2 Re To Bijl BP Hertelerweg_3_-_2022.pdf
Tekst van het document
3.2 Rijksbeleid 3.2.1 De Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: 'de Ladder') is ingericht voor een zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd aan artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening. De inwerkingtreding was op 1 oktober 2012. Op 1 juli 2017 is de gewijzigde (nieuwe) Ladder inwerking getreden. Artikel 3.1.6 lid twee Bro omschrijft de Ladder als volgt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' De Ladder is van toepassing op plannen voor bedrijventerreinen. Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig dat uit een aantal stappen bestaat: a.
Is sprake van een stedelijke ontwikkeling? b. Is de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’? c. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? d. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? e. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Zo nee, waarom kan niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte worden voorzien? De toepassing van de Ladder is mede bepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op 28 juni 2017 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden. Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk. Onderzoek Met de hiervoor geformuleerde vragen over relevante aspecten van de Ladder is het onderzoek uitgevoerd. 1. Is sprake van een stedelijke ontwikkeling? De laddertoets geldt alleen voor stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 onder i van het Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. In het voorliggende plan wordt het buitenterrein van het legaal gevestigd bedrijf voorzien van de bestemming Bedrijf. Dit buitenterrein heeft een oppervlakte van meer dan 500 m2. Daarmee kan ervan uitgegaan worden dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dus verdere toetsing aan de Ladder is nodig. 2.
Is de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’? Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe plan meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.
40
In het voorliggende plan wordt het buitenterrein van een legaal aanwezige bedrijfsloods voorzien van de bestemming ‘Bedrijf’. Deze bestemming voor het buitenterrein is nieuw. Op deze gronden wordt bebouwing mogelijk voor verzamelvakken (bouwwerken geen gebouwen zijnde) voor gestructureerd opslaan van grond en ander materiaal. Dus wordt er meer bebouwing mogelijk en is de stedelijke ontwikkeling dus nieuw. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Het bedrijf verzorgt vooral agrarische loonwerkzaamheden en grondverzet in de omgeving van Gaanderen, nabij de vestigingslocatie. 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? De bestaande bedrijfsloods maakt geen onderdeel uit van de toets aan de Ladder. Wel is het logisch dat het buitenterrein van het bedrijf ook gebruikt mag worden door het bedrijf en dus voorzien wordt van een passende bestemming. Daarmee is de behoefte voor de ontwikkeling aanwezig. 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Zo nee, waarom kan niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte worden voorzien? De ontwikkeling ligt niet in bestaand stedelijk gebied. Er kan niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte worden voorzien omdat de nieuwe stedelijke ontwikkeling enkel een buitenterrein betreft van een bestaande bedrijfsloods die in het landelijk gebied legaal aanwezig is.
Daardoor is het gewenst om het (gebruik van het) ongebouwde deel van het terrein ook planologisch toe te laten. Deze twee horen bij elkaar. De bedrijfsloods is van recente bouwdatum (2017), waardoor er sprake zou zijn van kapitaalsvernietiging als het bedrijf zou moeten verhuizen naar stedelijk gebied. Conclusie Het mogelijk maken van het gebruik van het buitenterrein door het bedrijf is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Want het plan gaat om een buitenterrein (>500 m2) van een legaal aanwezige bedrijfsloods te voorzien van de bestemming Bedrijf met beperkte mogelijkheden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het is gewenst om het (gebruik van het) ongebouwde deel van het terrein ook planologisch toe te voegen aan de bedrijfsfunctie. Dit hoort bij elkaar. De bedrijfsloods is van recente bouwdatum waardoor er sprake is van kapitaalsvernietigig als het bedrijf hier niet kan blijven.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsverordening Gelderland De laatste actualisatie van de Omgevingsverordening is op 15 december 2021 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 februari 2022. Hierin zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. Samen met de Omgevingsvisie heeft de provincie al vooruit gelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Onderzoek en conclusie Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn de volgende regels uit de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing. Glastuinbouw Voor de omgeving geldt een tijdelijk verbod voor hervestiging, nieuwvestiging en uitbreiding van (bestaande) glastuinbouwbedrijven, zie paragraaf 2.3.5 van de verordening. De bedrijfslocatie gaat niet over glastuinbouw, dus het plan past binnen de regels van de omgevingsverordening. Solitaire bedrijvigheid In artikel 2.12 van de Omgevingverordening Gelderland zijn regels opgenomen voor solitaire bedrijvigheid in het buitengebied. Dit artikel luidt als volgt: .
41
Artikel 2.12 (solitaire bedrijvigheid) a. Een bestemmingsplan maakt geen vestiging mogelijk in het buitengebied van vormen van bedrijvigheid die naar huidige planologische inzichten wat betreft de ruimtelijke aanvaarbaarheid thuishoren op een bedrijventerrein b. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingplan nieuwvestiging toch mogelijk maken als: a. sprake is van functieverandering, of b. het vigerende Regionaal programma werklocaties hierover afspraken bevat. c. Een bestemmingsplan maakt in het buitengebied uitbreiding van solitaire bedrijvigheid die leidt tot bedrijfsbebouwing groter dan 1.000 vierkante meter en waarbij de uitbreiding zelf groter is dan 250 vierkante meter bedrijfsbebouwing niet mogelijk, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat: a. verplaatsing naar een bedrijventerrein in redelijkheid niet mogelijk is; b. de uitbreiding regionaal is afgestemd; c. de uitbreiding landschappelijk goed wordt ingepast; d. de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt met een maatbestemming. Het bestaande legale bedrijfsgebouw is in het verleden op basis van functieverandering al toegestaan. De ontwikkeling in het voorliggende bestemmingsplan gaat om de verandering van het buitenterrein. Dit is gezien als een uitbreiding van het solitaire bedrijf die al aanwezig is. Dus is getoetst aan lid 3. De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing is beperkt.
