CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

B07.08 Bijlage 8 onderbouwing - Stikstofonderzoek

beeldvormende raad 14 oktober 2026, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2026-1G4.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Doetinchem, Landschapspark Hagen Onderzoek stikstofdepositie Gemeente Doetinchem sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling 20 augustus 2025, projectnummer 240256 sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomati- seerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zon- der voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Situering en huidige situatie 3 1.2 Toekomstige situatie 4 2 Wettelijk kader en berekenings- methodiek 6 2.1 Natura 2000-gebieden 6 2.2 Berekeningsmethodiek 8 3 Onderzoeksgegevens 10 3.1 Huidige situatie 10 3.2 Aanlegfase 10 3.3 Toekomstige situatie, gebruiksfase 11 4 Onderzoeksresultaten 15 4.1 Rekenjaar 2025 15 5 Conclusie 16 5.1 Aanleg- en gebruiksfase 16 5.2 Eindadvies 16 Bijlage Bijlage 1: Aerius pdf-bestand aanleg- en gebruikfase

3 1 Inleiding Aan de noordwestelijke stadsrand van Doetinchem ligt een stuk grond dat de initiatief- nemer graag wil ontwikkelen tot landschapspark, met drie erven waar ruimte is voor zes vrijstaande woningen. Binnen het landschapspark komen er verschillende soorten natuur en agrarisch gebied, met een rustplek, uitbreiding van de bosranden, een moes- tuin en een wijngaard. In het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in de Omgevingswet is het noodzakelijk de mogelijke stikstofuitstoot door de beoogde ont- wikkeling inzichtelijk te maken. Het voorliggende rapport voorziet in dit onderzoek. 1.1 Situering en huidige situatie Het voorliggende project voorziet de realisatie van woningbouw met landschapsinpas- sing tussen de Prins Alexanderstraat en de 2e Loolaan te Doetinchem. Navolgende fi- guren geven de ligging van de ontwikkellocatie ten opzichte van de nabije omgeving en een luchtfoto van de ontwikkellocatie weer. Topografische kaart met globale aanduiding ontwikkellocatie (in rood) (bron: openstreetmap)

4 Globale begrenzing projectgebied (Bron: PDOK viewer) 1.2 Toekomstige situatie Zoals weergegeven op de navolgende afbeelding is het projectgebied grofweg op te delen in een noordelijke en zuidelijke helft. Er komen drie woonerven op de noordelijke helft van het projectgebied te liggen. Twee van die woonerven liggen in het noordwes- ten en aan de noordelijke rand komt een biologische wijngaard. Dit deel van het park wordt begrensd door middel van een pad bestaande uit halfverharding met daarlangs een takkenwal. Ten noordoosten van de Mauritsstraat komt het derde woonerf. Rondom de woningen komen siertuinen die worden begrensd door middel van hagen. Dit zorgt voor een natuurlijke overgang van weide naar bewoning. Tegenover het erf wordt een moestuin aangelegd. In dit deel van het park zullen de gronden tussen de woonerven en de wijngaard bestaan uit bloem- en kruidenrijk grasland. De rest van het park zal grotendeels bestaan uit weide. Ten oosten van het projectgebied zal de be- staande bosrand worden uitgebreid en wordt een coulissenlandschap gevormd, waar- bij er een geleidelijke overgang van bos naar open land zal worden gecreëerd. Tot slot wordt ten zuiden ook een half transparant plukbos met daarin vruchtdragende bomen en struiken gerealiseerd.

Het oostelijke en noordoostelijke deel van het park zal een meer gesloten karakter krijgen en de rest van het park zal een meer open karakter krij- gen. Onderstaande figuur geeft het ontwerp voor het terrein weer.

