CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Onderbouwing Akkermansweg 2 Gaanderen.pdf

gemeenteraad 27 maart 2025, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.1: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024-2G10.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

6.7.1

(Wettelijk) kader

De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);

•

Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;

•

Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra 37

maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: •

Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);

•

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

6.7.2

Onderzoek

De omgeving kenmerkt zich als een agrarisch gebied, gemengd met burgerwoningen. In de omgeving zijn geen installaties aanwezig die gevaar op leveren voor de omgevingsveiligheid.

6.7.3

Conclusie

In de omgeving van de projectlocatie worden geen activiteiten uitgevoerd die van invloed kunnen zijn op de veiligheid van de omgeving.

6.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door stikstofdepositie.

6.8.1

(Wettelijk) kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de 38

soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

6.8.2

Onderzoek

De projectlocatie betreft een agrarisch erf met voeropslag, en daar omheen weilanden. Het stuk weiland dat in het project beoogd wordt als voeropslag, wordt intensief gebruikt al grasland voor de koeien. Door dit gebruik zijn er geen beschermde soorten aanwezig.

6.8.3

Conclusie

Het project heeft geen negatieve gevolgen voor de natuur.

6.9 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken.

6.9.1

(Wettelijk) kader

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: •

Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;

•

Verplaatsing van beschermde monumenten;

•

Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;

•

Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;

•

Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

39

Let op: de gemeentelijke erfgoedverordening maakt in de overgangsfase ook onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege en daarmee van het (Wettelijk) kader. Deze moet vóór 2030 worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Hier moet in de tussentijd wel aan getoetst blijven worden. Met betrekking tot archeologie geldt de archeologische beleidskaart. Deze schrijft per gebied voor, welke onderzoekverplichtingen gelden. Uitgangspunt van het archeologiebeleid is zoveel mogelijk behoud in situ, dus op de plek zelf.

6.9.2

Onderzoek

Op de locatie zijn geen monumentale objecten aanwezig. De Waarde - Archeologische verwachting 6 (WR-A6) is zeer laag. Wanneer een bouwwerk groter dan 5000 m2 en met een bodemverstoring dieper dan 0,3 m dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde voldoende is vastgelegd. De te plaatsen bouwwerken hebben een totale oppervlakte van 2100 m2.

Figuur: uitsnede uit kaart behorende bij Beheersverordening Landelijk Gebied

6.9.3

Conclusie

Ten aanzien van het project speelt de aanwezigheid van cultureel erfgoed geen rol.

40

6.10

Duurzaamheid

Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transitie naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransitie’, ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptatie en water’.

6.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.

Energietransitie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.

Circulariteit Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestatie van een woonfunctie, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncties daarvan (artikel 4.159 Bbl). De milieuprestatie wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode Milieuprestatie gebouwen en GWW-werken.

Klimaatadaptatie en water Voor het kader voor klimaatadaptatie en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptatie en water (zie hoofdstuk 5).

41

6.10.2 Onderzoek energietransitie

De beoogde bouwwerken, sleufsilo’s voor voeropslag zijn geheel energieneutraal.

6.10.3 Onderzoek circulariteit Een berekening van milieuprestatie is op de beoogde objecten niet van toepassing. Wel wordt er circulair gewerkt met de aanleg van de sleufsilo’s door het puin van de oude voeropslagen te breken en te hergebruiken als puinverharding onder de nieuwe sleufsilo’s

6.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het landelijk gebied. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als mijlpaal bepaald dat in 2050 sprake moet zijn van een klimaatbestendige inrichting van de omgeving. Hierin hebben overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Voor een goede klimaatadaptieve omgeving is onderstaande overzichtstabel opgesteld:

42

Provincie Gelderland heeft de amibitie om in 2050 klimaatbestendig te zijn, door goed voorbereid en toegerust te zijn op de gevolgen van klimaatverandering: Wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.

Wateroverlast wordt op de projectlocatie voorkomen door het peil van de sleufsilo’s ca 15 cm hoger aan te leggen dan het omliggende maaiveld. Gelet de grote oppervlakte van de het omliggende terrein zal hierdoor geen sprake zijn van wateroverlast, invloed van droogte en /of overstroming. Ook voor de omgeving van de projectlocatie is voorzien in maatregelen tegen wateroverlast. Ook een hoosbui levert geen gevaar op door het realiseren van extra opvang van een extreme regenbui. Hoge temperaturen zijn niet van invloed op het gebruik van de sleufsilo’s omdat er ter plekke geen warmte geproduceerd wordt. Overstromingsgevaar is gelet de hoogteligging van de projectlocatie in de omgeving geen enkel issue.