Deze omvat alleen twee bouwwerken geen gebouwen zijnde, de verzamelvakken op het achterterrein en een wasplaats. De oppervlakte van de verzamelvakken is ongeveer 130 m2. En die van de wasplaats ongeveer 40 m2. In totaal wordt met het bestemmingsplan uitbreiding van bebouwing (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) mogelijk van 170 m2. Daarmee is er geen strijd met lid 3 van artikel 2.12 van de Omgevingsverordening. Klimaatadaptatie In artikel 2.65b van de Omgevingverordening Gelderland zijn regels opgenomen over klimaatadaptatie. Dit artikel luidt als volgt: Artikel 2.65b (klimaatadaptatie) 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: a. waterveiligheid; b. wateroverlast; c. droogte; en d. hitte. 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Het terrein rondom het bestaande legale bedrijfsgebouw is verhard.
Hierbij wordt voldaan aan de eisen in de Wet milieubeheer voor het voorkomen van vervuiling van water via riool of direct in de bodem. Hemelwater wordt wel geïnfiltreerd op de locatie. Verder is op het perceel die bij het bedrijf zit een inpassing gerealiseerd die ook bijdraagt ook het voorkomen van overlast door droogte (de paddenpoel) en hitte (beplanting aangebracht). Het plan draagt daarbij op verschillende aspecten bij aan de doelstellingen van de provincie op het gebied van klimaatadaptatie. Het plan is ook overlegd met het Waterschap. Zie paragraaf 7.2 Overleg.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Regionale structuurvisie Gelderland Op 26 april 2012 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Regionale structuurvisie Achterhoek 2012 vastgesteld.
42
Deze structuurvisie schetst een beeld van de regionale ruimtelijke situatie en is een ruimtelijke visie op een vitaal, modern en authentiek Achterhoek. Een van de speerpunten in de visie is de veranderingen in het landelijk gebied. Onder dat onderwerp is aangegeven dat het beleid voor functiewijziging zich niet alleen moet focussen op woningbouw, maar bijvoorbeeld ook op kleinschalige bedrijvigheid, recreatie of zorg. Dit in combinatie met landschappelijke versterking. Zo kan de doelstelling van het beleid overeind blijven. Die doelstellingen zijn: • stimuleren economische vitaliteit buitengebied; • versterken leefbaarheid (van de kleine kernen); • verbeteren ruimtelijke kwaliteit buitengebied. Onderzoek en conclusie Het bestemmingsplan legt een al doorlopen functieveranderingslocatie vast, waarbij ook de landschappelijke versterking middels een inpassingsplan gerealiseerd is. Het past dus in deze structuurvisie.
3.4.2 Structuurvisie Doetinchem 2035 Op 26 september 2013 heeft de gemeenteraad van Doetinchem de Structuurvisie Doetinchem 2035 vastgesteld. Deze structuurvisie schetst een beeld van de huidige ruimtelijke situatie en gaat zowel in op de kwaliteiten als op onderdelen waar verbeteringen denkbaar zijn. Er worden ruimtelijke kaders geschetst waarbinnen de gemeente Doetinchem de komende jaren wil werken. Daarbij gelden vier thema's, waarvan een met name voor het plangebied van belang is. Dit is het thema 'beherend ontwikkelen van stad en platteland'. Beherend ontwikkelen van stad en platteland De structuurvisie-opgave Oogsten in het buitengebied is hier weer met name van belang. Het gaat om een combinatie van monitoren, beheren, het zetten van de puntjes op de i en het verkennen of er nog verbeteringen mogelijk zijn. Er is hier mogelijk ruimte voor kleine ontwikkelingen in het kader van het willen beheren van de aanwezige kwaliteiten. Onderzoek en conclusie De al gerealiseerde loods en het mogelijk maken van het gebruik van het buitenterrein sluit aan op de genoemde structuurvisie-opgave. Er is hier sprake geweest van functieverandering waarbij ook een investering in de verbetering van het landschap heeft plaats gevonden. Het platteland is hier dus beherend ontwikkeld. Dit past in deze visie.
3.4.3 Doetinchem Natuurlijk Duurzaam Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om onze duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen.
Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief.
43
Duurzame energieopwekking in Doetinchem Op 25 april 2019 heeft de gemeenteraad het beleidskader Duurzame energieopwekking in Doetinchem vastgesteld. Met dit beleidskader is helder hoe de gemeente initiatieven voor duurzame energieopwekking in behandeling wil nemen. Dit beleidskader is een nadere uitwerking van het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam. Het biedt inwoners de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in Doetinchem. De doelstelling van het beleidskader is drieledig: 1. Het beleidskader heeft als doel ruimte te bieden voor duurzame energieopwekkingsinitiatieven. Door het beleidskader is de gemeente in staat om initiatieven te 'toetsen' op hun inpasbaarheid. 2. De ruimtelijke kwaliteit van het grondgebied waarborgen en waar mogelijk versterken. Het beleidskader geeft richtlijnen voor 'inpassing' van initiatieven met een grote ruimtelijke impact zoals zonneparken en windparken. 3. Ten derde is het doel dat grootschalige initiatieven met een zo groot mogelijke maatschappelijke betrokkenheid tot stand komen. Dit alles om de betrokkenheid te vergroten en de omgeving mee te laten profiteren van de voordelen die ook ontstaan.
