CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B10.0 Onderbouwing Ribesstraat 4 Gaanderen.pdf

beeldvormende raad 12 maart 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2025-2G17.587 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000; 8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000; 14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; 17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00); 33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000).

Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven.

ruimte voor ontwikkeling

31

Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie. Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stadsen dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn: 1. 2. 3. 4. 5.

Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; Bouwen in en aan buurten; Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; Waar nodig stadsranden en dorpsranden; Woonmilieus voor ontwikkelingen.

Kaartbeeld voor de woonvisie van de gemeente Doetinchem

De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden 27 woningen toegevoegd, waarmee de woningvoorraad met duurzame en toekomstbestendige woningen wordt versterkt. In de woonvisie is het perceel aangeduid als “kansrijke herontwikkelingslocaties woongebieden” Dit plan moet voldoen aan het woonmilieu “dorps wonen” waarbij 35 % van de locatie als openbaar groen worden ingericht. Het programma bestaat uit:

32

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

• • • •

8 koopwoningen goedkope koop tot € 260.000 of sociale huur; 6 koopwoningen betaalbare koop tot € 295.000; 4 koopwoningen betaalbare koop tot € 370.000; 9 koopwoningen dure koop boven € 370.000.

De beoogde ontwikkeling is een herontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied, daarnaast wordt de ruimtelijke kwaliteit van het perceel vergroot. Het plan voldoet hiermee aan de woonvisie van de gemeente Doetinchem.

4.5.3. Koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om de duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen.

Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. In het geldende bestemmingsplan heeft de gemeente waar mogelijk al rekening gehouden met de energieneutraliteitsambitie. Zo is het in alle bestemmingen toegestaan om op daken van gebouwen zonnepanelen en -collectoren te plaatsen. Dit kan vergunningsvrij als rekening wordt gehouden met de bijbehorende randvoorwaarden. De nieuwe woningen worden gebouwd zonder gasaansluiting.

4.5.4. Conclusie gemeentelijk beleid Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem. De uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 5.10

4.6.

Omgevingswaarden

De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk. De uitwerking gemeentelijk beleid klimaatadaptatie staat in 5.10

ruimte voor ontwikkeling

33

5.

Effecten op en van de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 4.1 tot en met 4.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 4.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.

5.1.

Geluid

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Wettelijk kader Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat. Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp). Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden.

Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Een gpp is het gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt.

Beoordeling Een woning wordt beschouwd als een geluidsgevoelig gebouw, waardoor nagegaan moet worden of de locatie is gelegen in een geluidsaandachtsgebied of geluidsproductieplafond. De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een industrieterrein. Wel ligt het plan binnen een geluidsaandachtsgebied van meerdere drukke gemeentelijke wegen en een hoofdspoorweg, waardoor

34

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

akoestisch onderzoek nodig is. Door Spa WNP is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai opgesteld (bijlage 4).

Verkeerslawaai Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting voor zowel de gemeentelijke wegen als de hoofdspoorweg lager zijn dan de standaardwaarde. Daarmee zijn alle gevels en de daaraan liggende buitenruimten geluidluw. Het gecumuleerde geluid is bepaald op maximaal 48 dB. Voor gezamenlijk geluid wordt uitgegaan van 53 dB, met normale standaard bouwmaterialen wordt er voldaan aan de geluidseis. Op basis hiervan wordt gesteld dat er bij het plan sprake is van een aanvaardbare geluidssituatie.

Gecumuleerd geluid van installaties voor warmte- of koudeopwekking Bij de nieuwe woningen worden installaties voor warmte- of koudeopwekking geplaatst. Het gecumuleerde geluidsniveau van deze installaties is onderzocht en voldoet aan 45 dB op de perceelsgrens met een aangrenzend woonperceel. Hiermee is aangetoond dat het gecumuleerde geluid door deze installaties geen onevenredige gevolgen heeft voor de omgeving van het plan en er dus sprake is van ETFAL. De berekening is als bijlage 15 bij de motivering opgenomen.

Conclusie Er bestaat vanuit het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.2

Luchtkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.

Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10

ruimte voor ontwikkeling

35

niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen.

Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.

Effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling is niet gelegen in een van de aandachtsgebieden uit het Bkl. Toetsing van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op waarden van het RIVM uit de Atlas Leefomgeving. Stof NO2 PM10 PM2,5

Jaar 2018 16,1 µg/m3 18,2 µg/m3 11,4 µg/m3

Jaar 2022 12,1 µg/m3 16,5 µg/m3 9,3 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3

Advieswaarde 10 µg/m3 15 µg/m3 5 µg/m3

Waarden in het plangebied, omgevingswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit

In de huidige situatie aan de Ribesstraat liggen de concentraties ver beneden de grenswaarden voor luchtverontreinigende stoffen in de lucht. Er wordt net niet voldaan aan de advieswaarde, maar zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst

36

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

Conclusie Er bestaat vanuit het aspect geur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.3

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur.

Wettelijk kader De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is.

Beoordeling Onderhavig initiatief betreft de realisering van 27 woningen op een voormalige bedrijfslocatie. Een woning wordt beschouwd als een geurgevoelig gebouw zoals bedoeld in het Bkl. De locatie bevindt zich in een woonwijk binnen de bebouwde kom. Aangezien er in de nabijheid van de locatie geen activiteiten zijn die geurhinder veroorzaken, vormt dit geen belemmering.

Conclusie Er bestaat vanuit het aspect geur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4

Trilling

Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is.

Wettelijk kader

ruimte voor ontwikkeling

37

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen. In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen.

De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.

Beoordeling Een woning wordt beschouwd als een trillinggevoelig gebouw, waardoor nagegaan moest worden wat de afstand is ten aanzien van een spoorweg. Het plangebied is gelegen binnen 100 meter van de spoorlijn ‘Winterswijk – Arnhem’, waardoor een onderzoek naar trillinghinder noodzakelijk werd geacht. Door WeBoost is een QuickScan trillinghinder opgesteld (bijlage 5). Uit de quickscan volgt dat de trillingen voldoen aan het beoordelingskader. Door de lichte treinen en de lage rijsnelheid in combinatie met relatief grote, zware gebouwen, zijn de trillingen laag. Er is geen nader onderzoek of maatregelen nodig. Er is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van trillingen.

Conclusie Er bestaat vanuit het aspect trilling geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

Bodem

Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.

38

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • • •

Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Beoordeling Onderhavig initiatief betreft een wijziging naar wonen op een locatie waar nu de bedrijfsbestemming is toegestaan. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Op basis van reeds uitgevoerde verkennende bodemonderzoeken op locatie waren al verontreinigingen op verschillende plaatsen in het plangebied bekend. Door TTE Consultants is daarom een aanvullend onderzoek naar de bodemkwaliteit opgesteld (bijlage 6).

Aanvullend onderzoek De grond op de locatie is aanvullend onderzocht om vast te stellen in hoeverre de (toekomstige) leeflaag voldoet voor de functie wonen. Hieruit volgt dat op een groot deel van de locatie de bodemkwaliteit geschikt is voor woningbouw. De in voorgaande onderzoeken sterke verontreinigingen met arseen en PAK zijn in dit onderzoek niet aangetroffen. Ter plaatse van boring 129 is een lichte verhoging aan PFOS gemeten, die voldoet aan de norm voor Wonen/Industrie. Het grondwater is aanvullend onderzocht op de in eerder onderzoek aangetroffen stoffen en op PFAS. Hieruit volgt dat het grondwater in één peilbuis sterk verontreinigd is met PER. De gemeten concentratie PER in dit en voorgaande onderzoeken is net boven de interventiewaarde. Vanwege het ontbreken van significante verontreiniging in de vaste bodem en de marginale overschrijding van de interventiewaarde, wordt verwacht dat er geen sprake is van een ernstige bodemverontreiniging met PER.

ruimte voor ontwikkeling

39

In de grond zijn enkele zware metalen, PCB en PAK boven de achtergrondwaarde gemeten. Er is daarnaast op een deel van het plangebied een asbestverontreiniging aanwezig boven de interventiewaarde. Om het terrein geschikt te maken voor de functie wonen wordt aanbevolen om de lokale spots met verontreiniging te saneren, alsmede het hele achterterrein. Tevens wordt aanbevolen om bij de sloopwerkzaamheden alert te zijn op de aanwezigheid van zintuiglijke verontreinigingen in de bodem.

(Raam)saneringsplan Daarom is er door TTE Consultants ook een raamsaneringsplan en een saneringsplan asbest opgesteld (bijlage 7 en 8). Daarin wordt beschreven welke saneringsmaatregelen nodig zijn om de herontwikkeling tot woningbouw mogelijk te maken. De provincie Gelderland heeft op 20 juni 2024 per brief laten weten dat het saneringsplan voor het plangebied is goedgekeurd. De sanering is nog niet uitgevoerd. Na de bodemsanering vormt de bodemkwaliteit niet langer een belemmering voor de ontwikkeling (bijlage 9).