43

In het kader van de waterbelangen is de digitale watertoets als genoemd in 5.4.3 doorlopen, met onderstaand resultaat. De toename van het verharde oppervlak zal gecompenseerd worden met een extra buffer voor hemelwateropvang, waarin een hoosbui van T10+10% opgevangen kan worden. Uit de resultaten van het digitale wateradvies blijkt dat er een toename is van verharding van 2000 m2. Hiermee wordt de grens van 500 m2 overschreden en is deze ontwikkeling vergunningsplichtig. Het hemelwater dat afstroomt van het toekomstig verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden. Dit komt voor een ontwikkeling in landelijk gebied neer op een hemelwatercompensatie van 55 mm per m2 verhard oppervlak. De beoogde voorziening is voldoende groot om de benodigde berging te kunnen bergen en er zijn geen nadelige effecten op het omliggende gebied en de riolering. Het hemelwater wordt ook vertraagd afgevoerd met een toelaatbare afvoer van 1,6 l/s.ha. Daarnaast kan het hemelwater overlopen op het maaiveld (weilanden) bij hevige buien Ten aanzien van de waterkwaliteit zal regenwater dat in aanraking is geweest met kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen in een aparte put opgeslagen worden. Alleen schoon hemelwater wordt geloosd op de bodem. (tweeleidingen-systeem toe te passen bij alle 4 sleufslilo’s)

44

45

6.10.5 Conclusie Het aspect duurzaamheid, klimaatadaptatie en water vormen geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.11

M.e.r.-beoordeling

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven.

6.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: •

Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of projectm.e.r.-beoordelingsplichtig besluit of;

•

Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

46

6.11.2 Onderzoek Bevinding op basis van de M.e.r.-scan : https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/milieueffectrapportage/start-mer-scan/ De aanleg en het gebruik van sleufsilo’s voor voeropslag worden niet als milieubelastend beoordeeld, een milieueffectrapport of een aanmeldnotitie MER is niet van toepassing.

6.11.3 Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.12

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het project ligt geheel buiten het stedelijke gebied, derhalve is de ladder niet van toepassing.

6.13

Milieubelastende activiteiten

Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan/vergunning. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: •

Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja;

•

Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten;

•

Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld.

6.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan

veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit” . 47

Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de NvT van het Bkl blijkt dat daarmee ‘milieubelastende activiteiten’ worden bedoeld.

6.13.2 Onderzoek Op de projectlocatie zullen sleufsilo’s aangelegd worden voor de opslag van ruwvoer (gras, mais) voor de koeien Deze mba zal gemeld worden in het DSO. Door het toepassen van de opvang van perssappen wordt het mogelijke effect van deze activiteit tot het minimum beperkt.

6.13.3 Conclusie Het project omvat het aanleggen van sleufsilo’s, een milieubelastende activiteit. Deze activiteit kan op basis van de hiervoor geldende regels zondermeer plaatsvinden. Mba’s vormen geen belemmering voor het project.

6.14

Gezondheid

De Omgevingswet bevordert integrale besluitvorming en samenhang door alle relevante aspecten - waaronder gezondheid - in een zo vroeg mogelijk stadium te betrekken. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: •

Het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?);

•

Het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

48

Het project heeft geen relatie met het beschermen of bevorderen van gezondheid. Dit aspect heeft geen gevolgen voor het object.

49

7. Beperkingengebieden Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom (spoor)wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, zowel ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk alsook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Het project ligt niet in een beperkingengebied; dit aspect speelt geen rol.

8. Uitvoerbaarheid 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.1.1

Financieel economische haalbaarheid

De economische haalbaarheid is geen item voor de gemeente. De gehele exploitatie van het project komt voor rekening van initiatiefnemer.

8.1.2

Kostenverhaal

De voorliggende ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van een initiatiefnemer. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling ten aanzien van het kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking. De economische uitvoerbaarheid van de wijziging van het omgevingsplan is hiermee voldoende aangetoond.

8.1.3

Nadeelcompensatie

In geval voor realisatie van het onderhavige initiatief een schadeveroorzakend besluit nodig is als bedoeld in artikel 15.1, eerst lid van de Omgevingswet, kan dit tot voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie leiden. 50

Naar verwachting van initiatiefnemer zal geen sprake zal zijn van voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatie. Ondanks deze verwachting heeft de gemeente met initiatiefnemer een verhaalsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3c Ow gesloten ter zake van een mogelijke nadeelcompensatie die voor vergoeding in aanmerking komt. Zodoende is voor wat betreft nadeelcompensatie de uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.2.1

Participatie

Het overleg met de ketenpartners en het participatieproces met omwonenden en belanghebbenden is al besproken in het hoofdstuk ‘voorbereiding en participatie’. Onder deze paragraaf wordt het formele participatietraject dat hierop volgt behandeld. De gemeente publiceert de wijziging van het omgevingsplan digitaal via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerp-omgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO-LV) c.q. Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden. Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8203/documents/49306