Onderzoek en conclusie In het voorliggende bestemmingsplan heeft de gemeente waar mogelijk al rekening gehouden met de energieneutraliteitsambitie. Zo is het in bijvoorbeeld de bestemming 'Bedrijf' toegestaan om op daken van gebouwen zonnepanelen en -collectoren te plaatsen. Dit kan vergunningsvrij als rekening wordt gehouden met de bijbehorende randvoorwaarden. En het realiseren van zonnepanelen op de grond is alleen toegestaan als er een omgevingsvergunning is aangevraagd. De gedachtegang is dat eerst het dak wordt gebruikt om zonnepanelen te realiseren en dat daarna eventueel nog zonnepanelen op de grond worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan is geregeld dat de opgewekte duurzame energie zowel voor eigen gebruik als voor derden opgewekt mag worden.
3.4.4 Groenstructuurplan Doetinchem 2017 Het Groenstructuurplan Doetinchem 2017 vormt de basis van de groene bestemmingen in dit plan. Het groenstructuurplan is recent geactualiseerd en op 27 juni 2017 vastgesteld door het college. Het plan is het beleidsdocument waarin beleid en ambities ten aanzien van de groen- en bomenstructuren zijn vastgelegd. Het gaat daarbij zowel om de functionele als de visueel-ruimtelijke aspecten van het groen. Het groenstructuurplan is leidend bij ruimtelijke vraagstukken waar zij onderdeel van uitmaakt. De beleidsuitgangspunten voor het plan komen voort uit de Structuurvisie Doetinchem 2035. De belangrijkste doelen van het plan zijn: • vastleggen van bestaande, te behouden, te versterken en nieuw te ontwikkelen (hoofd)groen- en bomenstructuren; • verwoorden groene ambities en uitwerken naar concrete projecten en acties; • handvatten bieden voor afwegingen bij ruimtelijke claims, afstoten en verkoop van het openbaar groen; • functioneren als toetsingsinstrument voor de Bomenverordening; • mede richting geven aan aanleg, beheer en onderhoud.
44
Groenstructuurkaart, Kaart Gaanderen waarop ook het landelijk gebied ten oosten van Doetinchem te zien is. Onderzoek en conclusie De groenstructuur is niet van toepassing in het plangebied zelf. Langs de Steverinkstraat, die ten noorden van het plangebied loopt, zijn de bomen onderdeel van de hoofdstructuur bomen. Zie de navolgende afbeelding met uitsnede van de grondstructuurkaart bij het plangebied. Dit is verder niet van invloed op het plan.
Uitsnede groenstructuurkaart rondom Hertelerweg 3.
45
4 Haalbaarheid 4.1 Algemeen Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect.
4.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Er zijn minder activiteiten direct m.e.r.-plichtig, maar er is wel vaker m.e.r.-beoordeling nodig. Belangrijke wijziging is dat de drempelwaarden in de zogenoemde D-lijst niet meer absoluut zijn, maar indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag zich nu bij bijna alle plannen/projecten/activiteiten moet afvragen of er geen aanzienlijke milieugevolgen optreden en er dus een m.e.r.procedure moet worden doorlopen. Zolang de activiteit niet boven de indicatieve drempel komt, is deze motivering wel vormvrij, maar hoe dichter de drempel wordt genaderd hoe zwaarder de motiveringsplicht wordt. Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Onderzoek en conclusie In het voorliggende bestemmingsplan worden de planologische gebruiks- en bouwmogelijkheden gereduceerd.
Er worden dus geen nieuwe (grootschalige) ontwikkelen mogelijk gemaakt. Hierdoor is het niet nodig om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Overigens worden in dit hoofdstuk alle relevante (milieu)aspecten beschreven, die ook in een vormvrije m.e.r.beoordeling aan de orde zouden zijn gekomen. De uitkomst hiervan geven ook geen aanleiding om te besluiten tot een m.e.r.-(beoordelings)procedure.
4.3 Bodem Bij een bestemmingsplan moet worden bepaald dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. Het voorliggende bestemmingsplan is grotendeels het vastleggen van al gerealiseerde verharding van het buitenterrein zonder verdere bouwmogelijkheden voor het bedrijf. Wel wordt ruimte geboden om op die al aangelegde verharding sleufsilo's te realiseren. In 2019 is in opdracht van de eigenaar een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de gerealiseerde wasplaats. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Op basis van dit onderzoek kan ervan worden uitgegaan dat de bodem in het plangebied op de onderzochte locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzoek en conclusie Op het achterterrein zal ruimte geboden worden voor het aanleggen van enkele sleufsilo's voor het opslaan van materiaal. Het gaat om het opslaan van grond, teelaarde, ophoogzand, ongebroken puin en menggranulaat. Afhankelijk van de werkzaamheden en komende opdrachten kunnen de aanwezige stoffen verschillen. Totaal zal circa 150 m3 tegelijk opgeslagen kunnen worden. Deze opslag wordt op al bestaande verharding gerealiseerd. Als gevolg van het bestemmingsplan zal dus verder geen bouwactiviteit plaats vinden waarbij in de grond gewerkt wordt. Het uitvoeren van een bodemonderzoek ten behoeve van dit bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk.
Binnen het plangebied kunnen er (lokaal) bodemverontreinigingen voorkomen die niet bekend zijn op basis van bodemonderzoeken. Doordat er geen nieuwe gevoelige functies zoals woningen worden toegestaan vormen de mogelijke aanwezige verontreinigingen geen risico's voor de beoogde bestemmingen en functies. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
46
4.4 Akoestiek Wegverkeerslawaai, industrielawaai en railverkeerslawaai kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. Onderzoek en conclusie Dit bestemmingsplan legt de bestaande ruimtelijke situatie vast. Daarbij is geen sprake van (nieuwe) woningen of geluidsgevoelige functies. Een akoestisch onderzoek voor wegverkeers-, industrie- of railverkeerslawaai is dus niet aan de orde. Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.5 Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer ('Wet luchtkwaliteit') zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen om onder andere de verkeersgerelateerde emissies (onder andere fijnstof en stikstofdioxide) te reguleren. Bij ieder (ruimtelijk) project moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als de luchtkwaliteit als gevolg van het project met ten hoogste 3% verslechtert. Onderzoek en conclusie Omdat het voorliggende bestemmingsplan de bestaande ruimtelijke situatie vastlegt, kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit niet verslechtert. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. .
