CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

05 02 QS Wet natuurbescherming Bultensweg 14 versie 5.pdf

gemeenteraad 27 maart 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024-2G8.490 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan Wet natuurbescherming Bultensweg 12 en 14, Doetinchem

Opdrachtgever: Fam. Bulten Bultensweg 14 7004 HR Doetinchem

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

204850 17-4-2024 M. Biemold R. Karssen/M. van der Heide M. van der Heide Definitief 5

© 2023 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................................................... 4

2

Huidige situatie en ontwikkeling .............................................................................................................. 5

2.1

Huidige situatie .......................................................................................................................................5

2.2

Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................................13

3

Natuurwetgeving en -beleid ................................................................................................................... 16

3.1

Inleiding ................................................................................................................................................16

3.2

Bescherming van soorten .....................................................................................................................16

3.3

Bescherming van gebieden ...................................................................................................................16

3.4

Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................17

3.5

Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................17

4

Methode ................................................................................................................................................. 19

4.1

Inleiding ................................................................................................................................................19

4.2

Bureauonderzoek .................................................................................................................................19

4.3

Terreinbezoek .......................................................................................................................................19

5

Beschermde soorten ............................................................................................................................... 20

5.1

Inleiding ................................................................................................................................................20

5.2

Planten..................................................................................................................................................20

5.3

Zoogdieren ............................................................................................................................................20

5.4

Vogels ...................................................................................................................................................23

5.5

Reptielen...............................................................................................................................................25

5.6

Amfibieën .............................................................................................................................................25

5.7

Vissen ....................................................................................................................................................26

5.8

Ongewervelden ....................................................................................................................................26

6

Conclusie ................................................................................................................................................. 27

6.1

Beschermde soorten.............................................................................................................................27

6.2

Bescherming gebieden .........................................................................................................................27

6.3

Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................28

6.4

Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................28

6.5

Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................28

6.6

Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................28

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 30

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 3

1 Inleiding De familie Bulten, woonachtig aan de Bultensweg 14 in Doetinchem, heeft de handen ineengeslagen om hun erf te herinrichten. Hiervoor zal sloop en nieuwbouw plaatsvinden. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing wordt duidelijk hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich net buiten de bebouwde kom van Doetinchem, in de provincie Gelderland en de gemeente Doetinchem (figuur 1). Het erf is gesitueerd aan zowel de noord- als de zuidzijde van de Bultensweg te Doetinchem (figuur 2). Binnen het plangebied staat een woonhuis (figuur 3) dat geschakeld is aan de boerderij op huisnummer 12. Daarnaast is er een tijdelijk gebouw aanwezig (figuur 4). Het woonhuis uit figuur 3 is opgedeeld in twee delen: een woning en een schuur. Deze delen zijn direct aan elkaar geschakeld. Het woonhuis is voorzien van een golfplaten dak en beschikt over een spouwmuur. Open stootvoegen ontbreken echter in deze woning. De schuur is eveneens voorzien van een golfplaten dak en bestaat uit een enkelsteens muur (figuur 5). Het tijdelijke gebouw bestaat uit houtwerk en heeft een bitumendakbedekking. In het gebied zijn diverse inheemse plantensoorten te vinden, waaronder Canadese fijnstraal, harig knopkruid, herderstasje, klein streepzaad, melganzenvoet, paardenbloem, paarse dovenetel en stinkende gouwe. Aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich een bosperceel van es, linde spec., wilde lijsterbes, witte paardenkastanje, zomereik en zwarte els (figuur 6). De onderbegroeiing van dit bosperceel bestaat onder andere uit: hop, gewone vlier en laurier.

Verder zijn er op verschillende plekken op het erf sierteeltgewassen aanwezig. Verlichting en watervoerende elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. De huidige functie van het plangebied bestaat voor een deel uit bewoning en voor het overgrote deel uit grasland waar paarden grazen. De omgeving van het plangebied bestaat uit kleinschalig open agrarisch landschap.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 5

Figuur 1. Weergave van de ligging van het plangebied aan Bultensweg 12 en 14 ten opzichte van Doetinchem (ESRI, 2023).

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 6

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied aan Bultensweg 12 en 14 te Doetinchem (ESRI, 2023).

