CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

8.7 SGW, 20-11-2023, bijlage uitspraak meervoudige kamer Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-07-2023.pdf

gemeenteraad 30 november 2023, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 7: Ingekomen brieven4.182 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

L

uitspraak RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 22/5262 WET

1

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2023 in de zaak tussen

Stichting Gezond Water, uit Hansweert, eiseres (gemachtigde: ir. B.G.J. Lobée),

en

I

De minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister (gemachtigde: mr. M. Otten).

Inleiding 1, 1(1 deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afw ijzing van haar handhavingsverzoek.

De minister heeft dit verzoek met het besluit van 6 december 2021 afgewezen. 1.1. Met het bestreden besluit van 21 april 2022 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. 1.2.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 23 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan 1.3. hebben deelgenomen: namens eiseres de gemachtigde en J.A. de Jonge en namens de minister de gemachtigde en inr. Saba. Totstandkoming van het besluit Haf t.s er Yonrafsesaan’.^ 2, Op 4 oktober 2019 heeft eiseres het waterschap Vallei en Veluwe (hierna: het waterschap) verzocht om handhavend op te treden. Dat verzoek betreft een viswedstrijd op 20 oktober 2019 in de IJssel, georganiseerd door hengelsportvereniging "Tot Ons Genoegen* in Apeldoorn, Bij besluit van 30 oktober 2019 heeft het waterschap het handhavingsverzoek 2.1. afgewezen, omdat de viswedstrijd toen al had plaatsgevonden. Volgens het waterschap heeft eiseres daarom geen belang meer bij een inhoudelijke reactie op haar verzoek. Bij de beslissing op bezwaar van 23 januari 2020 heeft het waterschap het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, vanwege het ontbreken van procesbelang.

zaaknummer: BRE 22/5262 WET

2

Eiseres heeft tegen deze beslissing van het waterschap beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (AWB 20/1052). 2.2. In de uitspraak van 14 IT mei luvi 2021' I heeft HtciL de Ut rechtbank jcLJiLDdnk Gelderland ucicieriand het liet beroep beroep van . eiseres gegrond verklaard. De rechtbank i.s van oordeel dat eiseres belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar, gelet op het feit dat er jaarlijks tientallen tientaflen viswedstrijden worden georganiseerd. De rechtbank heeft het waterschap opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van de uitspraak. V-’--

-I

»

X

.

2.3, Het waterschap heeft het bezwaarschrift van eiseres vervolgens doorgestuurd aan de bezwarenadvie.scommissie. Daar bleek dat niet het waterschap, maar Rijkswaterstaat (RWS) het bevoegd gezag is in de zin van de Waterwet. Dit betekent dat niet het waterschap. .maar de minister op bet handhavingsverzoek‘ van eiseres moest beslissen. Het waterschap heeft het handhavingsverzoek daarom op 15 september 2021 doorgezonden naar de minister. 2.4. r ■■ november 2024 heeft eiseres de minister in gebreke gesteld vanwege het niet Op 25 tijdig nemen van een besiuit,2.5. Bij besluit van 6 december 2021 (primair besluit) heeft de minister het verzoek c om handhaving afgewezen. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat de handelina waarop het verzoek ziet, namelijk het zonder vergunning organiseren van een viswedstrijd op 20 oktober 2019. geen overtreding is. Bovendien kan de minister niet vaststellen dat er op die dag een overtreding heeft plaatsgevonden van artikel 6.2 van de Waterwet. Ten aanzien van de ingebrekestell ing stelt de minister dat hij alsnog binnen de termijn van twee weken een beslissing heeft genomen en dat hij dus geen dwangsom heeft verbeurd wegens niet tijdig beslissen.

2.6. Eiseres heeft op 23 december 2021 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 14 april 2022 heeft eiseres de minister in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit.

2.7. I Bij het bestreden besluit heelt de minister de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de uv ingebrekestelling HigvuivpvvdLcuiiiü stelt ïticiL de uc minister nimjhter dat cidi hij nij alsnog alsnog binnen binnen de ue tentlij leriTiijn van twee weken een beslissing heeft genomen en dat hij dus geen dwangsom heeft verbeurd wegens niet tijdig beslissen. Beoordeling door de rechtbank

De lechtbank beoordeelt de afw ijzing van hel handhavingsverzoek door de minister. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

ECLJ:NL:RBGEL;2021:2396. - Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),

T

■V- '

zaaknummer: BR£ 22/5262 WET

3J.