47
Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: a. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. b. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. c. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. d. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. e. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. f. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen.
Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. g. Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Voor punten 1 t/m 5 heeft de gemeente een apart bestemmingsplan 'Parapluherziening Externe veiligheid - 2020' vastgesteld op 25 maart 2021. Deze parapluherziening was - voor zover mogelijk - al verwerkt in de beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020 - reparatie 2022' en nu ook weer in het voorliggende bestemmingsplan. Het gaat daarbij om het uitsluiten van het zonder procedure vestigen van nieuwe risicobronnen. Dit kan wel met een afwijking als voldaan wordt aan de voorwaarden. Onderzoek en conclusie In het plangebied ligt geen risicovol bedrijf. En ook geen kwetsbare objecten. Dus is er geen sprake van belemmeringen voor het aspect externe veiligheid.
Uitsnede Risicokaart.nl (bron: www.risicokaart.nl, 22-09-2021)
4.7 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand
48
moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Onderzoek en conclusie In het plangebied is één bedrijf gevestigd.
Met dit bestemmingsplan worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden vastgelegd op de bestaande activiteiten, waarbij de opslag op het buitenterrein nog voorzien kan worden van sleufsilo's. Door middel van het opnemen van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch loon- en grondverzetbedrijf' binnen de bestemming 'Bedrijf' is alleen een loon- en grondverzetbedrijf toegestaan (categorie 3.1, bedrijfsoppervlak > 500 m2) of een bedrijf met een milieucategorie 1 of 2. De richtafstand tot milieugevoelige functies behorend bij dit type bedrijvigheid is voor geluid 50 meter, voor geur 30 meter en voor stof en gevaar 10 meter. De dichtstbijzijnd gelegen milieugevoelige functie is een woning op ca. 25 meter afstand van de bedrijfsbestemming. Aan de richtafstanden voor stof en gevaar wordt voldaan. Aan de richtafstand voor geur wordt net niet voldaan, maar gezien de materialen die buiten opgeslagen worden, is geurhinder niet te verwachten. Verder wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor geluid. Maar gezien de omvang van het bedrijf is grote geluidhinder niet aan de orde. De standaardzonering gaat voor deze categorie uit van alle mogelijke vormen van loonen grondverzetbedrijven die een bedrijfsoppervlak hebben van meer dan 500 m2. In het onderhavige geval is sprake van een eenmanszaak.
Dit is niet te vergelijken met een groot loon- en grondverzetbedrijf, die ook in deze categorie valt. De bedrijfsruimte op de locatie is verder ook beperkt. Zowel qua bebouwing als gebruik van de buitenruimte. Er is geen uitbreiding van de bebouwing meer mogelijk, de opslag is beperkt tot een klein deel van de buitenruimte en het reinigen van voertuigen gebeurt alleen op een aangewezen locatie. Ook de bedrijfsactiviteiten zijn beperkt in omvang. Er rijden personenauto's en bestelwagens (10 voertuigbewegingen per dag) en vrachtwagens en tractoren (4 voertuigbewegingen per dag) op het terrein van de inrichting. Het laden en lossen van zand en grond gebeurt met een kraan (20 minuten per dag). Verder worden voertuigen gereinigd op de wasplaats met een hogedrukspuit (een uur per dag). En worden voertuigen getankt (5 minuten per dag). Deze bedrijfsactiviteiten vinden alleen in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur) plaats. Uitgaande van de hierboven genoemde bedrijfsactiviteiten kan gesteld worden dat voldaan kan worden aan de geluidnormen die gelden voor het bedrijf. Dit komt vooral door het feit dat het geluid van laad- en losactiviteiten en de hieraan verwante activiteiten zoals het aan- en afrijden van vrachtwagens en tractoren uitgesloten zijn van toetsing aan de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau.
Verder kan, uitgaande van de hierboven genoemde voertuigbewegingen, gesteld worden dat er geen sprake is van overschrijding van de streefwaarde voor de indirecte hinder van het verkeer van en naar de inrichting (van de zogenaamde schrikkelcirculaire (https://wetten.overheid.nl/BWBR0007921/1996-03-01)). Voor het aspect geluid is hiermee aangetoond en onderbouwd dat de bedrijfsactiviteiten passend zijn op deze locatie en dat het akoestische klimaat bij de woningen voldoende beschermd is. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor het voorliggende bestemmingsplan vormt het aspect bedrijven en milieuzonering dan ook geen belemmering.
49
4.8 Flora en fauna De bescherming van natuur is geregeld in de Wet natuurbescherming (van kracht sinds 1 januari 2017). De wet beschermd dier- en plantensoorten en natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Daarnaast stelt de wet de regels voor de bescherming van houtopstanden en jacht. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving zijn op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn.
Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten en hun leefgebied plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming gelden, kan in het kader van de Wet natuurbescherming een verzoek tot ontheffing van de verbodsbepalingen worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project. Onderzoek en conclusie Voor het plangebied is een quickscan naar de gevolgen voor de flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 2 Quickscan natuurtoets. Uit deze quickscan blijkt dat er geen nadelige gevolgen verwacht worden voor de natuur. Verder onderzoek is niet nodig. Het toevoegen van de bestemming 'Bedrijf' op een deel van het terrein is niet van invloed op de flora en fauna. Wel dient bij werkzaamheden en activiteiten altijd rekening gehouden te worden met broedvogels. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar de wet kent geen datumgrenzen, en alle broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. In het kader van de Wet natuurbescherming is ook het effect van stikstofdepositie onderzocht, zie .
