2 Bestuurlijke nota onderzoek Toezicht en Handhaving in domein Openbare Orde en Veiligheid.pdf
Tekst van het document
BESTUURLIJKE NOTA De rekenkamercommissie van de gemeente Doetinchem heeft het afgelopen jaar door het onderzoeksbureau Necker van Naem een onderzoek laten verrichten naar de Toezicht en Handhaving in het domein van Openbare Orde en Veiligheid (OOV). Eenzelfde onderzoek is ook in zeventien andere gemeenten in Nederland uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in een op Doetinchem toegesneden rapport, dat als bijlage bij deze bestuurlijke nota is toegevoegd. Daarnaast is door het onderzoeksbureau een overkoepelende benchmark opgesteld voor de achttien deelnemende rekenkamers. Voor Doetinchem is verder aanvullend in opdracht van de rekenkamercommissie een infographic ontworpen waarin de belangrijkste conclusies en aanbevelingen inzichtelijk worden gemaakt. De infographic en de benchmark worden tegelijk met dit rapport aan de gemeenteraad aangeboden. Onder de zeventien andere gemeenten die onderzocht zijn, zijn de Gelderse gemeenten Apeldoorn en Bronckhorst. De aanleiding van het onderzoek De aanleiding van het onderzoek is divers. Ten eerste was er de vechtpartij in het uitgaansgebied van Doetinchem in oktober 2019. Dat was voor de rekenkamer aanleiding om te constateren dat het domein Openbare Orde en Veiligheid nog nooit was onderzocht. Bij de onderlinge brainstorming over dit onderwerp werden vragen en doelstellingen geformuleerd.
Tijdens dit proces kwam er een offerteaanbod van bureau Necker van Naem waar op een vergelijkbare manier over het onderzoek werd nagedacht. Niet zozeer een onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid, maar meer om de manier waarop het beleid wordt georganiseerd in kaart te brengen. Voor de rekenkamer was dat aanleiding om met Necker van Naem in gesprek te gaan en uiteindelijk mee te doen aan het onderzoek. Doelstelling en vraagstelling in het onderzoek Voor het onderzoek is de volgende doelstelling geformuleerd: Het onderzoek biedt de raad inzicht in de uitvoeringspraktijk van toezicht en handhaving op OOV, met specifieke aandacht voor de rol van de raad ten aanzien van de ontwikkelingen in dit domein. In dit onderzoek beoordelen we het OOV-beleid en instrumentarium. Hierbij laten wij toezicht en handhaving op grond van de Drank- en Horecawet buiten beschouwing. In het onderzoek hebben we de volgende centrale vraag gehanteerd: Welk toezichts- en handhavingsbeleid op het gebied van OOV heeft de gemeente vastgesteld en wordt dit beleid doelmatig en doeltreffend uitgevoerd? De volgende deelvragen zijn onderzocht: Beleid en uitvoeringsprogramma’s 1. Welk beleid is door de gemeente vastgesteld ten aanzien van toezicht en handhaving op OOV en welke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden in dit beleid? 2. In hoeverre is dit beleid inzichtelijk en adequaat geformuleerd? a.
In hoeverre zijn er meetbare doelen geformuleerd voor toezicht en handhaving op OOV? b. In hoeverre is er een passende sanctiestrategie geformuleerd? 3. Op welke wijze is het OOV-beleid uitgewerkt in uitvoeringsprogramma’s? a. Welke keuzes (prioritering) heeft de gemeente daarbij gemaakt? b. In hoeverre ligt er een gedegen probleemanalyse ten grondslag aan de prioriteiten voor toezicht en handhaving op OOV? c. In hoeverre zijn het OOV-beleid en het uitvoeringsprogramma door de gemeente afgestemd met samenwerkingspartners (andere handhavingsorganisaties)?