Eiseres heeft in beroep - samengeval - het volgende aangevoerd:

(I) Het gebruiken van vislood staat gelijk aan het lozen van vislood en is dus een lozing in de zin van artikel 6.1 van de Waterwel en daarom is voor het gebruiken van vislood een « vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwel vereist. In de kamerbrief van 18 november 2016 geeft de minister aan dal het gebruik van vislood vergunningplichtig is op grond van de W aterwel. (Vis)Iood is een zeer zorgwekkende stof (ZZS) waarvoor vanaf 1 januari 2016 een minimalisatieplicht geldt. (II) Op grond van artikel 6.8 van de Waterwel moeten niet alleen individuele vissers, maar ook wedstri jdorganisaties en de minister als bevoegd gezag handelen om waterverontreiniging te voorkomen doordat er vislood in het water komt. De minister is verantwoordelijk voor de naleving van de Waterwel, waaronder artikel 6.9 van die wet. (Ill) Volgens de evaluatie van de Green Deal Sportvisserij Loodvrij heeft slechts 17% van de sportvissers wel eeiis een loodalternatief gebruikt. Dat betekent dat 83% van de sportvissers altijd en alleen met lood \ issen. Ook de enaring bij eiseres leert dat bijna alle sportvissers bij wedstrijden met lood vissen.

(1V) Volgens eiseres stelt de minister ten onrechte dat, zo er al een visloodje wordt achtergelaten, dit slechts een minieme fractie is van het totale lood verlies en dat dit geen noemenswaardige invloed heeft op de waterkwaliteit. Handhaving zou daarom onevenredig ingrijpen in de maatschappij. Eiseres vindt dit een bedenkelijk standpunt vooreen waterkwaliteitsbeheerder. (V) De minister stelt ten onrechte dat de bevoegdheid om een besluit te nemen ontbreekt. Het is niet dal hel de minister aan bevoegdheden ontbreekt, het is dat hij weigert om iets aan het vislood te w illen doen.

t

(VI) Bij brief van 12 mei 2023 heeft eiseres samengevat weergegeven dat haar beroep zich richt tegen het bestreden besluit, voorzover de minister hij het bestreden besluit heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestond om preventief handhavend op te treden tegen de hengelsportvereniging ‘Tot Ons Genoegen" in Apeldoorn (HSV) en tegen de sportvissers die deelnamen aan de sportviswedstrijd, georganiseerd op 20 oktober 2019. door deze hengelsportvereniging. Volgens eiseres hebben deze partijen de minimalisatieplicht voor ZZS en de artikelen 6.2, 6.8 en 6.9 van de Waterwel, en de voorzorghepalingen uit W'm, Wnb. W'bb. APV en PMO overtreden. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting verduidelijkt dat de omvang van het beroep is beperkt tot het bij het bestreden besluit weigeren preventief handhavend op te treden door de minister tegen overtreding van de minimalisatieplicht voor ZZS en van de artikelen 6.2. 6.8 en 6.9 van de W'atervvet door HSV en de deelnemers aan voornoemde sportviswedstrijd.

Eiseres verzoekt de rechtbank bij dezelfde brief van 12 mei 2023 - samengevat weergegeven - om in haar uitspraak op te nemen dat de minister uitvoering moet geven aan de minimalisatieplicht voor ZZS door het verlies van lood tijdens viswedstrijden te handhaven wegens overtreding van voornoemde wetsartikelen door HSV en de deelnemers aan de door HSV georganiseerde sportwedstrijd.

zaaknummer: BRE 22/5262 WET

4

4. r rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij De tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.

r De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te

k

vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Is de minister bevoegd om een pfevsntieve last onder 6.

op te teegen?