Dit is gebeurd met de meest recente versie van de AERIUS-calculator. Er is geen toename van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol ha/jr. berekend. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen door stikstofdepositie zijn derhalve op voorhand uitgesloten.
4.9 Water Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn. Vanuit de primaire taakgebieden zijn dit in de planperiode 2016-2021: • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water; • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water; • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water; • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater; • Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer. Voor het plangebied staan in het beheerplan geen specifieke doelstellingen beschreven. Het waterschap heeft een nieuw waterbeheerplan in voorbereiding, het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Deze is echter nog niet vastgesteld, dus nog niet als toetsingskader te gebruiken. Watersysteem
50
In het plangebied zijn geen watersystemen aanwezig. In het agrarische gebied is wel een poel aangelegd, onderdeel van de landschappelijke inpassing van het bedrijf. Watertoets Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt "Anders omgaan met water" vastgesteld. Het op een andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven. De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit. Deze toets is in de navolgende tabel opgenomen. Thema
Toetsvraag
Relevant
Veiligheid .
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale waterkering?
1. Nee 2. Nee
.
2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
.
Riolering en
1. Is er een toename van het afvalwater (DWA)?
1. Nee
afvalwaterketen .
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van waterschap?
2. Nee 3. Nee
Wateroverlast
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?
1. Nee
Hoofdthema's
(oppervlaktewater) 2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard . oppervlak?
2. Nee 3. Nee
.
3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen .
.
gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Grondwater -
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
overlast
ondergrond?
. .
2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of 3. Nee IJssel? 4. Nee 3. Is in het plangebied sprake van kwel? . 4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?
. .
. 1. Nee 2. Nee
Oppervlaktewater - 1. Wordt vanuit het plangebied water op oppervlaktewater
1. Nee
kwaliteit
geloosd?
2. Nee
. .
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een Strategisch
3. Nee .
.
actiegebied?
.
Grondwaterkwaliteit Ligt het plangebied in de beschermingszone van een . drinkwateronttrekking?
Nee .
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het
1. Nee
. .
gemengde of verbeterde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het
2. Nee .
.
plangebied die milieu hygiënische of verdrinkingsrisico's met
.
.
zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
.
Verdroging
Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee
.
natte natuur?
.
Natte natuur .
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones
1. Nee 2. Nee
.
voor natte natuur?
.
51
Inrichting en beheer 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in . eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
1. Nee 2. Nee
.
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
.
Recreatie
Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in
Nee
.
beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik .
.
mogelijk wordt?
.
Cultuurhistorie
Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied
Nee
.
aanwezig?
.
Aandachtsthema's
Conclusie Er zijn geen aspecten in de watertoets relevant voor het plangebied of de directe omgeving waar rekening mee gehouden moet worden.
4.10 Archeologie en cultuurhistorie Het gemeentelijke beleid van archeologie en cultuurhistorie sluit aan bij het provinciale beleid van deze aspecten. In de volgende twee paragrafen wordt nader ingegaan op archeologie en cultuurhistorie.
4.10.1 Archeologisch erfgoed Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden moeten als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Met het in werking treden van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in september 2007 is het verdrag wettelijk verankerd en is de Monumentenwet 1988 herzien. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, die de Wamz en de Monumentenwet 1988 heeft vervangen. Een belangrijk archeologisch doel van de Erfgoedwet is om het archeologisch erfgoed ter plekke te behouden. Daarom is het verplicht om vroegtijdig in het proces van de ruimtelijke ordening rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en hierin een afweging te maken. Vroegtijdig onderzoek maakt namelijk ruimte om te overwegen om archeologievriendelijke alternatieven toe te passen. Als het archeologisch bodemarchief niet kan worden ontzien, kan voorafgaande aan de bodemverstoring een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Of een onderzoek nodig is en welk onderzoek dit moet zijn, wordt bepaald op basis van de aanwezige archeologische waarden en de aard en omvang van de bodemingreep.
De kennis die hierbij wordt vergaard, levert informatie op die ook als inspiratiebron kan dienen voor het ontwerp van een gebouw of bij het inrichten van de openbare ruimte. Zo kan het 'verhaal van de plek' ook door toekomstige generaties nog worden gelezen. Een betere bescherming van de archeologie en het tijdig meewegen van de archeologische belangen vraagt om goed inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het archeologisch bodemarchief. Daarom heeft de gemeente Doetinchem een archeologische beleidskaart laten opstellen door adviesbureau RAAP, waarop de archeologische vindplaatsen en verwachtingszones zijn aangegeven. Afhankelijk van de (verwachtings)waarde in een gebied zal het beschermingsregime meer of minder streng zijn. De archeologische beleidskaarten zijn op 30 maart 2020 door de gemeenteraad van Doetinchem vastgesteld. De archeologische beleidskaarten worden periodiek geactualiseerd aan de hand van uitgevoerd archeologisch onderzoek. De uitgangspunten voor het archeologiebeleid sluiten al aan op het nieuwe beleid, die regionaal is opgesteld. Dit beleid staat in de nota 'Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek' (vastgesteld in 2013). Dit beleid geeft een verlichting van de grenzen voor archeologisch onderzoek. De gebieden zoals deze in de
52
archeologische beleidskaarten onderscheiden zijn, veranderen hier niet door. Wel zijn er nu in de basis 5 verschillende niveaus van bescherming. Deze komen terug in de navolgende tabel. De volgende archeologische gebieden komen in het plangebied voor:
Te allen tijde moet rekening worden gehouden met de wettelijke meldingsplicht bij toevalsvondsten (Erfgoedwet, art. 5.10): Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Archeologische verwachtingen binnen en buiten het plangebied
4.10.2 Cultuurhistorisch erfgoed De cultuurhistorie is in Doetinchem vastgelegd in de nota cultuurhistorie 'Continuïteit in Karakter' (vastgesteld 21 september 2017) en de Erfgoedverordening gemeente Doetinchem 2013 (vastgesteld 30 mei 2013). In het plangebied zijn geen panden aanwezig die op dit moment een cultuurhistorisch waardevolle status hebben.
