CConstaterende datDoetinchem
Koppel je AI →
Document · PDF

04_03_09_Bijlage 8 - Nader onderzoek flora en fauna.pdf

gemeenteraad 24 oktober 2024, gemeente DoetinchemBij agendapunt: 5.2: Wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Doetinchem 2024 - 1G5.452 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend natuuronderzoek Perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem In opdracht van WBC Bouwgroep

Colofon Aanvullend natuuronderzoek perceel Terborgseweg in Doetinchem

Opdrachtgever Contactpersoon

WBC Bouwgroep Mevr. N. Hegeman

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2612 Ing. R. Boerboom Ing. R. Top 20 september 2023 Plangebied (foto: S. Wamelink)

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

5

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Geplande activiteiten ............................................................................................ 5

Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 7 3.1

Onderzoeksmethode ............................................................................................ 7

3.2

Resultaten .......................................................................................................... 10

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 19 4.1

Toetsing aan Wet natuurbescherming ................................................................. 19

4.2

Wezel ................................................................................................................. 19

4.3

Teunisbloempijlstaart .......................................................................................... 19

Conclusie ................................................................................................................... 20

Bijlage 1

Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 22

Samenvatting Uit gericht onderzoek blijkt dat de geplande ruimtelijke ontwikkelingen op het perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem geen negatief effect hebben op de beschermde wezel. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort. Binnen de grenzen van het plangebied is geen leefgebied van de beschermde teunisbloempijlstaart vastgesteld. Ondanks dat het tweede veldbezoek niet uitgevoerd kan worden, is de inschatting dat de soort geen leefgebied heeft in het plangebied. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Voor overige beschermde soort(groep)en is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming ook niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. Verstoring van (overige) broedvogels moet wel voorkomen worden. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen.

Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om op een perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem 57 appartementen, verdeeld over 5 gebouwen, te realiseren. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van WBC Bouwgroep. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde veldonderzoek uit op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1

Inleiding

Er zijn plannen om op een perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem 57 appartementen, verdeeld over 5 gebouwen, te realiseren. Voor deze werkzaamheden verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer oplegt. Uit de eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets (SA rapport 2497) blijkt dat de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde soorten wezel en teunisbloempijlstaart. Gericht onderzoek naar deze soort(groep)en is noodzakelijk voor deze locatie. Mevrouw Hegeman is namens WBC Bouwgroep betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies voor het uitvoeren dit aanvullende natuuronderzoek.

1.2

Doel

Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van de wezel en individuen van de teunisbloempijlstaart. Voor overige beschermde soorten zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, of zijn te voorkomen door rekening te houden met gevoelige perioden, zoals het broedseizoen.

Terborgseweg

Figuur 1. Luchtfoto het plangebied (rood). Bron luchtfoto: Provincie Gelderland (2022).

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1

Gegevens plangebied

Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

2.2

Terborgseweg Doetinchem Doetinchem Gelderland

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Doetinchem (zie figuur 1). Het plangebied bestaat deels uit (verruigd) grasland en deels uit ruderaal terrein met onder andere braamruigte en spontane opslag van jonge bomen met verspreid daartussen een enkele oudere boom. In de oosthoek van het plangebied, langs de Frans Halsweg, is een bosschage aanwezig. Het plangebied ligt ingeklemd tussen de Terborgseweg, de Oostelijke Randweg en de Frans Halsweg (zie figuur 1).

2.3 Geplande activiteiten Op de locatie aan de Terborgseweg worden 57 appartementen, verdeeld over 5 gebouwen, gerealiseerd (zie figuur 2). Voor deze ontwikkeling wordt het aanwezig groen, met uitzondering van een enkele monumentale boom, verwijderd. De verstoringen gerelateerd aan de kap- en bouwfase zullen vooral gelinkt zijn aan het gebruik van zwaar materieel (lawaai, trillingen e.d.) en eventueel kunstlicht, en de blijvende veranderde factoren zijn een afname van bosschages en bomen en andere schuilmogelijkheden, en daarmee het mogelijke verdwijnen van habitat voor soorten.