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 7

Figuur 3. Zicht vanaf het perceel op het woonhuis met huisnummer 14 (voorgrond) en de aangrenzende boerderij op huisnummer 12 (achtergrond; rechts), situatie op 16 augustus 2023.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 8

Figuur 4. Zicht vanaf het perceel op het tijdelijke gebouw, situatie op 16 augustus 2023.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 9

Figuur 5. Zicht vanuit de schuur naar buiten, situatie op 16 augustus 2023.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 10

Figuur 6. Zicht vanaf de Bultensweg op een deel van het bosperceel met daaronder het dichte struweel, situatie op 16 augustus 2023.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 11

Figuur 7. Zicht vanaf de Bultensweg op het dichte struweel, situatie op 16 augustus 2023.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 12

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemers zijn voornemens om hun erf te herinrichten met als doel ruimte te creëren voor de ontwikkeling van een nieuw woonhuis. De voormalige ligboxenstal is reeds, met toestemming van de gemeente Doetinchem, gesloopt. Naast de reeds gesloopte stal, zal enkel de woning en de tijdelijke woning nog worden gesloopt (zie figuur 8). Bestaande bomenrijen en struiken etc. blijven allemaal behouden en er wordt nieuw groen aangeplant. Het doel is om ruimte te creëren voor de realisatie van een nieuwe woning op Bultensweg nr. 14. Dit is fase 1 van de ontwikkeling, zie figuur 9. In fase 2 worden de andere twee schuren gesloopt, zie figuur 10 (deze zijn echter geen deel van dit onderzoek).

Figuur 8. Overzicht te slopen en reeds gesloopte opstallen.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 13

Figuur 9. Inrichtingsplan fase 1 (nieuwe woning + landschappelijke inpassing Bultensweg 14).

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 14

Figuur 10. Inrichtingsplan totale ontwikkeling Bultensweg 12 + 14.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 15

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze kan leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer sprake is of kan zijn van een overtreding, dan dient er onderzocht te worden of een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 16

Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: Het plangebied zelf ligt niet in een Natura 2000-gebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn eveneens geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Op ongeveer 13,3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (AERIUS, 2023). De tijdelijke aard en beperkte omvang van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Op 2 november 2022 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de tot dan toe geldende bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. In dat kader is voor zowel de bouw-/aanlegfase als voor de gebruiksfase van ruimtelijke ontwikkelingen daarom weer een stikstofdepositieberekening benodigd. Deze stikstofberekening volgt in een afzonderlijke rapportage.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5 Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. Zo gebruikt Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN). De provincie heeft daarnaast de Groene Ontwikkelingszone (GO) vastgelegd. Dit zijn gebieden die over het algemeen rond en tussen de GNN liggen, zoals de ecologische verbindingszones, weidevogelgebieden en rustgebieden voor wintergasten (ganzen). In de GO is ruimte voor economische ontwikkelingen indien deze samengaan met een substantiële versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 17

In het GNN en GO geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het GNN of GO denkbaar zijn, is het noodzakelijk een GNN-toetsing uit te voeren. De GNN en de GO worden beide beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten. Gevolgen plangebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN of GO. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN significant aantasten. Daarnaast wordt het bestemmingsplan van het plangebied niet gewijzigd en is er ook geen sprake van een afname van het areaal van het GNN en GO. Een toetsing aan het GNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 18

4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database.

4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door R. Karssen uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 16 augustus 2023 bij 20°C, droog, half bewolkt weer en windkracht 3 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

• •

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

•

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 19

5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Planten Voorkomen en functie Tijdens het veldbezoek zijn onder andere diverse algemene plantensoorten zoals Canadese fijnstraal, harig knopkruid, herderstasje, klein streepzaad, melganzenvoet, paardenbloem, paarse dovenetel en stinkende gouwe aangetroffen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Het aanwezige terreintype is een grasveld en het beheer bestaat uit maaien. Veel van de beschermde soorten komen nagenoeg uitsluitend voor in zeer specifieke habitats als kalkgraslanden, kalkrijke akkers, zinkgraslanden, natuurlijk beheerde akkerranden, specifieke bostypen, op schrale, kalkhoudende bodems en schrale heidegronden. Dergelijke habitats komen binnen het plangebied niet voor. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, foerageergebied en vliegroute. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 20

Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Verblijfplaatsen De gebouwen waar werkzaamheden aan plaatsvinden en de boerderij op huisnummer 14 worden in deze beschrijving opgenomen. De te verwijderen gebouwen omvatten het woonhuis uit figuur 3 en het tijdelijke gebouw uit figuur 4. Beide objecten zijn vanwege de ongunstige bouwkundige staat en eigenschappen ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Het woonhuis uit figuur 3 is opgedeeld in twee delen: een woning en een schuur. Deze delen zijn direct aan elkaar geschakeld. Hoewel het woonhuis is voorzien van een spouwmuur, ontbreken er in deze woning open stootvoegen of andere mogelijkheden als een loodslab of overhangende windveer die als schuilplaats voor vleermuizen kunnen dienen. Echter, vleermuizen kunnen door de openingen tussen de golfplaten en het dakbeschot van het woonhuis mogelijk naar binnen kruipen. Niettemin heerst hier een ongunstig microklimaat als gevolg van ventilatie (tocht), waardoor er geen verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen aanwezig zullen zijn in het dak van het woonhuis. De schuur beschikt over een enkelsteens muur (figuur 5) en is derhalve niet geschikt voor vleermuizen. Het tijdelijke gebouw bestaat uit houtwerk en is voorzien van een bitumendakbedekking. Vleermuizen zouden hier mogelijk naar binnen kunnen kruipen door bijvoorbeeld kieren en gaten, maar ook hier heerst een ongunstig microklimaat door de ventilatie.

Bovendien is er in dit tijdelijke gebouw ook geen spouwmuur of dakbeschot aanwezig. Aangezien het woonhuis geschakeld is aan de boerderij op huisnummer 12 is het mogelijk dat er vleermuizen tussen de twee gebouwen inzitten. Echter beschikt de boerderij niet over toegangswegen tot de spouw. Gebouw bewonende vleermuizen zullen daarom ook hier niet aanwezig zijn. In het oostelijke deel van het plangebied bevindt zich een bosperceel bestaande uit es, linde spec., wilde lijsterbes, witte paardenkastanje, zomereik en zwarte els. Vanwege de omvang en grootte heeft dit bosperceel het potentieel om te dienen als verblijfplaats voor boom bewonende vleermuizen, zoals de rosse vleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Foerageergebieden en vliegroutes Vleermuizen gebruiken graag luwe zones om langs te foerageren. Het bosperceel in het oosten van het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Daarnaast betreft het een lijnvormig element welke vleermuizen kunnen gebruiken als vliegroute om zich langs te verplaatsen. Bovendien kunnen de vleermuizen ook boven de tuin en rond de gebouwen foerageren. De omgeving van het plangebied is ook geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van watervoerende elementen en bospercelen ten noorden van het plangebied.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 21

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Gezien de ongunstige bouwkundige staat en eigenschappen van het woonhuis en het tijdelijke gebouw, zijn er geen verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen aanwezig. Binnen het plangebied worden geen opgaande beplanting (bomen of struiken) weggehaald en daarmee blijven de mogelijke verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen behouden. Er worden geen geluids- en trillingsverstoringen veroorzaakt door de sloopwerkzaamheden aan mogelijke verblijfplaatsen in de directe omgeving dankzij voldoende afstand. Bovendien zullen de sloopwerkzaamheden van de gebouwen overdag plaatsvinden, waardoor ook het uitzenden van licht naar mogelijke verblijfplaatsen wordt vermeden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen hierom worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet noodzakelijk.

Foerageergebieden en vliegroutes Negatieve effecten op foerageergebieden en vliegroutes worden uitgesloten. Het aanwezige foerageergebied en de lijnvormige elementen blijven namelijk allen behouden. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet noodzakelijk. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk.