4.11 Verkeer en parkeren Wegcategoriseringprogramma In het wegcategoriseringsprogramma zijn de verschillende wegen (binnen en buiten de bebouwde kom) in
53
Doetinchem ingedeeld in een drietal categorieën. • Stroomwegen (autosnelweg A18); • Gebied ontsluitingswegen (binnen de bebouwde kom 50 en 70 km/h, buiten de bebouwde kom 80 km/h); • Erftoegangswegen (binnen de bebouwde kom 30 km/h, buiten de bebouwde kom 60 km/h). Uitgangspunten bij de inrichting van de wegen binnen de gemeente Doetinchem zijn bepaald in het Categoriseringsplan gemeente Doetinchem van 2 juni 2009 ( Bijlage 4 Categoriseringsplan gemeente Doetinchem): • de inrichting van de weg (het wegbeeld) moet het gewenste rijgedrag en de rijsnelheid 'afdwingen'; • herkenbare inrichting van de verschillende verkeersruimtes door materiaal/kleur; • de (kwaliteit van de) leefomgeving staat centraal; • de weg moet na realisatie goed te beheren zijn (beheerbewust ontwerpen); • snelheidsremmende maatregelen worden getroffen in erftoegangsstraten en op gebiedsontsluitingswegen waar kwetsbare verkeersdeelnemers de weg moeten kruisen. De Hertelerweg is in deze categorie-indeling een erftoegangsweg. Deze is gelegen in het tot 60 km/h-gebied. Het is een smale, lokale weg zonder doorgaand verkeer. Parkeren De normering uit de Nota Parkeernormen Auto- en Fiets Gemeente Doetinchem, zal aangehouden worden. Hierbij is gekozen voor een dynamische verwijzing naar dit beleidsdocument (in lijn met jurisprudentie van de ABRS, ECLI:NL:RVS:2015:2837).
Het moet met een voorwaardelijke verplichting in de regels vastgelegd worden. Het beleid van de gemeente is erop gericht dat parkeeroplossingen bij woningen meer worden gezocht op eigen terrein of in clusters. Voorwaarde is wel dat de kwaliteit van de openbare ruimte gewaarborgd blijft. Onderzoek en conclusie In het bestemmingsplan worden er geen nieuwe functies en/of woningen mogelijk gemaakt. Hiermee vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering.
54
5 Wijze van bestemmen 5.1 Inleiding Met dit bestemmingsplan worden het huidige gebruik vastgelegd. Echter worden er ook kleine ontwikkelingen toegestaan, waardoor het bedrijf ook toekomstbestendig kan worden gemaakt. Denk hierbij aan de mogelijkheden voor een ander bedrijf in milieucategorie 1 of 2. Het plan moet flexibiliteit bieden om op deze ontwikkelingen in te kunnen spelen. Voor een deel is dat direct mogelijk, voor een deel met de in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Daarmee kunnen (relatief kleinschalige) ontwikkelingen planologisch worden geregeld. In de volgende paragraven worden de regels toeglicht. De regels bestaan uit de volgende onderdelen: • hoofdstuk 1: Inleidende regels; • hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; • hoofdstuk 3: Algemene regels; • hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
5.1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de in de planregels gebruikte begripsomschrijvingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). Hiermee is planspecifiek vastgelegd wat bedoeld wordt en hoe gemeten moet worden. Als een begrip niet omschreven is, dan geldt de algemeen gangbare uitleg van het begrip.
5.2 Bestemmingsregels In de bestemmingsregels zijn de regels voor de verschillende bestemmingen omschreven. Elke bestemmingsregel is, in overeenstemming met de RO-Standaarden 2012 waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (2012), in beginsel opgebouwd uit: • een bestemmingsomschrijving: een omschrijving van de doeleinden waarvoor de gronden zijn bestemd en de toegelaten bijbehorende bebouwing; • de bouwregels: deze bevatten de voorgeschreven maatvoering van de bouwwerken; • nadere eisen;afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels;afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden; • wijzigingsbevoegdheid.
5.2.1 Agrarisch met waarden De bestemming 'Agrarisch met waarden' is toegekend aan de gronden die bij de bedrijfsbebouwing Hertelerweg 3 liggen en in eigendom zijn van dezelfde eigenaar. Op deze gronden is eenvoudig agrarisch gebruik toegestaan zonder bebouwingsmogelijkheden voor gebouwen. Er is dus geen agrarisch bouwvlak aanwezig binnen dit bestemmingsvlak. Met de regels is dus het huidige gebruik van deze gronden vastgelegd. Regels die elders in het landelijk gebied van de gemeente ook gelden voor agrarische gronden, zijn ook in dit bestemmingsplan opgenomen. Bijvoorbeeld een afwijking voor terreinafscheiding en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Deze regels staan zowel in de beheersverordening 'Landelijk gebied - 2020 - reparatie 2022' als in de beleidsregel 'Planologisch kader voor het landelijk gebied - 2021'. Beiden vastgesteld door de raad op 8 juli 2021. De landschappelijke inpassing die het bedrijf al heeft gerealiseerd, ligt op deze gronden. Dit past ook in de agrarische bestemming.