5 Tekening van inrichting terrein in de beoogde situatie (Bron: Giessen Architectuur)

6 2 Wettelijk kader en berekenings- methodiek 2.1 Natura 2000-gebieden Ingevolge artikel 2.44 van de Omgevingswet zijn er Natura 2000 -gebieden aangewe- zen ter uitvoering van Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Dit impliceert dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor deze gebieden en dat negatieve gevolgen zo veel mogelijk beperkt dienen te worden. Voor de habitattypen en leefgebieden waar- voor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn kritische de- positiewaarden (KDW) voor stikstofdepositie vastgesteld. Met de KDW wordt bedoeld: de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmos- ferische stikstofdepositie. Projecten zoals het in dit rapport genoemde project kunnen door stikstofemissie ef- fect hebben op habitattypen binnen omliggende Natura 2000 -gebieden en gelet op de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuur- lijke habitats en de habitats van soort verslechteren. Gezien het gegeven dat stikstofe- missie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) of ammoniak (NH3), kan plaatsvinden bij onder andere landbouw, gemotoriseerd verkeer, industrie en ook bij de verwarming van huizen, is het wettelijk vereist deze emissie in beeld te brengen. Het voorliggende rapport voldoet aan deze vereiste.

Onderstaande figuur geeft de locaties van de dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebieden weer. Situering ontwikkellocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden

7 Het betreft de volgende dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden met de bijbehorende afstanden tot de ontwikkellocatie: - Rijntakken circa 10,1 kilometer. Er liggen ook Duitse natuurgebieden die deel uitmaken van Natura 2000 binnen een straal van 25 kilometer van de ontwikkellocatie. De volgende buitenlandse natuurge- bieden liggen het meest nabij de ontwikkellocatie: - VSG ‘Unterer Niederrhijn’ circa 13 kilometer; - NSG Hetter-Millinger Bruch circa 14 kilometer; - NSG Emmericher Ward circa 15 kilometer. Om negatieve effecten op alle Natura 2000-gebieden uit te sluiten zijn in Aerius auto- matisch rekenpunten op de dichtstbijzijnde grens van de natuurgebieden geplaatst. Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand van het besluitgebied gelegen. De opgesomde en grafisch weergegeven Natura 2000-gebieden zijn niet per definitie gelijk aan de Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen maar geven slechts een overzicht van de ligging van het project ten opzichte van nabijgelegen Na- tura 2000-gebieden. In voorgaande figuur wordt de locatie van het project inzichtelijk gemaakt en tevens worden de mogelijk aanwezige stikstofgevoelige habitattypen weergegeven, van zeer gevoelig (donkerpaars), gevoelig (licht paars) tot minder/niet gevoelig (licht groen).

De meest actuele kaart van alle Natura 2000 -gebieden is via de website van de provincie te raadplegen en niet per definitie opgenomen in het pro- gramma Aerius Calculator 2024.2.11. 2.1.1 Inspanningsplicht beperking stikstofemissie In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt nog een aanvullende eis gesteld met betrekking tot stikstof. Artikel 7.19a van het Bbl verplicht initiatiefnemers om ade- quate maatregelen te treffen om de stikstofemissie naar de lucht te beperken. De ver- plichting vereist niet om geheel emissieloos werken, maar heeft tot doel de emissies te beperken ten opzichte van de situatie waarin geen maatregelen zouden worden ge- troffen. Initiatiefnemers dienen te overwegen welke stappen zij verder kunnen nemen om de uitstoot van hun reguliere werkwijze te reduceren. Echter deze inspanningsplicht is niet relevant op het niveau van een wijziging van het omgevingsplan of een kaderstellend onderzoek ten behoeve van een ruimtelijk plan. Hier moet enkel de haalbaarheid van een voornemen aangetoond worden. De uitvoe- ring in de praktijk dient hierbinnen te passen maar wordt nog niet vastgesteld. Het voorliggende onderzoek vindt plaats in het kader van een aanpassing van het omge- vingsplan ten behoeve van woningbouw.

De inspanningsplicht uit het Bbl geldt pas tij- dens de vergunningsfase wanneer de plannen in detail uitgewerkt zijn en concrete be- perkende stappen aangewezen kunnen worden. Daarom wordt in voorliggend onderzoek enkel de minimale vereiste beoordeeld, het voorkomen van negatieve ge- volgen voor Natura 2000-gebieden. 1 Aerius Calculator 2024.2.1, release op 8 mei 2025. 8 2.2 Berekeningsmethodiek De berekeningen naar de stikstofdepositiebijdrage vanwege de aanlegfase en ge- bruiksfase van het project worden uitgevoerd met het programma Aerius Calculator 2024.2.1. De gehanteerde ‘grenswaarde’ voor de stikstofdepositie bedraagt 0,00 mol/hal/j. In het kader van een stikstofonderzoek kunnen significant negatieve effecten met deze waarde worden uitgesloten, waardoor het uitvoeren van vervolgon- derzoeken niet aan de orde is en het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de realisatie van een project2. Een hogere waarde wordt beschouwd als overschrijding zodat er op verzoek van het bevoegd gezag een nadere beschouwing conform wettelijke kaders dient plaats te vin- den. Blijkens jurisprudentie kan daarbij nader onderzoek achterwege blijven wanneer stikstofdepositie plaatsvindt op hexagonen die niet overbelast of naderend overbelast zijn3.