Pagina 5

Figuur 2. Structuurontwerp Appartementen Terborgseweg. Bron: WBC Bouwgroep (29 juni 2021, gewijzigd: 1803-2022 en 11-07-2022).

Pagina 6

3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en resultaten van het aanvullend onderzoek behandeld.

3.1

Onderzoeksmethode

Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald. Hiervoor hanteert Staring Advies de richtlijnen uit de ‘Toelichting aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming (provincie Gelderland)’ en ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel). Voor de teunisbloempijlstaart is geen landelijk erkend onderzoeksprotocol beschikbaar.

3.1.1

Wezel

In het plangebied is mogelijk sprake van een vaste rust- en verblijfplaats en/of functioneel leefgebied van de wezel. Nader onderzoek naar het voorkomen van deze soort is noodzakelijk om te bepalen of hiervan sprake is. Hiervoor zijn cameravallen (zie foto 1 en 2) geplaatst. Deze soort is door z’n verborgen leefwijze en/of lage dichtheden lastig op te sporen. Om de aanwezigheid van deze soort vast te stellen is gebruik gemaakt van een combinatie van de volgende methoden: - Cameraval (of struikrover) met lokmiddel - Marterbox (type ‘Mostela’)

Foto 1. Geplaatste marterbox in het plangebied (foto: R. Top).

Pagina 7

Foto 2. Voorbeeld van een Struikrover cameraval (foto: Cameraval.eu).

Pagina 8

De apparatuur is ingezet nabij potentiële verblijfplaatsen. Dit zijn: takkenhopen, struweelranden/bosschages, bij zoogdierholen, greppel, dichte beplantingen etc. Dit gericht onderzoek is verricht in de periode waarop de dieren het meest actief zijn, te weten van medio april tot en met augustus (zie tabel 1). Hierbij zijn de cameravallen minimaal 6 weken in het gebied geplaatst. Tijdens deze periode zijn de eenheden zo min mogelijk beroerd om verstoring te voorkomen. Na 3 weken zijn de eenheden éénmalig gecontroleerd op sporen en eventuele schade en zijn gelijk de geheugenkaartjes van de camera’s vervangen. Na 6 weken zijn de eenheden opgehaald en de fotobeelden geanalyseerd en de aangetroffen zoogdieren op naam gebracht. Onderzoeker

Bezoekronde

Datum

R. Top

Plaatsen cameravallen

01-06-2023

R. Top

Tussentijdse controle

22-06-2023

R. Top

Ophalen cameravallen

13-07-2023

Tabel 1. Veldonderzoek wezel.

3.1.2

Teunisbloempijlstaart

Delen van het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de teunisbloempijlstaart. Het betreft de locaties waar diverse rozetten en uitgebloeide bloemstengels van teunisbloem zijn aangetroffen. Gericht onderzoek naar het voorkomen van de soort is noodzakelijk in de periode dat de rupsen het meest actief zijn. Voor de teunisbloempijlstaart is geen landelijk erkend onderzoeksprotocol beschikbaar. De aanwezigheid van deze beschermde nachtvlindersoort is het beste vast te stellen door in de periode juni – september, met de nadruk op de periode half juli – 1 augustus, naar volgroeide rupsen te zoeken. Hiervoor is minimaal één veldbezoek gedurende deze periode noodzakelijk, waarbij gezocht moet worden naar rupsen en hun sporen, zoals vraatsporen en uitwerpselen op de waardplant. Om de trefkans te vergroten voert Staring Advies twee veldbezoeken in de periode 1 juli – 1 september uit (zie tabel 2).