T Een ’berstelsanclie kan worden opgelegd zodra hel gevaar voor de overtreding

£11 r i L- z1 PQ ■ jtJklaarblijkelijk dreigt. '

Minimalisatieverphehting ZZS Ter zitting heeft e^eres desgevraagd bevestigd dat eiseres met verwijzing naar de ‘rninimalisatieplicht voor ZZS' doelt op artikel 2.4, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (.Abiii) en dat de HSV moet worden aangemerkt als drijver van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid. Wet milieubeheer. Eiseres heeft geen verdere omstandigheden aangevoerd om te staven of HSV destijds een inrichting dreef. Als dat al het geval zou zijn, dan geldt da! artikel 2.4. tweede lid, van het Abm (Je mifiiiiuilisatieverplichiing) zich enkel richt tot degene die een zogeheten inrichting tvpc C drijft. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat daarvan sprake is (geweest) en eiseres heeft daarvoor ook geen onderbouwing aangeleverd. Derhalve bestond er geen aanleiding voor de minister om handhavend op te treden jegens HSV op grond van artikel 2.4, tweede lid, van het Abm, Lozing zonder vergunning: artikel 6.2 van de Waterwet 8. Volgens eiseres is het gebruik van vislood gelijk aan een lozing in de zin van artikel 6,1 van de Waterwet en daarom is voor het gebruiken van vislood een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet vereist. Doordat geen vergunning voor de viswedstrijd is aangevraagd en verleend, is volgens eiseres artikel 6.2 van de Waterwel overtreden. 8.1.

Volgens de minister is het verlies van lood tijdens het vissen een lozing in de zin van artikel 6.! van de Waterwet. Op dat moment wordt er namelijk een schadelijke./ verontreinigende stof in het w ater gebracht. In bepaalde gevallen kan het lood ook als afvalstof worden gekwalificeerd, bijvoorbeeld bij gebruik van een loodlossvsteent. Ook het gebruik van vislood kan onder omstandigheden ai als lozing in de zin van de Waterwel worden aangemerkt. t

Gezien het veelvuldige verlies van lood bij het vissen, zal het in bepaalde gevallen voorzienbaar zijn dat bij het gebruik van vislood, dit ook in het water achtergelaten zal worden (bijvoorbeeld bij het gebruik van voornoemde loodlossystemen). Loodverlies kan ook voorzienbaar zijn als de omstandigheden dat waarschijnlijk maken, bijvoorbeeld wanneer bij sterke stroming wordt gevist. Het is echter niet in algemene zin het geval dat het gebruik van vislood vergunningplichtig is op grond van de Waterwel. Wanneer er wel sprake is van een lozing in de zin van de Waterwel, geldt een vergiinningplicht op grond van artikel 6.2 van de Waterwet. Voor het organiseren van een viswedstrijd, waarbij de

Anikel 5:7 van de.Awb.

zaaknummer; BRE 22/5262 WET

5

deelnemers zelf mogen beslissen of ze gebruik maken van vislood. is er volgens de minister in beginsel geen vergunningplicht. 8.2. Op grond van artikel 6.1 van de Waterwet, is van ‘lozen’ sprake wanneer stoften , in een oppervlaktew ater! ichaam w orden gebracht of w anneer water of stoffen op een zuiveringtechnisch werk worden gebracht. Op grond van artikel 6.2, eerste lid. Watervvet is het verboden om stoften te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend door de minister of, ten aanzien van regionale wateren, door het bestuur van het betrokken w aterschap of tenzij daarvoor v rijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Vaststaat dat een dergelijke vrijstelling niet is verleend voor het vissen met vislood op 20 oktober 2019. 8,3, Naar het oordeel van de rechtbank is bij het vissen met vislood sprake van een vergunningplichtige lozing als bedoeld in artikel 6.2. eerste lid, Watervvet. De wetgever heeft dit ook met zoveel woorden erkend in de toelichting bij het Besluit van 3 juli 2018.

houdende regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving {Besluit activiteiten leefunigeviijv: Bal).^ waar is overwogen dat voorde potentieel minst bezwaarlijke lozingen alleen is gekozen voor de specifieke zorgplicht, terwijl voor het aan wijzen van vergunningplichten is uitgegaan van de systematiek «algemene regels, tenzij». Hierdoor wordt volgens deze toelichting het gedogen beëindigd van lozingen die niet vanuit uitstroom voorzieningen plaatsvinden, zoals het gebruik van vislood of het schoonmaken van pleziervaartuigen in hel water, die voorheen formeel verglinningpliclitig waren, maar waarvoor nooit vergunningen werden aangevraagd of verleend, aldus de wetgever. Aangezien het Bal nog niet in werking is getreden, geldt op dit moment voor het gebruik van vislood een vergunningplicht op grond van artikel 6.2, eerste lid. van de Waterwel.

Vervolgens is het de vraag tot wie artikel 6.2. eerste lid, van de Waterwet zich 8.4. richt; tot de HSV die het vissen met vislood niet verbiedt bij reglement en/of een iridiv iduele sportvisser die het vislood gebruikt bij het vissen. Daarvoor is bepalend of zij stoffen in een oppervI aktevv aterl ic haam brengen.

*

8.5. De rechtbank oordeelt dat de HSV met het organiseren \ an een sportviswedstrijd zelf geen stoften in een opper\ laktewaterlichaam brengt en dat zij derhalve ook niet gehouden was voor het organiseren van de viswedstrijd op 20 oktober 2019 een vergunning aan te vragen op grond van artikel 6.2. eerste lid van de Watervvet. Door geen vergunning aan te vragen, heeft de HSV dus niet in strijd met dit artikel gehandeld. Nu geen overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet kan worden vastgesteld, was de minister niet bevoegd om handhavend op te treden jegens de HSV op basis van deze bepaling. 8.6. De rechtbank oordeelt dat de sportvissers die deelnemen aan een viswedstrijd wei kunnen worden aangemerkt als degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam brengen, wanneer zij gebruik maken van vislood. Dat betekent dat een sportv isser in dat geval een vergunning dient aan te vragen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. van de Watervvet. Dat betekent ook dat de minister in beginsel bevoegd was om handhavend op te treden tegen de aan de viswedstrijd van 20 oktober 2019 deelnemende sportvissers, wanneer en voor zover zij vislood hebben gebruikt. Echter, gelet op het verloop van deze kwestie kon 4

Staatsblad 20IS. 293, paragraaf 6.7.

zaaknummer: BRE 22/5262 WET

6

niet meer vaststellen of de sportvissers met vislood hebben --.1 gevist tijdens deze viswedstrijd en kan dns ook niet meer vastgesleld worden of er aanleidt Desgevraagd heeft de ' ' een I....u,„v„,gs,er2oek van eiseres, onderhoek ,e zullen ins.ell/n naar mogelijke overtredingen van de Waterwet tijd.lens een sportv iswedstrïjd. Ardkd 6.8 van fVatei-we/ 9. Ten aanzien van artikel 6.8 van

Dit

e is

S:ê5S3=SlS5iF5S=

organiseert kan redelijkerwijs verwacht worden hlr

Viswedstri/d

oever van een oppervlakten aterlic haam kan :en een HSV met vislood vist. Het had derhalve op de w van het handhavingsverzoek. bij de HSV en w.,.r f ! deze viswedstrijd f /*_' X ,S ’2 toekomende toezichtbevoegdheden. 9,1.

Ook hier geldt evenwel dat het verloop van

'3» ^'i^food tifdetis

»P B vrasen. „p g„„d va„ de he,n

deze kwestie maakt dat het inmiddels

meer met zekerheid vast te stellen of tijd,■ens die viswedstrijd is gevist met vïslood, al dan

een specifieke zorgplicht zal gelden.

aangezien ook onder het Bal voor deze activiteit

Artikel 6.9 van de Waierwe! Tot slot, ten aanzien

:ene < de Watenveten daarbij kennis neemt van een beheerder en geeft daarbij aan hij Waterwet hij voornemens is te treffen of reeds heeft -eïXn''fl’^en™t meer kan worden vastgesteld of de viswedstrlid d! 'd temeer, dat niet verontreinidn. of aanUsti ' X 1 hoT i georganiseerd heeft geleid tot de spo„vi.:e.;d,e t

zaaknummer: BRE 22/5262 WET

5

deelnemers zelf mogen beslissen of ze gebruik maken van visiood, is er volgens de minister in beginsel geen vergiinningplicht. Op grond van artikel 6.1 van de Waterwel, is van 'lozen' sprake wanneer stoffen 8.2. in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht of wanneer water of stoffen op een ZLiiveringtechnisch werk worden gebracht. Op grond van artikel 6.2, eerste lid. W'atervvet is het verboden om stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij een daartoe strekkende vergunning is verleend door de minister of. ten aanzien van regionale wateren, door het bestuur van het betrokken waterschap of tenzij daarvoor vrijstelling is verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Vaststaat dat een dergelijke vrijstelling niet is verleend voor het vissen met visiood op 20 oktober 2019,

8.3. Naar het oordeel van de rechtbank is bij het vissen met visiood sprake van een vergunningplichtige lozing als bedoeld in artikel 6,2, eerste lid. Waterwet. De wetgever heeft dit ook met zoveel woorden erkend in de toelichting bij het Besluit van 3 juli 2018, houdende regels over activiteiten in de fy sieke leefomgeving (Besliiil activiieiten leefomgeving; Bcil).^ waar is overwogen dal voorde potentieel minst bezwaarlijke lozingen alleen is gekozen voor de specifieke zorgplicht, terwijl voor hel aanw ijzen van vergunningplichten is uitgegaan van de systematiek «algemene regels, tenzij». Hierdoor wordt volgens deze toelichting het gedogen beëindigd van lozingen die niet vanuit uitstroomvoorzieningen plaatsvinden, zoals het gebruik van visiood of het schoonmaken van pleziervaartuigen in het water, die voorheen formeel vergunningplichtig waren, maar waarvoor nooit vergunningen werden aangevraagd of verleend, aldus de wetgever. Aangezien het Bal nog niet in werking is getreden, geldt op dit moment voor het gebruik van visiood een vergunningplicht op grond van artikel 6.2. eerste lid, van de Waterwet.

Vervolgens is het de vraag tot wie artikel 6,2, eerste lid. van de Waterwet zich 8.4. richt: tot de HSV die het \ issen met \ isloöd niet verbiedt bij reglement en/of een individuele sportvisser die het visiood gebruikt bij het \ issen. Daarvoor is bepalend of zij stoffen in een oppervlaktewater!ichaam brengen.

De rechtbank oordeelt dat de HSV met het organiseren van een sportviswedstrijd S.5. zelf geen stoffen in een oppervlaktewater! ichaam brengt en dat zij derhalve ook niet gehouden was voor het organiseren van de viswedstrijd op 20 oktober 2019 een vergunning aan te vragen op grond van artikel 6.2, eerste lid van de Waterwel. Door geen vergunning aan te vragen, heeft de HSV dus niet in strijd met dit artikel gehandeld. Nu geen overtreding van artikel 6.2 van de Waterwel kan worden vastgesteld, was de minister niet bevoegd om handhavend op te treden jegens de HSV op basis van deze bepaling. De rechtbank oordeelt dat de sportvi.ssers die deelnemen aan een v isuedstrijd wel 8.6. kunnen worden aangemerkt als degenen die stoffen in een oppervlaktewater!ichaam brengen, wanneer zij gebruik maken van visiood. Dat betekent dat een sportvisser in dat geval een vergunning dient aan te vragen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. van de Waterwel. Dat betekent ook dat de minister in beginsel bevoegd was om handhavend op te treden tegen de aan de viswedstrijd van 20 oktober 2019 deelnemende sportvissers, wanneer en voor zover zij visiood hebben gebruikt. Echter, gelet op het verloop van deze kwestie kon Staatsblad 2018, 293. paragraaf 6.7.

t

F

zaaknummer: BRE 22/5262 WET

s

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving 1

t

Ais^emene wet besluursrech!

Hoofdstuk 5. Handhaving Titel 5.1. Algemene bepalingen

Artikel 5:1: 1, In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegl. kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen Artikel o !. tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomsti-e toepa.ssing. Artikel 5:7: Een herstel sane tie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk

dreigt.

H’«/enre/. geldig op 20 oktober 2019

Hoofdstuk 6. Handelingen in watersystemen § 1, Watervergunning en algemene regels Artikel 6.1. voor zover hier van belang: berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan

iozetr. brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of brengen van water of stoffen op een zuiveringteehniseli werk.

i

Artikel 6.2. voor zover hier van belang: Het is verboden om stoften te brengen in een oppervlaktewaterlichaam, tenzij;

a. een daartoe strekkende \ ergunning is verleend door Onze Minister of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van hel betrokken waterschap.

