05 00 Onderbouwing Bultensweg 12+14 Doetinchem, met bijbehorende bijlagen.pdf
Tekst van het document
Ja/Nee Ja/Nee Ja/Nee Ja/Nee
• Is er in of rondom het gebied wel eens sprake (geweest) 4. Klimaatadaptatie
van wateroverlast of blijkt er gevoeligheid voor wateroverlast uit de klimaatatlas
Ja/Nee
(https://www.weetvanwater.nl/klimaatatlas) • Is het plangebied gevoelig voor hittestress? (bekijk hiervoor de klimaatatlas)
Ja/Nee
• Is het verschil tussen de hoogte van de weg en de bovenzijde van de begane-grondvloer minder dan 30
Ja/Nee
centimeter? • Is in of nabij het plangebied oppervlaktewater aanwezig 5. Waterkwaliteit
of gepland? • Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie (zoals KRW, EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater)?
Ja/Nee Ja/Nee 37
• Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd?
Ja/Nee
• Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie/ rioolgemaal/ persleiding/
Ja/Nee
gemengde overstort? 6. Afvalwaterketen
• Wordt regenwater afgevoerd naar de rioolwaterzuivering?
Ja/Nee
• Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het
Ja/nee
oppervlaktewater mogelijk vervuild raakt? • Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? • Bevindt het plan zich in een kwelgebied? • Is afstand tussen GHG en bovenkant vloer kleiner dan 80 cm? 7. Grondwaterbeheer
• Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een (drink)wateronttrekking? • Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? • Worden drainagevoorzieningen aangelegd binnen een beperkingengebied voor drainage?
8. Recreatie en
• Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt?
beleving
• Ligt in het plangebied een beschermd watererfgoed?
Ja/Nee Ja/Nee Ja/Nee Ja/Nee Ja/Nee Ja/nee Ja/Nee Ja/Nee
Ten aanzien van dit project geldt dat de korte procedure van toepassing is. Naar aanleiding van het uitvoeren en indienen van de Digitale Watertoets heeft het waterschap aangegeven geen belemmeringen te zien voor de uitvoering van voorliggend plan.
5.4.4
Conclusie beleid waterschap
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van het waterschap Rijn en IJssel. Voor de uitwerking/resultaten van de watertoets wordt verwezen naar paragraaf 6.9.4 (klimaatadaptatie en water).
38
5.5 Gemeentelijk beleid 5.5.1
Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie (vastgesteld 30 november 2023) schetst de ontwikkeling richting 2036 in vier opgaven: - Woongemeente voor iedereen; - Werkgemeente met ruimte voor talent en innovatie; - Landelijk gebied in balans, en; - Mensen en ontmoeten. Ten aanzien van voorliggend plan zijn enkel de opgaven ‘woongemeente voor iedereen’ en ‘landelijk gebied in balans’ relavant.
Woongemeente voor iedereen Voor nieuwe woningbouwontwikkelingen hebben we ontwikkelgebieden aangewezen in de stad en dorpen. Waar nodig voegen we woningen toe aan de randen van de wijken en dorpen; hiervoor zijn zoekzones aangewezen. Dit past bij het uitgangspunt van de raad om op de eerste plaats in te zetten op bouwen binnen de grenzen van bestaande bebouwing (inbreiding) en op het ombouwen van bijvoorbeeld kantoorpanden tot woningen (transformatie). Bij woningbouwontwikkelingen hanteren we vijf speerpunten: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA Bij dit speerpunt gaat het erom cultuurhistorische en landschappelijke karakteristieken te behouden en mee te nemen in nieuwe ontwikkelingen, uiteraard op een eigentijdse manier. Daarbij mag het centrum van de stad Doetinchem wat meer stadse allure krijgen met meer stedelijke woonmilieus. Aan de randen van de stad en in de dorpen zien we de landschappelijke karakteristieken terug. De menselijke maat behouden is in alle woonmilieus van belang. 2. Bouwen in en aan buurten We grijpen de bouwopgave aan als kans om bestaande buurten te versterken. We bouwen nieuwe woningen zoveel mogelijk in de buurt van voorzieningen als winkels, werk, sport en OV. In de buurt bouwen betekent dat we ook werken aan andere doelen dan wonen, zoals verduurzaming, de versterking van de economische vitaliteit of de verbetering van het woon- en leefklimaat.