Organisatie en uitvoeringspraktijk 4. In welke mate voert de gemeente het toezicht- en handhavingsbeleid voor OOV uit? a. Welke capaciteit heeft de gemeente beschikbaar en hoe wordt de capaciteit in de praktijk ingezet? b. Hoe en hoe vaak treedt de gemeente op tegen welke overtreding en met welk resultaat? c. Wordt er volgens de in het beleid vastgestelde prioritering gewerkt? 5. Hoe verloopt de samenwerking met de handhavingspartners? 6. In hoeverre worden resultaten uit de uitvoering geëvalueerd en gebruikt als input voor het (bij)sturen van OOV-beleid, waaronder het aanpassen van de prioriteiten? 7. Benut de gemeente haar instrumentarium ten behoeve van OOV? 8. Welke knelpunten worden door de gemeente ervaren in de uitvoering van toezicht en handhaving op OOV? Sturing door de raad 9. Hoe wordt de raad geïnformeerd over de met toezicht en handhaving op OOV bereikte resultaten? 10. Hoe vervult de raad zijn kaderstellende en controlerende rol met betrekking tot toezicht en handhaving op OOV? 11. Welke aanbevelingen kunnen aan de raad worden gedaan ten aanzien van sturing en controle? Op basis van de Nota van bevindingen is de rekenkamer van de gemeente Doetinchem tot de volgende conclusies en aanbevelingen gekomen: Conclusies beleid en uitvoeringsprogramma’s 1.
Beleidskader is compleet, maar OOV en toezicht en handhaving lijken op papier onvoldoende op elkaar afgestemd De gemeente Doetinchem kent een compleet beleidskader op het gebied van toezicht en handhaving op Openbare Orde en Veiligheid (OOV). Net als veel andere gemeenten kent Doetinchem zowel een integraal veiligheidsbeleid als een breed toezicht- en handhavingsbeleid. Op 28 januari jongstleden is de kadernota Integrale Veiligheid 2020-2023 door de raad als hamerstuk vastgesteld. Het integraal veiligheidsbeleid wordt in Doetinchem niet zoals in sommige andere gemeenten verder uitgewerkt in jaarlijkse veiligheidsprogramma’s. Doetinchem kent een volledige beleidscyclus op het gebied van toezicht en handhaving op het gebied van de fysieke leefomgeving en OOV, leefbaarheid en volksgezondheid, met jaarlijkse uitvoeringsplannen. Hoewel het bestaand beleid compleet is, zijn de domeinen Veiligheid en Toezicht en Handhaving op papier grotendeels van elkaar gescheiden. Deze scheiding is ook terug te zien in de manier waarop beide domeinen zijn georganiseerd. Toezicht en handhaving is binnen de gemeente Doetinchem ondergebracht bij het team Vergunningverlening, Toezicht en Belastingen (VTB). Het onderwerp OOV is niet ondergebracht bij een formeel team, maar is onder verschillende teams en medewerkers verdeeld.
Doetinchem staat hierin niet alleen; in de meeste aan dit onderzoek deelnemende gemeenten zien we dat OOV en Toezicht en Handhaving apart van elkaar zijn georganiseerd. Dit staat het belang van een eenduidig beleidskader voor Toezicht en Handhaving op OOV in de weg. De maatregelen en inspanningen zoals in het veiligheidsbeleid zijn geformuleerd komen echter niet één op één overeen met de (indeling van) maatregelen en inspanningen in het toezicht- en handhavingsbeleid. De afstemming tussen de twee domeinen kan in ieder geval, waar het beleid betreft, dus nog beter. In de praktijk zien we in Doetinchem dat er sprake is van frequente samenwerking en korte lijntjes, die maakt dat de scheiding tussen de domeinen veiligheid en handhaving in de praktijk minder groot is dan ze op papier lijkt. Desondanks kan een kwetsbaarheid in de organisatie worden geconstateerd, met name als het gaat om het onderbrengen van OOV. Hier komen we in conclusie 4 op terug.
2. Doelstellingen en maatregelen zijn onvoldoende concreet, tijdsgebonden en meetbaar Het integraal veiligheidsbeleid en het beleidsplan voor toezicht en handhaving bevatten verschillende maatregelen waarmee de prioriteiten en doelstellingen van beleid moeten worden gerealiseerd. Voor het grootste deel van deze maatregelen geldt dat deze niet meetbaar, concreet en tijdsgebonden zijn geformuleerd. Ook de uitwerking van de verschillende prioriteiten voor toezicht en handhaving in de uitvoeringsplannen is veelal niet-concreet en meetbaar geformuleerd. Conclusies organisatie en uitvoeringspraktijk 3. Toezicht en handhaving is voor een deel uitbesteed aan BUHA De gemeente Doetinchem heeft een groot deel van de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving uitbesteed aan gelieerde organisaties. Taken op het gebied van het beheer van de openbare ruimte zijn uitbesteed aan BUHA BV. De toezichthouders en handhavers van de gemeente werken regelmatig samen met BUHA. Bij horecacontroles treden ze bijvoorbeeld als één team op, al is er formeel sprake van twee aparte teams. 4. Capaciteit wordt gegeven de bestaande problematiek als te beperkt ervaren Toezicht en handhaving is binnen de gemeente Doetinchem ondergebracht bij het team Vergunningverlening, Toezicht en Belastingen (VTB).
Het onderwerp OOV is niet ondergebracht bij een formeel team, maar is onder verschillende teams en medewerkers verdeeld. De facto houden twee medewerkers zich actief bezig met het onderwerp OOV op zich (en niet zozeer toezicht en handhaving hierop), waarvan een medewerker vaste adviseur van de burgemeester is op OOV-gebied. Op dit moment wordt de bestaande capaciteit voor toezicht en handhaving op OOV door betrokkenen als onvoldoende ervaren om tegemoet te komen aan de bestaande problematiek. Door het kleine aantal (juridisch) medewerkers en toezichthouders/handhavers is de capaciteit van zowel het team VTB als de medewerkers OOV kwetsbaar wanneer er meer toezicht en handhaving nodig is dan oorspronkelijk begroot. In de praktijk houdt men zich dan ook meer bezig met het behandelen en afhandelen van meldingen en cases, waardoor er minder tijd en ruimte is voor tussentijdse bijscholing en het optimaliseren van werkprocessen. Ondanks de toename van het aantal incidenten en het aantal gemeentelijke OOV-bevoegdheden, is de gemeentelijke capaciteit in de afgelopen jaren als het ware niet meegegroeid, wat niet alleen meer werklast maar ook meer werkdruk oplevert. 5. Aanpak is preventief, tenzij repressieve middelen nodig worden geacht Doetinchem streeft na om vooral in gesprek zaken aan te kaarten en op te lossen.
Bij zwaardere vergrijpen, bijvoorbeeld gerelateerd aan drugscriminaliteit en ondermijning, twijfelt de gemeente niet om repressieve middelen in te zetten. Net als veel andere gemeenten geeft de gemeente ruimte voor alternatieve vormen van conflictoplossing, waarbij het gesprek wordt aangegaan met overtreders om de overtreding stop te zetten. 6. Er is veel afstemming tussen de politie en de gemeente, maar onderlinge rolverdeling is onderhevig aan verandering De samenwerking tussen de politie en de gemeente verloopt goed. De toegenomen werklast en werkdruk maakt dat er meer urgentie is voor een goede samenwerking. Die samenwerking wordt als positief ervaren. Zowel de medewerkers OOV als de medewerkers toezicht en handhaving en BUHA hebben regelmatig contact met de politie. Informatiedeling vindt niet altijd via dezelfde lijnen en personen plaats, wat als risico heeft dat niet alle informatie op de goede plek terecht komt. Tegelijkertijd wordt aangegeven dat politie en gemeente elkaar goed weten te vinden buiten de vaste overleggen om en dat er veelal sprake is van snelle en
effectieve afstemming. De coronacrisis heeft volgens de geïnterviewden wel een boost gegeven aan de samenwerking. De toezichthouders en boa’s van de gemeente en BUHA worden begeleid door een vaste contactpersoon van de politie. Het doel van deze begeleiding is om afstemming tussen de toezichthouders/boa’s en de agenten te kunnen realiseren. De begeleider is geen coördinator in de zin dat hij de toezichthouders en boa’s aanstuurt, maar heeft dus een belangrijke rol in de onderlinge afstemming tussen de politie, de gemeente en BUHA. De gemeente is voor bepaalde informatie over de veiligheid in de gemeente afhankelijk van de politie. Goede samenwerking is dan ook van belang. Op bestuurlijk en ambtelijk niveau is er regelmatig contact tussen de politie en de gemeente. Indien nodig sluiten andere zorg- en veiligheidspartners aan. Het contact tussen boa’s en wijkagenten is in principe goed. Er is sprake van korte lijnen. De gemeente kan waar nodig een beroep doen op (regionale) politiecapaciteit. Mede onder invloed van landelijke besluitvorming staat er in de praktijk een zekere spanning op de huidige capaciteit in het basisteam van de politie. Hierdoor is in voorkomende gevallen ook minder capaciteit beschikbaar voor ondersteuning van de gemeente. De rolverdeling en verhouding tussen gemeente en politie verandert.
In de loop der jaren zijn steeds meer bevoegdheden op het gebied van OOV naar de gemeente, en specifiek de burgemeester, verschoven. Dat maakt het belang van een goede onderlinge afstemming bij onderwerpen als drugscriminaliteit en woonoverlast extra groot. De gemeente benadrukt dit belang van een integrale aanpak dan ook in de verschillende uitvoeringsprogramma’s. Door toename en verschuiving van taken en bevoegdheden op het gebied van OOV naar de gemeente in combinatie met een zich steeds verder uit de lokale gemeenschappen terugtrekkende politie is een veranderd OOV-landschap ontstaan. Verwacht mag worden dat deze verschuiving nog niet ten einde is. Dit heeft onvermijdelijk consequenties voor de capaciteit op zowel beleids- als uitvoerend niveau, wat zal moeten leiden tot een nog scherpere prioritering of tot uitbreiding van de capaciteit. Voor toezichts- en handhavingstaken, evenals voor het opsporen van (bepaalde) strafbare feiten, worden naast de politie (algemene opsporingsambtenaren) ook buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) ingezet. De boa’s vervullen een steeds belangrijkere rol: de afgelopen decennia heeft zich een verschuiving voorgedaan waarbij veiligheidszorg in de openbare ruimte niet langer het exclusieve domein is van de politie.
Gemeenten zetten in toenemende mate en met steeds meer taken gemeentelijke boa’s in voor toezicht en handhaving, zo ook in Doetinchem. Er is sprake van een overlap van taken van de boa’s en de politie. Er is een ‘grijs gebied’ waarin beide partijen (mogen/moeten) opereren. Het onderscheid tussen leefbaarheid (boa) en veiligheid (politie) is hiermee diffuser geworden. Er zijn er geen landelijke afspraken over de samenwerking tussen boa’s en de politie. Per basisteam kan het verschillen hoe de taakverdeling is, of en hoe er met boa’s gezamenlijk wordt opgetreden, of er back-up wordt verleend en informatie wordt uitgewisseld. Het is verstandig deze afspraken voor Doetinchem eenduidig, schriftelijk en persoonsonafhankelijk vast te leggen. Hier komen wij in de aanbevelingen op terug. 7. Inzet instrumentarium fluctueert Uit de door de organisatie aangeleverde cijfermatige informatie komt naar voren dat het aantal interventies op basis van de Apv in de periode 2016-2019 lijkt te fluctueren. Het aantal lasten onder dwangsom dat op basis van de Apv is uitgevaardigd lijkt stabieler. De totale aantallen zijn echter te beperkt om een of meerdere trends te kunnen aanwijzen. Conclusies sturing door de raad 8.
De raad wordt structureel geïnformeerd over toezicht en handhaving op OOV In het integraal veiligheidsbeleid wordt aangegeven dat het college de raad jaarlijks moet informeren over de ontwikkelingen op het gebied van OOV. Bij bestudering van de aangeleverde stukken blijkt dat dit ook daadwerkelijk gebeurt, waarbij het college bij aanbieding van het jaarverslag steeds met een actieve informatiebrief kort schriftelijk verantwoording aflegt. Vaak mist echter een (cijfermatige) toelichting op de behaalde
resultaten. Daarnaast wordt de raad ook tussentijds geïnformeerd over toezicht en handhaving en veiligheid, onder meer door middel van informatiebijeenkomsten. In verschillende gemeenten is het gebruikelijk dat de burgemeester het presidium van de gemeenteraad in bepaalde, zwaardere OOV-gevallen informeert. Uit de interviews komt naar voren dat dit in Doetinchem voorkomt, maar dat de burgemeester hier terughoudend mee omgaat. 9. Rol van de raad is met name casusgericht De gemeenteraad heeft vanuit de kaderstellende en controlerende rol de beschikking over verschillende instrumenten voor monitoring en bijsturing. De raad kan schriftelijke vragen indienen en wanneer gewenst voorstellen van het college amenderen of hierover moties indienen. Ook kan de raad zogeheten moties ‘vreemd aan de agenda’ indienen en hiermee zelf het onderwerp OOV agenderen. In Doetinchem wordt het raadsinstrumentarium op het gebied van toezicht en handhaving relatief summier ingezet: in de periode 2018-2020 zijn voor zover bekend zevenmaal schriftelijke vragen gesteld, en is een motie ingediend. Daarbij valt ook op dat de gemeenteraad zich hierbij veelal richt op casuïstiek en minder op de bredere kaders en grote lijnen van beleid. Een uitzondering hierop vormt de motie over het opnemen van een lachgasverbod in de Apv. Aanbevelingen Voor de raad: 1.
Vorm een politieke visie op veiligheid Om de kaderstellende taak van de gemeenteraad te verstevigen, is het van belang dat de gemeenteraad, meer dan bij het opstellen van het huidige integrale veiligheidsbeleid, bepaalt wat hij wil bereiken. De raad kan daarbij bepalen wat zijn politieke visie is op het veiligheidsbeleid. In de kern gaat het om de vraag: waar willen we als gemeente staan in 2026 op het gebied van veiligheid? De raad moet daarbij bepalen hoe hij zijn kaderstellende en controlerende rol invulling geeft. Relevante thema’s daarbij zijn: Rolinvulling van de gemeenteraad (wat is de rol van het gemeentebestuur in het verbeteren en handhaven van de veiligheid in de gemeente?) Focus aanbrengen en prioriteren? (welke prioriteiten staan centraal en welk effect wordt daarmee beoogd?) Kaders voor uitvoering (bijvoorbeeld: wat is de balans tussen preventieve en repressieve maatregelen? Succesindicatoren (wanneer kunnen we spreken van een succes?) Informatievoorziening en controle (op welke manier wil de raad worden geïnformeerd over de voortgang?) Zo kunnen de visie en strategische doelstellingen van het IVB en het Toezicht- en Handhavingsbeleid worden bepaald. Met betrekking tot prioriteiten kunnen thema’s als maatschappelijke verankering van veiligheid, burgerparticipatie, bevorderen zelfredzaamheid van burgers, veilig wonen en werken aan bod komen.
Daarnaast kunnen (meetbare) streefwaarden (beoogde effecten) op “overstijgende” indicatoren, zoals het totaalvolume criminaliteit of het veiligheidsgevoel van de bewoners worden geformuleerd. 2. Bepaal overstijgende rode draden in de aanpak De raad kan het college een bestuurlijke opdracht geven voor een inhoudelijke analyse van de ontwikkelingen van het veiligheidsbeleid in de afgelopen vier jaar. Belangrijk daarbij is om niet alleen een analyse te maken van de objectieve en subjectieve veiligheid, maar ook van de verschillende aanpakken die zijn ingezet om de beoogde doelen te realiseren. Deze inhoudelijke analyse vormt de basis voor het bepalen van de strategische doelstellingen en prioriteiten.
Van daaruit kan gekeken worden naar de hoofdlijnen van het ‘hoe’: hoe werkt de gemeente aan het bereiken van deze strategische doelstellingen? Wat zijn de overstijgende rode draden in de aanpak? Voorbeelden van rode draden zijn burgerparticipatie, verbinding tussen veiligheid en het sociaal domein, wijk- en buurtgericht werken en versteviging intelligence. De rode draden kunnen dan terugkeren bij de uitwerken van de prioriteiten en overige strategische thema’s. 3. Benader als raad Toezicht en Handhaving op OOV proactief met aandacht voor lange termijn Probeer als raad een proactieve rol richting het college aan te nemen door het onderwerp openbare orde en veiligheid vaker zelf te agenderen. Uit de gevoerde gesprekken en de bestudeerde raadsdocumenten komt naar voren dat de raad Toezicht en Handhaving op OOV incidenteel op casusniveau benadert. Die casusgerichte benadering maakt dat de raad in specifieke gevallen effectief kan bijsturen. Echter, het risico bestaat dat door de focus op de korte termijn het zicht op de lange termijn afneemt. De aanbeveling is om als raad het college actief op het onderwerp te bevragen en het onderwerp te agenderen, los van individuele gevallen. Vraag als raad daarnaast proactief om een goede informatiepositie.
Het is daarbij van belang dat de raad de blik gericht houdt op de langere termijn: waar willen wij als gemeente naartoe ontwikkelen op het gebied van veiligheid en welke concrete maatregelen passen daarbij? In een schema weergeven zien de aanbevelingen voor de raad er als volgt uit: (Schema vrij naar een model uit het rapport “Grip door de raad” van de rekenkamercommissie Schiedam)
Voor het college: 1. Draag zorg voor een duidelijke koppeling tussen de domeinen Veiligheid en Toezicht en Handhaving Zoals benoemd staan de onderwerpen OOV en Toezicht en Handhaving in Doetinchem op papier los van elkaar. Dit blijkt hieruit: de verschillende (invullingen van) doelstellingen,
prioriteiten en maatregelen op het gebied van OOV komen niet één-op-één terug in het toezicht- en handhavingsbeleid. In 2023 loopt zowel het huidige veiligheidsbeleid als het toezicht- en handhavingsbeleid van Doetinchem af en zal nieuw beleid worden opgesteld. Het is van belang om in het nieuw beleid een duidelijke koppeling te maken tussen de verschillende domeinen. Het opstellen van heldere uitvoeringsprogramma’s en monitoring over die uitvoering, zal daarbij helpen. 2. Zorg voor meetbare doelstellingen met eenduidige indicatoren voor effectieve monitoring, sturing en inzet van capaciteit Om een effectievere monitoringsstructuur te kunnen bereiken, is het noodzakelijk dat doelstellingen voor Toezicht en Handhaving SMART zijn geformuleerd. Stel bij het jaarlijkse actualiseren van uitvoeringsprogramma’s steeds heldere en meetbare doelstellingen vast met eenduidige indicatoren. Daarmee kunnen gerichter keuzes worden gemaakt, worden bereikte resultaten eenvoudiger te monitoren en kan de raad in positie worden gebracht om tijdig bij te sturen. Maak daarnaast in beleid en uitvoeringsprogramma’s een expliciete koppeling tussen de te behalen doelstellingen en de specifieke capaciteit die daarvoor nodig is. Op die manier kan de bestaande capaciteit zo gericht mogelijk worden ingezet. Stap daarnaast af van het hanteren van één enkele outcome-indicator.
Stel per prioriteit concrete, meetbare doelstellingen op outcome-niveau. Deze moeten vertaald worden naar doelstellingen voor output: welke prestaties moeten er geleverd worden om de outcomedoelstelling te behalen? Vervolgens is de vraag welke input nodig is voor het behalen van de output. Een onderbouwde relatie tussen input, output en outcome levert de beleidslogica op, die van belang is voor controle en bijsturing. 3. Geef bij nieuw beleid de raad een actieve rol bij het stellen van kaders en benoemen van prioriteiten In de huidige situatie is de raad met name reactief en gericht op specifieke casussen. Het opstellen van een nieuw beleidsstuk is een belangrijk moment waarop de kaderstellende rol van de raad aan bod komt en de raad keuzes kan maken over de inrichting van Toezicht en Handhaving op OOV. Zorg ervoor dat de raad bij het opstellen van het beleid en met name bij het benoemen van de prioriteiten en doelstellingen een rol krijgt en faciliteer dit in het proces. Dit kan bijvoorbeeld door jaarlijks een thema-avond over veiligheid te beleggen waarbij eventueel ook samenwerkingspartners een rol krijgen en aansluitend daaraan met elkaar in gesprek te gaan. 4.
Wees als goed werkgever alert op de ontwikkelingen rond de taken van de boa’s en toezichthouders Het takenpakket van de boa’s en toezichthouders is aan verandering onderhevig en zal gelet op de landelijke ontwikkelingen in omvang groeien en toenemen qua complexiteit. Verder is er landelijk sprake van een toename van agressie tegen en intimidatie van boa’s en toezichthouders. Zorg als goed werkgever voor adequate uitrusting en bewapening, training en opleidingen en maak goede schriftelijke werkafspraken met de politie over de taakverdeling, informatie-uitwisseling en de back up. 5. Versterk de organisatie van toezicht en handhaving op OOV In de organisatie kunnen verschillende kwetsbaarheden ten aanzien van toezicht en handhaving op OOV worden benoemd. Dit komt terug in de scheiding tussen OOV enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds, maar ook in het niet onderbrengen van OOV binnen een formeel team of cluster. Daarbij wordt de bestaande capaciteit door betrokkenen als onvoldoende ervaren om de problematiek die in Doetinchem speelt effectief te lijf te gaan. Evalueer met de organisatie waar precieze knelpunten liggen en bekijk vervolgens welke vervolgstappen nodig zijn, ten aanzien van organisatie en capaciteit, om de huidige aanpak te verbeteren.