Immers, op deze hexagonen leidt een stikstofdepositie niet tot een overschrij- ding of naderende overschrijding van de kritische depositiewaarde 4. Dit betekent per definitie dat stikstofdepositie daar geen probleem vormt voor de gunstige staat van instandhouding van de aanwezige habitats en dat significante gevolgen in zoverre zijn uitgesloten5. In geval de depositie de grens van de KDW overschrijdt noemen we dit overbelast. In de praktijk wordt een veiligheidsmarge van 70 mol/ha/jaar aangehouden voor het ge- bruik van berekeningen voor toestemmingsverlening van initiatieven. Hexagonen noe- men we naderend overbelast als de depositie hoger is dan de KDW minus deze veilig- heidsmarge. Hexagonen met een depositie lager dan deze waarde zijn gedefinieerd als niet overbelast. Uit het navolgende hoofdstuk zal moeten blijken of op basis van de rekenresultaten een overschrijding op overbelaste hexagonen wordt geconstateerd. Bij de berekening van stikstofemissies door mobiele werktuigen, bijvoorbeeld in de aanlegfase, maakt het programma Aerius Calculator 2024.2.1 gebruik van een nadere specificatie van Stage klasse, brandstofverbruik, draaiuren en – indien van toepassing – AdBlue verbruik. Daarmee geeft het programma Aerius Calculator 2024.2.1 een range waarbinnen invoer en berekening van gegevens en brandstofverbruik voor mate- rieel mogelijk is.

Hierbij worden nieuwere machines geclassificeerd als schoner en hebben derhalve ook een lager brandstofverbruik. Voor stikstofemissie is niet voor elk materieel bedrijfsspecifieke informatie beschik- baar, vandaar dat als controlemechanisme de berekeningsmethodiek uit onderzoek van TNO6 ‘Onderbouwing AERIUS emissiefactoren voor wegverkeer, mobiele 2 Met deze versie van de Aerius Calculator kan tot maximaal 25 kilometer rondom de emissiebronnen ge- rekend worden. In Nederland zijn over het algemeen binnen 25 kilometer Natura 2000-gebieden aanwe- zig. In gebieden waar mogelijk op meer dan 25 kilometer afstand van emissiebronnen overschrijdingen mogelijk zijn, zijn in de relevante windrichtingen rekenpunten gelegd om overschrijdingen uit te sluiten. 3 Raad van State, ECLI:NL:RVS:2012:BY7360. 4 Raad van State, ECLI:NL:RVS:2016:497. 5 Raad van State, ECLI:NL:RVS:2021:1969. 6 TNO rapport 2020 R11528. werktuigen, binnenvaart en zeevaart’ (d.d. 8 oktober 2020) kan worden gehanteerd. Daarbij wordt de berekening in twee stappen uitgevoerd.

Stap 1: brandstofverbruik (liters) bij draaiuren 0,245 x arbeid [kWh] Stap 2: aanvullend brandstofverbruik (liters) bij stationair draaien + (0,52 + 0,0034 x maximaal vermogen [kW]) x draaiuren [h] In combinatie met de door TNO7,8 vastgestelde gemiddelde motorlast van 60% (bij uit- sluiting stationair gebruik) en een gemiddelde belasting van circa 65% (bij uitsluiting stationair gebruik) betreft de totale gemiddelde motorlast (inclusief stationair) onge- veer 39%. Uitgaande van deze berekening en vergelijkbare projecten hanteert SAB, ten- zij anders door de opdrachtgever c.q. aannemer vermeld, het gemiddelde vermogen van materieel. Op basis van de TNO-formule zou het brandstofverbruik derhalve ge- middeld conform de kenmerken in de navolgende tabel moeten zijn. Het door aan- nemers vermelde verbruik wijkt echter consistent af van het met behulp van de TNO- methode berekende verbruik. Daarom is het verbruik richting de ervaringscijfers afge- rond om de door SAB gehanteerde kencijfers te bepalen.

