CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B11.00 Onderbouwing Haitinkweg 15 Doetinchem

beeldvormende raad 14 oktober 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2026-1G22.286 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

1 alinea's met “monumenten”: 108

Het slopen van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd mag indien er huismussen en/of steenuilen nestelen pas uitgevoerd worden nadat er een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit die Omgevingsvergunning zijn 66 nageleefd. De kapschuur aan de zuidoostzijde van het erf moet buiten de broedtijd gesloopt worden. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een voortplantingsplaats en/of rustplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de bosmuizen, huisspitsmuizen, veldmuizen, rosse woelmuizen en egels die een voortplantingsplaats en/of rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantingsplaats en/of rustplaats’. Deze vrijstelling geldt niet voor steenmarter, voor deze soort dient nader onderzocht te worden of er verblijfplaatsen aanwezig zijn in de schuur die tegen de woning is aangebouwd. Voor de andere beschermde grondgebonden zoogdieren op het erf geldt geen vrijstelling voor het doden. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken.

Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Er dient wel nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen van steenmarter in de schuur die tegen de woning is aangebouwd. Het slopen van de schuur die tegen de woning is aangebouwd kan pas doorgaan wanneer het nadere onderzoek op het erf is afgerond en er eventueel een Omgevingsvergunning is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Door het slopen van de bebouwing worden mogelijk vleermuizen of verblijfplaatsen van vleermuizen negatief beïnvloed. Vleermuizen zijn strikt beschermd en mogen alleen met een Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit negatief beïnvloed worden. Om vast te kunnen stellen of vleermuizen negatief beïnvloed worden, dient de functie van de bebouwing voor vleermuizen vastgesteld te worden. Geadviseerd wordt om aanvullend onderzoek uit te voeren naar de functie van de bebouwing voor gebouwbewonende vleermuizen, conform het vleermuisprotocol 2021. Dat houdt in dat de bebouwing op het erf meermaals onderzocht dient te worden in de periode half mei – september.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën gedood worden en dat (winter)rustplaatsen beschadigd of vernield worden. Voor de beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de 67 (winter)rustplaats negatief beïnvloed wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van rust- en voortplantingsplaats’. Voor het doden van beschermde amfibieën geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de bebouwing voor gebouwbewonende vleermuizen; • Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd voor steenuilen en huismussen; • Nader onderzoek uitvoeren naar de functie van de schuur die tegen de woning is aangebouwd voor steenmarter; • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Op basis van deze resultaten zal er een nader onderzoek moeten worden uitgevoerd naar de functie van de bebouwing voor de genoemde diersoorten. De sloopwerkzaamheden zullen buiten de voortplantingsperiode worden uitgevoerd. Bij de sloopwerkzaamheden wordt zorgvuldig gewerkt, zodat eventueel tevoorschijn komende grondgebonden zoogdieren en/of amfibieën voldoende gelegenheid krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Daarnaast zal er aandacht zijn voor natuurinclusief bouwen. Behalve dat zo mogelijk natuurlijke materialen worden gebruikt tijdens de bouw, zullen er ook voorzieningen worden genomen om verblijfs- en nestgelegenheden te bieden voor diverse diersoorten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het plaatsen van een nestkast voor een steenuil.

Met het landschappelijk inpassingsplan wordt de biodiversiteit vergroot en wordt voedsel- en schuilgelegenheid geboden in en tussen de beplanting. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek zullen de natuurinclusieve maatregelen verder worden uitgewerkt en aangescherpt. Het aspect natuur, zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming, hoeft geen belemmering voor de beoogde gefaseerde ontwikkeling van de projectlocatie te vormen. Wel dienen de volgende maatregelen en volgorde in acht genomen te worden: 68 • Nader onderzoek dient te worden uitgevoerd naar de functie van de woning en schuur die tegen de woning is aangebouwd voor steenuilen, huismussen en gebouwbewonende vleermuizen, evenals de kapschuur voor gebouwbewonende vleermuizen en de schuur die tegen de woning is aangebouwd voor steenmarter; • Het slopen van de kapschuur kan pas doorgaan wanneer het nadere onderzoek is afgerond en hieruit blijkt dat er in de kapschuur geen gebouwbewonende vleermuizen verblijfsplaatsen bezetten. Dan dient deze kapschuur buiten het broedseizoen voor vogels gesloopt te worden.