39
3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes Het Rijk heeft aangegeven dat bodem en water sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes. Bij de Doetinchemse woningbouwontwikkelingen houden we daar rekening mee. Allereerst in de keuze voor locaties, maar ook door een toekomstbestendige inrichting met het klimaat van de toekomst in het achterhoofd. We zorgen voor voldoende ruimte voor water en groen. 4. Waar nodig bouwen in stadsranden en dorpsranden Het streefbeeld gaat uit van het principe van een compacte stad en dorpen waarbij de woningbouwopgave zoveel mogelijk in de stad en de dorpen wordt gerealiseerd. Aan de randen van de stad en dorpen zijn zeer ruime zoekzones aangegeven, waarbinnen een klein gedeelte ontwikkeld kan worden. Dit betreft altijd maatwerk onder voorwaarden. 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen We ontwikkelen locaties op een manier waarop een samenhangend stads- en dorpsbeeld ontstaat. De woonmilieus die we hebben ontwikkeld passen bij de aard en schaal van het gebied. Elk woonmilieu staat voor een specifiek ruimtegebruik en karakter. Aan de hand van criteria voor functies, bebouwing en openbare ruimte hebben de verschillende milieus hun eigen typering gekregen. De woonmilieus zijn: - Gemengd stedelijk wonen en werken - Stedelijk wonen - Stedelijk wonen nabij het water - Dorps wonen - Wonen in het groen
Landelijk gebied in balans In Doetinchem willen we prettig kunnen wonen en werken in een toekomstbestendig landelijk gebied. Dat is voor ons een belangrijk uitgangspunt. Tegelijkertijd is heel Nederland inmiddels in gesprek over de grote (maatschappelijke) opgaven. Veel van de opgaven waar we voor staan doen een beroep op ruimte. Dat lijkt te omvangrijk voor het landelijk gebied, tenzij we koppelkansen benutten en meerdere functies dus letterlijk op één plek bij elkaar komen. Op landelijk en ook provinciaal niveau zijn daarin nog geen keuzes gemaakt, die wij kunnen uitwerken. We kiezen ervoor die keuzes af te wachten. We vinden het belangrijk dat het Achterhoekse landschap overeind blijft en koesteren de kwaliteiten van het landelijk gebied. We vinden dat ontwikkelingen van meerwaarde moeten zijn voor de leefomgeving en dat het Achterhoekse landschap haar identiteit behoudt. Met een goede regie en soms met subsidie is het mogelijk om tegelijkertijd waardevol landschap te beschermen. 40
We versterken de natuur door het stimuleren van de aanleg van natuur en de aanplant van groen. Daarbij hebben we aandacht voor het ontwikkelen van een robuuste, aaneengesloten groenblauwe structuur. Dat is de aaneenschakeling van natuur- en watergebieden. De groenblauwe structuur in het buitengebied is grotendeels vastgelegd in provinciaal beleid (Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone). We hebben de ambitie deze structuur goed aan te laten sluiten op gemeentelijke groenstructuren, om een groot netwerk te ontwikkelen. Het versterken hiervan leidt tot een verbetering van de (recreatieve) gebruikswaarde en verhoogt de natuurwaarde (meer uitwisseling van populaties). Deze structuur wordt hierdoor ook meer toekomstbestendig en draagt zo tegelijk bij aan een vitaal landelijk gebied. Bijkomend zorgt een groenblauwe structuur voor meer schaduw- en koelteplekken en routes voor mens en dier bij extreme hitte. Door verschillende oorzaken is de kwaliteit van de natuur achteruitgegaan. Veel bomen hebben bijvoorbeeld schade ondervonden van droogte. Ook hebben meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen invloed op de kwaliteit van de natuur. Dat geldt ook voor uitstoot van industrie en verkeer. We proberen de achteruitgang te stoppen. Omdat het landelijk gebied belangrijk is als leefgebied voor veel dier- en plantensoorten, is het nodig hier voldoende aandacht voor te hebben.
Dit omdat we streven naar een vitaal landelijk gebied. We stellen daarom de basiskwaliteit natuur (dat is de minimale kwaliteit voor natuur) als ondergrens in, met als doel ons in te zetten voor het behoud van tenminste het niveau van algemene soorten. We stellen een biodiversiteitsplan op, waarin de basiskwaliteit natuur nader wordt uitgewerkt. We werken in het landelijk gebied aan een betere omgevingskwaliteit. Dit is het samenspel van ruimtelijke kwaliteit, het voldoen aan veiligheids- en milieunormen, sociale en economische samenhang e.d. In het landelijk gebied moet ruimte zijn voor agrarisch gebruik en andere passende functies. Voor de bewoners van het landelijk gebied werken we aan perspectieven met een goed woon- en leefklimaat. We zien in onze gemeente kansen om elkaar te versterken. Zo kunnen inwoners van de stad genieten van wandelingen door het landelijk gebied waar veel boeren hard werken om het te beheren. Op hun beurt kunnen die inwoners de boeren helpen door meer lokale producten te kopen. We zien dat er vaker wensen zijn om agrarische grond anders te gebruiken. We blijven samen met inwoners zoeken naar een goede en veilige invulling van voormalige agrarische erven.
41
Uitgangspunten beleid UITGANGSPUNTEN GROEN Als we het over groen hebben, dan kunnen we acht ambities onderscheiden: -
We behouden onze bestaande hoofdgroenstructuur en waar deze nog niet goed aaneengesloten is, versterken we deze.
-
We versterken de koppeling tussen de groene en blauwe (water) structuur. Om dit te doen, gaan we onderzoeken waar hiervoor knelpunten en kansen liggen.
-
We streven naar een gezonde woon-, werk- en leefomgeving, met voldoende groen en hanteren daarbij de 3-30-300 vuistregel.
-
We willen de hoeveelheid groen laten meegroeien met de groei van de stad en onze dorpen.
-
We streven naar een hoogwaardig en vitaal groenbestand.
-
We hanteren natuurinclusief ontwikkelen als norm, en streven naar het behoud van een basiskwaliteit natuur als ondergrens. We stellen hiervoor een toetsingskader op in de vorm van een natuurpuntensysteem, voor het uniform aantonen van de natuurinclusieve waarde van een plan.
-
We zetten in op meer groenparticipatie en educatie.
-
We koesteren de kwaliteiten in het buitengebied die passend zijn bij het Achterhoekse landschap.