55
5.2.2 Bedrijf De bestemming 'Bedrijf' is toegekend aan het bestaande bedrijf die aan de Hertelerweg 3 gevestigd is. Standaard zijn bedrijven toegestaan in de categorieën 1 en 2 van de als bijlage bijgevoegde 'Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijven'. Ook is een agrarisch loon- en grondverzetbedrijf specifiek toegestaan. Andere bedrijfsactiviteiten zijn alleen toegestaan met een afwijking o.a. zolang de geldende maximale bedrijfscategorie niet wordt overschreden. Een korte uitleg over de 'Staat van van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijven' is te vinden in Bijlage 5 Toelichting bij de Staat van bedrijfsactiviteiten. Bedrijven vallend onder categorie 1 en 2 zijn bedrijven die weinig tot geen overlast op de omgeving hebben. Daarom is het geen probleem als een dergelijk bedrijf zich hier vestigt. In de Staat van bedrijfsactiviteiten zijn cateringbedrijven toegestaan. Deze valt onder eerder genoemde categorie 2. Dit zijn geen horecabedrijven, aangezien cateringbedrijven alleen eten bereiden en op een andere locatie het voedsel serveren. Er is dus geen sprake van consumptie ter plaatse of afhalen. In het algemeen geldt dat de bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak gerealiseerd moet worden. Met deze bepaling wordt zoveel mogelijk voorkomen dat een rommelig en onoverzichtelijk aanzicht ontstaat op het terrein.
Daarbuiten zijn bepaalde bouwwerken wel toegelaten zoals verzamelvakken voor opslag van materiaal op de daarvoor aangeduide locatie (aanduiding 'silo'). Binnen het bouwvlak is een maximum oppervlakte opgenomen van 240 m2. Er mag niet meer gebouwd worden. De goot- en bouwhoogte is vastgelegd op de bestaande goot- en bouwhoogte. Buiten het bouwvlak en de specifiek aangeduide locaties mogen geen gebouwen gerealiseerd worden op het terrein. Daarvoor is de 'specifieke bouwaanduiding - gebouwen uitgesloten' opgenomen. Hiermee zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals bijvoorbeeld erfverharding en erfafscheiding, wel toegestaan. De aanwezige wasplaats (aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - wasplaats') voor materieel is bij het specifieke gebruiksverbod ondergebracht, zodat vastligt dat het wassen van materieel alleen maar op de wasplaats plaats mag vinden. Binnen de bestemming zijn kantoren toegestaan ten dienste van de aanwezige bedrijven tot maximaal 50% van het bruto-vloeroppervlakte. Detailhandel mag plaatsvinden van ter plaatste geproduceerde goederen tot maximaal 10% van de bruto-vloeroppervlakte van de bedrijven. Ten aanzien van het maximumpercentage kantooroppervlak behoort ook te worden gerekend de bijbehorende ondersteunende computer serviceruimten, werkkasten en opslag ten behoeve van kantoor. Deze vallen dus niet onder de bedrijfsdoeleinden.
De percentages zijn niet cumulatief. Ondergeschikte horeca is alleen in de vorm van een bedrijfsrestaurant/kantine toegestaan. Bij medegebruik ten behoeve van kantoor, detailhandel en/of horeca moet minimaal 50% van de bruto-vloeroppervlakte in gebruik blijven voor de hoofdactiviteit van het bedrijf in kwestie. Er is een specifieke gebruiksregel voor parkeren opgenomen. Op grond van artikel 3.1.2. tweede lid Bro mogen parkeernormen worden neergelegd in een beleidsregel. In Doetinchem ligt het parkeerbeleid vast in de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017 - 2020' en 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem', zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017. In het bestemmingsplan wordt tot uitdrukking gebracht, dat bij de toets op het onderdeel parkeren, deze beleidsregel betrokken moet worden bij bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State blijkt, dat een zogenoemde dynamische verwijzing in het bestemmingsplan acceptabel is. Daarom is aan de parkeerbepaling in het bestemmingsplan de zinsnede 'met dien verstande dat wanneer deze parkeerregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging'. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht, dat in principe te allen tijde wordt getoetst aan de meest actuele versie van het beleid.
Tussentijdse wijzigingen van het beleid zijn dus gedurende de planperiode van het bestemmingsplan mogelijk. Het is mogelijk om de vorm van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' met een wijzigingsplan van vorm te veranderen (dus geen vergroting), als aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. De gronden die daardoor geen bestemming 'Bedrijf' houden, krijgen dan de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De grondslag van deze wijzigingsbevoegdheid is door de raad op 8 juli 2021 vastgelegd in de beleidsregel 'Planologisch kader voor het landelijk gebied - 2021', welke op 29 juli 2021 in werking is getreden.
56
5.2.3 Waarde - Archeologische verwachting 6 Archeologie De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 6' is eerder in de toelichting al uitgelegd. Zie paragraaf 1.4.10.1 Archeologisch erfgoed. Uitgaan van waarde die past bij onderliggende verwachtingszone Met de waarde die past bij de onderliggende verwachtingszone wordt bedoeld, dat de verwachtingszone bepaald wanneer er een archeologische onderzoekverplichting geldt. Dat is voor het hele plangebied, gelegen in een lage verwachtingszone, bij 30 cm beneden maaiveld, en een plangebied groter dan 5000 m2. In de regels is ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Of om de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Of om de dubbelbestemming te verzwaren naar 'Waarde - Archeologie'. Deze wijzigingsbevoegdheden zijn gebaseerd op de mogelijkheden die in de beleidsregel 'Planologisch kader voor het landelijk gebied - 2021' zitten. Deze is door de raad op 8 juli 2021 vastgesteld en op 29 juli 2021 in werking getreden.