Gemiddeld brandstofverbruik conform TNO Aerius indeling vermogen | Gemiddeld brandstofverbruik | Gehanteerd brandstofverbruik * 18 <= kW < 37 | 3 liter/uur | 5 liter/uur 37 <= kW < 56 | 5 liter/uur | 5 liter/uur 56 <= kW < 75 | 7 liter/uur | 5 liter/uur 75 <= kW < 130 | 11 liter/uur | 10 liter/uur 130 <= kW < 300 | 22 liter/uur | 20 liter/uur 300 <= kW < 560 | 43 liter/uur | 40 liter/uur 560 <= kW < 1000 | 78 liter/uur | 80 liter/uur * Indien geen gegevens door aannemers verstrekt. 7 | TNO rapport 2020 R11528. 8 | TNO emissiefactoren 2020 voor AERIUS 2020. 9 10 3 Onderzoeksgegevens 3.1 Huidige situatie De ontwikkellocatie tussen de Prins Alexanderstraat en de 2e Loolaan betreft momen- teel voornamelijk onbebouwde agrarische percelen. In het kader van een voortoets wordt in het navolgende onderzoek aangenomen dat er in de huidige situatie geen re- levante stikstofemissie naar de lucht plaatsvindt. Er zijn tevens twee woningen aanwe- zig in het besluitgebied: aan de Prins Alexanderstraat 80 en aan de Prins Mauritsstraat 38. Deze woningen worden niet gewijzigd met het initiatief. Om nieuwbouw mogelijk te maken zullen geen sloopactiviteiten bij de bestaande woningen plaatsvinden, maar het terrein wordt wel heringericht waarbij onder andere voorzieningen van een manege worden verwijderd. Deze herinrichting wordt als onderdeel van de aanlegfase inzichte- lijk gemaakt.

3.2 Aanlegfase Het project voorziet in de realisatie van zes woningen binnen een landschapspark. Ook het uitbreiden van de bosrand, het aanbrengen van taluds, en aanleggen van de wijngaard, moestuin en plukbos maken bijvoorbeeld deel uit van de werkzaamheden. Voor het verplaatsen van aarde en aanleggen van paden zal vooral gebruik gemaakt worden van graafmachines en shovels, voor het aanvoeren van bomen wordt waar- schijnlijk gebruik gemaakt van tractoren of wielladers met gespecialiseerde opzetstuk- ken. Er worden ook nieuwe erven en wegen aangelegd ter ontsluiting van de woningen, deze zullen (voornamelijk) uit halfverharding bestaan en dus met behulp van een tril- plaat worden aangelegd. Veel van de natuur- en agrarische aanlegwerkzaamheden zullen ook handmatig of met behulp van kleine (elektrische) werktuigen worden uitge- voerd. Dit veroorzaakt geen uitstoot van stikstof en is dus niet in de tabel met werktui- gen opgenomen. De start van de aanlegfase kan op zijn vroegst in 2025 plaatsvinden. Daarom is in dit onderzoek uitgegaan van rekenjaar 2025. Ten behoeve van de aanlegfase voor het be- sluitgebied vinden een aantal relevante stikstofemissies naar de lucht plaats. Deze stikstofemissies worden veroorzaakt door mobiele werktuigen en bouwverkeer ten be- hoeve van het project en worden in onderstaande paragrafen beschreven.