5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: egel, ree, haas, konijn, vos en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast kunnen een aantal mogelijk van het plangebied gebruik maken als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en wezel kunnen in het plangebied voorkomen. Van de bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel ontbreken Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 22

binnen het plangebied sporen in de vorm van prenten, uitwerpselen of prooiresten. In de te verwijderen gebouwen zijn ook geen nesten van de kleine marterachtigen en steenmarter aangetroffen. Deze zijn ook niet te verwachten in de te verwijderen gebouwen aangezien verblijfplaatsen van de kleine marterachtigen bestaan uit: holen van mollen/konijnen/ratten, steenhopen, stro- en hooibalen (Zoogdiervereniging, 2024). Binnen het plangebied is wel een dicht struweel aanwezig (figuur 6 en 7) dat als verblijfplaats voor de kleine marterachtigen kan functioneren. Dit struweel bevindt zich aan de oost- en zuidzijde van het plangebied. Verder zijn er geen eekhoornnesten aangetroffen in het bosperceel in het oosten van het plangebied. Daarnaast is het mogelijk dat voor enkele soorten het plangebied onderdeel uitmaakt als leefgebied, zoals foerageergebied, maar betreft het geen essentieel leefgebied gezien de ligging in een groene omgeving. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van het leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld.

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor de bovenstaande, niet vrijgestelde soorten geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse van de werkzaamheden niet aangetroffen en uit te sluiten. Het struweel dat eventueel kan functioneren als verblijfplaats voor kleine marterachtigen bevindt zich buiten de invloedsferen van de werkzaamheden, op een afstand van minimaal 10 meter. Bovendien blijkt uit figuur 6 dat er voldoende mogelijkheden voor migratie beschikbaar blijven, zowel voorafgaand aan, gedurende, als na de uitvoering van de werkzaamheden. Daarnaast blijft het struweel behouden en wordt het in de toekomstige situatie versterkt door het aanleggen van o.a. struwelen en heggen (figuur 9 en 10). Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming zijn niet noodzakelijk. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.

5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen en niet te verwachten binnen het plangebied. Dakpannen ontbreken op beide bouwwerken, evenals dakbeschot in het tijdelijke gebouw. Hierdoor zijn geschikte verblijfplaatsen voor soorten zoals de huismus en gierzwaluw op voorhand uit te sluiten.

De gevelbegroeiing kan dienst doen als dekking voor huismussen maar vormt geen geschikte nestplaats. Te meer omdat het dak en de gevel erachter ongeschikt zijn als nestplaats.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 23

Andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats, zoals een kerkuil of steenuil, zijn tevens niet te verwachten in het plangebied. Het woonhuis beschikt niet over dergelijke openingen in de nok waar deze vogelsoorten naar binnen kunnen vliegen. Ook sporen in de vorm van braakballen of uitwerpselen van deze soorten zijn niet aangetroffen. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In het plangebied zijn geen vogelsoorten aangetroffen waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Echter zijn vogelsoorten die behoren tot deze categorie wel te verwachten in het plangebied. De tuin biedt de mogelijkheid voor een functionele leefomgeving van een boomklever, boomkruiper, ekster, koolmees, pimpelmees, gekraagde roodstaart en zwarte kraai. Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er binnen het plangebied een meerjarig territorium van de gekraagde roodstaart aanwezig is. Verder is het grasveld in het zuiden van het plangebied geschikt als foerageergebied van een groene specht. Tegen de uitstekende gordingen aan de onderkant van het golfplatendak van het woonhuis kan een huiszwaluw een nest maken. Echter zijn hier geen nesten aangetroffen van een huiszwaluw. Overige (broed)vogels De te verwachten vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van erven en bossen.

Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied: groenling, houtduif, merel, roodborst, tjiftjaf, winterkoning en witte kwikstaart. Er zijn binnen het plangebied geen nesten aangetroffen van vogelsoorten behorende tot deze categorie. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tijdens het veldbezoek is er in geen van de gebouwen een nest of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) van vogelsoorten behorende tot deze categorie aangetroffen. Negatieve effecten worden hierom uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest is niet noodzakelijk. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen nesten en vogels aangetroffen waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Echter, uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat er binnen het plangebied een meerjarig territorium van de gekraagde roodstaart aanwezig is.

Daarentegen is het plangebied voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties beschikbaar in tuinen, bos en daken en daarnaast zijn deze soorten flexibel genoeg om elders een nest te maken. De te verwachten soorten zijn overigens algemeen in Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze broedvogels (net als het geval is voor algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag voor vogelsoorten met een jaarrond beschermde functionele leefomgeving is niet noodzakelijk, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen van 1 maart tot 15 juli worden uitgevoerd. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van in gebruik zijnde nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 24

verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien voorafgaand aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige middels een broedvogelinspectie is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten van broedvogels worden vernield, beschadigd of weggenomen. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming zijn niet noodzakelijk, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen voor vogels van 1 maart tot 15 juli worden uitgevoerd. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk als er een broedvogelinspectie is uitgevoerd en daarbij geen in gebruik zijnde nesten zijn aangetroffen. Overigens dient er bij de werkzaamheden te allen tijde rekening te worden gehouden met in gebruik zijnde nesten van vogels, ook buiten het broedseizoen.

5.5 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2023). Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied in beperkte mate gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen watervoerende elementen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van voortplantingsbiotoop op voorhand uit te sluiten is. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of poelkikker, worden uitgesloten in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken watervoerende elementen in het plangebied. De watervoerende elementen buiten het plangebied bevinden zich op een afstand van meer dan 600 meter en daarmee speelt het plangebied ook geen rol als landhabitat voor amfibieën. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën in en rondom het plangebied (NDFF, 2023).

1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang

is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 25

Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van het leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Effecten op beschermde vissen zijn dan ook uit te sluiten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.

5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als brede geelrandwaterroofkever, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en platte schijfhoren niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit krabbenscheervegetaties en waardplanten als boswilg en wilde kamperfoelie. Daarnaast ligt het plangebied buiten het bekende verspreidingsgebied van de meeste soorten (NDFF, 2023). Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied (NDFF, 2023). Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 26

6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van het leefgebied van een aantal beschermde zoogdieren en amfibieënsoorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, egel, ree, haas, konijn, vos, diverse algemene muizen en spitsmuizen. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.

6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soortgroep dient rekening te worden gehouden. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk in gebruik zijnde nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van in gebruik zijnde nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien voorafgaand aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige middels een broedvogelinspectie is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten van broedvogels worden vernield, beschadigd of weggenomen. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort.

6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.

6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: Het plangebied zelf ligt niet in een Natura 2000-gebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn eveneens geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Op ongeveer 13,3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (AERIUS, 2023). De tijdelijke aard en beperkte omvang van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 27

instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Op 2 november 2022 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de tot dan toe geldende bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. In dat kader is voor zowel de bouw-/aanlegfase als voor de gebruiksfase van ruimtelijke ontwikkelingen daarom weer een stikstofdepositieberekening benodigd. Deze stikstofberekening volgt in een afzonderlijke rapportage.

6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

6.4 Gelders Natuurnetwerk Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN of GO. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN significant aantasten. Daarnaast wordt het bestemmingsplan van het plangebied niet gewijzigd en is er ook geen sprake van een afname van het areaal van het GNN en GO. Een toetsing aan het GNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit de eisen van het natuurbeleid GNN is het plan uitvoerbaar. Ook vanuit de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar met betrekking tot de onderdelen gebiedsbescherming en houtopstanden. Dit geldt tevens voor het onderdeel soortenbescherming mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen voor vogels van 1 maart tot 15 juli worden uitgevoerd en er tijdens de werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten van vogels worden aangetroffen. Indien werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, wordt een broedvogelinspectie door een ecologisch deskundige noodzakelijk geacht.

6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 28

Literatuurlijst • • • • • •

AERIUS. (2023, Augustus 30). AERIUS, rekeninstrument voor de leefomgeving. Opgehaald van AERIUS Calculator: https://www.aerius.nl/nl ESRI. (2023, Augustus 30). ESRI Nederland. Opgehaald van ESRI: https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF. (2023, Augustus 30). Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van NDFF: https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/login.zul NDFF. (2023, Augustus 30). NDFF Verspreidingsatlas. Opgehaald van Verspreidingsatlas: https://www.verspreidingsatlas.nl/ Zoogdiervereniging. (2024, April 3). Opgehaald van: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 29

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

2 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 30

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 31

Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.

Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Bultensweg 12 en 14, Doetinchem | Eelerwoude | 32

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8203/documents/49309