Conclusie Er bestaat vanuit het aspect bodem (na sanering) geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.6

Parkeren en verkeer

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.

Parkeren auto In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). De gemeente Doetinchem heeft parkeerbeleid opgesteld met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Op basis van de Nota parkeernormen 2024 van de gemeente Doetinchem kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Voor een ‘Rijtjeshuis (tussen- / hoekwoning)’ geldt een minimale parkeernorm van 1,9 parkeerplaatsen per woning. Voor het appartementencomplex geldt dat een ‘Appartement-duur’ een minimale parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning heeft, een ‘Appartement-middenprijs’ een minimale parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning en voor een ‘Appartement-goedkoop’ een minimale parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning geldt. Voor de beoogde ontwikkeling geldt dan in totaal een minimale parkeernorm van 48,9 parkeerplaatsen. Hierbij is rekening gehouden met negen rijwoningen, vijf appartementen in het goedkope segment, 11 in het middensegment en twee in het dure segment in rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied.

40

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

Er worden 44 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd en zes nieuwe parkeerplaatsen buiten het plangebied langs de Ribesstraat. Er worden in totaal 50 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee wordt voldaan aan de parkeereis uit de parkeernota van de gemeente Doetinchem.

Parkeren fiets Alle woningen hebben een berging/ schuur waar de fiets geparkeerd kan worden. Bij de appartementen wordt deze berging op de begane grond gerealiseerd.

Begane grond appartementengebouw met bergingen

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten voor auto’s en fietsers via de Ribestraat, voor wandelaars is er ook de mogelijkheid om via de routes in het aangesloten westelijk gelegen park te gaan.

ruimte voor ontwikkeling

41

In de huidige situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van de CROWpublicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering’. Hierin is gekeken naar een ‘Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf’ met een verkeersgeneratie van 0,8 – 1,3 mvt/etmaal per 100m2 bvo. Voor een bouwvlak van circa 3.850 m2 met een maximaal bebouwingspercentage van 70 procent komt dit neer op een verkeersaantrekkende werking van 21,6 – 35,1 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden met een pand van 2.700 m² in rest bebouwde kom in een matig stedelijk gebied. In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende op dezelfde manier te bepalen. Voor een ‘Koop, huis, tussen/hoek’ geldt een kencijfer van 6,7 – 7,5 mvt/etmaal per woning. Voor het appartementen complex gelden kencijfers ‘koop, appartement, < 75 m2 bvo’ van 4,5 – 5,3 mvt/etmaal per woning, ‘Koop, appartement, 75-100 m2 bvo’ van 5,2 – 6,0 mvt/etmaal per woning en ‘Koop, appartement, > 100 m2 bvo’ van 6,7 – 7,5 mvt/etmaal per woning. Voor de beoogde ontwikkeling geldt dan in totaal een verkeersaantrekkende werking van 153,4 – 175,0 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden met negen rijwoningen, vijf appartementen van circa 70 m2 bvo, 11 appartementen van circa 85 m2 bvo en twee appartementen van circa 140 m2 bvo in rest bebouwde kom in matig stedelijk gebied.

Conclusie Er wordt voldaan aan de geldende parkeernorm. Het grootste deel van de parkeerplaatsen wordt op eigen terrein gerealiseerd, daarnaast worden er zes parkeerplaatsen langs de Ribesstraat toegevoegd waardoor het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. De verkeersbewegingen nemen met onderhavig initiatief toe met 118,3 – 153,4 mvt/etmaal. Gezien de ligging en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied. Daarnaast kan verwacht worden dat gezien de ligging nabij het treinstation van Gaanderen en de nabije ligging van voorzieningen, de verkeersgeneratie in de praktijk minder kan zijn. Geconcludeerd kan worden dat er ten aanzien van parkeren en verkeer geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief.

5.7

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Wettelijk kader De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

42

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

• Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Beoordeling Een woning betreft een kwetsbaar gebouw, zodat getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

ruimte voor ontwikkeling

43

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: Atlas Leefomgeving)

Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour.