UITGANGSPUNTEN WONEN Het rijk heeft de verplichting opgelegd voor het maken van een woonvisie als één van de weinige beleidsinstrumenten die de fysieke leefomgeving raken, naast de omgevingsvisie. Dat zal in de toekomst waarschijnlijk veranderen, maar is voor ons nu aanleiding om de uitgangspunten voor de woonvisie op te nemen in dit hoofdstuk. De gemeenteraad heeft in september 2022 de uitgangspunten voor de woonvisie vastgesteld. De woonvisie maakt overigens onderdeel uit van de omgevingsvisie als bijlage. De uitgangspunten voor wonen zijn: -
Beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit zijn sleutelbegrippen bij de ontwikkelingen in de woningvoorraad.
-
We gaan uit van de ambitie van groei naar 70.000 inwoners.
-
Woningbouwuitbreidingen realiseren we door primair in te zetten op binnenstedelijke transformatie en inbreiding en waar nodig aan stads- en dorpsranden of op erven in het buitengebied (inmiddels spreken we over landelijk gebied)
-
Bij woningbouwuitbreidingen sluiten we zo veel mogelijk aan bij bestaande mobiliteits- en groenstructuren.
-
We streven naar een passend en betaalbaar aanbod voor alle doelgroepen.
-
We versterken de diversiteit en draagkracht van wijken zoveel mogelijk.
-
We verbeteren de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. 42
-
We zetten in op aantrekkelijke woningen en woonmilieus.
-
We streven naar meer flexibiliteit en gemengde functies in de bebouwde omgeving.
UITGANGSPUNTEN KLIMAATADAPTATIE We willen schade en overlast bij extreme weersomstandigheden zoveel als mogelijk voorkomen (droogte, hitte, wateroverlast, overstromingen). Binnen deze algemene ambitie uit de ‘Klimaatadaptatiestrategie’ onderscheiden wij vijf pijlers: -
Stad en dorp gezond en groen: de bestaande stedelijke omgeving transformeren we samen waar nodig
-
Adaptief landelijk gebied: watersysteem, natuur en landbouw innoveren we samen waar nodig
-
Robuuste vitale infrastructuur: de essentiële infrastructuur is klimaatbestendig
-
Ontwikkelingen klimaatbestendig: alle nieuwbouw en herinrichting doen we klimaatbestendig
-
Betrokken en actieve mensen: we maken mensen bewust en stimuleren klimaatbestendig gedrag
Adaptief landelijk gebied -
Zijn er voldoende mogelijkheden om veilig te schuilen voor mens en dier bij een (eventuele) overstroming.
-
Blijft schade aan landbouwgewassen en natuur beperkt bij droogte.
-
Blijft schade door bosbranden voor mens en natuur beperkt bij droogte.
-
Is de biodiversiteit toegenomen en de weerbaarheid van flora en fauna aanzienlijk versterkt bij droogte.
-
Blijft open water en grondwater van voldoende kwaliteit bij droogte.
-
Blijft voldoende drinkwater beschikbaar voor inwoners bij droogte.
-
Vindt mens en dier verkoeling in (open) landelijk gebied bij hitte.
Ten aanzien van dit project kan gesteld worden dat, voor zover relevant, het plan passend is binnen de doelen en opgaven zoals gesteld in de Omgevingsvisie. Landschappelijke karakteristieken blijven behouden en worden waar mogelijk versterkt. Tevens zal door het ‘opruimen’ van de beide erven een aanzienlijke afname van verhard oppervlak ontstaan, wat meer ruimte voor infiltratie in de bodem van regenwater oplevert. Daarnaast zorgt de landschappelijke inpassing ook voor een impuls in de biodiversiteit door verschillende (inheemse) soorten toe te passen die nuttig zijn voor diverse vogels en insecten. De ontwikkeling van het totale erf resulteert in een betere ruimtelijke kwaliteit en draagt bij aan de leefbaarheid in het buitengebied door leegstand van agrarische opstallen te voorkomen.
43
5.5.2
Overig relevant beleid gemeente
De Woonvisie Doetinchem 2023-2036 ‘Stadse allure - dorpse gemoedelijkheid’ is op 20 april 2023 vastgesteld door de gemeenteraad. In de nieuwe woonvisie zijn de woningbouwstrategie voor nieuwbouwprojecten en de woonvisie voor het volkshuisvestingsbeleid samengevoegd. Ook is er samenhang met de regionale woonagenda. De hoofdpunten van de Woonvisie Doetinchem 2023-2036 zijn: 1. Groeien in kwaliteit. Doetinchem heeft de ambitie om te groeien naar 70.000 inwoners in 2036. Dit hoofdpunt is gekoppeld aan Programmalijn 1: Vergroten woningvoorraad en versnelling productie. Met deze programmalijn wordt ingegaan op de bouw van nieuwe woningen en de noodzaak om de plancapaciteit te vergroten en adaptief te programmeren. Deze groeiambitie is geen doel op zich, maar een middel om de centrumfunctie van Doetinchem met de daarbij behorende voorzieningen te kunnen behouden en om de omgevingskwaliteit te versterken. 2. Kwalitatief goed wonen. Dit punt draait om de kwaliteit van de huidige woningvoorraad. Programmalijn 2: Investeren in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad beschrijft hoe wordt gewerkt aan een toekomstbestendige woningvoorraad. Denk hierbij aan duurzaamheid, levensloopbestendige woningen maar ook aan transformatie van kantoren of winkels naar woningen. 3. Een passende woning voor iedereen.