Daarbij dient zorgvuldig gewerkt te worden, waarbij zo nodig zoogdieren en/of amfibieën worden weggevangen, en het werkterrein natuurvrij gemaakt wordt; • Daarna mag op de vrijgekomen locatie van de kapschuur de nieuwbouw van de aaneengebouwde woningen plaatsvinden; • Indien nodig zal een omgevingsvergunning i.h.k.v. het Besluit activiteiten leefomgeving, activiteit flora en fauna worden aangevraagd. • Aanvullend kan het slopen van de huidige woning en de schuur die tegen de woning is aangebouwd pas doorgaan wanneer het nadere onderzoek is afgerond en er eventueel een Omgevingsvergunning is verleend en de voorschriften uit de Omgevingsvergunning zijn nageleefd. Daarbij dienen de sloopwerkzaamheden van de huidige woning en de schuur die tegen de woning is aangebouwd te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen voor vogels binnen 2 jaar nadat het nader onderzoek is afgerond en gebleken is dat er geen overtredingen in het kader van de flora- en faunawet plaatsvinden dan wel binnen 2 jaar nadat de Omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is verleend. Daarbij dient zorgvuldig gewerkt te worden, zo nodig zoogdieren en/of amfibieën te worden weggevangen, en het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden.

Indien uit het nader onderzoek volgt dat er zich in de kapschuur wel gebouwbewonende vleermuizen bevinden, dan is ook hiervoor een omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna benodigd en is de beoogde gefaseerde ontwikkeling binnen het plangebied niet mogelijk. De nieuwbouw kan dan pas uitgevoerd worden als de bestaande woning vermoedelijk al gesloopt moet zijn, waardoor initiatiefnemers in dat geval andere tijdelijke woonruimte nodig zullen hebben. 6.7.3 Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, mits bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met de voorwaarden uit de QuickScan natuurwaardenonderzoek en de resultaten van het uit te 69 voeren nader onderzoek en de daaruit voortvloeiende maatregelen. Om te borgen dat de huidige woning en de aangebouwde (vee)schuur daadwerkelijk gesloopt gaat worden, zal de gemeente te zijner tijd een voorwaarde in de vergunning opnemen dat de bestaande woning gesloopt moet worden. 6.8 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde.

Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 6.8.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De gemeentelijke erfgoedverordening maakt in de overgangsfase ook onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege en daarmee van het (Wettelijk) kader. Deze moet vóór 2030 worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Hier moet in de tussentijd wel aan getoetst blijven worden. Met betrekking tot archeologie geldt de archeologische beleidskaart. Deze schrijft per gebied voor, welke onderzoekverplichtingen gelden. Uitgangspunt van het archeologiebeleid is zoveel mogelijk behoud in situ, dus op de plek zelf. 6.8.2 Onderzoek Zoals hierboven vermeld moet voor het aspect archeologie gekeken worden naar de archeologische beleidskaart.

Op onderstaande uitsnede heeft het projectgebied grotendeels een groene kleur, welke behoort bij een Archeologische Waardevol 70 Verwachtingsgebied (AWV) categorie 8 (laag). Dit betekent dat ter plaatse van AWV-8 bij bodemingrepen > 5.000 m2 en dieper dan 30 cm-mv of dieper dan de bekende bodemverstoringen vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek van de Regio Achterhoek benodigd is. Met dit initiatief worden weinig bodemingrepen gedaan. Deze vinden deels plaats op locaties waar reeds bodemverstoringen hebben plaatsgevonden, zoals de nieuwbouw van de woningen ter plaatse van de te slopen kapschuur. Maar sowieso blijven de bodemingrepen ruimschoots onder de onderzoeksgrenzen van AWV-8, zodat archeologisch onderzoek niet uitgevoerd hoeft te worden. Uitsnede Archeologische beleidskaart met globaal ter plaatse van de rode cirkel het projectgebied (bron: RAAP/gemeente Doetinchem). In paragraaf 3.2 is reeds ingegaan op het geldende tijdelijke omgevingsplan, zijnde de beheerverordening ‘Landelijk Gebied – 2020’. De lage verwachtingswaarde AWV – 8 is daarin opgenomen met een dubbelhoofdfunctie ‘Waarde – Archeologische verwachting 6’ (artikel 36) voor het gehele projectgebied.

Op basis van het advies van de Omgevingsdienst Achterhoek is in die paragraaf eveneens geconcludeerd dat archeologisch onderzoek voor de uitvoering van dit initiatief niet nodig is.