Activiteiten In de directe nabijheid van het plangebied vinden geen omgevingsveiligheid-relevante activiteiten plaats, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van het Bkl, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving.

Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.8

Flora en fauna

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven).

44

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een ‘flora- en faunaactiviteit’ is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.

Gebiedsbescherming Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.

Stikstofdepositie Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.

Zorgplicht Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle

ruimte voor ontwikkeling

45

passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.

Beoordeling Onderhavig initiatief betreft de herontwikkeling van bedrijfshallen naar 27 woningen. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dienen de bedrijfshallen te worden gesloopt. De voorgenomen activiteit betreft een flora- en fauna-activiteit, waardoor een quickscan flora en fauna is uitgevoerd door Lycens om na te gaan of de ontwikkeling leidt tot significante negatieve gevolgen op beschermde flora en fauna (bijlage 10). Uit deze QuickScan volgt dat voorgenomen activiteiten niet leiden tot consequenties met betrekking tot provinciaal beschermde of natura 2000 gebieden. Er wordt nader onderzoek uitgevoerd naar verschillende vleermuissoorten en hun verblijfplaatsen in de gevels van de bestaande bebouwing. Als er verblijfplaatsen worden aangetroffen, dan is het plan uitvoerbaar door het aanvragen van een vergunning flora- en fauna-activiteit. Indien er sprake is van aanwezigheid van verblijfplaatsen en het aanvragen van een vergunning dan zullen mitigerende maatregelen moeten worden getroffen. Mitigerende maatregelen voor vleermuisverblijfplaatsen zijn bedoeld om negatieve effecten van bouw- en sloopwerkzaamheden op vleermuizen te voorkomen of te beperken en de functionaliteit van verblijfplaatsen duurzaam te behouden in de toekomstige situatie.

Mogelijke mitigerende maatregelen zijn het ongeschikt maken van verblijfplaatsen waarbij men rekening houdt met kwetsbare periodes als kraamtijd en overwintering, het aanbieden van tijdelijke en duurzame permanente alternatieve verblijfplaatsen in de nieuwbouw, hetgeen op de projectlocatie goed mogelijk is doordat er wederom bebouwing terugkomt.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor beschermde plantensoorten en beschermde ongewervelden, het uitvoeren van de activiteiten dient wel buiten de broedperiode plaats te vinden, anders is een broedvogelsscan benodigd. Daarnaast dient te allen tijde gewerkt te worden conform de specifieke zorgplicht. Stikstofdepositie Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Rijntakken’ en ligt op circa 15,4 kilometer afstand van het plangebied. Voor de volledigheid zijn de Duitse Natura 2000 rekenpunten ook meegenomen in de berekening, het dichtstbijzijnde Duitse Natura 2000-gebied is Vogelschutzgebiet ‘Unterer Niederrhein’ NSG Hetter-Millinger Bruch mit Erweitung op circa 8,8 kilometer afstand van het plangebied. Uit de berekening blijkt dat de gewenste ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het rapport, inclusief bijlagen, is opgenomen in bijlage 11 (1 t/m 3).

Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling, mits bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met de voorwaarden uit de QuickScan

46

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

flora en fauna en de resultaten van het uitgevoerde nader onderzoek en de daaruit voortvloeiende maatregelen. In het inrichtingsplan en de bouw wordt het natuurinclusief ontwerpen en bouwen als uitgangspunt opgenomen. De Inspiratiebundel Omgevingskwaliteit Doetinchem zal daarbij als leidraad gebruikt worden. Doordat natuurinclusief bouwen en ontwerpen uitgangspunt is, worden in de nieuwbouw op voorhand voorzieningen voor vleermuizen en vogels geïntegreerd. Tevens wordt de buitenruimte natuurinclusief ingericht. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek naar vleermuizen worden deze natuurinclusieve maatregelen verder uitgewerkt en aangescherpt.

5.9

Cultureel erfgoed

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

Wettelijk kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • • • • •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Beoordeling cultuurhistorie Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende omgevingsplan. Ook is de planlocatie niet gelegen in een cultuurhistorisch waardevol gebied of waardevolle structuur. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.