Doel is een compleet en divers woningaanbod waarbij het bevorderen van beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van het woningaanbod centraal staat. Programmalijn 3: Doetinchem, een plek voor iedereen beschrijft hoe aan dit doel gewerkt wordt. Tot en met 2030 wil de gemeente minimaal 2.470 woningen toevoegen in de hele gemeente via het onderstaande programma. Dit gewenste programma is opgenomen in de regionale woonagenda en vastgelegd in de woondeal met de provincie en het rijk. Totaal: minimaal 2.470 woningen, onderverdeeld in: •
28% sociale huur tot € 808,06, eventueel te vervangen door goedkope koopwoningen tot € 225.000;
•
8% middenhuur tot € 1.000, eventueel te vervangen door betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000;
•
14% betaalbare koopwoningen (categorie 1) tot € 280.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen tot € 1.000; 44
•
17% betaalbare koopwoningen (categorie 2) tot € 355.000, eventueel te vervangen door middenhuurwoningen (tot € 1.000,00);
•
33% dure koopwoningen (boven € 355.000) of dure huur (boven € 1.000).
Plannen van meer dan 20 woningen moeten in principe voldoen aan de gegeven verdeling over de segmenten van het gewenste programma, tenzij de ligging in een bepaalde wijk een andere verdeling rechtvaardigt. Plannen van minder dan 20 woningen die bijdragen aan het realiseren van het gewenste programma hebben een pré. Voor bestaande woningbouwprojecten geldt een overgangsperiode. 4. Wonen als onderdeel van integrale gebiedsopgaven. Wonen gaat ook over leefbaarheid, naoberschap en vitaliteit. Ook de inrichting van de buitenruimte is een belangrijk onderdeel. De woonomgeving draagt bij aan de gezondheid en het welbevinden van de inwoners. Programmalijn 4: Wonen als integrale gebiedsopgave beschrijft hoe dit bereikt kan worden, onder andere door koppelkansen te benutten en via programmering te zorgen voor een beter mix aan woningen in de wijk. Overgangsperiode ontwikkelingen De verdeling van de nieuwe woningen volgens aangegeven programma bij punt 3 geldt voor nieuwe woningbouwprojecten. De huidige planvoorraad sluit niet in alle gevallen aan bij de nieuwe kaders. In de woonvisie is daarvoor de volgende tekst opgenomen voor plannen die al in ontwikkeling waren: Het ruimtelijk streefbeeld voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Uitgangspunt voor de woonvisie is dat bij de ontwikkeling van woningbouw primair moet worden ingezet op inbreiding en transformatie.
Waar nodig kunnen uitbreidingen plaats vinden aan de stads- en dorpsranden. Het ruimtelijk streefbeeld bestaat uit 5 speerpunten en 1 kaartbeeld. De vijf speerpunten zijn: 1. Kwalitatief groeien met Doetinchems DNA; 2. Bouwen in en aan buurten; 3. Bodem en water belangrijk bij ruimtelijke keuzes; 4. Waar nodig stadsranden en dorpsranden; 5. Woonmilieus voor ontwikkelingen.
45
De woonmilieus zijn ingedeeld van Gemengd stedelijk wonen en werken (hoge dichtheid) tot Wonen in het groen (lage dichtheid). Per woonmilieu is uitgewerkt wat de belangrijkste kenmerken zijn.
Toetsing Ten aanzien van dit project wordt geconcludeerd dat het, voor zover relevant, passend is binnen de ambities van de woonvisie gemeente Doetinchem 2023 – 2036. Het plan voorziet in de ontwikkeling van slechts 2 woningen, de regels over verdeling van nieuwe woningen over de diverse segmenten gelden echter pas voor plannen van 20 woningen of meer. Vanzelfsprekend worden de woningen gebouwd conform de actuele normen voor duurzaamheid en energieverbruik. Daarnaast wordt er naast de ontwikkelingen van de woningen ook geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit. Notitie Wonen Landelijk gebied De Notitie Wonen Landelijk gebied is door de gemeenteraad vastgesteld op 17 december 2020 en vervolgens op 2 maart 2023 geactualiseerd vastgesteld. Deze notitie stelt de regels en voorwaarden voor het toevoegen van nieuwe woningen in het buitengebied van Doetinchem. In samenhang met het uitgangspunt dat het toevoegen van een woning geen doel op zich is, zijn de voorwaarden om medewerking te verlenen aan woningen in het
46
landelijk gebied afgeleid van de volgende aan elkaar verbonden (fysieke) uitgangspunten: -
Het landelijke karakter van het landelijk gebied blijft zo veel mogelijk behouden;
-
Het toevoegen van nieuwe woningen staat de bedrijfsvoering van bestaande (agrarische) bedrijven en het bestaande gebruik van gronden (voor agrarische doeleinden) niet in de weg;
-
Een toename van ‘verstening’ in het landelijk gebied wordt zo veel mogelijk beperkt en kwaliteitsverbetering van ‘bestaande stenen’ en ‘ontstening’ wordt gestimuleerd;
-
De aanwezige landschaps- en natuurwaarden worden hersteld en versterkt.
