesten | , hun | foerageerplaatsen | , hun voortplantingsplaatsen | , hun | rustplaatsen | en | hun | eieren | , of voor | planten | van | die | soorten | ; d. | alle | passende | preventieve | maatregelen | worden | getroffen | om | die | nadelige | gevolgen | te voorkomen | ; e. | tijdens | en | na | het | verrichten | van | de | activiteit | wordt | nagegaan | of de | getroffen | maatregelen de | beoogde | effecten | hebben | ; en f.
| het | verrichten | van | de | activiteit | wordt | gestaakt | als | de | nadelige | gevolgen | toch | niet | worden voorkomen | , of , als staken | van | de | activiteit | redelijkerwijs | niet | meer | mogelijk | is , passende herstelmaatregelen | worden | getroffen. 3. Voor | de | uitoefening | van | de | jacht | en | activiteiten | om | populaties | van | in het | wild | levende | dieren te | beheren | of | om | schade | door | dieren | te | bestrijden | houdt | deze | plicht | in ieder | geval | in , dat | een ieder | die | een | in het | wild | levend | dier | doodt | of | vangt | voorkomt | dat | het | dier | onnodig | lijdt. Artikel | 11. | 28 | (voorkomen | onnodig | lijden | van | dieren) Een | ieder | die | een | in | het | wild | levend | dier | doodt | of vangt | , voorkomt | dat | het | dier | onnodig | lijdt. § 11. 2. 3 | Flora- | en | fauna-activiteiten: | omgevingsvergunning | soorten | habitatrichtlijn Artikel | 11. 46 | (aanwijzing | vergunningplichtige | gevallen | soorten | habitatrichtlijn: | schadelijke handelingen) (In de | Wet | natuurbescherming | artikel | 3. 5) 1.
| Het | verbod | , bedoeld | in artikel | 5.1 , tweede | lid , aanhef | en | onder | g , van | de | wet | , om | zonder omgevingsvergunning | een | flora- | en | fauna-activiteit | te | verrichten | , geldt | voor: Ecochore | Natuurtechniek | 16 Aanvullend onderzoek kleine marters Hamminkstraat Gaanderen a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten , genoemd in bijlage IV , onder a , bij de habitatrichtlijn , bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn ; het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a ; het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a ; het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a ; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen , afsnijden , ontwortelen of vernielen van planten van soorten , genoemd in bijlage IV , onder b , bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern , in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16 , eerste lid , van de habitatrichtlijn ; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚.
een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3 , eerste lid en tweede lid , onder b , c en d , en 4 , eerste lid , eerste zin , en tweede lid , van de vogelrichtlijn of artikel 6 , eerste lid , van de habitatrichtlijn ; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6 , tweede lid , van de habitatrichtlijn. 3. Onder de soorten , bedoeld in het eerste lid , onder a , worden niet begrepen de soorten , bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. b. c. d. § 11. 2. 4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten Artikel 11. 54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen) (In de Wet natuurbescherming artikel 3. 10) 1. Het verbod , bedoeld in artikel 5.1 , tweede lid , aanhef en onder g , van de wet , om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten , geldt voor: het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren , amfibieën , reptielen , vissen , dagvlinders , libellen en kevers van de soorten , genoemd in bijlage IX , onder A ; het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen , rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a ; en het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen , afsnijden , ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten , genoemd in bijlage IX , onder B. 2.
Het verbod geldt niet als: het gaat om het doden of vangen van de bosmuis , de huisspitsmuis en de veldmuis , of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen , voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden ; het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8. 74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving ; of de activiteit deel uitmaakt van: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3 , eerste lid en tweede lid , onder b , c en d , en 4 , eerste lid , eerste zin , en tweede lid , van de vogelrichtlijn of artikel 6 , eerste lid , van de habitatrichtlijn ; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6 , tweede lid , van de habitatrichtlijn. a. b. c. a. b. c. 17 Ecochore Natuurtechniek