Beoordeling archeologie Het plangebied heeft een aanduiding met betrekking ten aanzien van archeologie. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen er graafwerkzaamheden plaats vinden, waardoor archeologisch onderzoek benodigd is. Door Synthegra is een verkennend archeologisch onderzoek opgesteld (bijlage 12) Uit het bureauonderzoek volgde een hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum en Mesolithicum en nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen. In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat binnen het plangebied een archeologische vindplaats

ruimte voor ontwikkeling

47

aanwezig is, wordt daarom klein geacht. Hieruit volgt dat de verwachtingswaarde voor archeologische resten uit eerdergenoemde periode bijgesteld kan worden naar laag. Het natuurlijke bodemtype is in het hele plangebied verstoord door ploeg- of graafwerkzaamheden. Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, en bevinden zich in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien de bodem is verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting van het plangebied zoals omschreven in de vergunningsaanvraag geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.

Conclusie Er bestaat vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

Wettelijk kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken. Gezien het vastgestelde gemeentelijk beleid: ”tot 2029 bouwen we minimaal 25% circulair, vanaf 2030 streven we naar 50%” wordt circulair bouwen als essentieel voor toekomstbestendige, gezonde en

48

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

betaalbare woonomgevingen gezien. Voor initiatiefnemers voelt dit soms als een extra opgave, maar dat hoeft het niet te zijn. Biobased prefabprojecten in Nederland laten zien dat ze: • • • • • •

lagere faalkosten hebben, sneller gebouwd kunnen worden, minder arbeidskosten met zich meebrengen, energie-efficiënt en onderhoudsarm zijn, bijdragen aan CO₂-reductie en opslag, en daarnaast in aanmerking kunnen komen voor groene leningen of fiscale voordelen.

De manier van bouwen is schoon, snel en betaalbaar. Ontwerpen zijn natuurinclusief en hebben een goede ruimtelijke kwaliteit.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water.

Beoordeling In het ontwerp van het plan is rekening gehouden met ontwerpthema’s die de gemeente heeft genoemd. Denk hierbij aan de thema’s: wonen, dorpse setting, leefbaarheid, overgang openbaar-privé, klimaatadaptatie, natuurinclusief ontwerpen en biodiversiteit. Dit is terug te zien in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1). De woningen worden energieneutraal en zo circulair mogelijk gebouwd. Bij verdere uitwerking van het plan wordt daar waar mogelijk samen met de beleidsmedewerker circulariteit gezocht naar toepassing van circulaire en duurzame bouwprincipes. Er wordt er voldaan aan de wettelijke duurzaamheidseisen voor nieuwbouw. Een berekening voor milieuprestatie zal worden uitgevoerd wanneer de omgevingsvergunning wordt aangevraagd. In paragraaf 4.4.3 (en bijlage 3) is ingegaan op klimaatadaptatie en water. Onder meer de aspecten hittestress en droogte zijn hier beschreven. Om daarnaast binnen het plangebied klimaatadaptieve kansen te benutten op het gebied van verkoeling en biodiversiteit zullen onderstaande meekoppelkansen toegepast worden: • • •

Biodiverse beplanting toepassen in de groenvoorzieningen; Realiseren van flora- en faunavoorzieningen; Realiseren van schaduw door het aanplanten van bomen in het plangebied.

Conclusie Het aspect duurzaamheid is voldoende gewaarborgd in voorliggend plan.

5.11 Milieueffectrapportage

ruimte voor ontwikkeling

49

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

Wettelijk kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: •

Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of;

•

Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een planm.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

Beoordeling Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect).

Kenmerken van het project In de gewenste situatie worden de bedrijfshallen gesloopt en worden er 27 woningen gerealiseerd, waaronder twee geschakelde woningen, zeven rijwoningen en een appartementencomplex met 18 appartementen. Met het plan wordt het westelijk gelegen park ook betrokken, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd. De bodem van het plangebied is inmiddels gesaneerd, waardoor er geen verontreinigen meer aanwezig zijn die de woonfunctie belemmeren.

Locatie van het project Het plangebied is gelegen aan de Ribesstraat 4 in Gaanderen. Het is gelegen binnen de bebouwde kom van de kern Gaanderen. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door woningen, daarnaast is het plangebied centraal gelegen nabij het treinstation en andere voorzieningen. Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van Natura 2000-gebied of NNN gebied. In de huidige situatie is bijna het

50

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

volledige perceel verhard voor de oorspronkelijke bedrijfsactiviteiten. Ten westen van het plangebied is een openbaar park gesitueerd.