In voorliggend plan is er sprake van functieverandering van (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen naar wonen. Hiervoor gelden de volgende regels. 1. In de basis geldt het volgende: a. Aangetoond is dat de te slopen opstallen legaal tot stand zijn gekomen en gedurende minimaal 3 jaar in gebruik zijn geweest ten dienste van de (agrarische) bedrijfsbestemming; b. Vaststaat dat de bedrijfsvoering is of wordt beëindigd. Dit betekent ook dat een verzoek om intrekken van een omgevingsvergunning activiteit milieu of melding Activiteitenbesluit milieu moet zijn ingediend uiterlijk binnen 1 maand na onherroepelijk worden van het ruimtelijk plan dat functieverandering mogelijk maakt. c. De (agrarische) bestemming ter plaatse geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’, met dien verstande dat het (agrarisch) bouwvlak in elk geval is verwijderd; d. Aangetoond is dat het realiseren van de woning(en) met bijbehorende bouwwerken niet leidt aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken en dat een aanvaardbaar woon en leefklimaat is gewaarborgd. 2. De behoefte aan de te realiseren woning(en) moet zijn aangetoond. Daarom moet een onderbouwd verzoek om medewerking gezamenlijk worden ingediend door de eigenaar van locatie en de potentiële koper(s) van de te realiseren woning(en). 3.
Voor het realiseren van de woning(en) wordt een termijn gesteld van maximaal 1 jaar.
47
Aanvullend gelden voor sloop /nieuwbouw en hergebruik de volgende regels: 4. Voorwaarden sloop/nieuwbouw a. Alle (agrarische) bedrijfsgebouwen moeten worden gesloopt met uitzondering van monumentale en/of gebouwen met een cultuurhistorische waarde. Deze kunnen worden ingezet als bijbehorend bouwwerk en/ of woning. De oppervlakte van de bebouwing wordt wel meegerekend met het totaal aantal te slopen bebouwing. Onder de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen valt ook het verwijderen van bouwwerken geen gebouwen zijnde (bijv. mest/sleuf- en voersilo’s, erfverharding/-afscheiding). Het aantal m2 dat aan bouwwerken geen gebouwen zijnde wordt verwijderd wordt niet meegerekend in de benodigde m2 sloop voor de realisatie van één of meerdere woningen; b. In ruil voor de sloop van alle voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen kunnen maximaal vier zelfstandige woningen worden toegestaan verdeeld over maximaal twee woongebouwen (elk woongebouw maximaal 2 woningen) binnen de contouren van het voormalig (agrarisch) bouwvlak. c. Met inachtneming van 4a, het maximaal aantal woningen zoals genoemd in 4b en het één-erfprincipe is hergebruik van monumentale en/of gebouwen met cultuurhistorische waarden als woning of bijgebouw mogelijk. Voor de maximale inhoud per woning/woongebouw geldt als maximum de bestaande inhoud. d.
De oppervlakte gesloopte bebouwing dat niet benodigd is voor de bouw van één of meerdere woningen, mag niet op een locatie elders worden ingezet.
48
Tabel 1: Sloopopgave functieverandering agrarisch naar wonen 5. Als om redenen de nieuwbouw van een woning niet kan plaatsvinden binnen de contouren van het voormalig (agrarisch) bouwvlak, dan kan realisatie van de woning: a. plaatsvinden op een perceel aansluitend op het voormalig (agrarisch) bouwvlak; b. plaatsvinden op een andere VAB-locatie als realisatie op een perceel aansluitend op het (agrarisch) bouwvlak ook niet kan plaatsvinden;
49
Mits dat niet leidt tot aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken, een aanvaardbaar woon-en leefklimaat is gewaarborgd en aansluitend op de uitgangspunten van het beleid in voldoende mate sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit. 6. De benodigde sloop voor de realisatie van het aantal gewenste woningen kan verdeeld over meerdere locaties plaatsvinden. Voor een slooplocatie geldt een sloopondergrens van minimaal 300 m2. De bouw van de woning(en) vindt plaats op één locatie Voor deze locatie geldt een sloopondergrens van 500 m2. Als gebruik wordt gemaakt van meerdere locaties, dan wordt voor die locaties met één planologisch procedure vastgelegd dat gesloopte bebouwing niet kan worden teruggebouwd. 7. Als op basis van een Rijks-of provinciale regeling een financiële vergoeding is of wordt toegekend voor het beëindigen van agrarische bedrijfsactiviteiten, dan moet worden aangetoond dat de realisatie van één of meerdere woningen noodzakelijk is om de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen te kunnen bekostigen. Voorwaarden kwaliteit woningen: 8. De te realiseren woning(en) moet(en) aardgasloos, levensloopbestendig, natuurinclusief en (bijna) energieneutraal zijn gebouwd en in ieder geval voldoen aan het Bouwbesluit. 9.
