3 b_Hertelerweg_3_-_2022_381.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Hertelerweg 3 in Gaanderen
In opdracht van gemeente Doetinchem
Colofon Quickscan natuurtoets Hertelerweg 3 in Gaanderen
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Doetinchem Dhr. Y. Horstink
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2354 Ing. R. Boerboom Drs. L.M.A. Witjes 14 oktober 2021 Plangebied (foto: S. Wamelink)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Beschermde status plangebied .................................................................................... 7 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7
3.3
Natura 2000 .......................................................................................................... 9
3.4
Houtopstanden ................................................................................................... 11
Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 12 4.1
Methode ............................................................................................................. 12
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 13
5
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 21
6
Conclusie ................................................................................................................... 24
Bijlage 1
Impressie plangebied ..................................................................................... 26
Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 27
Bijlage 3
Beschermde plant- en diersoorten.................................................................. 35
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de bestemmingswijziging van het perceel aan de Hertelerweg 3 in Gaanderen aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is. Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met broedvogels. Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten van het GNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van Natura 2000gebieden zijn niet aan de orde. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Een kapmelding bij de provincie Gelderland ten aanzien van beschermde houtopstanden is niet noodzakelijk. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om de bestemming van een perceel aan de Hertelerweg 3 in Gaanderen te wijzigen naar bestemming ‘Bedrijf’. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Doetinchem. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.
Pagina 3
1
Inleiding en doel
1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. Er zijn plannen voor een bestemmingsplanwijziging voor het perceel aan de Hertelerweg 3 in Gaanderen. In dit kader heeft Staring Advies in 2014 een quickscan natuurtoets uitgevoerd in het plangebied. Deze quickscan natuurtoets is inmiddels verouderd. De heer Horstink van de gemeente Doetinchem is betrokken bij de plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd voor het uitvoeren van de (actualisatie van de) quickscan natuurtoets.
1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.
Pagina 4
2
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden
2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Hertelerweg 3 Gaanderen Doetinchem Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied is gelegen in de gemeente Doetinchem, ten oosten van de woonkern van Gaanderen (zie figuur 1). Het plangebied bestaat uit een verhard terrein met een schuur en landschappelijke beplanting en een extensief beheerd grasland met amfibieënpoel, sloot en landschappelijke beplanting (zie figuur 2 en bijlage 1). Dit graslandperceel krijgt geen andere bestemming. De directe omgeving van het plangebied bestaat onder andere uit agrarische percelen en bijbehorende bebouwing, woonhuizen met bijbehorende tuinen, knotwilgen, laanbeplanting en infrastructuur.
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten kan het noodzakelijk zijn om groter gebied dan het plangebied zelf te onderzoeken. Aangezien er in het plangebied geen sprake is van ruimtelijke ontwikkelen, maar uitsluitend sprake is van bestemmingswijziging is de begrenzing van het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan de begrenzing van het te wijzigen perceel (zie figuur 2).
2.4 Geplande werkzaamheden Er zijn plannen om de bestemming van het bedrijfsdeel binnen de Hertelerweg 3 in Gaanderen te wijzigen naar de bestemming ‘Bedrijf’. Er vinden geen ruimtelijke ingrepen, zoals sloop van bebouwing, bomenkap of graafwerkzaamheden plaats. Het gehele plangebied behelst ook het achterliggende graslandperceel. Maar dit deel krijgt geen andere bestemming.
Pagina 5
Gaanderen
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2021).
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood) met daarbinnen het te wijzigen perceel (blauw), bron: Provincie Gelderland (2021).
Pagina 6
3
Beschermde status plangebied
3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN. De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het NNN worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het
Pagina 7
type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). Verspreid rondom het plangebied liggen enkele bos- en natuurgebieden die zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Dit zijn onder andere het Landgoed Slangenburg ten noorden van het plangebied, de Bielheimerbeek, de Oude IJssel, het bosgebied de Koekendaal/de Wrange en verschillende bospercelen ten zuiden van het plangebied. Rondom deze GNNgebieden liggen enkele GO’s als ecologische verbindingszones. Het dichtstbijzijnde GNN gebied, een bosperceel aan de Varsseveldseweg (N818) ten zuiden van het plangebied, ligt ongeveer 1,2 kilometer ten noorden van het plangebied. Doordat er geen werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het GNN en de GO en doordat het GNN en de GO geen externe werking kent, veroorzaken de plannen geen negatieve effecten op het oppervlakte of de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en de GO.
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN en GO, bron: Provincie Gelderland 2021.
Pagina 8
3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach” en overige Natura 2000-gebieden zijn niet aan de orde.
3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied, het Duitse “Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach”, ligt op ruime afstand van het plangebied, vanaf circa 7,5 kilometer, (zie figuur 4). Overige Natura 2000-gebieden, zoals Hetter-Millinger Bruch, Rijntakken, Veluwe en Korenburgerveen, liggen op nog grotere afstand, vanaf circa 9,6 km. Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van het Natura 2000-gebied “Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach” en overige Natura 2000-gebieden zijn niet aan de orde.
Pagina 9
Veluwe Rijntakken
Rijntakken
Hetter-Millinger Bruch
Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied “Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach” en overige Natura 2000-gebieden, bron: http://natura2000.eea.europa.eu/ (2021).
Pagina 10
3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet noodzakelijk.
3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.
3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom (zie figuur 1). Er is echter geen sprake van beschermde houtopstanden. Bovendien is er geen sprake van bomenkap. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is derhalve niet aan de orde.
Pagina 11
4
Beschermde soorten plangebied
4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. De NDFF is echter niet vlakdekkend en volledig. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten, uit de afgelopen 10 jaar.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker
Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
S. Wamelink
1
07-10-2021
09:00 uur
Mistig, droog, 9°C, windkracht 0-1 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 12
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, roek, sperwer en steenuil zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van meerdere nationaal en internationaal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: • •
Nationaal beschermde soorten: bosmuis, bunzing, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en wezel¹. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en otter.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van meerdere nationaal beschermde amfibieënsoorten, twee internationaal beschermde amfibieënsoorten en één nationaal beschermde reptielensoort. Het betreft de volgende soorten: • •
Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, hazelworm en kleine watersalamander1. Internationaal beschermde soorten: kamsalamander en poelkikker.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van het voorkomen van twee beschermde dagvlindersoorten en een internationaal beschermde nachtvlindersoort. Het betreft de volgende soorten: • •
Nationaal beschermde soorten: grote vos en kleine ijsvogelvlinder¹. Internationaal beschermde soort: teunisbloempijlstaart.
1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, grote vos, hazelworm, kleine ijsvogelvlinder,
steenmarter en wezel, in de provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 13
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat grotendeels uit verhard terrein met bebouwing. Een gedeelte van het plangebied wordt voor opslag van zand gebruikt. Aan de oostzijde van het plangebied is een haag van laurierkers aanwezig. Aan de noordwestzijde is (jonge) landschappelijke beplanting met onder andere eenstijlige meidoorn, Spaanse aak, haagbeuk en wilde kardinaalsmuts aanwezig. De natuurlijke vegetatie in het plangebied bestaat uit algemene soorten van ruderale en (matig) voedselrijke omstandigheden, zoals Canadese fijnstraal, grote brandnetel, witte dovenetel, ridderzuring en enkele algemene grassoorten. In het aangrenzende grasland groeien soorten als witte klaver, vlasbekje, pitrus, boerenwormkruid, duizendblad, koninginnenkruid, kruipende boterbloem en de invasieve exoot late guldenroede. Langs de poel in dit terrein groeien soorten als bleekgele droogbloem, wolfspoot, moerasdroogbloem, pitrus en opslag van wilgen. Bijzondere vegetaties met kenmerkende plantensoorten zijn niet in het plangebied aanwezig. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Beschermde plantensoorten worden hier niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek.
Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving: ekster, groene specht, groenling, houtduif, huismus, kauw, koolmees, roek, roodborst, vink, witte kwikstaart en zwarte kraai. De laurierkershaag is geschikt als nestlocatie voor enkele soorten als houtduif, merel, roodborst, Turkse tortel en winterkoning. Verder ontbreken geschikte nestlocaties in het plangebied. Het naastgelegen woonhuis van de Hertelerweg 9 is geschikt als nestlocatie voor de huismus. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, roek, sperwer en steenuil, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek is de huismus aangetroffen in het plangebied. Verder is de roek aangetroffen in de directe omgeving van het plangebied. Boomvalk, buizerd, havik en sperwer Van de boomvalk en havik zijn enkele waarnemingen bekend vanuit landgoed ’t Maatje, ten noordwesten van het plangebied. Vanuit verschillende bosschages in de omgeving van het plangebied zijn territoria van de buizerd bekend. Van de sperwer is een territorium
Pagina 14
bekend vanuit een bosschage ten oosten van het plangebied (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn er geen van bovenstaande soorten waargenomen in of in de omgeving van het plangebied. De boomvalk, buizerd, havik en sperwer broeden in bomen en bosschages die voldoende dekking en rust bieden. De groenstructuren in en om het plangebied bieden onvoldoende dekking en rust voor een nestlocatie voor deze soorten. Het plangebied heeft door de openheid, de beperkte omvang en het gebruik als bedrijfsterrein ook geen belangrijke functie als foerageergebied voor deze soorten. Incidenteel kan een overvliegend, rustend of jagend exemplaar van bijvoorbeeld een buizerd of sperwer worden aangetroffen in het plangebied, maar van een essentieel leefgebied is geen sprake. Grote gele kwikstaart Van de grote gele kwikstaart is een territorium bekend bij een brug over de Bielheimerbeek, ten hoogte van landgoed ’t Maatje, ten noordwesten van het plangebied (bron: NDFF). Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. In het plangebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart. Het plangebied is geen (essentieel) leefgebied voor deze soort.
Sporadisch kan een foeragerende, overvliegende of rustende grote gele kwikstaart in het plangebied aangetroffen worden. Gierzwaluw Vanuit de bebouwde kom van Gaanderen, ten westen van het plangebied, zijn waarnemingen van nestlocaties van de gierzwaluw bekend (bron: NDFF). Ten tijde van het veldbezoek (oktober) is deze soort niet in Nederland aanwezig. Vanuit het plangebied zijn geen broedgevallen van de gierzwaluw bekend. De soort broedt in Nederland ook bijna nooit in geïsoleerde bebouwing in het buitengebied. Nestlocaties zijn bijna uitsluitend in het stedelijk gebied te vinden. In het plangebied zijn bovendien geen geschikte nestlocaties aanwezig. De aanwezige schuur bevat geen geschikte nestgelegenheden zoals geschikte en toegankelijke ruimten onder het dak, in de gevels, in speciale nestkasten of achter regenpijpen. Huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de huismus bekend. De meeste waarnemingen zijn gedaan in het buitengebied van Gaanderen, maar ook in de bebouwde kom van Gaanderen zijn waarnemingen van de soort bekend (bron: NDFF). Huismussen broeden bijna uitsluitend in bebouwing, zoals onder dakpannen of in andere holtes in gevels van woonhuizen.
De huismus is tijdens het veldbezoek bij enkele woningen en bijbehorende tuinen in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen, waarbij de soort ook de laurierkershaag in het plangebied gebruikte als schuilgelegenheid. Geschikte nestlocaties voor de huismus ontbreken in het plangebied. De aanwezige schuur bevat geen geschikte nestgelegenheden zoals geschikte en toegankelijke ruimten onder het dak, in de gevels, in speciale nestkasten of op balken. Het plangebied zal
Pagina 15
uitsluitend gebruikt worden als foerageergebied en eventueel als rust- en slaapplaats in de vorm van de aanwezige haag. Steenuil Uit de omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF waarnemingen van deze uilensoort bekend. Dit betreft waarnemingen (en vermoedelijke nestlocaties) in het buitengebied van Gaanderen, in de omgeving van het plangebied. Het dichtstbijzijnde territorium bevindt zich aan de Steverinkstraat, op circa 250 meter afstand van het plangebied. Er bevinden zich voor deze soort geen geschikte nestlocaties in het plangebied, zoals nestkasten, oude knotbomen of toegankelijke schuren of andere gebouwen. Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) steenuilen (braakballen, uitwerpselen, veren, prooiresten etc.) waargenomen in het plangebied. Nestlocaties van deze soort worden dan ook niet verwacht. Mogelijk bevinden er zich nestlocaties van de soort in de (directe) omgeving van het plangebied, waardoor het plangebied een onderdeel van het leefgebied van deze uilensoort kan zijn. Het plangebied bestaat echter hoofdzakelijk uit verhard oppervlak en bebouwing en is daardoor slechts van marginaal belang voor de soort. De schuur in het plangebied kan als uitkijkpost gebruikt worden en langs de randen van het plangebied kan sprake zijn van een jachtplek.