71 Het projectgebied heeft geen bijzondere cultuurhistorische waarden. De huidige woonboerderij is pas in 1950 gebouwd en heeft al diverse verbouwingen ondergaan. Het betreft geen monument en het pand is ook niet als cultuurhistorisch waardevol aangemerkt. 6.8.3 Conclusie Het project levert geen belemmeringen op voor archeologische waarden en de waarden van het cultureel erfgoed. 6.9 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’. 6.9.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming. Circulariteit 72 Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5). 6.9.2 Onderzoek energietransitie De beide woningen worden bijna energieneutraal uitgevoerd, waarbij initiatiefnemers zoveel mogelijk duurzame maatregelen zullen nemen. De aaneengebouwde nieuwbouw zal in elk geval gasloos worden uitgevoerd en optimaal geïsoleerd zijn. Ook ligt het in de lijn der verwachting dat zonnepanelen en een warmtepompsysteem zal worden aangelegd.

De exacte invulling hiervan vindt te zijner tijd plaats, omdat dan de meest energiezuinige toepassingen kunnen worden uitgezocht. 6.9.3 Onderzoek circulariteit Voor de nieuw te bouwen woningen wordt van duurzame en zo mogelijk circulaire bouwmaterialen gebruik gemaakt. Een BENG-berekening met de milieuprestatie van de nieuwe aaneengebouwde woningen wordt toegevoegd met het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. 6.9.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Met de “Landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving” is uitvoering gegeven aan het landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid. De beleidsmatige aspecten met betrekking tot klimaatadaptatie zijn reeds toegelicht in hoofdstuk 5. Met deze maatlat worden 6 thema’s belicht, terwijl in de klimaatatlas de risico’s voor 4 van deze 6 aspecten in beeld worden gebracht. Onderstaand wordt een toelichting gegeven op de 6 thema’s van de maatlat. Biodiversiteit en natuurinclusiviteit Volgens de maatlat dienen groenblauwe structuren en de gebiedseigen biodiversiteit versterkt te worden op alle schaalniveaus. Als richtlijn geldt dat waardevolle habitats en een basiskwaliteit natuur gerealiseerd worden. Hieraan is invulling gegeven met het 73 Landschappelijk inrichtingsplan voor de projectlocatie, welke in bijlage 1 is bijgevoegd.

Droogte Met de maatlat wordt beoogd om geen structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale of kwetsbare functies bij langdurige droogte te laten ontstaan. Dit kan door het vergroten van infiltratie en minimaliseren van verharding. Ook hergebruik van water, zuinig gebruik van drinkwater en het verbeteren van de waterkwaliteit dragen hieraan bij. De kaartbeelden van de klimaatatlas Doetinchem laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 weinig verandering zien ten opzichte van de huidige situatie ter plaatse van de projectlocatie. Door de hogere ligging van het bouwvlak is en blijft aldaar sprake van lagere grondwaterstanden (van 1,8 – 2,5 m onder maaiveld) en van droogtegevoeligheid, terwijl de omliggende agrarische grond van het plangebied beperkt droogtegevoelig is. In 2050 is de grondwaterstand voor een deel van de agrarische gronden rond het erf wel verder gedaald van 1,2-1,8 naar 1,8-2,5 m beneden maaiveld. Door het hemelwater binnen de projectlocatie te bergen en te benutten voor de tuin en/of het te laten infiltreren blijft het hemelwater zoveel mogelijk in het gebied zelf aanwezig. Bodemdaling Bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan blijven beheersbaar en betaalbaar. Gezien de aanwezige zandige grond ter plaatse van het plangebied is het risico op bodemdaling zeer gering dan wel nihil.

Het thema bodemdaling is niet van toepassing. Hitte Het doel van de maatlat is om tijdens hitte de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving te laten zijn. De richtlijn biedt diverse open deuren, zoals het creëren van schaduw op verblijfsplekken, warmtewerende oppervlakten en gestreefd wordt om vitale en kwetsbare functies en groenvoorzieningen bestand te laten zijn tegen hitte. De projectlocatie is volgens de klimaatatlas geen specifiek aandachtsgebied voor hitte, want op warme dagen zal de hitte niet warmer aanvoelen. Volgens de atlas wordt het projectgebied als ‘normaal’ of zelfs ‘koel’ aangegeven. Dit komt doordat het plangebied in het buitengebied is gelegen en er relatief veel verkoelende beplanting langs de omliggende wegen zijn gelegen. Binnen de projectlocatie zijn er voldoende 74 mogelijkheden om een koelere plek in de tuin op te zoeken. Ook wordt met de landschappelijke inpassing een bijdrage geleverd aan het voorkomen van hittestress. Gevolgbeperking overstromingen De gebouwde omgeving is via gevolgbeperking voorbereid op overstromingen in buitendijks gebied, vanuit het regionale watersysteem en door dijkdoorbraken. Overstromingsrisico’s van overstromingskans, waterdiepte en evacuatietijd en bijbehorende impact moeten volgens de richtlijn van de maatlat worden afgewogen met specifieke aandacht voor vitale en kwetsbare functies.

Er zijn geen overstromingsrisico’s ter plaatse van de projectlocatie of in de directe omgeving op de kaart ‘Overstromingen’ van de klimaatatlas weergegeven. Een eventuele dijkdoorbraak van de IJssel of de Rijn kan dit hoog en ten opzichte van deze rivieren ver weg gelegen gebied niet bereiken. Specifieke maatregelen om overstromingsrisico’s te beperken zijn niet nodig. Wateroverlast Het doel van de maatlat is dat hevige neerslag niet tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen leidt. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar. Als landelijke norm geldt dat er geen waterschade optreedt tot en met een bui die 1 x per 100 jaar voorkomt, waarbij vitale en kwetsbare functies beschikbaar blijven. Daarnaast mag er geen waterschade optreden bij 0,2 meter waterdiepte op straat. Daarnaast gelden decentrale normen en is een richtlijn van toepassing dat natuurlijke en bovengrondse afwatering zoveel mogelijk aanwezig dient te zijn. Uit de kaartbeelden van de klimaatatlas die horen bij het aspect ‘Wateroverlast’ blijkt dat ter plaatse van het bouwvlak binnen de projectlocatie geen plasvorming wordt verwacht bij een korte extreme bui (van 70 mm in één uur) of lange extreme bui (160 mm in twee uur).

Op het noordelijke en noordoostelijke deel van de projectlocatie in de weide zal wel plasvorming optreden, bij een korte extreme bui van 10 tot 20 cm en een enkele plek 30 cm diepte en bij een lange extreme bui 20 cm in het noordoostelijke deel en vrijwel het gehele noordelijke weiland met meer dan 30 cm diepte. Omdat dit geen bebouwd gebied betreft, is dit geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Riolering De huidige woning is aangesloten op het drukriool, waardoor het hemelwater al apart van het vuilwater op eigen terrein afstroomt en geïnfiltreerd wordt. De nieuw te bouwen woningen dienen opnieuw aangesloten te worden op de gemeentelijke 75 drukriolering. Hiervoor dient via Aanvragen rioolaansluiting | Buha een rioolhuisaansluitingsvergunning aangevraagd te worden. Het hemelwater van de daken van de nieuwe bebouwing zal geïnfiltreerd worden op eigen terrein in de bodem. Hiervoor is het plangebied groot genoeg. Watertoets/toetsing van het waterbelang De toetsing van het waterbelang heeft reeds plaatsgevonden en is beschreven in paragraaf 5.4.3. De initiatiefnemer heeft Waterschap Rijn en IJssel geïnformeerd over het onderhavige plan via het Digitale Wateradvies (www.hetwateradvies.nl). Naast de adviezen, is zowel een korte als normale procedure geadviseerd. Deze ruimtelijke onderbouwing is voor advies digitaal aan het Waterschap voorgelegd.

Het waterschap heeft op 8 september 2025 per mail als volgt gereageerd: “In uw adviesaanvraag staat beschreven dat de huidige verharding afneemt met 750 m2. Bij een afname aan verharding zien wij dit als een klimaat robuuste sloop en herbouw. Er zijn geen compensatie eisen van het waterschap vereist. Indien jullie direct of indirect lozen op de watergang van het waterschap (in dit geval zou dat GRB14.060 kunnen zijn) dan is een watervergunning benodigd, dit ter informatie.” Mocht er direct of indirect (hemelwater of anders) geloosd worden op de watergang van het waterschap, dan zal er een vergunning worden aangevraagd. Het waterschap heeft daarmee haar akkoord gegeven op dit plan. 6.9.5 Conclusie Het project houdt voldoende rekening met klimaatadaptatie en ook het aspect water vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief. 6.10 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

76 6.10.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project- m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of; • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.- (beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. 6.10.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen, zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob.

Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is onderstaand een plan-m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Dit project betreft vervangende nieuwbouw met een woningsplitsing, zodat dit een kleine wijziging op een klein gebied op lokaal niveau betreft. Hiervoor wordt een wijziging van het omgevingsplan voorzien. Om deze reden kan sprake zijn van een plan-m.e.r-beoordeling. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. In paragraaf 1.2 Projectgebied, en hoofdstuk 2 Beschrijving huidige situatie is de plaats van het project nader toegelicht. De kenmerken van het project zijn uitgebreid beschreven in hoofdstuk 3 Voorgenomen ontwikkeling. In dit hoofdstuk, zijnde hoofdstuk 6 Omgevingsaspecten zijn de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving onderzocht. Uit de beoordeling van deze omgevings- c.q. milieuaspecten is gebleken 77 dat er geen aanzienlijke milieueffecten en geen significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn. Een uitgebreidere plan-m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk. 6.10.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

6.11 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 6.11.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 78 6.11.2 Onderzoek Dit project voorziet in vervangende nieuwbouw met een woningsplitsing. Hierdoor wordt 1 woning in het buitengebied toegevoegd, zodat dit ruimschoots minder is dan 11 woningen en er geen sprake van een woningbouwlocatie is. Hierdoor betreft dit initiatief geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Deze motivatie blijkt uit de concrete en aantoonbare behoefte om de vervangende nieuwbouw te realiseren met de woningsplitsing.

6.11.3 Conclusie Dit planinitiatief is niet aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling, maar voorziet wel in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief buiten bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee echter wel aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat het geen substantiële ontwikkeling betreft en voldaan wordt aan een concrete behoefte. Het project is niet in strijd met het Bkl. 6.12 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

6.12.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een 79 lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld.

6.12.2 Onderzoek Met de woonactiviteiten op de projectlocatie worden geen nieuwe milieubelastende activiteiten toegestaan. De instructieregels in het Bkl zijn niet van toepassing op het wonen. Hoewel in de omgeving van het projectgebied met name woonfuncties zijn gelegen, bevindt zich een enkel bedrijf in de omgeving. Dit tuincentrum zich op circa 250 m afstand. Volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ zijn ‘Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten’ aangemerkt als bedrijvigheid met een milieucategorie 2. Hiervoor geldt vanwege het aspect geluid een richtafstand van 30 m tot gevoelige objecten van derden. Daaraan wordt ruimschoots voldaan. Bovendien zijn andere burgerwoningen dichter bij dit niet-agrarische bedrijf gelegen, waardoor de woningbouw binnen het projectgebied niet maatgevend is. Door dit planinitiatief ontstaat geen extra belasting of belemmering voor omliggende bedrijven. Met de nieuwbouw is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 6.12.3 Conclusie Met dit initiatief worden geen milieubelastende activiteiten toegevoegd. De woonfuncties komen niet dichter bij omliggende bedrijfsactiviteiten te liggen. Bovendien zijn andere woningen dan maatgevend, zodat sprake is en blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie.

80 6.13 Gezondheid De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); • Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). 6.13.1 (Wettelijk) kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

6.13.2 Onderzoek De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn in artikel 1.3 van die wet als volgt geformuleerd: Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Naast het functioneel doelmatig gebruiken van het projectgebied door twee huishoudens, is in de voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd dat voldaan wordt aan de Bkl-instructieregels die betrekking hebben op de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. Deze instructieregels zijn specifiek bedoeld ter bescherming van de gezondheid en het milieu. 81 Een ander fysiek milieuaspect in relatie tot gezondheid betreft het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van de nieuw te bouwen woningen in het projectgebied. Bij agrarisch grondgebruik is de kans immers groot dat gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Deze middelen beschermen de planten tegen ongedierte, maar de verspreiding ervan kan ook gezondheidsproblemen veroorzaken.