De herontwikkeling van het erf wordt benut om ook de bestaande woning te verduurzamen naar bij voorkeur minimaal energielabel B. Voorwaarden bijbehorende bouwwerken: 10. Voorwaarden bijbehorende bouwwerken a. Elke zelfstandige woning (bestaand en nieuw) heeft recht op maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken of maximaal 150 m2 als voldaan wordt aan de (landelijke) regels voor vergunningsvrij bouwen. Als monumentale bebouwing en/of met een cultuurhistorische waarde op het erf aanwezig zijn, dan moeten deze gebruikt worden als bijbehorende bouwwerken. In het inrichtingsplan wordt uitgegaan van de maximale (vergunningsvrije) mogelijkheden aan bijbehorende bouwwerken. b. hergebruik van bestaande bebouwing als bijbehorende bouwwerken is mogelijk tot bij de woningen behorende maximum, mits passend in/bij het inrichtingsplan voor de gehele locatie. Voorwaarden landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing: 11. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige ruimtelijke (landschappelijke en stedenbouwkundige) inpassing. Daarvoor moet een door de gemeente 50
goedgekeurd (samenhangend) erf- en landschappelijk inrichtingsplan worden opgesteld, welke voldoet aan bijlage 1, 2, 3 en 4. De landschappelijke inpassing moet gerealiseerd zijn binnen 1 jaar na ingebruikname van de nieuwe bestemming (Wonen) en dient vervolgens in stand te worden gehouden. Sloop op een andere locatie die onderdeel uitmaakt van het initiatief, mag niet leiden tot een substantiële afbreuk van de uitstraling op de omgeving. Bijlage 4 voor wat betreft het onderdeel ‘bebouwing’ maakt onderdeel uit van de welstandsnota en initiatieven worden daar door de Welstandscommissie aan getoetst. Voorwaarde anti-dubbelgebruik: 12. Als een woning op basis van functieverandering wordt/is gerealiseerd, dan komt deze niet aanmerking voor splitsing.
Toetsing Ten aanzien van dit project wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de eisen voortkomend uit de Notitie wonen landelijk gebied. De te slopen opstallen (2044 m2) zijn legaal tot stand gekomen en meer dan 3 jaar in agrarisch gebruik geweest. Op het gedeelte behorende bij Bultensweg 14 zijn de agrarische activiteiten al sinds 2005 gestaakt. Op basis van persoonsgebonden overgangsrecht mag het kleinschalige loonbedrijf behorende bij huisnummer 12 worden voortgezet door de huidige bewoners. Gezien de hoge leeftijd van de bewoners is ook dit gebruik op termijn eindig. Voor het gehele erf wordt de agrarische functie omgezet naar ‘wonen’. Voorliggend plan is op voldoende afstand van agrarische bedrijven gelegen om geen belemmering te vormen voor de gebruiksmogelijkheden van deze bedrijven. De huidige bewoners van de (tijdelijke) woningen aan de Bultensweg 14, zijn eveneens de toekomstige bewoners van de nieuw te realiseren woningen (fase 1). Bovenop de sloop van in totaal 2044 m2 aan agrarische opstallen worden ook de (tijdelijke) woningen, samen 260 m2, gesloopt om het erf verder op te ruimen (deze meters worden niet meegenomen in de sloopopgave). Voorts zijn de initiatiefnemers voornemens zo spoedig mogelijk te beginnen met de bouw van de nieuwe woning, waarmee de termijn van maximaal 1 jaar voor het starten met realisatie van de woning geen probleem zal zijn.
In zijn totaliteit wordt er op de erven Bultensweg 12 en 14 2044 m2 gesloopt aan (voormalige) agrarische opstallen, daar waar de minimale sloopopgave voor 2 woongebouwen (max 750 m3) met in totaal drie wooneenheden minimaal 1900 m2 bedraagt. Er is dus sprake van 144 m2 sloop boven de minimale sloopopgave, met daar bovenop nog 260 m2 sloop die niet meetelt voor de sloopopgave om het erf op te ruimen. Met het oog op de hogere leeftijd van de (groot)ouders en de eventuele
51
toekomstige mantelzorg is het onder één dak wonen een toekomstbestendige ontwikkeling. Ook worden de nieuw te bouwen woningen conform de geldende normen uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving gebouwd; aardgasloos en (bijna) energieneutraal. De te behouden woning en de drie nieuwe woningen worden ieder voorzien van het toegestane aantal vierkante meters aan bijbehorende bouwwerken; maximaal 150 m2 op basis van de regels voor vergunningsvrij bouwen. Het landschappelijk inpassingsplan (zie separate bijlage) wordt als voorwaardelijke verplichting aan het omgevingsplan verbonden. Zodoende is een zorgvuldige landschappelijke inpassing gewaarborgd. Ook de termijn van uitvoering en de instandhouding van de landschappelijke inpassing is vastgelegd in de voorwaardelijke verplichting, conform de termijnen zoals gesteld in de Notitie wonen landelijk gebied. Op basis van het hiervoor gestelde wordt geconcludeerd dat voorliggend plan passend is binnen de kaders van de notie Wonen landelijk gebied.
5.5.3
Relevante programma’s
5.5.4
Maatschappelijke behoefte
Met de uitvoering van voorliggend plan wordt voorzien in het huisvesten van drie generaties uit één familie onder één dak in twee wooneenheden in het buitengebied, met daarnaastde realisatie van een nieuwe woning. Dit draagt bij aan het leefbaar houden van het buitengebied door bewoning van erven waar niet langer sprake meer is van agrarische activiteiten ook in de toekomst te waarborgen. Eveneens wordt door de verplichte sloop van de (voormalige) agrarische opstallen leegstand tegengegaan, wat ook ondermijnende activiteiten tegen gaat. Al met al kan worden geconcludeerd dat hiermee in algemene (sociaal) maatschappelijke behoeften wordt voorzien en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5.5
Conclusie gemeentelijk beleid
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het wijzigingsbesluit binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Doetinchem.
52
5.6 Omgevingswaarden De gemeente heeft voorlopig geen gebruik gemaakt van de in het Bkl verankerde bevoegdheid tot het vastleggen van facultatieve omgevingswaarden. Toetsing hieraan is daarom niet mogelijk.
6. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.