In bijlage 1 is de Aerius export van de aanlegfase bijgevoegd. 3.2.1 Mobiele werktuigen Voor de aanleg zal gebruik worden gemaakt van mobiele werktuigen. In overleg met de opdrachtgever is een inschatting gemaakt van het gebruik van mobiele werktuigen op basis van cijfers uit vergelijkbare projecten. Navolgende tabel geeft een overzicht van het groot materieel en het te verwachten dieselverbruik en minimale AdBlue -ge- bruik in deze periode. Overzicht inzet groot materieel Bedrijfsduur | Brandstofverbruik | AdBlue verbruik Werktuig | Vermogen in kW | Leeftijd | (uren/jaar) | (liters/jaar) | (liters/jaar) Shovel | 75 - 130 | stage IV | ca. 200 | ca. 2.000 | ca. 120 Graafmachine | 75 - 130 | stage IV | ca. 400 | ca. 4.000 | ca. 240 Mobiele kraan | 130 - 300 | stage IV | ca. 250 | ca. 5.000 | ca. 300 Betonpomp | 130 - 300 | stage IV | ca. 50 | ca. 1.000 | ca. 60 Tractor / wiellader | 75 - 130 | stage IV | ca. 100 | ca. 1.000 | ca. 60 Trilplaat | < 56 | 2taks benzine* | ca. 150 | ca. 450* | n.v.t. * gegevens afkomstig van aannemers 3.2.2 | Bouwverkeer Ten behoeve van de aan- en afvoer van bouwmaterialen en het personeel ter plaatse vindt van en naar de ontwikkellocatie werkverkeer plaats. Gemiddeld per jaar komen er naar verwachting 7 busjes (lichtverkeer) en 5 vrachtwagens per dag naar het be- sluitgebied, dat zijn respectievelijk circa 14 en 10 bewegingen.

Het bouwverkeer is ge- modelleerd vanuit de ontwikkellocatie tot aan de rotonde Groot Hagen/N317. Hierna is het aan- en afrijdende verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer te onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt en verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer en derhalve opgenomen in het heersende verkeersbeeld. 9,10 Ook is er op de ontwikkellocatie zelf stationair bouwverkeer ingevoerd. De methode uit de Aerius instructie gegevensinvoer wordt toegepast, waarbij wordt aangenomen dat alle vrachtwagens gemiddeld 10 minuten per vrachtwagen stationair zullen draaien, gedurende het hele bouwjaar (ca. 200 dagen per rekenjaar). In de Aerius instructie staan in bijlage 1 de emissiecijfers voor stationair verkeer per rekenjaar. Hierop geba- seerd ontstaat er door de hierbove | n gegeven verkeersgeneratie 15,41 kg NOx en 150 g NH3 in 2025. Het stationair draaien op locatie is gemodelleerd door middel van een vlakbron over het bouwterrein, met de standaard bronkenmerken van de sector ‘weg’ volgens het Handboek werken met Aerius. Daarnaast is voor licht bouwverkeer rekening gehouden met één koude start per voer- tuig aan het einde van de werkdag.

Voor (middel)zwaar vrachtverkeer wordt aangeno- men dat zo veel mogelijk wordt gewerkt volgens het just-in-time principe, waardoor vrachtverkeer zo kort mogelijk op de bouwplaats aanwezig is. Hierdoor zal geen koude start bestaan. De koude start staat toegelicht in paragraaf 3.3.3. 3.3 | Toekomstige situatie, gebruiksfase Het project voorziet in de realisatie van zes grondgebonden binnen een landschaps- park. De voor stikstofdepositie relevante bronnen voor dit project in de gebruiksfase betreffen de stookinstallaties van de te realiseren nieuwbouw en de aantrekkende 9 | Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 | , Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024, oktober 2024 10 | Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:249. 11 12 verkeersbewegingen ten gevolge van het project. Deze worden in onderstaande para- grafen beschreven. Gezien het beperkte aantal woningen binnen voorliggend project kan worden aangenomen dat de woningen in gebruik worden genomen terwijl het park nog in aanleg is. Daarom is in dit onderzoek ook uitgegaan van rekenjaar 2025 voor de gebruiksfase. In bijlage 1 is de Aerius export van het rekenjaar 2025 bijgevoegd. 3.3.1 Stookinstallaties De nieuwbouw krijgt geen aansluiting op het gastransportnet (Wet voortgang energie- transitie, 01-07-2018) en is haardloos verwarmd.