Aangrenzend graslandperceel met poel en landschappelijke beplanting, verschillende dierenweiden en opgaande groenstructuren in de directe omgeving van het plangebied zijn meer van belang als foerageergebied voor de soort. In het plangebied is geen sprake van een essentieel leefgebied voor de steenuil. Roek In de omgeving van het plangebied is een roek waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen roekennesten aangetroffen in of rond het plangebied. Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele roekenkolonies bekend (bron: NDFF). De dichtstbijzijnde roekenkolonie bevindt zich aan de Smidstraat, ten westen van het plangebied. Deze locatie ligt op circa 360 meter afstand van het plangebied. In of direct rond het plangebied zijn geen geschikte hoge bomen aanwezig waarin een roekenkolonie zich zou kunnen vestigen. Incidenteel gebruik van het plangebied als foerageergebied is niet uit te sluiten, dit geldt eveneens voor overvliegende exemplaren. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Nestlocaties van overige jaarrond beschermde vogelsoorten worden in het plangebied en in de directe omgeving niet verwacht. Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook niet van belang als functioneel leefgebied.
Grondgebonden zoogdieren De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde soorten bosmuis, bunzing, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, otter, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en wezel voor de omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen (sporen van) grondgebonden zoogdieren aangetroffen. In de
Pagina 16
directe omgeving zijn de eekhoorn en graafsporen van mol en muizen waargenomen. Het plangebied is door de openheid en door de inrichting met verhard terrein en bebouwing niet of nauwelijks geschikt als leefgebied voor grondgebonden zoogdieren. Incidenteel kan het plangebied doorkruist worden door (vrij) algemene soorten als bunzing, eekhoorn, egel, haas, konijn, steenmarter en wezel. Voor de genoemde soorten geldt, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, steenmarter en wezel, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Kleine marterachtigen De NDFF vermeldt enkele waarnemingen van de kleine marterachtigen bunzing en wezel vanuit de ruime omgeving van het plangebied. Er zijn geen waarnemingen van hermelijn bekend uit de directe omgeving van het plangebied, maar kleine marterachtigen blijven door hun verborgen levenswijze vaak onopgemerkt. De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten (bron: Zoogdiervereniging).
De overige kleine marterachtigen hermelijn en wezel komen in vergelijkbare landschapstypen voor, waarbij de hermelijn over het algemeen meer gebonden is aan waterrijke gebieden en de wezel juist minder. Het plangebied is door het nagenoeg ontbreken van opgaande beplantingen en dekking in de vorm van dichte ruigteof graslandvegetatie slechts marginaal geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen. Een verblijfplaats wordt hier niet verwacht door het ontbreken van geschikte schuilgelegenheden, zoals stapels (brand)hout, stenenstapels, zoogdierholen, dichte vegetatie en toegankelijke ruimten onder gebouwen. Incidenteel kan het plangebied doorkruist worden door een kleine marterachtige, maar van een essentieel leefgebied is geen sprake. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek is net ten noorden van het plangebied een eekhoorn waargenomen. Er zijn in het plangebied geen sporen en boomnesten van eekhoorns aangetroffen. Een vaste verblijfplaats van de eekhoorn wordt niet verwacht in de het plangebied. Incidenteel kan een enkel rondzwervend exemplaar het plangebied doorkruisen. Steenmarter Vanuit de ruimte omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de steenmarter bekend. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van de steenmarter bekend (bron: NDFF).
Tijdens het veldbezoek zijn geen steenmarters of sporen (uitwerpselen, prooiresten, krabsporen etc.) aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. De schuur binnen
Pagina 17
het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter omdat er geen geschikte openingen zijn waardoor deze soort naar binnen zou kunnen komen. Verder ontbreken geschikte verblijfplaatsen voor de soort. Het plangebied kan wel onderdeel zijn van het leefgebied/territorium van de steenmarter, maar van een essentieel onderdeel van het leefgebied is geen sprake. Otter Bij de Bielheimerbeek, ten noordwesten van het plangebied, zijn sporen (spraints) van de otter gevonden (bron: NDFF). In de Oude IJssel leven sinds een aantal jaren otters, mede door de uitzetting van een ottermannetje in 2012 bij Doesburg (bron: Zoogdiervereniging VZZ). Sporen van de otter worden verspreid over de gehele Oude IJssel en enkele aangrenzende wateren, zoals de Bielheimerbeek, aangetroffen. Vanuit het plangebied zijn geen waarnemingen van (sporen van) otters bekend. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied door de afstand tot de Bielheimerbeek en Oude IJssel en het ontbreken van open water. Overige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van het voorkomen van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1).
Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het plangebied is een schuur aanwezig, bestaande uit stalen profielplaten gevels en een golfplaten dak. Het gebouw is niet voorzien van een spouw of dakbeschot. In de gevels en dakconstructie van dit gebouw zijn geen kieren, spleten of andere openingen gevonden welke toegang zouden kunnen bieden aan verblijfplaatsen voor vleermuizen. Ook zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen, bijvoorbeeld in de vorm van vleermuiskeutels. Aangezien het gebouw niet geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen en er geen andere structuren in het plangebied aanwezig zijn die kunnen dienen als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, worden verblijfplaatsen van deze soortgroep in het plangebied uitgesloten. Diverse stenen woningen die zich op korte afstand van het plangebied bevinden kunnen wel geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen bevatten. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn geen bomen aanwezig met voor vleermuizen geschikte holtes. Geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen zijn dan ook niet te verwachten. Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het plangebied is door de beperkte omvang en het ontbreken van (robuuste) opgaande
Pagina 18
groenstructuren slechts marginaal geschikt als foerageergebied voor een weinig kritische vleermuissoort, zoals de gewone dwergvleermuis. Een essentieel foerageergebied of een vliegroute wordt hier niet verwacht. De laanbeplanting ten noorden van het plangebied, langs de Steverinkstraat, is geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Amfibieën, reptielen, vissen Beschermde amfibieën, reptielen of vissen zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, hazelworm, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Voor de genoemde soorten geldt in de provincie Gelderland een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van de beschermde, in de omgeving van het plangebied voorkomende hazelworm, kamsalamander en poelkikker. Het plangebied dat nagenoeg volledig uit verhard oppervlak en bebouwing bestaat is niet of nauwelijks geschikt als leefgebied voor deze soortgroepen. Incidenteel kan het plangebied doorkruist worden door een migrerend of zwervend exemplaar van bijvoorbeeld de bruine kikker, gewone pad of kleine watersalamander.
Het noordelijk deel van het plangebied is door de aanwezigheid van extensief beheerd grasland, een sloot en een amfibieënpoel geschikt als leefgebied voor soorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker. Hazelworm Vanuit een bosgebied ten zuidoosten van het plangebied is een waarneming van deze reptielensoort bekend (bron: NDFF). De hazelworm komt voor op warme, beschutte, halfopen terreinen met vochthoudende bodem zoals bosranden, open plekken in bossen, ruige heidevelden, kalkgraslanden, vestingwerken, bermen van wegen en spoorwegen (bron: Soortenbank.nl). Het plangebied is door het ontbreken van geschikt leefgebied ongeschikt voor de hazelworm. Kamsalamander en poelkikker Vanuit een poel ten noorden van het plangebied, aan de Pinnedijk, zijn waarnemingen van deze beschermde amfibieën bekend. Door het ontbreken van zowel geschikte voortplantingswateren als geschikt landhabitat worden beide soorten niet verwacht in of direct rond het plangebied. Een incidenteel zwervend exemplaar kan niet worden uitgesloten in het plangebied, mede door de aanwezigheid van een potentieel geschikt voortplantingswater in de vorm van de poel, net ten noorden van het plangebied. Overige beschermde amfibieën, reptielen of vissen worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied.
Het bronnenonderzoek bevestigt tevens de afwezigheid van overige beschermde amfibieën, reptielen en vissen voor het plangebied en omgeving.
Pagina 19
Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze zijn echter op het moment van het veldbezoek (oktober) grotendeels ook niet actief. De NDFF vermeldt de beschermde grote vos, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Grote vos en kleine ijsvogelvlinder In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze beschermde dagvlindersoorten bekend, vanuit landgoed ’t Maatje, ten noordwesten van het plangebied (bron: NDFF). Van de aanwezigheid van (vaste) populaties van deze soorten in het plangebied is geen sprake door het ontbreken van geschikt leefgebied. Incidenteel zouden er rondzwervende volwassen exemplaren in het plangebied en de omgeving hiervan aangetroffen kunnen worden. Teunisbloempijlstaart Vanuit de bebouwde kom van Gaanderen, ten westen van het plangebied, is een waarneming van een rups van de teunisbloempijlstaart bekend (bron: NDFF). De teunisbloempijlstaart is Europees beschermd via de Habitatrichtlijn. Het leefgebied van de teunisbloempijlstaart bestaat voornamelijk uit vochtige open plekken in bossen en bosranden, vooral in rivierdalen. De soort wordt echter ook gevonden op zandige, braakliggende en ruderale terreinen in en rond het stedelijk gebied.