6.1 Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
6.1.1
(Wettelijk) kader
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen zijn via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •
Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; 53
•
Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
•
Het bevorderen van bronmaatregelen;
•
Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels;
•
Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Onder de Omgevingswet zal in de toekomst worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Tot op heden geldt echter nog een vaste afstand voor de geluidaandachtsgebieden. Dit is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. Voor de wegen nabij het plangebied is deze afstand 200 meter Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.
54
6.1.2
Onderzoek
Afbeelding 2: Uitsnede kaart Geluid van wegverkeer Nederland (Lden) (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
6.1.3
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van twee nieuwe woningen in het buitengebied. Deze woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen die beschermd dienen te worden tegen geluid. Op basis van de kaart Geluid van werverkeer (Lden) wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Ter plaatse van de geplande nieuwe woningen geldt een geluidsniveau van maximaal 51 dB, met name afkomstig van verkeer van de Bultensweg en de Turfweg. Dit is binnen de grenzen van het geluidsproductieplafond van 53 Lden voor gemeentewegen, zoals gesteld in artikel 3.34 Bkl. Overige milieubelastende activiteiten die mogelijk hinder veroorzaken voor de twee nieuwe woningen zijn allen op meer dan voldoende afstand (150 tot 200 meter) gelegen en vormen zodoende geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente Doetinchem heeft de cumulatie van geluidsbelasting afkomstig van warmtepompen nadrukkelijk meegegeven als aandachtspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gezien de grote afstand ten opzichte van omliggende woningen en de 55
onderlinge afstand tussen de te behouden woning en de nieuwe woningen zal de geluidsproductie van warmtepompen eveneens geen belemmering vormen voor dit project.
6.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
6.2.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
•
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 56
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.
6.2.2
Onderzoek
In artikel 5.54 van het Bkl zijn standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit aangewezen, waaronder het realiseren van ten hoogste 1.500 woningen met één ontsluitingsweg. Deze standaardgevallen zorgen niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit door de toename NO2 en PM10 met meer dan 1,2 ug/m3. Met de realisatie van twee nieuwe woningen valt de voorgenomen ontwikkeling ruim onder de grens van 1.500 woningen voor een geval wat niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
6.2.3
Conclusie
De ontwikkeling vindt plaats buiten een van de aandachtsgebieden luchtkwaliteit zoals vastgelegd in het Bkl. Tevens gaat het met voorliggend plan om een standaardgeval NIBM. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is en de ontwikkeling ook niet bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 57
6.3.1
(Wettelijk) kader
De instructieregels van het Bkl voor geur afkomstig van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties.
6.3.2
Onderzoek
In de directe nabijheid van de locatie van de nieuw te bouwen woningen zijn voornamelijk erven met een woonbestemming gelegen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is een varkenshouderij, gelegen op circa 330 meter van de nieuwe woning Bultensweg 14. Voor varkenshouderijen geldt op grond van de VNG richtafstanden richtafstand van 200 meter voor geur.
6.3.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
58
6.4 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem.
6.4.1
(Wettelijk) kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
•
Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
•
Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
6.4.2
Onderzoek
Gezien het feit dat voorliggend plan reeds is opgestart onder de wetgeving van de Wro en het Besluitbodemkwaliteit, is er conform deze regelgeving door Kruse Milieu BV een verkennend (asbest) bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN5740 en NEN5707 op het erf Bultensweg 14, het rapport van dit onderzoek is opgenomen in een separate bijlage bij dit document. Aangezien de agrarische activiteiten op huisnummer 12 op basis van persoonsgebonden overgangsrecht mogen worden voortgezet zal op deze locatie de bodemkwaliteit voorafgaand aan de bouw van de nieuwe woning moeten worden uitgevoerd.
59
In de bovengrond, de ondergrond en in het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond. In de bovengrond (BG II) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In de mengmonsters van de fijne fractie is geen asbest aangetoond.
6.4.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.5 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren.
6.5.1
(Wettelijk) kader
In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom).
6.5.2
Onderzoek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van drie nieuwe woningen in het buitengebied. Deze ontwikkeling heeft een zeer beperkte verkeer aantrekkende werking. Voor alle woningen geldt dat er voor parkeren ruim voldoende ruimte is op eigen erf om aan de parkeerbehoefte te voldoen.
6.5.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.6 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die 60
ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
6.6.1
(Wettelijk) kader
De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
•
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
•
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
•
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
61
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
•
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
•
Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
•
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
6.6.2
Onderzoek
Figuur 11: Uitsnede kaart Externe veiligheid (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Om te bepalen of er in de omgeving van het plangebied risicobronnen voor de omgevingsveiligheid aanwezig zijn is de kaart Externe veiligheid geraadpleegd, zie figuur 12. Zoals op de kaart is aangegeven zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig.
62
6.6.3
Conclusie
Het aspect Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.7 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.
6.7.1
(Wettelijk) kader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
6.7.2
Onderzoek
Om de mogelijke effecten op aanwezige flora- en fauna in kaart te brengen is in augustus 2023 een ecologisch onderzoek uitgevoerd door een ecoloog van Eelerwoude. Het rapport van dit onderzoek is terug te vinden in een separate bijlage bij dit document. In dit onderzoek is het gedeelte van de ontwikkeling voor de Bultensweg 14 getoetst aan de aspecten soortenbescherming, gebiedsbescherming en bescherming houtopstanden. Dit onderzoek is nog uitgevoerd op basis van de kaders van de Wet natuurbescherming, die beleidsneutraal is opgenomen in de Omgevingswet, waardoor de conclusies ook in het stelstel van de Omgevingswet bruikbaar blijven.
63
Soortenbescherming Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van het leefgebied van een aantal beschermde zoogdieren en amfibieënsoorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, egel, ree, haas, konijn, vos, diverse algemene muizen en spitsmuizen. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk in gebruik zijnde nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van in gebruik zijnde nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien voorafgaand aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige middels een broedvogelinspectie is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten van broedvogels worden vernield, beschadigd of weggenomen. Voor de Wet natuurbescherming (per 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet) zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort.
Gebiedsbescherming Niet stikstof-gerelateerde effecten: Het plangebied zelf ligt niet in een Natura 2000-gebied en in de directe omgeving van het plangebied zijn eveneens geen Natura 2000-gebieden aanwezig. Op ongeveer 13,3 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (AERIUS, 2023). De tijdelijke aard en beperkte omvang van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
64
Stikstof-gerelateerde effecten Op 2 november 2022 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de tot dan toe geldende bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. In dat kader is voor zowel de bouw-/aanlegfase als voor de gebruiksfase van ruimtelijke ontwikkelingen daarom een stikstofdepositieberekening benodigd. Om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden te bepalen is een AERIUS calculatie uitgevoerd. De uitkomsten hiervan zijn opgenomen in een afzonderlijke bijlage bij dit document. In deze rapportage worden enkel de ontwikkelingen op het erf Bultensweg 14 getoetst. Aangezien de rekenmodellen jaarlijks worden bijgewerkt, is het niet mogelijk de ontwikkeling van het erf Bultensweg 12 mee te nemen in de berekening. Deze ontwikkeling zal voorafgaand aan de realisatie in een afzonderlijke berekening moeten worden getoetst.
Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen houtopstanden gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN of Groene Ontwikkelingszone (GO). Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN significant aantasten. Daarnaast wordt het bestemmingsplan van het plangebied niet gewijzigd en is er ook geen sprake van een afname van het areaal van het GNN en GO. Een toetsing aan het GNNbeleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
6.7.3
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
65
6.8 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.
6.8.1
(Wettelijk) kader
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
Verplaatsing van beschermde monumenten;
•
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
6.8.2
Onderzoek
Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. De oorspronkelijke boerderij op het adres Bultensweg 12 (bouwjaar 1920) is uitgevoerd in een voor de streek kenmerkende bouwstijl en heeft daarmee enige cultuurhistorische waarde. De te reeds gesloopte ligboxenstal en de op een later moment te slopen schuren zijn allen van een recenter bouwjaar en hebben geen cultuurhistorische waarde. Door het ‘opruimen’ van de beide erven door middel van het slopen van de agrarische opstallen zal de oorspronkelijke boerderij beter tot zijn recht komen. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen archeologische waarden, beschermde monumenten of cultuurhistorische waarden aanwezige, waardoor er geen sprake is van aantasting van deze objecten.
Archeologie Conform het de geldende archeologische dubbelbestemming geldt er en onderzoeksplicht voor ontwikkelingen met een oppervlakte groter dan 5.000 m 2 en dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld. In voorliggend plan wordt deze 66
drempelwaarde niet overschreden wat maakt dat archeologisch onderzoek ter plekke niet noodzakelijk is.
6.8.3
Conclusie
Het aspect cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
6.9 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.
6.9.1
(Wettelijk) kader
Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.
Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.
Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl).
67
De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.
Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5).
6.9.2
Onderzoek energietransitie
De nieuw te bouwen woningen worden gebouwd conform de geldende vereisten voor energiezuinigheid en BENG-eisen voor thermische isolatie, luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekeningen die aantonen dat aan deze eisen wordt voldaan zullen bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning of melding voor de daadwerkelijke bouwwerkzaamheden worden toegevoegd.
6.9.3
Onderzoek circulariteit
Een onderbouwing aan de hand van de Bepalingsmethode Milieuprestatie om aan te tonen dat er aan de geldende eisen voor de milieuprestatie wordt voldaan zal onderdeel zijn van de vergunningsaanvraag cq. melding voor de daadwerkelijke bouw van de nieuwe woning.
6.9.4
Onderzoek klimaatadaptatie en water
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van twee nieuwe woningen, in ruil voor de sloop van circa 2000 m2 (voormalige) agrarische opstallen en het ‘opruimen’ van de beide erven. Hiermee zal het totale verharde oppervlak afnemen en ontstaat er meer ruimte voor het infiltreren van hemelwater in de bodem. De hemelwaterafvoer van de nieuw te realiseren woningen wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ook lokaal worden opgevangen en in de bodem geïnfiltreerd. Zoals ook reeds in het aspect ‘Water’ behandeld ziet het Waterschap Rijn en IJssel geen belemmering voor het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast voorziet de voorgenomen ontwikkeling in de toevoeging van diverse (inheemse) beplanting die een positief effect hebben op de biodiversiteit.
68
6.9.5
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de gestelde kaders voor het aspect duurzaamheid.
6.10
M.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.
6.10.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: •
Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of projectm.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;
•
Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.
In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.
69
6.10.2 Onderzoek De beoogde ontwikkeling is niet te categoriseren als een stedelijke ontwikkeling, zoals opgenomen onder Nr. J11 in Bijlage V bij het Ob. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een plan-m.e.r.(-beoordeling) niet noodzakelijk.
6.10.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (de realisatie van meer dan 11 woningen). Een toetsing van de potentiële effecten en het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.