Onderzoeker Bezoekronde

Datum

Tijdstip

Weersomstandigheden

R. Boerboom

1

13-7-2023

08:55 uur

Bewolkt, droog, 19°C, windkracht 2 Bft

R. Boerboom

2

3-8-2023

12:20 uur

Bewolkt, droog, 18°C, windkracht 2 Bft

Tabel 2. Veldonderzoek teunisbloempijlstaart.

Pagina 9

3.2

Resultaten

Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het aanvullend onderzoek naar de wezel en teunisbloempijlstaart.

3.2.1

Wezel

Tijdens het cameravallen onderzoek is de wezel niet vastgesteld in het plangebied. Ook zijn er geen andere marterachtigen op beeld vastgelegd. Zowel op de camerabeelden uit de Struikrover als op de camerabeelden uit de marterbox zijn hoofdzakelijk muizen aangetroffen (zie foto 3 t/m 11). Herkenbaar waren onder andere bosmuis, rosse woelmuis, huismuis en een spitsmuis (soort onbekend). Daarnaast is twee keer een gewone pad waargenomen in de marterbox (zie foto 12). Op de volgende pagina’s is een selectie van foto’s van de waargenomen muizen en de gewone pad weergegeven. Conclusie Gezien het ontbreken van beelden van de wezel kan gesteld worden dat het plangebied niet in gebruik is als leefgebied door de soort en dat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

Pagina 10

Foto 3 t/m 5. Selectie van camerabeelden van muizen vanuit de marterbox.

Pagina 11

Foto 6 t/m 8. Selectie van camerabeelden van muizen vanuit de Struikrover cameraval.

Pagina 12

Foto 9 t/m 11. Selectie van camerabeelden van muizen vanuit de Struikrover cameraval.

Pagina 13

Foto 12. Gewone pad in de marterbox.

Pagina 14

3.2.2

Teunisbloempijlstaart

In het plangebied bevindt zich een groeiplaats van teunisbloemen (Oenothera sp.) in de zuidwesthoek van het terrein, op de overgang van de bosschage naar het grasland, dicht tegen de Terborgseweg (zie foto 13 en 14). Hier stonden tijdens het veldbezoek circa 15 bloemstengels. Net buiten het plangebied, op het trottoir van de Frans Halsweg ten hoogte van het plangebied, staan ook nog enkele teunisbloemen (zie foto 15). Onderzoeksronde 1: 13 juli 2023 Tijdens de eerste onderzoeksronde zijn alle bloemstengels gecontroleerd op rupsen en sporen hiervan. Bij aanwezigheid van de rups van de teunisbloempijlstaart zijn namelijk vaak uitwerpselen zichtbaar op de bladeren en kunnen vraatsporen aangetroffen worden. De rupsen rusten overdag vaak tegen de bloemstengels aan, bovenin de stengel. Tijdens het eerste bezoek zijn geen rupsen van de teunisbloempijlstaart aangetroffen in het plangebied. Ook zijn geen sporen aangetroffen. Ook bij de teunisbloemen net buiten het plangebied zijn ook geen rupsen, of sporen hiervan, aangetroffen.

Foto 13. Groeiplaats van teunisbloemen in het plangebied (foto: R. Boerboom).

Pagina 15

Foto 14. Groeiplaats van teunisbloemen in het plangebied (foto: R. Boerboom).

Foto 15. Groeiplaats van teunisbloemen aan de Frans Halsweg, net buiten het plangebied (foto: R. Boerboom).

Pagina 16

Onderzoeksronde 2: 3 augustus 2023 Tijdens de tweede controleronde was men bezig de vegetatie in het plangebied te klepelen en was een gedeelte van het plangebied waar de teunisbloemen stonden al geklepeld (zie foto 16). Alleen enkele teunisbloemen net buiten het plangebied waren nog intact, maar daarop zijn geen rupsen van de teunisbloempijlstaart, of sporen daarvan, aangetroffen. Er kon in het plangebied dus niet op aanwezigheid van rupsen gecontroleerd worden.

Foto 16. Klepelen van de vegetatie in het plangebied, inclusief de teunisbloemen op 3 augustus (foto: R. Boerboom).