5.2.4 Referentiekader nadere eisen- en afwijkingsbevoegdheden Een aantal planregels geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om nadere eisen te stellen of een afwijking te verlenen als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, onder d, respectievelijk onder c, van de Wet ruimtelijke ordening. De nadere eisen kunnen betrekking hebben op de plaats en afmetingen van de bebouwing. Deze kunnen toegepast worden als het concrete bouwplan voor de genoemde onderdelen, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een ongewenst gevolg voor de omgeving heeft. Binnen de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden komen veelal de volgende voorwaarden voor: a. daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende de gebruiksmogelijkheden van die percelen; b. de ruimtelijke uitwerking aanvaardbaar is; c. de uitvoerbaarheid gewaarborgd is. Deze voorwaarden zijn als volgt uit te leggen: a. daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen betreffende de gebruiksmogelijkheden van die percelen: als een afwijking of wijziging op een aangrenzend perceel van zodanige invloed is dat deze grond, minder goed te gebruiken is dan het was, dan is het niet gewenst om aan de afwijking of wijziging mee te werken; b.
de ruimtelijke uitwerking aanvaardbaar is: ten aanzien van de binnen een regeling toegelaten gebruiksvormen moet rekening worden gehouden met de milieu- en andere aspecten, zoals hinder voor omwonenden en verkeersaantrekkende werking. Als hierdoor de omgeving nadelig belast wordt, dan is medewerking niet gewenst; c. de uitvoerbaarheid gewaarborgd is: de (met name) financiële uitvoerbaarheid van een plan moet hierbij onderbouwd worden. Aan een (financieel) niet haalbaar plan kan niet meegewerkt worden.
5.3 Algemene regels 5.3.1 Anti-dubbeltelregel Deze standaardbepaling heeft als doel te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie is mogelijk gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of
57
gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw ten tweede male zou kunnen worden gebruik gemaakt.
5.3.2 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is onder andere omschreven wanneer er geen verbod geldt voor het overschrijden van de bouw- en/of bestemmingsgrenzen voor bepaalde bouwdelen. Ook is omschreven wanneer het bevoegd gezag kan afwijken van bouw- en/of bestemmingsgrenzen. De 'bestaande matenregeling' is bedoeld voor legale bouwwerken die afwijken van de vastgestelde situering, gooten/of bouwhoogte, afstand, oppervlakte en/of inhoud van de bouwregels in dit bestemmingsplan. De bestaande afwijking is daarmee toegestaan. In het artikel 'Ondergronds bouwen' is aangegeven dat de opgenomen bouwregels zijn bedoeld voor bouwwerken boven de grond.
5.3.3 Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregel luidt dat het verboden is om gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming. Hierbij zijn een aantal gebruiksvormen specifiek benoemd. Gebruik ten behoeve van de realisering en/of handhaving van de bestemming of het normale onderhoud van de gronden en/of bouwwerken wordt toegelaten. In de algemene gebruiksregels is ook benadrukt welk gebruik sowieso is toegestaan. Namelijk het opwekken van duurzame energie met behulp van zonnepanelen of andere - op grond van de bestemmingsregels geoorloofde voorzieningen op het dak. De aanwezige landschappelijke inpassing is in dit artikel vastgelegd. Het niet in stand houden van deze inpassing is hier vastgelegd als een verboden gebruik.
5.3.4 Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels kunnen zo nodig de regels met betrekking tot één of meer gebiedsaanduidingen een plaats krijgen. De volgende algemene aanduidingsregels komen in dit bestemmingsplan voor: Overige zone - nieuwe risicobronnen uitgesloten In deze zone is het verboden om nieuwe risicobronnen te vestigen. Met een afwijkingsbevoegdheid is vestiging onder voorwaarden wel mogelijk. Zie paragraaf 4.6 voor meer informatie. Overige zone - reliëf Het plangebied is gelegen in een groter gebied waar hoogteverschillen in het landschap kenmerkend zijn. Dit is met deze aanduiding beschermt. Bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden zijn in dit artikel voorzien van een omgevingsvergunning, zodat het reliëf beschermt is.
5.3.5 Algemene afwijkings- en wijzigingsregels De algemene afwijkingsregel voorziet in de mogelijkheid om op ondergeschikte onderdelen af te wijken van de regels van het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld voor kleine bouwwerken voor nutsvoorzieningen. De in het plan opgenomen algemene wijzigingsbevoegdheden laat meer ingrijpende afwijkingen toe en wordt daarom gekoppeld aan een zwaardere procedure dan die voor het verlenen van een afwijking van de bouw- en gebruiksregels. Voor het opwekken van kleinschalige duurzame energie is hier ook een afwijking opgenomen. Hierbij moet gedacht worden aan zonnepanelen op eigen grond. Daarnaast is ook bepaalt dat deze grond in gebruik moet zijn als erf. De oppervlakte maat van 100 vierkante meter is extra t.o.v. de standaard oppervlakte van 20 vierkante meter (bouwwerken, geen gebouwen zijnde). .
58
5.3.6 Overige regels Onder overige regels zijn die regels geplaatst die niet onder een andere regel zijn te vatten.
5.4 Overgangs- en slotregels In de loop van de tijd kan het gebruik van gronden of bouwwerken gaan afwijken van datgene wat mogelijk is op basis van het bestemmingsplan. In de overgangsregels wordt geregeld hoe met deze afwijking acceptabel zijn. De naam van het plan wordt in de slotregel aangehaald.