Kenmerken van het potentiële effect Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer en omliggende woningen, leidt niet tot luchtvervuiling, geluidsoverlast en bedrijven worden in milieutechnische zin niet extra belemmerd. In deze onderbouwing worden de diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het plan is niet gelegen in kwetsbaar of waardevol gebied en het heeft geen nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Met het plan wordt er naar gestreefd om de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit op de locatie te verbeteren. Voor voorliggend plan is het niet noodzakelijk een milieueffectrapportage op te stellen.

Conclusie Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.

5.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.

Wettelijk kader In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling

of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.

Beoordeling

ruimte voor ontwikkeling

51

Allereerst moet beoordeeld worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Onderhavig initiatief betreft de realisatie van 27* woningen, de ontwikkeling wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor de laddertoets is doorlopen. Om de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling te onderzoeken kan worden gekeken naar de beschreven woningbehoefte in het regionale en gemeentelijke woonbeleid. Voorgenomen plan sluit aan bij de beschreven behoefte naar woningen voor bepaalde doelgroepen en versterkt daarmee de woningvoorraad in Gaanderen. De omgeving van het plangebied wordt dominant gekenmerkt door woningen, daarmee is het initiatief een logische toevoeging in de omgeving. Tevens wordt de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving verbeterd, waarbij het westelijk gelegen park wordt aangesloten op het plangebied. Hieruit volgt dat het plan van toegevoegde waarde is voor de omgeving. Daarnaast is onderhavig initiatief binnen bestaand stedelijk gebied gelegen en wordt er ten aanzien van de bestaande situatie geen verhard oppervlak toegevoegd. Met de sloop van de bedrijfshallen vindt er juist een afname plaats van bebouwing en verhard oppervlak. Voorliggend plan betreft herontwikkeling van bedrijfshallen naar 27 woningen.

Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen initiatief binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl.

5.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • • •

Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

Wettelijk kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief

52

Motivering Omgevingsplan - Gaanderen, Ribesstraat 4

effect op het milieu kunnen wateronttrekkingsactiviteiten).

hebben

(met

uitzondering

van

‘directe

lozingen’

en

Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook nietplaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld.

Beoordeling Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Ribesstraat 4 met voornamelijk woningen, worden gekarakteriseerd als een rustige woonwijk. Er zijn geen nabij gelegen milieubelastende activiteiten waarvan de beoogde ontwikkeling overlast van ondervindt. Met het plan worden woningen gerealiseerd, die op hun beurt geen belemmering voor de omgeving veroorzaken. In het plangebied is een goed woon- en leefklimaat te realiseren en er zijn geen omliggende bedrijven die belemmerd worden door de ontwikkeling.

Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen te verwachten door de voorgenomen ontwikkeling.

5.14 Gezondheid en milieu De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?); Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Wettelijk kader Volgens artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de

ruimte voor ontwikkeling

53

Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Daarnaast beschrijft de gemeente Doetinchem in haar omgevingsvisie over het thema wonen dat er gezorgd moet worden voor een aangename, groene, gezonde en veilige woonomgeving. Daarbij wordt beschreven dat een groene omgeving hiervoor een basisbehoefte is om welzijn en cohesie te vergroten omdat het uitnodigt tot bewegen en recreëren. Tegelijkertijd zorgt groen ook voor minder wateroverlast en hittestress. Natuurinclusief ontwikkelen is bij woningbouwontwikkelingen de norm.

Beoordeling In dit hoofdstuk wordt per milieuaspect ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op gezondheid en milieu. Daarnaast wordt bij dit specifieke project gezondheid gestimuleerd door het toevoegen van een groene omgeving zoals beschreven in de omgevingsvisie. Het plan zoekt nadrukkelijk verbinding met het westelijk gelegen openbaar park, daarbij worden de paden uit het park aangesloten op het plangebied. Momenteel is het plangebied bijna volledig verhard, in de gewenste situatie wordt de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied verbeterd door het toevoegen van groen. Daarmee wordt er een goede leefomgeving te gecreëerd, waarbij er ook aandacht is voor biodiversiteit en klimaatbestendigheid. Het plan is hiermee in overeenstemming met het beleid van de gemeente omtrent een gezonde leefomgeving.

Conclusie Er bestaat vanuit het aspect gezondheid en milieu geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.15 Ontplofbare oorlogresten In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze in het projectgebied bij de activiteit rekening wordt gehouden met niet-gesprongen explosieven en ontplofbare oorlogsresten. Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, is een gedeelte om verschillende redenen niet tot uitwerking gekomen of gebracht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8364/documents/51586