.Artikel 6.8: leder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerw ijs van hem kunnen worden sever’d om om die die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die veromtreinisins of aantastinzich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daan an te

4

7

zaaknummer: BRE 22/5262 WET

Conclusie II. De rechtbank concludeert dan ook dat omdat bet bandhavingsverzoek de minister pas heeft bereikt nadat de viswedstrijd op 20 oktober 2019 al had plaatsgevonden, het onmogelijk was voor de minister om vast te stellen of op 20 oktober 2019 voorschriften uit de Waterwet zijn overtreden. Gelet daarop heeft de minister terecht afgezien van handhaving en dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Ten overvloede 12. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat de minister ook heeft betoogd dat hij ook van handhaving zou hebben mogen afzien omdat dat onevenredig zou zijn met de daannee te dienen belangen. De minister wijst er daarbij op dat het verlies van vislood vooralsnog geen bedreiging vomit voor de waterkwaliteitsdoelen en dat dat verlies ook geen betekenisvol effect heeft op de waterkwaliteit. Voorts wijst de minister op het feit dat er sprake is van een overgangssituatie naar de Omgevingswet en dat in die wet de landelijke vergunningplicht komt te vervallen en ten slotte wijst de minister op de mede door hem gesloten ‘Green Deal Sportvisserij Loodvrij', waarmee een reductie in het loodgebruik in de sportvisserij wordt nagestreefd, De rechtbank w ijst er in dat verband op dal de vraag of het verlies van vislood geen betekenisvol effect heeft op de waterkwaliteit in het kader van de beoordeling van vergunningaanvragen moet worden beoordeeld.

De bevoegdheid tol handhaving ligt in het feit dat er geen vergunningen zijn aangevraagd. Ook de stelling dat de inwerkingtreding van de Omgevingswet de handhavingsbevoegdheid zou wegnemen is onjuist. Daarvoor verwijst de rechtbank naar overweging 8,3,

Conclusie en gevolgen

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr, M.G.J. Maas-Coovmans, voorzitter, en mr. T. Peters en mr. S. Hindriks, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij. griffier, op 4 juli 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op wvvvv.rechtspraak.nl. Vanwege afwezigheid van de voorzitter ondertekent één vap-fte leden. 7 ƒ ir

V ►1

griffier

«

ƒ

z ■\

/

rech(gr

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

0 6 JUL ?nn

Informatie over hoger beroep \ Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de .Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend )7 binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. .

rO'-OKOPE CO^ De grtfftervan de recb4 Zeeland-West-Braba? t

M"

!?

zaaknummer: BRE 22/5262 WET

’^'oor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving AlKeniene wet hesniiir.'n-echt Hoofdstuk 5. Handhaving

Titel 5.1. Algemene bepalingen Artikel 5:1: 1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is niet het bepaalde bij of krachtens enig wettel ijk voorschrift.

2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of niedepleegt. 3. Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en reeiitspersonen. Artikel 51, tweede en derde lid. van het \\ etboek van Stralrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:7: Een herstelsanelje kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

Waterwel, ëeldiij op 20 ükioher 2019 Hoofdstuk 6. flandelingen in watersystemen

§ I, Walervergttnning en algemene regels Artikel 6. i, voor zover hier van belang: In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verslaan onder:

lozeir. brengen van stoffen in een oppervlaktewater! ie haam of brengen van water of stoffen op een zuiveringtechnisch werk. Artikel 6.2. voor zover hier van belang: Het is verboden om stoffen te brengen in een opperv laktewaterlichaam, tenzij:

a. een daartoe strekkende vergiinning is verleend door Onze Minister of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van het betrokken waterschap,

.Artikel 6.8: Ieder die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan de bodem of oever van een opperv laktewaterlichaam kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verontreiniging of aantasting le voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantastins zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te

8

zaaknummer; BRE 22/5262 WET 9

beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de i of aantasting het gevolg l—; is - van - , een „„„euoon „„jen de an,regelenverontreiniging enier;;'ijrd'ge;;Z Artikel 6;9

I

1. Degene dte handelingen verricht als bedoeld in artikel 6.8 en daarbit kennis neemt van een verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaklewaterlichaam welke maatregelen als bedoeld in artikel 6.8 hij voornemens is te treffen of reeds heeft aan getroffen.

2. De beheerder kan ,aanwijzingen geven met betrekking tot de te nemen maatregelen. bedoeld in artikel 6.8.

l

I

*

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8003/documents/44914