Om deze reden geldt vanuit de rechtspraak de regel dat er een afstand moet zijn tussen agrarisch grondgebruik en nieuwe gevoelige functies (zoals woningbouw), de zogenaamde spuitzone. Op dit moment bestaat er nog geen wetgeving die spuitzones regelt. Om deze reden is vanuit de rechtspraak de norm van 50 meter afstand ontstaan. “In het algemeen wordt een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk geacht.” Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). De nieuw te bouwen woningen zijn omringd door het projectgebied, zijnde gronden van initiatiefnemers zelf. Deze agrarische gronden worden overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan ingericht met landschapselementen en voor het overige als extensief beheerd kruidenrijk grasland ingericht, waar geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Ten noordoosten en zuidwesten van de nieuwbouw wordt ruimschoots aan de afstand van 50 m voldaan. Aan de beide zijkanten ten noordwesten en zuidoosten van de nieuw te bouwen woningen ligt de perceelsgrens op circa 45 m afstand. Ten noordwesten bevindt zich naast een sloot van het waterschap tevens een houtsingel die eventuele drift van gewasbeschermingsmiddelen afschermt.

Het perceel ten zuidoosten betreft een woning met tuin aan de Haitinkweg 17. Intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij deze woonfunctie van derden is onwaarschijnlijk. Daarnaast wordt ook vanuit deze zijde eventuele drift beperkt door de overeenkomstig de landschappelijke inpassing aan te planten opgaande landschapselementen, zijnde een hoogstamboomgaard en een struweelbosje. Hierdoor kan ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen een gezond woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit wordt echter ook bereikt door de sociale aspecten die met deze woningsplitsing samenhangen. Hierdoor kunnen meerdere huishoudens op de projectlocatie wonen en wordt naoberschap praktisch vormgegeven. Hierdoor kunnen meer mensen genieten van een groene omgeving in het buitengebied. Dit draagt bij aan een goede gezondheid van de bewoners. Tezamen met de landschappelijke inpassing behorend bij deze ontwikkeling, is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De kwaliteit van de leefomgeving wordt door dit initiatief verbetert. 82 6.13.3 Conclusie Voor dit initiatief is met betrekking tot het aspect gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7.

Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. De projectlocatie is niet gelegen in een beperkingengebied. 83 8. Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.1.1 Financieel economische haalbaarheid Een wijziging van het omgevingsplan mag geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. De financiële kosten van dit particuliere initiatief mogen daarom niet voor rekening van de gemeente Doetinchem komen. 8.1.2 Kostenverhaal De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van particuliere initiatiefnemers, die daarmee optreden als projectontwikkelaar. Het plan wordt geheel op eigen grond gerealiseerd en er is geen sprake van wijzigingen in de openbare ruimte. Daardoor zijn er geen kosten die door de gemeente verhaald moeten dan wel kunnen worden.

De kosten van het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan (leges) inclusief het eventueel daarvoor benodigde onderzoek, zoals onder A1 van bijlage IV behorend bij artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit benoemd, komen voor rekening van projectontwikkelaar en worden via de leges in rekening gebracht. Van overig kostenverhaal, met uitzondering van nadeelcompensatie, is geen sprake en er wordt daarom geen anterieure overeenkomst opgesteld. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond. 8.1.3 Nadeelcompensatie In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. Gezien de grootte van het projectgebied zijn er geen omliggende functies, die gehinderd worden door de vervangende nieuwbouw met woningsplitsing. De dichtstbijzijnde woning van derden (Haitinkweg 17) blijft op minimaal 50 m afstand van het nieuw te bouwen woongebouw gesitueerd. Deze vervangende nieuwbouw van de aaneengebouwde woningen vindt plaats binnen het bestaande functievlak ‘Wonen’ tevens bouwvlak, zodat dit geen extra beperkingen voor de planologische situatie van 84 omliggende functies oplevert.

Daarnaast vindt binnen het projectgebied landschappelijke inpassing plaats, waardoor er geen direct zicht van en naar de nieuwe woningen zal zijn. Op basis van bovenstaande afwegingen wordt de kans op nadeelcompensatie nihil geacht en zal er geen sprake zijn van voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie. Ondanks deze verwachting heeft de gemeente met initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow gesloten. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd. 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1 Participatie Het overleg met de ketenpartners en het participatieproces met omwonenden en belanghebbenden is al besproken in het hoofdstuk ‘voorbereiding en participatie’. Onder deze paragraaf wordt het formele participatietraject dat hierop volgt behandeld. De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb).

Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen. 85 Bijlagen 1 Landschappelijke inpassing Haitinkweg 15 Doetinchem 2 Resultaat Wateradvies Haitinkweg 15 Doetinchem 3 Milieuhygiënisch bodemonderzoek Haitinkweg 15 Doetinchem 4 QuickScan natuurwaardenonderzoek Haitinkweg 15 Doetinchem

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8370/documents/52970