Er vindt derhalve geen stikstofdepo- sitie naar de lucht plaats ten gevolge van stikstof emitterende stookinstallaties. De stikstofdepositie voor de gebruiksfase betreft voor dit project enkel de stikstofdeposi- tie door de verkeersgeneratie. 3.3.2 Rijdend verkeer Aan de hand van CROW, Parkeerkencijfers 2024, d.d. augustus 2024, is de verkeersge- neratie bepaald. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2024) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Doetinchem wordt geclassificeerd als ‘matig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘buiten- gebied’. Er wordt alleen een verkeersgeneratie voor de woningen berekend, aangezien het landschapspark bedoeld is voor lokale recreatie. Het is niet de verwachting dat er (verkeer van) bezoekers van verder weg zal komen, er worden hier dan ook geen par- keerplaatsen voor aangelegd. Voor de wijngaarde bestaat er wel verkeer, voor werkne- mers en aan- en afvoer van producten. Het CROW heeft hier echter geen kencijfers voor, dus het verwachte verkeer is in overleg met de opdrachtgever ingeschat. Navol- gende tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw waarbij het getal naar boven is afgerond. Zo wordt de worst-case situatie berekend.

Berekening verkeersgeneratie per etmaal kenmerk aantal kencijfer per verkeersgeneratie gemiddeld Vrijstaande woning (koop) 6 8,2 woning 49,2 Wijngaarde 4.500 m2 n.v.t. n.v.t. 12 * totaal afgerond 60 * inschatting in overleg met opdrachtgever Bovenop de hierboven beschreven verkeersgeneratie wordt gerekend met een aan- trekkende werking volgens het CROW (2024) van 0,018 vrachtautobewegingen per wo- ning per weekdag-etmaal, met een gelijke verdeling over middelzwaar en zwaar ver- keer. In dit geval betreft dit, naar boven afgerond, gemiddeld per jaar 20 middelzware en 20 zware vrachtverkeerbewegingen. Voor de wijngaard zal vooral tijdens het oogst- seizoen 1 tractor met aanhanger/vrachtwagen per dag de oogst afvoeren, Voor de worst-case berekening wordt gerekend met 1 vrachtwagen per etmaal voor het hele jaar, dit zijn 2 zware vrachtverkeersbewegingen per etmaal. Het verkeer is als volgt gemodelleerd: 13 - vanaf de vijf woningen aan de Prins Alexanderstraat en Groot Hagen, tot aan de ro- tonde Groot Hagen/N317. Er zijn 42 lichtverkeerbewegingen per etmaal en 18 mid- delzware en 18 zware verkeerbewegingen per jaar via deze route gemodelleerd. - vanaf de woning aan de Prins Mauritsstraat tot aan het kruispunt met de Prins Alexanderstraat. Er zijn 8 lichtverkeerbewegingen per etmaal en 2 middelzware en 2 zware verkeerbewegingen per jaar via deze route gemodelleerd.

- vanaf de wijngaard tot aan de rotonde Groot Hagen/N317. Er zijn 10 lichtverkeerbe- wegingen en 2 zware verkeerbewegingen per etmaal via deze route gemodelleerd. Na de genoemde punten is het aan- en afrijdende verkeer door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer te onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt en verdund tot enkele procenten van het reeds aan- wezige verkeer en derhalve opgenomen in het heersende verkeersbeeld. 11,12 3.3.3 Koude start Naast rijdend verkeer dient de uitstoot door opstartend verkeer berekend te worden. Als een voertuig 2 uur of langer stil heeft gestaan is de motor afgekoeld en is er sprake van extra emissies door deze ‘koude start’ rond het vetrekpunt van het verkeer. Het aantal koude starts kan met behulp van kencijfers worden bepaald aan de hand van het aantal voertuigen en gereden kilometers 13, maar deze gegevens zijn voor voor- liggend project nog niet beschikbaar. Daarom wordt uitgegaan van het aantal koude starts per parkeerplaats, zoals ook in de handreiking koude start wordt aangehou- den.14 Aan de hand van de Nota parkeernormen 2024 van de gemeente Doetinchem is het gemiddelde aantal parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers bepaald. Op basis van dit beleid blijkt dat het besluitgebied dat ten oosten van de Prins Mauritsstraat in het gebied ‘buitengebied’ ligt.

De beoogde woningen langs de Prins Alexanderstraat vallen daarentegen onder ‘schil/overloop bebouwde kom’. Ten aanzien van dit stik- stofonderzoek, wordt vanuit een worst-case benadering uitgegaan van ‘buitengebied’ voor het hele besluitgebied. De parkeernormen zijn namelijk hoger bij ‘buitengebied’ dan bij ‘schil/overloop’. De norm wordt als een representatieve worst-case situatie aangehouden. Voor bewo- ners wordt uitgegaan van één hoofdauto per woning welke twee koude starts per dag heeft, voor woon-werkverkeer en voor eigen gebruik. De overige parkeerplaatsen zijn bestemd voor bijvoorbeeld tweede auto’s, werkbusjes en bezoekers, welke maximaal één koude start per dag hebben. Hier wordt van licht verkeer uitgegaan. (Middel)zwaar vrachtverkeer zal voornamelijk af- en aanrijden met een warme motor, aangezien deze slechts kortstondig in de woonwijk aanwezig zijn. 11 Expertiseteam Stikstof en Natura 2000 van BIJ12, Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2024, oktober 2024 12 Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:249. 13 TNO, Emissiefactoren wegverkeer 2023, juni 2023. R11202 14 Expertiseteam Stikstof en Natura 2000, Handreiking koude start (CONCEPT), september 2024 14 Een koude start vindt enkel plaats bij benzine- en dieselmotoren; elektrische en hy- bride voertuigen starten zonder uitstoot.

Het aandeel elektrische (BEV) en (oplaad- bare) hybride ((P)HEV) personenauto’s in gemeente Doetinchem is in 2025 13%15. Dit is niet evenredig over het land verdeeld, maar omdat bij nieuwe woningbouwontwikke- lingen de aanleg van laadpunten wordt aangemoedigd is dit als toekomstig gemid- delde aangehouden. Navolgende tabel geeft de koude starts weer van de beoogde nieuwbouw, waarbij het aandeel BEV/PHEV voertuigen reeds van het aantal koude starts af is getrokken, en het aantal parkeerplaatsen en koude starts naar boven zijn afgerond. Zo wordt de worst-case situatie berekend. Berekening koude starts per etmaal kenmerk aantal kencijfer parkeren per parkeerplaatsen gemiddeld koude starts Koop, huis, vrijstaand 6 2,7 woning 17 21 totaal afgerond 5 21 Voor de wijngaard wordt worst-case aangenomen dat er een koude start ontstaat ten gevolge van alle voertuigen, dus 5 voor licht verkeer en 1 voor zwaar verkeer. De koude starts zijn gemodelleerd als vlakbron over het gehele besluitgebied. 15 AlleCijfers, op basis van data RDW en CBS. Geraadpleegd op 24 juli 2025. https://allecijfers.nl/regio- nale-voertuigdata/ 15 4 Onderzoeksresultaten 4.1 Rekenjaar 2025 Onderstaande figuur geeft een uitsnede van de Aerius-berekening van het rekenjaar 2025 met de gehele aanleg- en gebruiksfasen weer.

Resultaatblad Aerius rekenjaar 2025 OwN-2000 registratieset Resultaatblad Aerius rekenjaar 2025 buitenlandse rekenpunten Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanleg- fase dat er geen resultaten zijn voor de projectberekening en situatieberekening onder de OwN2000-registratieset en op Duitse rekenpunten. Daarmee kunnen significant ne- gatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.

16 5 Conclusie Aan de noordwestelijke stadsrand van Doetinchem ligt een stuk grond dat de initiatief- nemer graag wil ontwikkelen tot landschapspark, met drie erven waar ruimte is voor zes vrijstaande woningen. Binnen het landschapspark komen er verschillende soorten natuur en agrarisch gebied, met een rustplek, uitbreiding van de bosranden, een moes- tuin en een wijngaard. In het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in de Omgevingswet is de stikstofuitstoot door de beoogde ontwikkeling inzichtelijk ge- maakt. 5.1 Aanleg- en gebruiksfase Worst-case is rekening gehouden met aanleg en gebruik in hetzelfde rekenjaar, waar- bij beide fasen voor een geheel jaar worden berekend. Met de gehanteerde parame- ters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanleg- en gebruiksfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitatty- pen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieuef- fecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. 5.2 Eindadvies Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant ne- gatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd. Bijlage Bijlage 1: Aerius pdf-bestand aanleg- en gebruikfase

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8370/documents/52966