Conclusie: Binnen de grenzen van het plangebied is geen leefgebied van de teunisbloempijlstaart vastgesteld. Bij het eerste veldbezoek zijn geen rupsen van de teunisbloempijlstaart, of sporen hiervan, aangetroffen in het plangebied. Bij het tweede veldbezoek konden aanwezige teunisbloemen niet gecontroleerd worden, aangezien deze door klepelwerkzaamheden waren verwijderd. De aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart kan niet volledig worden uitgesloten. Echter door het niet aantreffen van de soort bij het eerste veldbezoek, waarbij alle teunisbloemen in het plangebied gecontroleerd zijn, en het niet aantreffen van de soort bij de nog resterende teunisbloemen net buiten het plangebied bij het tweede veldbezoek is het aannemelijk dat er geen sprake is van leefgebied van de soort in het plangebied.

Pagina 17

Het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing voor de teunisbloempijlstaart wordt niet noodzakelijk geacht. Compensatie van leefgebied voor de soort wordt in dit geval bovendien als weinig zinvol gezien. De waardplanten van deze soort (teunisbloem sp., basterdwederik sp., wilgenroosje en grote kattenstaart) zijn algemeen en staan overal. Diverse bermen, slootkanten, natuurterreinen, braakliggende percelen en andere ruderale plekken in de directe omgeving van het plangebied herbergen voldoende leefgebied voor de soort. Het is een trekvlinder die grote afstanden af kan leggen en, mede daardoor, lastig te sturen. De soort wordt ook regelmatig in tuinen aangetroffen.

Pagina 18

4 Wet natuurbescherming 4.1

Toetsing aan Wet natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Van de huismus, steenuil, steenmarter en gewone dwergvleermuis zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en/of de nestlocaties jaarrond beschermd. Ook het leefgebied dat van belang is voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats is beschermd. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld functioneel leefgebied (migratieroutes of foerageergebieden) ook beschermd zijn. De effecten op de wezel en teunisbloempijlstaart en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden en de relevante verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1).

4.2

Wezel

Tijdens het gericht veldonderzoek zijn geen wezels waargenomen in het plangebied. Er is een sprake van een vaste rust- en verblijfplaats van de soort in het plangebied. Er is door het ontbreken van waarnemingen ook geen sprake van een functioneel leefgebied van de soort. Derhalve is een ontheffingsaanvraag ten aanzien van de vaste rust- en verblijfplaatsen en/of functionele leefomgeving van de wezel niet noodzakelijk.

4.3

Teunisbloempijlstaart

Tijdens het gericht veldonderzoek zijn geen rupsen van de teunisbloempijlstaart waargenomen in het plangebied. Er is geen sprake van een leefgebied van de soort in het plangebied. Derhalve is een ontheffingsaanvraag ten aanzien van de teunisbloempijlstaart niet noodzakelijk.

Pagina 19

5 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Uit gericht onderzoek blijkt dat de geplande ruimtelijke ontwikkelingen op het perceel aan de Terborgseweg in Doetinchem geen negatief effect hebben op de beschermde wezel. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort. Binnen de grenzen van het plangebied is geen leefgebied van de beschermde teunisbloempijlstaart vastgesteld. Ondanks dat het tweede veldbezoek niet uitgevoerd kan worden, is de inschatting dat de soort geen leefgebied heeft in het plangebied. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming en/of het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Verstoring van broedvogels moet worden voorkomen. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen.

Pagina 20

Bijlagen 1

Wettelijk kader Wet natuurbescherming

Pagina 21

Bijlage 1

Wettelijk kader Wet natuurbescherming

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 22

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).

Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 23

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 24

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 25

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 26

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 27

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 28

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •

•

dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of

c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.

Pagina 29

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl

Pagina 30

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://besluitvorming.doetinchem.nl/api/v1/meetings/8094/documents/48147