Waardplant van deze nachtvlinder is de teunisbloem, maar de rupsen worden ook op andere planten uit de familie Onagraceae aangetroffen. De vlinders vliegen in mei-juni, de rups leeft van juni tot september op de waardplant en van september tot mei verblijft de soort als pop in de strooisellaag (bron: Vlinderstichting). In het plangebied zijn geen planten aangetroffen die behoren tot de familie Onagraceae. Derhalve mag worden aangenomen dat het plangebied geen deel uitmaakt van het leefgebied van de teunisbloempijlstaart. Overige beschermde ongewervelde diersoorten worden ook niet in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied.
Pagina 20
5
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In hoofdstuk 4 is vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie en is bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. In dit hoofdstuk worden deze effecten getoetst aan de verbondsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht doordat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend uit het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan.
Werkzaamheden moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen op de planlocatie. Omdat niet alle vogelsoorten op hetzelfde moment broeden en omdat dit mede afhankelijk is van de weersomstandigheden is er geen vaste broedperiode vastgesteld. Er zijn voorbeelden van vroege broeders zoals de blauwe reiger en de bosuil. Deze broeden vaak al in februari. Daarnaast broeden soorten als houtduif en meerkoet vaak nog tot in augustus.
Pagina 21
Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, roek, sperwer en steenuil, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Nestlocaties of vaste verblijfplaatsen van deze soorten zijn uit te sluiten in het plangebied. Het plangebied vormt geen essentieel onderdeel van functionele leefgebieden van soorten met jaarrond beschermde nesten. Bovendien is er geen sprake van ruimtelijke ingrepen in het plangebied, zoals sloop van bebouwing, woningbouw, bomenkap of andere werkzaamheden die nestlocaties of het functioneel leefgebied van deze soorten aan kunnen tasten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestlocaties. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is door de inrichting die grotendeels bestaat uit verhard oppervlak en bebouwing niet of nauwelijks geschikt als leefgebied grondgebonden zoogdiersoorten Incidenteel kan het plangebied doorkruist worden door soorten als eekhoorn, egel, haas, konijn, steenmarter en kleine marterachtigen als bunzing en wezel. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, steenmarter en wezel.
Eekhoorn Tijdens het veldbezoek is net ten noorden van het plangebied een eekhoorn waargenomen. Het voorkomen van de beschermde eekhoorn is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen (boomnesten) of functioneel leefgebied aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Bovendien is er geen sprake van ruimtelijke ingrepen in het plangebied, zoals bomenkap of andere werkzaamheden die nestlocaties of het functioneel leefgebied van deze soort aan kunnen tasten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor de eekhoorn. Kleine marterachtigen Sporadisch kunnen deze beschermde soorten het plangebied doorkruisen of als foerageergebied gebruiken. Er is echter geen sprake van een vaste rust- en verblijfplaats of een essentieel leefgebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen als bunzing en wezel en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Steenmarter Het voorkomen van de beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen of functioneel leefgebied aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Bovendien is er geen sprake van ruimtelijke ingrepen in het plangebied, zoals sloop van bebouwing of andere werkzaamheden die verblijflocaties of het functioneel
Pagina 22
leefgebied van deze soort aan kunnen tasten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor de steenmarter. Aanvullend onderzoek of een ontheffingsaanvraag is ook niet nodig voor overige grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er voor gebouwbewonende vleermuizen als verblijfplaats geschikte gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen is niet noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen is niet noodzakelijk. 3. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is niet noodzakelijk.
Nader onderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk aangezien er geen sprake is van negatieve effecten op verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebieden in het plangebied Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van het incidenteel doorkruisen van het plangebied niet te verwachten in het plangebied. Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in het plangebied die leiden tot aantasting van het functioneel leefgebied van beschermde amfibieën, reptielen, vissen of ongewervelde dieren. Er is uitsluitend sprake van functiewijziging van een perceel. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.
Pagina 23
6
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN en de GO. De kernkwaliteiten van het GNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van Natura 2000-gebieden zijn niet aan de orde. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet noodzakelijk. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Broedvogels Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met broedvogels.
Pagina 24
Bijlagen 1 2 3
Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 25
Bijlage 1 Impressie plangebied
Pagina 26
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 27
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 28
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 29
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 30
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 31
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Pagina 32
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •