1 Ruimtelijke onderbouwing Functiewijziging Kerkstraat 8 en 8a Gaanderen.pdf
Tekst van het document
Ook heeft de gewenste functiewijziging naar recreatie als doel om bezoekers te trekken naar de locatie, waar het 'verhaal' van het boerenleven wordt verteld. Ook kan men op de locatie volop genieten van het mooie kampen- en heideontginningslandschap. Het plan sluit daarom aan bij de doelstelling van de gemeente om Doetinchem aantrekkelijk te maken voor bewoners en bezoekers. 5.5.2
Gebiedsvisie Bethlehem
De locatie ligt midden in het plangebied van de Gebiedsvisie Bethlehem. Deze visie moet de bijzondere waarden in het gebied behouden en versterken en kan aanknopingspunten bieden voor nieuwe initiatieven.
42
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
De peilers van de visie zijn kort samengevat: Versterking recreatie-toerisme; Behouden en versterken van de cultuurhistorie, waaronder de watermolen; Versterken ecologische en landschappelijke waarden; Actief beheer van het landschap In 2008 is voor de locatie Kerkstraat 8-8a reeds een plan ontwikkeld voor zorg in combinatie met woningbouw. Door de crisis is dat plan niet doorgegaan. Het geeft wel aan dat de plek zich uitstekend leent voor herontwikkeling. Het initiatief van destijds wordt ook genoemd in de gebiedsvisie Bethlehem. Toetsing en conclusie Het nieuwe plan van initiatiefnemers is een combinatie van versterking van de landschappelijke, recreatieve en cultuurhistorische waarden en sluit daarmee goed aan op de gebiedsvisie Bethlehem. Ook de (concept) omgevingsvisie voor Gaanderen geeft aan dat dit gebied benut moet worden voor initiatieven zoals beschreven en het plan past daarmee binnen deze visie. Samengevat zijn de voordelen van dit plan dat er een intensieve veehouderij wordt beëindigd wat ervoor zorgt dat het woon- en leefklimaat in de directe omgeving wordt verbeterd. Daarnaast zorgt het plan voor behoud van cultuurhistorische waardevolle gebouwen en wordt het gehele erfensemble versterkt en hersteld door sloop van de oude ontsierende pluimveestallen.
Tevens is er door de herontwikkeling ruimte voor nieuwe initiatieven zoals extensief beheer van de agrarische gronden. Initiatiefnemer staat tevens positief tegenover de plannen van de Stichting watermolen en wil meedenken in dit traject. De grondengrenzen aan de Beneden Slinge. Het plan van ’t Onland sluit daarom goed aan bij de gebiedsvisie en het recreatieve aanbod. 5.5.3
Doetinchem Natuurlijk Duurzaam
Op 18 februari 2016 heeft de gemeenteraad het koersdocument Doetinchem Natuurlijk Duurzaam vastgesteld. In het koersdocument staat beschreven wat duurzaamheid voor Doetinchem betekent, welke middelen de gemeente inzet en welke doelen de gemeente heeft om de duurzaamheidsambities te behalen. Duurzaamheid is een heel breed begrip. Voor Doetinchem komt duurzaamheid terug op de beleidsvelden energie, natuur, klimaat, circulaire economie, mobiliteit en Toelichting
43
duurzame producten en diensten. De gemeente zet zichzelf in als verbinder die andere partijen ondersteunt en enthousiasmeert bij hun duurzame initiatieven. Met het koersdocument legt de gemeente de focus voornamelijk op het terrein van energie. Op dit terrein kan de gemeente grote 'winsten' behalen. Doetinchem wil, samen met de andere Achterhoekse gemeenten, in 2030 energieneutraal zijn. Dit doet de gemeente door zowel energie te besparen als schone energie op te wekken. De gemeente ziet het als taak om deze energietransitie te faciliteren en te stimuleren. Daarbij wil de gemeente het goede voorbeeld geven en de te banen wegen vrijmaken. Wat betreft de energiebesparing richten de gemeente zich voornamelijk op de bestaande woningvoorraad en het bedrijfsleven. De gemeente informeert en zorgt voor subsidieregelingen of leningen. Wat betreft energieopwekking zijn zon, biomassa en ook wind kansrijke duurzame energiebronnen. In theorie kan elk gebouw voorzien in zijn eigen duurzame energieopwekking. Daar waar dit niet mogelijk is bieden collectieve duurzame energievoorzieningen het alternatief. Onderzoek en conclusie In dit beleidsdocument is het mogelijk gemaakt om op daken van gebouwen zonnepanelen en -collectoren te plaatsen. Het plaatsen van zonnepanelen en -collectoren op monumenten is niet vergunningsvrij.
Het realiseren van zonnepanelen op de grond is alleen toegestaan als er een omgevingsvergunning is aangevraagd. De gedachtegang is dat eerst het dak wordt gebruikt om zonnepanelen te realiseren en dat daarna eventueel nog zonnepanelen tot maximaal 20 m2 op de grond gerealiseerd worden. Hiermee is de maximale oppervlakte maat op de grond voldoende. In het bestemmingsplan is geregeld dat de opgewekte duurzame energie zowel voor eigen gebruik als voor derden opgewekt mag worden. De nieuwe woning zal energieneutraal worden gebouwd. De energievoorziening zal hoofdzakelijk worden gehaald uit zonnecollectoren.
44
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
5.5.4
Duurzame energieopwekking in Doetinchem
Op 25 april 2019 heeft de gemeenteraad het beleidskader Duurzame energieopwekking in Doetinchem vastgesteld. Met dit beleidskader is helder hoe de gemeente initiatieven voor duurzame energieopwekking in behandeling wil nemen. Het biedt inwoners de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in Doetinchem. De doelstelling van het beleidskader is drieledig: 1. Het beleidskader heeft als doel ruimte te bieden voor duurzame energieopwekkingsinitiatieven. Tot de vaststelling van het beleidskader werden initiatieven voor energieopwekking welke afwijken van het bestemmingsplan, door gebrek aan beleid, niet in behandeling genomen. Het beleidskader heeft hier verandering in gebracht. Door het beleidskader is de gemeente in staat om initiatieven te 'toetsen' op hun inpasbaarheid binnen Doetinchem. 2. De ruimtelijke kwaliteit van het grondgebied waarborgen en waar mogelijk versterken. Bronnen voor duurzame energieopwekking nemen ruimte in beslag. Afhankelijk van de beschikbare ruimte, het soort bron en de ruimtelijke impact die het heeft, is de benodigde ruimte en impact van het initiatief kleiner of groter.
Met het beleidskader worden richtlijnen gegeven voor 'inpassing' van initiatieven met een grote ruimtelijke impact. 3. Ten derde is het doel dat grootschalige initiatieven met een zo groot mogelijke maatschappelijke betrokkenheid tot stand komen. Initiatiefnemers voor ontwikkeling van bronnen van duurzame energieopwekking beogen over het algemeen een zo groot mogelijk rendement. Deze rendementen keren over het algemeen niet terug in het gebied. De omgeving van zo'n project ervaart daardoor vaak alleen de lasten (als visuele hinder, geluidhinder, enz.) en niet de lusten. Met het beleidskader wordt juist lokaal initiatief en eigenaarschap gestimuleerd. Daarnaast wordt beoogd dat initiatiefnemers van buiten de gemeente aangezet worden tot het betrekken van omwonenden in het totale proces van idee tot exploitatie. Dit alles om de betrokkenheid te vergroten en de omgeving mee te laten profiteren van de voordelen die ook ontstaan. In het beleidskader staan richtlijnen en randvoorwaarden, waar en onder welke voorwaarden de duurzame energiebronnen in de gemeente tot stand mogen komen. Toelichting
45
De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: Alle bronnen en vormen van duurzame energieopwekking zijn nodig. Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden samen met de omgeving en belanghebbenden vormgegeven. Initiatieven voor grootschalige duurzame energieopwekking worden landschappelijk ingepast. Onderzoek en conclusie In het plan van initiatiefnemer is geen sprake van grootschalige energieopwekking. Voor de nieuwe woning zal duurzame energieopwekking aan de orde zijn. De wijze waarop dit gaat plaatsvinden zal worden afgestemd op het beleidskader Duurzame energieopwekking. 5.5.5
Waterplan Doetinchem
Het Waterplan Doetinchem bundelt op lokaal niveau het inzicht in de huidige situatie en geeft in de streefbeelden en ambities aan hoe duurzaamheids- en gidsprincipes van integraal waterbeheer in plannen vertaald kunnen worden. Hierin zijn belangen van ruimtelijke ordening, milieu, natuur en toerisme meegewogen. Het Waterplan Doetinchem is door de gemeente in samenwerking met waterschap, waterbedrijf, vertegenwoordigers van natuur en milieubelangen, inwoners en bedrijfsleven tot stand gekomen. In het Waterplan Doetinchem zijn Rijksbeleid, provinciaal beleid en het beleid van het waterschap als fundamentele elementen opgenomen. Het Waterplan Doetinchem uit 2003 vormt samen met het Gemeentelijk Rioleringsplan 2010-2015 de basis voor de omgang met water in het algemeen en het rioleringsstelsel in het bijzonder. Met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het stedelijk gebied zijn de volgende gidsprincipes voor integraal waterbeheer van belang: het toepassen van de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren; water van schoon naar minder schoon laten stromen (geen afwenteling); met water de identiteit van een plek zichtbaar maken; een goede communicatie opzetten (intern en extern); water als mede-ordenend principe toepassen bij ruimtelijke plannen; samenwerken en afstemmen; balans in watersysteem en waterketen.
Door het toepassen van deze principes wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een 46
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
robuust, veerkrachtig en gezond watersysteem binnen de gemeentegrenzen, gecombineerd met een aantrekkelijke woonomgeving met optimale belevings- en gebruiksmogelijkheden van het water. Er is een goede samenwerking en afstemming tussen alle bij het waterbeheer betrokken partijen, en er vindt geen bestuurlijke, financiële of ruimtelijke afwenteling plaats. Dit is het algemene streefbeeld voor 2030. Onderzoek en conclusie Het hemelwater wordt op het eigen terrein geïnfiltreerd met behulp van wadi’s en kikkerpoelen met als doel om het water zo lang mogelijk vast te houden. Dit is in overeenstemming met de drietrapsstrategie: vasthouden, bergen en afvoeren. Met de sanering van een behoorlijke oppervlakte aan schuren en voorzieningen treedt een afname op van de oppervlakteverharding. Dit heeft ook een positief effect op de waterhuishouding omdat hierdoor meer hemelwater in de bodem ken infiltreren en er minder afspoeling naar het oppervlaktewater zal plaatsvinden. In paragraaf 6.9 wordt nader op het aspect water ingegaan. De ontwikkeling van het plangebied sluit aan op het gestelde in het waterplan. 5.5.6
Beleidsregel 'Planologisch kader voor het landelijk gebied - 2021'
Een aantal specifieke ontwikkelingen, die op grond van de beheersverordening niet bij recht zijn toegestaan, zijn in de beleidsregel 'Planologisch kader voor het landelijk gebied - 2021' vastgelegd. Deze beleidsregel is ook op 8 juli 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De hierin genoemde ontwikkelingen kunnen daarmee toegelaten worden met een afwijking van de beheersverordening of met een bestemmingsplan. Als een ontwikkeling aan de voorwaarden die hierin staan voldoet en hiervoor wordt een bestemmingsplan opgesteld, dan is die procedure sneller te doorlopen door afspraken met de gemeenteraad hierover. De volgende ontwikkelingen worden als veel voorkomende ontwikkelingen gezien en daar kan, als voldaan wordt aan de voorwaarden aan meegewerkt worden. Daarbij worden drie categorieën onderscheiden. Categorie 1. Ontwikkelingen met een ondergeschikte invloed, ruimtelijk en functioneel, die aansluiten op de hoofdfunctie. Categorie 2. Ontwikkelingen met een beperkte invloed, ruimtelijk en functioneel, Toelichting
47
die aansluiten op de hoofdfunctie. Categorie 3. Ontwikkelingen met een grotere invloed, ruimtelijk en functioneel, die leiden tot een aanpassing van de hoofdfunctie. Toetsing en conclusie Het plan van initiatiefnemer valt grotendeel in categorie 3, te weten functieverandering voormalige bedrijfsgebouwen naar een andere hoofdfunctie (recreatie). De beleidsregel stelt dat in de Groene Ontwikkelingszone maximaal 50% van de oppervlakte van de bestaande gebouwen voor de functieverandering mag worden gebruikt, waarbij daarnaast een maximale oppervlakte geldt van 750 m2. Vanwege gewenst behoud van 3 gebouwen, waarvan 2 vanuit cultuurhistorie behouden moeten worden, blijft in totaal 818 m2 aan bebouwing staan en in gebruik genomen voor de nieuwe functie. Dit wijkt iets af van de regeling, echter omdat de cultuurhistorische waardevolle bebouwing behouden blijft, heeft de gemeente hiermee ingestemd. Bovendien wordt deze overschrijding gecompenseerd in de omgeving. De compensatie bestaat uit het aanleggen van 410 meter struweelhaag. In de VAB overeenkomst zijn hierover afspraken vastgelegd. Andere relevante voorwaarden uit de beleidsregel, waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor een functieverandering, worden hierna kort besproken.
De gemeente heeft deze toets in het kader van het principeverzoek feitelijk reeds uitgevoerd en geconcludeerd dat het plan (voldoende) in overeenstemming is met de gestelde voorwaarden. De dag- en verblijfsrecreatie zal beperkt in de openlucht plaats vinden. Conform de beleidsregels is hiervoor maximaal 300 m2 te gebruiken. Bij de verdere uitvoering van de plannen zal met deze oppervlakte rekening worden gehouden. De gebouwen met een ‘cultuurhistorische waarde’ worden niet gesloopt, maar krijgen een nieuwe functie. De plannen voor de verbouw van deze gebouwen worden voorgelegd aan de commissie welstand en monumenten. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het erf en de omgeving is een tuin- en landschapsontwerp gemaakt (zie bijlage 1). De functieverandering mag niet resulteren in een beperking van de gebruiksmogelijkeden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken. In 48
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
hoofdstuk 6 is aangetoond dat hiervan geen sprake is. De nieuwe functie mag niet leiden tot een strijdigheid met de Wet natuurbescherming. Door het beëindigen van het intensieve veehouderijbedrijf wordt juist een aanzienlijke winst op dit vlak behaald omdat de uitstoot van ammoniak afneemt. 5.5.7
Notitie 'Wonen landelijk gebied Gemeente Doetinchem'
Op 17 december 2020 heeft de gemeente Doetinchem de notitie 'Wonen landelijk gebied gemeente Doetinchem' vastgesteld. Deze notitie is opgesteld in navolging op het besluit van 28 november 2019 woningbouwstrategie 2019 waarin het toevoegen van woningen in het landelijk gebied niet expliciet is opgenomen. Deze notitie biedt meer duidelijkheid over nieuwe woningen in het landelijk gebied. Centraal daarbij staat dat het toevoegen van nieuwe woningen geen doel op zich moet zijn, maar een middel om bij te dragen aan het waarborgen en versterken van de sociale en fysieke kwaliteit van het landelijk gebied. Daarnaast staat centraal dat het landelijk gebied kortgezegd ook het landelijk gebied moet blijven. Voornoemde maakt dat ruimte wordt geboden voor het splitsen van bestaande burger- en bedrijfswoningen en voor het toevoegen van woningen als daarvoor agrarische bebouwing wordt gesloopt (functieverandering VAB (vrijkomende agrarische bebouwing) naar wonen). De voorwaarden die in deze notitie zijn opgenomen voor woningsplitsing en functieverandering van VAB naar wonen zijn waar mogelijk gebaseerd op bestaande regelingen/voorwaarden die daarmee een relatie kennen. Een belangrijke basis ligt in de nota van uitgangspunten die ten grondslag heeft gelegen aan het (vernietigde) bestemmingsplan 'Buitengebied – 2012'.
Daarnaast zijn de voorwaarden ook zodanig opgesteld dat de juiste kwaliteit woningen worden toegevoegd met name als het gaat om de levensloopbestendigheid en duurzaamheid van de woning. Wat betreft het laatste wordt de wens uit gesproken dat het besef dat een duurzame woning bijdraagt aan het wooncomfort, het verminderen van de energielasten, het verhogen dan wel behouden van de waarde en het verbeteren van het milieu leidt tot initiatieven die verder gaan dan wat nodig zou zijn. Tot slot is binnen de voorwaarden in het bijzonder ook aandacht voor een goede ruimtelijke (landschappelijk en stedenbouwkundige) inpassing van de situatie na woningsplitsing of functieverandering van VAB naar wonen met ook aandacht voor een thema als natuur inclusiviteit. De voorwaarden zijn tegelijkertijd geen blijvend Toelichting
49
vaststaand gegeven. Er is, met in achtneming, van het doel en de uitgangspunten van voorliggende notitie onderbouwd maatwerk mogelijk en aanpassing van de voorwaarden is mogelijk als daar op basis van de uitvoering aanleiding voor zou zijn. Op de volgende pagina zijn de voorwaarden in deze notitie samenvattend opgenomen. Voor een toelichting op de voorwaarden wordt verwezen naar de betreffende delen van deze notitie. 1. In de basis geldt het volgende: a.
Aangetoond is dat de te slopen opstallen legaal tot stand zijn gekomen en gedurende minimaal 3 jaar in gebruik zijn geweest ten dienste van het agrarische bedrijf;
b. Vaststaat dat de bedrijfsvoering wordt beëindigd vóór vaststelling van het ruimtelijk plan dat de functieverandering naar wonen mogelijk maakt; c. De agrarische bestemming ter plaatse geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd naar de bestemming 'Wonen', met dien verstande dat het agrarisch bouwvlak in elk geval is verwijderd; d. Aangetoond is dat het realiseren van de woning(en) met bijbehorende bouwwerken niet leidt aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken en dat een aanvaardbaar woon-en leefklimaat is gewaarborgd. 2. De behoefte aan de te realiseren woning(en) moet zijn aangetoond. Daarom moet een onderbouwd verzoek om medewerking gezamenlijk worden ingediend door de eigenaar van locatie en de (potentiële) koper(s) van de te realiseren woning(en). 3. Voor het realiseren van de woning(en) wordt een termijn gesteld van maximaal 1 jaar. 4. Alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt met uitzondering van monumentale en/of gebouwen met een cultuurhistorische waarde. In ruil daarvoor zijn maximaal vier zelfstandige woningen toegestaan verdeeld over maximaal twee woongebouwen (elk woongebouw maximaal 2 woningen) binnen de contouren van het voormalig agrarisch bouwvlak. Voor de realisatie van één woongebouw van 750 m3, moet minimaal 950 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing worden gesloopt. 5.
Als om bepaalde redenen de nieuwbouw van een woning niet kan plaatsvinden binnen het voormalig agrarisch bouwvlak, dan wordt bekeken of maatwerk kan worden geboden. 6. De benodigde sloop voor de realisatie van het aantal gewenste woningen kan 50
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
verdeeld over meerdere locaties plaatsvinden. Voor een slooplocatie geldt een sloopondergrens van minimaal 300 m2 . Planologisch wordt vastgelegd dat gesloopte bebouwing niet kan worden teruggebouwd. De bouw van de woning(en) vindt plaats op één locatie en voor deze locatie geldt een sloopondergrens van 500 m2 . 7. Als op basis van een Rijks-of provinciale regeling een financiële vergoeding is of wordt toegekend voor het beëindigen van agrarische bedrijfsactiviteiten, dan moet worden aangetoond dat de realisatie van één of meerdere woningen noodzakelijk is om de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te kunnen bekostigen. 8. De te realiseren woning(en) moet(en) aardgasloos, levensloopbestendig, natuurinclusief en (bijna) energieneutraal zijn gebouwd en in ieder geval voldoen aan het Bouwbesluit. 9. De herontwikkeling van het erf wordt benut om ook de bestaande woning te verduurzamen naar bij voorkeur minimaal energielabel B. 10. Per woning (zowel bestaande als nieuw te bouwen) is maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Als monumentale bebouwing en/of met een cultuurhistorische waarde op het erf aanwezig zijn, dan moeten deze gebruikt worden als bijbehorende bouwwerken. 11. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige ruimtelijke (landschappelijke en stedenbouwkundige) inpassing.
Daarvoor moet een door de gemeente goedgekeurd (samenhangend) erf-en landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld, welke voldoet aan bijlage 1, 2, 3 en 4. De landschappelijke inpassing moet gerealiseerd zijn binnen 1 jaar na ingebruikname van de nieuwe bestemming (Wonen) en dient vervolgens in stand te worden gehouden. Toetsing en conclusie Het plan van initiatiefnemer voorziet niet in het toevoegen van een extra woning. Een bestaande (bedrijfswoning) wordt bestemd voor recreatieve doeleinden. Ter compensatie van het wegbestemmen van deze woning mogen initiatiefnemers een nieuwe woning bouwen. Per saldo is en blijft het aantal woningen dus één. Toetsing aan de notitie 'Wonen landelijk gebied Gemeente Doetinchem' is dan ook niet aan de orde.
Toelichting
51
5.5.8
Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017 - 2020
Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de 'Parkeervisie Gemeente Doetinchem 2017-2020' en de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' vastgesteld. De gemeente biedt voor haar eigen inwoners en bezoekers een aantrekkelijke binnenstad waarbij bereikbaarheid en parkeren belangrijke pijlers zijn. Het parkeren biedt in en rond de binnenstad van Doetinchem, in de kernen van Wehl en Gaanderen en in woongebieden en buitengebied ondersteuning aan de daar aanwezige functies (zoals: wonen, winkelen, werken en recreëren). De parkeervisie is opgedeeld in vier pijlers: 1. parkeerlocatie en kwaliteit: alle openbare parkeerplaatsen moeten sociaal veilig, beschikbaar, vindbaar en te financieren zijn; 2. doelgroep gericht: per locatie hebben specifieke parkeerdersgroepen prioriteit. a. binnenstad - personeel en publiek; b. woongebieden - bewoners en bezoek; c. bedrijfsterreinen - personeel; 3. flexibiliteit: de uitvoering van de werkzaamheden uit de parkeervisie moeten gefaseerd uitgevoerd kunnen worden; 4. exploiteerbaarheid: de parkeerexploitatie dient te voldoen aan de financiële taakstelling. Parkeernormen hebben tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen voor te schrijven, dat voorzien wordt in de in te schatten parkeervraag. Dat aantal voorkomt dat door de aanleg van te weinig plaatsen er een tekort ontstaat.
Ook voorkomt het toepassen van de normen dat er teveel plaatsen komen, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en bereikbaarheid nadelig worden beïnvloed. De nota wil ook de toepassing van de normen voor burgers, bedrijven, gebouweigenaren, ontwikkelaars, e.d. inzichtelijk maken. Onderzoek en conclusie In de 'Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem' staat per situatie de parkeernormen. Het parkeerbeleid is voor het plangebied nader uitgewerkt in paragraaf 6.11 Verkeer en parkeren.
52
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
Hoofdstuk 6 Haalbaarheid 6.1
Algemeen
Dit hoofdstuk geeft de randvoorwaarden van de milieukundige aspecten en andere omgevingsaspecten waarmee rekening gehouden moet worden bij het bouwen en bij de inrichting en het beheer van het plangebied. Deze aspecten kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Als dit zo is, blijkt dit uit de tekst onder het bepaalde aspect 6.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Er zijn minder activiteiten direct m.e.r.-plichtig, maar er is wel vaker m.e.r.-beoordeling nodig. Belangrijke wijziging is dat de drempelwaarden in de zogenoemde D-lijst niet meer absoluut zijn, maar indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag zich nu bij bijna alle plannen/projecten/activiteiten moet afvragen of er geen aanzienlijke milieugevolgen optreden en er dus een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Zolang de activiteit niet boven de indicatieve drempel komt, is deze motivering wel vormvrij, maar hoe dichter de drempel wordt genaderd hoe zwaarder de motiveringsplicht wordt. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. Het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig. b. Het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht. c.
Het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een Toelichting
53
m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd. d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit word(t)(en) niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
Onderzoek Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op grote afstand (circa 15,5 kilometer) van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied zal geen sprake zijn. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. In het voorliggend geval is er een Aeriusberekening uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.8 waar beschreven is dat er geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Drempelwaarden Besluit m.e.r.
54
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
Het plan betreft in hoofdlijnen de functiewijziging van een agrarische bestemming naar een recreatieve bestemming, het slopen van een groot deel van de niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en het bouwen van een particuliere woning met bijgebouw De ontwikkeling valt binnen de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage en wordt aangemerkt als: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen activiteiten van het plan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is: Gelet hierop, kan worden geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in dit hoofdstuk in beeld gebracht. Deze onderzoeken kunnen worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Daarbij kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Conclusie Het plan heeft geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 6.3
Bodem
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming. De eisen die worden gesteld aan de bodemkwaliteit en de noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek staan vermeld in onder meer de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, de Woningwet en het Bouwbesluit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Ook mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door bijvoorbeeld grondverzet (het zogenaamde stand still-beginsel).
Toelichting
55
Onderzoek Voor de voorgenomen ontwikkeling is door onderzoeksbureau De Klinker een verkennend bodemonderzoek en asbest onderzoek verricht (rapportnummer K2220006, d.d. 24 februari 2022). Het integrale bodemrapport is als bijlage 4 toegevoegd. Asbest Tijdens het veldwerk is gebleken dat in de bodem puinresten voorkomen. Op de locatie zijn 23 gaten gegraven. De grond/puin uit de gaten is gezeefd en beoordeeld op de aanwezigheid van asbest. In 2 gaten is de concentratie aan asbest van 256 mg/kg d.s. aangetoond. Daarnaast is asbesthoudend plaatmateriaal in beide gaten aangetroffen. Het gewogen gehalte asbest voor G15 betreft 667,5 mg/kg d.s. en voor G16 2276,2 mg/kg d.s. Deze waarden overschrijden de interventiewaarde. Om die reden is nader bodemonderzoek uitgevoerd om de mate en omvang van de asbestverontreiniging vast te stellen. Het nader bodemonderzoek (rapportnummer K2220084, d.d. 20 juni 2022) is als bijlage 5 toegevoegd. Op basis van het verkennend onderzoek én het aangetroffen asbest verdachte materiaal ter plaatse van G4 worden gesteld dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging met asbest. De verontreiniging heeft een omvang van circa 50 m2 . Bij een dikte van 0,5 m betekent dit dat er circa 25 m3 grond is verontreinigd met asbest. In afbeelding 11 is het boorput G4 zichtbaar, waarbij de omvang van de verontreiniging blauw gearceerd is aangegeven.
56
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
Afbeelding 11: situatietekening met boorputen Het bodembureau dat het onderzoek heeft uitgevoerd adviseert om bij ontwikkeling van deze locatie de verontreiniging met asbest te laten saneren. Ter plaatse van de overige boorputen, onder het puinpad en de puinfundatie onder de klinker verharding, is de bodem niet verdacht op het voorkomen van asbest. Overige stoffen In de bodem ter plaatse van de bovengrondse dieselolie tank is analytisch in zowel de grond als in het grondwater geen verontreiniging met minerale olie aangetoond. Ook in de overige geanalyseerde parameters, ten behoeve van het grondwateronderzoek, zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In bovengrondmengmonster MMBG02 is een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetoond. In de overige geanalyseerde parameters van de bovengrondmengmonster MMBG02 en van de bovengrondmengmonster MMBG01 en MMBG03 zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium aangetoond. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetoond. Toelichting
57
Conclusie Met uitzondering van de aangetoonde asbestverontreiniging is het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. De asbestverontreiniging zal worden gesaneerd. Initiatiefnemer zal hiertoe een BUS-melding indienen bij de provincie Gelderland. 6.4
Akoestiek
6.4.1
Wegverkeerslawaai
Wegverkeer kan overlast bij woningen of geluidsgevoelige functies veroorzaken. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn daarom geluidsnormen opgenomen. Onderzoek en conclusie In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Buiten de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrooks wegen die aan weerszijden van de weg gerekend vanuit de wegas, in acht moet worden genomen 250 meter. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 200 meter. Ingeval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Daar waar geen sprake is van een wettelijke onderzoekszone moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening het aspect akoestiek ook afgewogen worden. Aangezien de voorliggende ontwikkeling een geluidsgevoelige functie mogelijk maakt in de vorm van een nieuwe woning binnen de geluidzone van de Kerkstraat is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het akoestisch rapport (kenmerk: 2021-3067-0-b3840/676, d.d. 18 februari 2022) is als bijlage 6 toegevoegd. Uit het onderzoek komt naar voren dat de geluidsbelasting van de Kerkstraat op de gevel van de nieuwe woning maximaal 47 dB bedraagt. Dit is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Met het akoestisch onderzoek is aangetoond dat het geluidsaspect geen probleem oplevert voor de voorliggende ontwikkeling.
58
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
6.4.2
Overige bronnen
In de omgeving van het plangebied zijn geen andere geluidsbronnen aanwezig zoals een spoorlijn of een (gezoneerd) industrieterrein waar rekening mee gehouden met worden met de voorgenomen plannen. 6.5
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Onderzoek Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit is de NIBM-tool ontwikkeld.
Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. In totaal wordt in de toekomstige situatie uitgegaan van (worst case) een toename van 26 verkeersbewegingen met licht verkeer per dag. Hierbij is geen rekening Toelichting
59
gehouden met een afname van de verkeersbewegingen vanwege de beëindiging van de pluimveehouderij. In totaliteit zal de toename daarom lager zijn of zelfs nul bedragen. Met behulp van deze rekentool is (worst case) de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Zie voor de uitkomsten van de berekening de onderstaande tabel.
Afbeelding 12: Uitkomst berekening met behulp van NIBM-tool Conclusie Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het plan wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
60
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
6.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Voor inrichtingen (bedrijven) is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen', de bijbehorende regeling en de circulaire effectafstanden LPG-tankstations van belang. Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen', het besluit externe veiligheid transportroutes en de wet basisnet van belang. Daarnaast zijn er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is. Het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheidt gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloedsgebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden. Gemeentelijk beleid Door de gemeente Doetinchem is 'Het Extern Veiligheidsbeleid' vastgesteld d.d. 19 december 2013. De gemeente streeft naar een verantwoord evenwicht tussen Toelichting
61
risico's en de behoefte aan de activiteiten die de risico's veroorzaken. Daar waar de gemeente als bevoegd gezag een beoordelingsvrijheid heeft maakt zij in dit beleidsdocument keuzes op het gebied van externe veiligheid. Die keuzes hebben de vorm van algemene uitgangspunten en gebiedsgerichte ambities: 1. Voor de toepassing van dit externe veiligheidsbeleid onderscheidt de gemeente Doetinchem drie gebiedstypen: woongebieden, bedrijventerrein en buitengebied. 2. Een balans dient gevonden te worden tussen enerzijds wonen en werken en anderzijds veiligheid en risico, waarbij de nadruk ligt op veiligheid. 3. In woongebieden staat de veiligheid voorop. In woongebieden worden dan ook geen nieuwe risicobronnen toegelaten. 4. Vestiging van nieuwe risicovolle bedrijven is mogelijk, hiervoor is het A18 Bedrijvenpark aangewezen. 5. Op het bedrijventerrein en in het buitengebied accepteert de gemeente een enigszins minder streng veiligheidsregime en is de komst van inrichtingen met enige risicobelasting op de omgeving onder voorwaarden mogelijk. 6. Waar zich externe veiligheidsknelpunten voor (kunnen) doen, besteedt de gemeente vooral aandacht aan bronmaatregelen om het risico te verkleinen. Pas daarna komen effectmaatregelen aan de orde. 7.
Bij het beoordelen van risicosituaties worden aanvullend op de beoordeling van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico ook de mogelijke effecten en beheersbaarheid van een calamiteit betrokken. Hierbij wordt zorgvuldig rekening gehouden met het advies van de veiligheidsregio in het kader van de verantwoordingplicht groepsrisico. Onderzoek Op de volgende uitsnede van de risicokaart is de ligging van het plangebied met een blauwe cirkel aangegeven.
62
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
Afbeelding 13: risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving) Inrichtingen In de omgeving liggen geen risicovolle inrichtingen. Buisleidingen In het plangebied en in de directe omgeving hiervan liggen geen buisleidingen. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op ruim 3 kilometer ten zuiden van het plangebied (rode stippellijn). Het plangebied ligt buiten de invloedssfeer van deze buisleiding. Transport Uit de toetsing aan het basisnet spoor, weg en water blijkt dat de omliggende transportwegen met uitzondering van de A18 niet zijn aangewezen voor transport van gevaarlijke stoffen. De A18 maakt deel uit van het transport netwerk van gevaarlijke stoffen. De snelweg heeft een maximale plaatsgebonden risicocontour Toelichting
63
van 82 meter. Door de afstand van circa 680 meter tot het plangebied wordt geconcludeerd dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over snelweg niet van invloed is op de personen in het plangebied. Conclusie Op basis van de toetsing aan de risicokaart, Basisnet spoor, weg en water en de informatie van de gemeente Doetinchem kan worden geconcludeerd dat rondom de locatie geen bronnen bevinden die invloed uitoefenen op de veiligheid ter plaatste van het plangebied. Het aspect externe veiligheid levert dan ook geen belemmeringen op voor het onderhavige plan. 6.7
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige 64
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
functie die op grond van het plan mogelijk is. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Onderzoek Nabij het plangebied liggen een aantal woningen en een bedrijf. Zie hiervoor ook de onderstaande uitsnede van de verbeelding.
Afbeelding 14: uitsnede verbeelding (bron viewer gemeente) Toelichting
65
Externe werking Het plan bestaat in hoofdlijnen uit de functiewijziging van een agrarische bestemming naar een recreatieve bestemming en het bouwen van een woning met bijgebouw. Binnen de recreatieve bestemming zullen ondergeschikt enkele zoogkoeien worden gehouden. Op grond van artikel 3.117 lid 1 onder b van het Activiteitenbesluit geldt voor het houden van zoogkoeien een minimale afstand van 50 meter van een emissiepunt van een dierenverblijf tot aan een woning die buiten de bebouwde kom is gelegen. Tussen de potstal, waar de zoogkoeien in de winter op stal staan, en de woningen in de omgeving (inclusief de nieuw te bouwen woning) is een afstand van minimaal 50 meter aanwezig. Aan deze minimale afstand wordt voldaan. Ter plaatse van de woningen in de omgeving kan daarom worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geur. Onder deel van het plan is het wijzigen van de agrarische bestemming in een recreatieve bestemming, waarbij de locatie wordt opengesteld voor het publiek / de recreant. Een professionele publieksruimte kan op basis van de VNG-uitgave gelijk gesteld worden aan 'bibliotheken, musea, ateliers en dergelijke. Deze vallen onder milieucategorie 1. In een rustig buitengebied geldt voor een dergelijke locatie een aan te houden richtafstand van 10 meter.
Deze afstand wordt gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. In een gemengd gebied kan deze richtafstand zelfs worden verkleind naar 0 meter. Omdat er sprake is van een afwisseling in de omgeving van het plangebied tussen woningen en bedrijven en de bebouwing van Gaanderen op steenworp afstand ligt, kan worden gesteld dat er sprake is van een gemengd buitengebied. Deze minimale afstand tussen de woonkavel van derden en de grens van de recreatieve bestemming bedraagt circa 16 meter. Omdat wordt voldaan aan de richtafstand, kan worden gesteld dat er voldoende ruimtelijke scheiding in acht wordt genomen. Interne werking In de direct omgeving van het plangebied is aan de Kerkstraat 5A een bedrijf met 66
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
bedrijvenbestemming aanwezig. Op grond van de beheersverordening is hier bedrijvigheid toegestaan uitsluitend in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 10 Staat van bedrijfsactiviteiten. Voor een bedrijf in categorie 2 geldt in een rustig buitengebied een richtafstand van 30 meter. In een gemengd gebied is dat 10 meter. De recreatieve bestemming binnen het plangebied is in het kader van de milieuzonering geen gevoelige functie. De nieuwe woning die gebouwd zal worden is wél een milieugevoelige functie. De gevel van de nieuwe woning wordt op circa 55 meter afstand gerealiseerd uit de grens van de bestemming van het bedrijf. Er wordt derhalve ruim voldaan aan de richtafstand. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Er wordt voldoende ruimtelijke scheiding in acht gehouden. 6.8
Flora en Fauna
Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare 'nationale' beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd Toelichting
67
gezag voor de Wet natuurbescherming. In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen, huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd.
Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een plan of project. Onderzoek Door Natuurbank Overijssel is een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Het natuurwaardenonderzoek (Projectnummer 4126 versie 1.0, d.d. 4 maart 2022, gewijzigd 5 december 2022) is als bijlage 7 toegevoegd. In deze paragraaf zijn de bevindingen van dit onderzoek samengevat. Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone Het plangebied valt volledig binnen de Groene Ontwikkelingszone (deelgebied 36, 68
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
Boven Slinge en Slangenburg). In afbeelding 15 wordt de ligging van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 15: Ligging van Gelders Natuurnetwerk (GNN) in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met rode marker aangeduid.Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren worden aangeduid met de donkergroene kleur. Gronden die tot de Groene Ontwikkelingszone (GO) behoren, worden met de lichtgroene kleur aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De voorgenomen activiteiten binnen de Groene Ontwikkelingszone mogen alleen uitgevoerd worden als de kernkwaliteiten versterkt worden. De maatregelen ter versterking van deze kernkwaliteiten bestaat uit het omvormen van circa 6 hectare akkerland in kruiden en faunarijk grasland. Dit is een forse versterking voor zowel de landschappelijke waarden als de biodiversiteit. In het tuin- en landschapsontwerp (zie bijlage 1) is deze maatregel nader uitgewerkt. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied ligt op circa 220 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Toelichting
69
Gelderland. Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 9,9 kilometer afstand van Duits Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Nederlandse Natura 2000-gebied, is Rijntakken. Het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op minimaal 15,2 kilometer afstand van het plangebied. In afbeelding 16 wordt de ligging van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 16: ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof Gebruiksfase In de gebruiksfase zal de emissie van stikstof door de verkeersbewegingen van de exploitatie van het agrarisch bedrijf met 6.600 ouderdieren van vleeskuikens komen 70
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
te vervallen. Dat geldt ook voor de verkeersbewegingen van de bestaande bedrijfswoning omdat deze een recreatieve bestemming krijgt. Verder zal met de beëindiging de ammoniakemissie vanuit de pluimveestal komen te vervallen. Nieuwe stikstofemissies zullen ontstaan door: verkeersbewegingen ten behoeve van het gebruik van de nieuwe (particuliere) woning --> 10 verkeersbewegingen per etmaal; verkeersbewegingen door de verhuur van kamers (logies) --> 16 verkeersbewegingen per etmaal; Het houden van maximaal 15 natuurgrazers (zoogkoeien) in de potstal. Toeristen, die de locatie in de toekomst zullen bezoeken, komen lopend of met de fiets. Toeristen die met de auto komen parkeren bij het Toeristisch OverstapPunt (TOP), op steenworp afstand aan de Rekhemseweg 175 in Doetinchem. Dit overstappunt ligt op het terrein van café-restaurant-zalencentrum 't Onland. Vanaf het Onland loopt in zuidelijke richting een wandelpad langs de beneden Slinge in de richting van de Kerkstraat 8. De nieuwe woning krijgt geen aansluiting op het aardgasnet. De verwarming van de woning veroorzaakt derhalve geen stikstofemissie. In de huidige situatie heeft de locatie een stikstofreferentie op basis van de vergunde 6.600 ouderdieren van vleeskuikens van 3828,0 kg ammoniak / jaar. Met de beëindiging van de pluimveehouderij komt deze emissie te vervallen.
Vast staat dat deze afname aan ammoniakemissie de toename van de stikstofemissies door het lichte verkeer en het houden van de 15 zoogkoeien meer dan compenseert. Teneinde onomstotelijk vast te stellen dat het gebruik in de nieuwe situatie geen gevolgen heeft voor relevante Natura 2000 gebieden is (worst case) een Aerius berekening gemaakt, waarin de beschreven verkeersbewegingen en het houden van de 15 natuurgrazers (zoogkoeien) is ingevoerd. Uit deze berekening van de gebruiksfase blijkt dat plan geen stikstofdepositie veroorzaakt op enig Natura 2000-gebied groter dan 0,00 mol/ha/jaar. De Aeriusberekening is als bijlage 8 toegevoegd. Met zekerheid kan daarom worden gesteld dat het plan in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft op relevante Natura 2000 gebieden. Ontwikkelfase (sloop en bouw) Op 2 november 2022 is er door de Raad van State een streep gehaald door de Toelichting
71
vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Het gevolg is dat er per project berekend moet worden wat de depositie op de relevante Natura 2000 gebieden is. Om op de juiste wijze de stikstofdepositie van de sloop- en bouwfase te bepalen, is in kaart gebracht welk bouwmaterieel en transportbewegingen noodzakelijk zijn. De uitgangspunten van de sloop- en bouwfase en de aeriusberekening zijn als bijlage 9 toegevoegd. De uitkomst is dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op de relevante Natura 2000 gebieden. Er zijn daarom ook geen nadelige gevolgen te verwachten op relevante Natura 2000 gebieden in de sloop- en bouwfase. Soortenbescherming Het plangebied bestaat uit bebouwing, beplanting, grasland, agrarisch cultuurgrond, een beek en erfverharding. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: vogels; vleermuizen; grondgebonden zoogdieren; amfibieën; vissen.
Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. 72
Functiewijziging Kerkstraat 8/8a Gaanderen
Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in de bebouwing, beplanting en onder de dakpannen. De machineberging is voor vogels toegankelijk en geschikt om een nestplaats in te bezetten. De overige bebouwing is voor vogels niet toegankelijk. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, houtduif, huismus, vink, witte kwikstaart, winterkoning, holenduif, tjiftjaf en zwartkop. Er zijn tijdens het veldbezoek enkele huismussen waargenomen op het erf, maar die nestelen niet in het onderzoeksgebied. Verder zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat steen- of kerkuilen er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Aanwezigheid van deze soorten in gebouwen is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van braakballen, schijtsporen en ruiveren. Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels in het plangebied een nestplaats bezetten. In 2007, 2015, 2018 en in 2021 zijn in een straal van circa 500-1000 meter rondom het plangebied steenuilen waargenomen met territorium-indicerend gedrag, roepend, baltsend of foeragerend (NDFF, 2022). In de directe omgeving zijn geen steenuilenkasten of nestelende steenuilen waargenomen (NDFF, 2022).
Het plangebied wordt omgeven door agrarisch cultuurgrond waardoor uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet leidt tot een afname van essentieel foerageergebied voor steenuilen. Als gevolg van het verwijderen van beplanting en het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Toelichting
73
Vleermuizen Verblijfplaatsen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen bezetten de winterverblijfplaats in deze tijd van het jaar. Dat kan zijn in de buurt van de zomerverblijfplaats, maar ook op ruime afstand van het onderzoeksgebied. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rustverblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering aangetroffen. Er zijn in het plangebied geen holenbomen vastgesteld. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield.